Archive for september, 2013

6 september 2013

De nazi als geus – Over taalnazi’s en andere onaangename lieden

door Jan Dirk Snel

[Vrijdag 6 september 2013] Het begon bij het Litouws. Bij die taal begint, althans in de taalkunde, menige verhandeling omdat ze nog allerlei heerlijk ‘ouderwetse’ kenmerken heeft, waaronder een uitgebreid naamvallensysteem, waar zelfs buitenlandse eigennamen zich naar dienen te voegen. Zo heten de vorige twee presidenten van de Verenigde Staten van Amerika in Litouwen Bilas Klintonas en Džordžas Bušas en gaat de huidige daar voluit als Barakas Huseinas Obama door het leven.

Gisteren meldde NOS op 3 dat er in Litouwen een heuse taalpolitie zou bestaan. Het was een berichtje op grond van een item in het programma ‘Nieuwe Feiten’ op het Vlaamse Radio 1 van de dag ervoor over de Staatscommisie voor de Litouwse Taal (VLKK), die vooral een regulerende taak lijkt te hebben (en Albert Heijn bij vestiging in Litouwen vast en zeker tot Albertas Heijnas of zoiets zou omdopen). In de wettelijke regeling zie ik onder de bevoegdheden niet direct iets over het opleggen van boetes staan of iets anders dat aanleiding geeft om de commissie als taalpolitie te bestempelen, maar kennelijk heeft een rechtbank of hebben rechtbanken in Litouwen ooit wel eens boetes – administratieve, neem ik dan aan – opgelegd. Echt nieuw nieuws was het berichtje in ieder geval niet, eerder een geval van binnen-Europees ‘oriëntalisme’: zie toch eens hoe gek ze elders doen! En vooral ook van zelf even ‘lekker gek’ doen, want dat de kop – ‘Litouws tikfoutje? Betalen’ – letterlijk waar geweest zou kunnen zijn, dat zal de betreffende redacteur heus niet gedacht hebben. Overdrijven is ook een kunst.

Exif_JPEG_PICTURE

De filosoof dr Tobie Goedewaagen (1895-1980) ontwikkelde zich in de jaren dertig tegelijk tot hegeliaan en nationaalsocialist. Hij had ook verstand van talen en na de oorlog doceerde hij Grieks en Latijn. Het heeft weinig zin hem een taalnazi te noemen.

Taalnazi
Toen Huub Bellemakers op Twitter gisteren naar het stukje verwees met de opmerking ‘Dit is echt bezopen. En niet alleen omdat ik een hekel heb aan taalnazi’s’, ontlokte dat aan Sjoerd van Hoorn deze reactie (1, 2):

‘Het woord ‘taalnazi’s’ vind ik weerzinwekkend. De Nazi’s hebben de Duitse taal vervormd tot een repressief middel. Wat taal vd Nazi’s: ‘Gleichschaltung’, ‘Entartet’, ‘Judenrein’. Taalpuristen #taalnazi noemen is walgelijk.’

En na een korte uitwisseling besloot hij een stukje te schrijven, dat tegen het eind van de middag verscheen op The Post Online onder de titel ‘Taalnazi’s: een merkwaardig geval van Godwin‘, waarin hij uitlegt waarom hij het woord taalnazi als aanduiding voor een (actieve, anderen lastige vallende) taalpurist nooit meer wil horen. Ik ben het eigenlijk wel met hem eens, al moet ik er wel bij zeggen dat hij alle nadruk op de meest zwarte kanten van het nationaalsocialisme legt, het totalitaire van het systeem, het moorden ook. Op zich vanuit hedendaagse perspectief terecht, maar het kan je wel beletten om de meer verheven motieven waarom mensen destijds voor deze ideologie kozen, te onderkennen. Ik bedoel maar, onlangs las ik de biografie van de filosoof Tobie Goedewaagen (1895-1980), in de oorlog de man achter de gelijkschakeling van de pers en de Kultuurkamer, van de hand van Benien van Berkel en in de ondertitel omschrijft ze hem terecht als een ‘onverbeterlijke nationaalsocialist’, terwijl hij toch eigenlijk geen mens ooit fysiek of rechtstreeks kwaad heeft gedaan; hij wilde wel het volk verheffen – door schone kunst en door opbeurende journalistiek. Kortom, een nazi kon ook gewoon iets denken zonder te moorden. Maar dit terzijde.

De vraag die bij mij opkwam, is waar die uitdrukking taalnazi nu eigenlijk vandaan komt en sinds wanneer het woord gebruikt wordt. Ze wordt zeker niet alleen als scheldwoord gehanteerd. Nee, lieden die anderen ongevraagd met hun aanmerkingen en verbeteringen aangaande taalgebruik lastig vallen, noemen zichzelf vaak trots taalnazi. Het is een soort geuzennaam geworden. Als we op Google afgaan, kwam het woord bijna tien jaar geleden al voor. Op 6 januari 2004 meldde iemand op een Belgische weblog dat het ‘straf’ was ‘aan den toog uitgekafferd te worden voor taal-nazi’. (De twee resultaten die Google uit 2001 en 2002 lijkt te bieden, lijken me in werkelijkheid van recenter datum.)

De laatste jaren moet de term vrij gangbaar zijn geworden. Op 23 oktober 2010 maakte Jaap de Berg in zijn taalrubriek in Trouw melding van een (genomineerde) site die Taalnazi zou heten en ‘gejeremieer over twitterfeilen’ zou bieden. Daarmee weten we nog niet wat de (toenmalige) URL van die site was. Wel leert de SIDN ons we dat iets later dat jaar, op 7 december 2010, Reli-Update van Peter van Zoest de domeinnaam taalnazi.nl liet registreren. Wie daar nu op klikt, wordt doorgelinkt naar reli-update.blogspot.nl van dezelfde heer Van Zoest, zelf bekend vanwege zijn markante wijze van uiten en communiceren. Het twitteraccount taalnazi blijkt overigens opgeschort te zijn. [Toevoeging 8 september 2013: zie nu ook de reactie door Peter van Zoest hieronder.]

In het Duits lijkt de Sprachnazi, tenminste als we afgaan op Google, ongeveer gelijktijdig opgang gemaakt te hebben. ‘Soooo ein schlimmer Sprachnazi bin ich doch auch wieder nicht, oder?’ vroeg iemand zich op 5 januari 2005 op een forum af. Sprachnazi, zo leert de taalsite MundMische – ‘Spass an Umgangssprache und Sprichwörtern’ – ons, is de ‘Bezeichnung für Menschen, die auf übertriebene sprachliche Korrektheit achten’.

Engels
We moeten de andere kant op kijken, naar het Engelse taalgebied. Google leert dat al in mei 2000 de term ‘language nazi’ op een internetforum gebruikt werd. (Opnieuw moet men de resultaten van Google kritisch doornemen: de meeste Google-vermeldingen blijken bij nader inzien niets op te leveren.) En ook in het Engelse taalgebied is de uitdrukking tegenwoordig ruim bekend en wordt ze zelfs expliciet gedefinieerd, al is het de vraag of een omschrijving als ‘a culturally-intolerant person who complains when someone speaks a language other than the language of the referred-to person’, hoewel ongetwijfeld ook juist, wel de meest adequate is.

We moeten echter de blik breder richten. Als het om taalgebruik gaat, kent het Engels ook nog de Grammar Nazi. En volgens Wikipedia is dat ‘an individual noticing a grammatical mistake and correcting obsessively. “Grammar Nazis” usually correct any punctuation or spelling errors they find in a comment or post’. Dat lijkt ongeveer het equivalent en vooral ook het origineel van de taalnazi te zijn. Zus of broer Wiktionary biedt een enigszins vergelijkbare definitie: ‘(slang, idiomatic) A person who habitually corrects or criticizes the language usage of others, especially in situations where it is unnecessary e.g. an informal conversation’. Het zal Sjoerd van Hoorn goed doen dat er een aantekening aan toegevoegd is: ‘As actual Nazis practiced genocide and were responsible for the murder of millions of people during the Second World War, this use of the word may be considered to be offensive and in poor taste’.

Het is duidelijk dat deze figuur in het Engelse taalgebruik ouder is. Als we opnieuw Google raadplegen, dan zien we dat de term Grammar Nazi al in de jaren negentig in omloop was. (Weliswaar zijn ook nu lang niet alle resultaten betrouwbaar, maar er blijkt toch wel het een en ander over te blijven.) En al in 1999 komen we de Grammar Nazi bijvoorbeeld tegen in een gedrukt boek. Daarnaast komen we in dezelfde jaren ook al de Spelling Nazi tegen. En die blijkt in de gedaante van een bijzonder irritant type opvoeder zelfs al in 1990 de tekst van een heus boek gehaald te hebben.

Nazi’s
Maar we zijn er nog niet. Wat blijkt? Dat het hier niet om een enkele combinatie gaat, maar dat het woord nazi in het Engels in de afgelopen decennia een extra betekenis heeft gekregen. De website Oxford Dictionnaries omschrijft een nazi als volgt: ‘historical a member of the National Socialist German Workers’ Party; derogatory a person with extreme racist or authoritarian views; a person who seeks to impose their views on others in a very autocratic or inflexible way‘ . (De weergave heb ik iets aangepast.) En het blijkt dat de officiële OED (Oxford English Dictionary) die laatste omschrijving ook ongeveer zo kent: ‘hyperbolically. A person who is perceived to be authoritarian, autocratic, or inflexible; one who seeks to impose his or her views upon others. Usu. derogatory’. Vermeld wordt nog dat het oudste voorbeeld van dit gebruik aangetroffen werd bij P.J. O’Rourke, die het in 1982 in Inquiry over Safety Nazi’s had:

‘The forces of safety are afoot in the land. I, for one, believe it is a conspiracy— a conspiracy of Safety Nazis shouting Sieg Health and seeking to trammel freedom, liberty, and large noisy parties. The Safety Nazis advocate gun control, vigorous exercise, and health foods. The result can only be a disarmed, exhausted, and half-starved population ready to acquiesce to dictatorship of some kind.’

De man staat nu eenmaal niet bekend om zijn subtiliteit, zullen we maar voorzichtig opmerken. Ook de totaal losgeslagen en permanent in de hoogste staat van opwinding verkerende radioschreeuwer Rush Limbaugh blijkt er niet wars van te zijn anderen voor nazi uit te schelden. Hij noemt feministes kennelijk graag feminazi’s – grote geesten herken je steevast aan de originaliteit.

Het lijkt me overigens nog maar de vraag of dat hedendaagse, oorspronkelijk hyperbolische gebruik van nazi nog wel zo derogatory is, als het woordenboek wil. Hyperbolen slijten snel en overdrachtelijk gebruik verkeert al ras in alledaagsheid. Het begrip nazi werd kennelijk vooral met overdreven discipline en regelzucht geassocieerd, zoals dat vroeger wel het geval was met het adjectief Pruisisch. En van scheldwoord verkeerde het al snel in geuzennaam. Grammar Nazi of taalnazi veranderen al snel in ironische zelfaanduidingen en ook ironie slijt bij herhaaldelijk gebruik. Wie even wat zoekt, ziet dat je tegenwoordig allerlei soorten nazi’s hebt, die inzake bepaalde thema’s alleen maar streng of hinderlijk overijverig zijn. Je hebt dus tegenwoordig ook Health Nazi’sBeauty Nazi’s en Trafic Nazi’s. Overal waar regels of normen gelden, en waarschijnlijk vooral waar ze informeel gelden, kunnen er zogeheten nazi’s opduiken, die anderen met gretigheid de regels voor ogen houden.

De goede nazi
De ironie van het geval wil dat het begrip nazi zo juist met loffelijke, goede zaken verbonden wordt: met gezondheid, schoonheid, veiligheid, zorg voor taal en nog veel meer. De strengheid die ooit wreedheid kon betekenen, wordt dan niet meer gezien als louter afkeurenswaardig, maar in toenemende mate juist ook als prijzenswaardige ijver. In het Engelse taalgebied is die tendens nu kennelijk al drie decennia gaande en gegeven de grote invloed van het Engels op ons taalgebruik lijkt het welhaast onvermijdelijk dat de taalnazi nog wel even blijft en dat hij gezelschap van andere nazi’s zal krijgen, als die tenminste niet reeds rondwaren. Maar je hoeft je er met Sjoerd van Hoorn nu ook weer niet voetstoots bij neer te leggen. Een taalnazi blijft een onaangenaam mens, ook buiten de Haarlemmerhout. Erop wijzen dat het hier nu eenmaal om een ‘internetmeme’ gaat, lijkt me verder ook weinig behulpzaam.

Het vereist misschien wat creativiteit om voor een bemoeizuchtige taalverbeteraar een betere naam te verzinnen. Taalbemoeial klinkt misschien net iets te tam. Maar och, je kunt dat soort figuren in het algemeen maar beter negeren. Uiteraard kent de taal regels, maar ze dienen vooral om een goed wederzijds begrip mogelijk te maken. Wie een ander ongevraagd op diens vermeende veronachtzaming van de regels aanspreekt, laadt de verdenking op zich verder ook niet zo bar veel te melden te hebben. Kortom, ik kan heerlijk evenwichtig eindigen: ook de opmerking van Huub Bellemakers begreep ik wel.

Naschrift (17.35 en 17.55 uur)
Zoals dat wel vaker het geval is, zag ik ook nu na publicatie nog enkele feilen. Ik heb dus enige kleine correcties aangebracht. En ik heb het slot aangepast. Soms bedenk je iets net te laat.

Tweede naschrift (19.15 uur)
Op Twitter vroeg Ronald Klip me net: RonaldKnip

‘Ken je de Soup Nazi? Klassieke aflevering van Seinfeld, uit 1995. Toont dat nazi in de VS losser wordt gebruikt.’

Nee, die aflevering kende ik niet, althans niet dat ik me herinner, maar het is een uitstekende aanvulling bij het bovenstaande verhaal, die ik hier dan ook direct maar even doorgeef. Er blijkt een specifiek lemma van Wikipedia over te zijn: ‘The term “Nazi” is used as an exaggeration of the excessively strict regimentation he constantly demands of his patrons.’ En de hij is dan het personage dat de Soup Nazi heet. Fragmenten staan ook op YouTube. Enfin, dat soort dingen vindt men zelf wel. Dank aan Ronald Klip voor de effectieve wijze waarop hij me wijzer maakte!

Derde naschrift (19.25 uur)
De term die vanouds gebruikt werd, moet overigens criticaster te zijn. Het WNT omschrijft de betreffende figuur als een ”onredelijk, vitterig of onbevoegd criticus; muggenzifter.’ Waarmee we dan meteen nog een tweede alternatief hebben. Maar criticaster lijkt ietwat uitgewerkt te zijn en ik heb de indruk dat veel taalgebruikers het onderscheid met criticus nauwelijks zien. En ja, een muggenzifter heeft ook net een iets andere gevoelswaarde. Het lijkt een woord uit vriendelijker tijden, toen men althans verbaal behoedzamer of omzichtiger met elkaar omging.

Vierde naschrift (maandag 9 september 2013, 12.30 uur)
Het is misschien goed om mogelijke alternatieven op te sommen die tijdens twitteruitwisselingen naar boven kwamen. Evert te Winkel zou kiezen voor de term taalstasi, maar voegde er onmiddellijk aan toe dat die ‘toch wat van de scherpte’ van de taalnazi mist. Bart de Ruiter noemde taalterrorist of de Taaliban als vergelijkbare alternatieven en opperde vervolgens taaltiran: ‘klinkt al iets positiever en verwijst niet direct naar oorlog of extremisme’. Lot Oostveen meldde dat ze zelf ‘als iets vriendelijker klinkend alternatief’ taalteek of taalguerilla hanteert, waarna ze ook nog wees op ‘een mooi alternatief’ in het twitterprofiel van JudgeJoyce, te weten de taalzeloot.

 (119)

4 september 2013

Waarheid en belang – President Obama en het geval-Syrië

door Jan Dirk Snel

Gisteren tweette Harald Doornbos, een ervaren Midden-Oostencorrespondent die ik zeer hoog heb, dit:

Wantrouw alle info over Syrië. Assad. Rebellen. Amerika. Rusland. Bij allen gaat het om “is dit in mijn belang?” NIET om “is dit waar?”‘

Het was een waarschuwing die op veel instemming kon rekenen. 54 keer werd ze tot op dit moment geretweet. Vrijwel alle reacties waren, voor zover ik dat zien kan, instemmend.

kerry

John Kerry tijdens zijn toespraak over Syrië op 30 augustus 2013

Werkelijkheid
Toch wil ik er een kanttekening bij plaatsen. Niet omdat de opmerking volstrekt onjuist zou zijn, maar wel omdat de snelle instemming wellicht ook iets zegt over een tendens of neiging die maatschappelijk zeer algemeen is. Ja, het is op zich verstandig om als iemand voor een bewering waarheid claimt, je af te vragen of de geponeerde stelling of het vertelde verhaal misschien in het belang van de spreker is. Toch gaat het om twee afzonderlijke vragen, die weliswaar met elkaar in verband gebracht kunnen worden, maar die een afzonderlijk antwoord verdienen.

Wat waarheid is, weten we allemaal. Veritas est adaequatio rei et intellectus. In alle tijden en alle culturen is dat de kern van wat men onder waarheid verstaat, wat men er verder ook nog aan moge toevoegen. Sinds ongeveer een eeuw zaaien sommige filosofen verwarring door dit de correspondentietheorie van de waarheid te noemen, alsof het slechts om een van de vele of althans diverse waarheidstheorieën zou gaan. Dat is niet zo. De consistentietheorie en de pragmatische opvatting behandelen slechts andere aspecten die óók met het begrip waarheid in verband gebracht kunnen worden. De waarheid ligt ook niet alleen in een bewering, maar juist in de relatie of de verbinding daarvan met de werkelijkheid, in de adaequatio uit de gangbare omschrijving dus. Waarheid is een kwestie van epistemologische harmonie met de omringende werkelijkheid, zoals ik bij een vorige gelegenheid uiteenzette.

Wat belang is of wat belangen zijn, valt veel moeilijker te beantwoorden. Belang behoeft gemeenlijk een nadere kwalificatie. Belangen kunnen economisch zijn, maar ook politiek, cultureel of ideologisch. En nog veel meer. Het woordenboek omschrijft belang als ‘iets dat iemand raakt, dat voor hem niet onverschillig is’. Ook hier gaat het dus om de relatie tot de werkelijkheid, maar die is minder afstandelijk dan bij waarheid, Het gaat om wat mensen raakt. Belang lijkt een directere, soms ook emotionele verhouding tot het menselijk handelen te hebben. Ook het Woordenboek der Nederlandsche Taal geeft al aan dat belang op een uitgebreid sociaal ontologisch spectrum betrekking kan hebben. Iets kan iemand raken ‘doordat zijn voordeel, zijn voorspoed, er mede gemoeid is’, maar ook ‘doordat het een gevoel van nieuwsgierigheid, deelneming enz. in hem opwekt’. Kortom, het kan om het materiële en economische gaan, maar ook om het geestelijke.

Ook bij belangen gaat het dus om onze verhouding tot de werkelijkheid, maar het punt waar het op aankomt, is dat die relatie niet afstandelijk of vrijblijvend is. Je zou misschien een onderscheid kunnen maken tussen een negatief en een positief aspect. Negatief beperken belangen je. Het gaat dan vaak om economische belangen. Als je heel veel olie uit Saoedi-Arabië haalt, is het niet handig om ruzie met het bewind in dat land te krijgen. Maar het kan ook over andere aspecten gaan. Als Amerikaanse kiezers al jaren veel belang hechten aan het welzijn van de staat Israël, dan worden Amerikaanse politici beperkt in hun mogelijkheden een kritische houding in te nemen. Bij het negatieve aspect gaat het vooral om bestaande belangen, het verleden. Positief gaat het eerder om doeleinden, de toekomst. Wie de bevordering van de internationale rechtsorde tot een belang verklaart, heeft op zich nog meer keuzemogelijkheden, zolang de middelen om een doel te verwezenlijken niet in conflict komen met bestaande belangen. Maar bij positieve belangen is er in het algemeen meer vrijheid van handelen.

Belangen
Een waarheid kan in iemands belang zijn, maar er ook tegenin gaan. Neem nu Syrië. Dat er in buitenwijken van Damascus op woensdag 21 augustus 2013 een gifgasaanval heeft plaatsgevonden, dat lijkt op grond van ooggetuigenverslagen, waarnemingen en beelden wel vast te staan (ook al lijken sommigen op grond van strenge criteria misschien nog enkele vragen te hebben). De vraag waar het vervolgens om ging, was wie er nu precies achter de aanval zat. Het regime of een bepaalde groep rebellen? Waartussen je dan nog ingewikkelder theorieën had, die bijvoorbeeld veronderstelden dat er bij beschietingen per ongeluk gifgasvoorraden geraakt waren, waarbij er dan logischerwijze ook nog vier mogelijke combinaties tussen degenen die schoten, en degenen die de opslagplaatsen beheerden, denkbaar waren.

Wat het belang van de Amerikaanse president Barack Obama in dit geval was, is duidelijk. Dat de rebellen het gedaan zouden hebben. De onmogelijke positie waarin Obama beland was of zichzelf gemanoeuvreerd had, is de afgelopen week uitvoerig uit de doeken gedaan. Door al lang van tevoren een ‘rode streep’ te trekken, had en heeft hij zich in een netelige positie gebracht. Om zijn waarschuwing gestand te doen, moet hij eigenlijk wel optreden – waarbij ik hier even de discussie over de legaliteit en de taak van de VN buiten beschouwing laat – terwijl concreet ingrijpen eigenlijk nauwelijks zin lijkt te hebben en hooguit alleen nog maar meer vernieling en leed kan brengen in een land dat daar al van vergeven is. ‘Vreselijk onverstandig, maar domweg onvermijdelijk’, luidde de adequate samenvatting door Bas Heijne. Niets had Obama dus beter kunnen uitkomen dan de vaststelling dat het regime niet de schuldige was. Hij had dan niets hoeven te doen, want het zou waarschijnlijk te ingewikkeld geweest zijn om de rebellen gericht te bestraffen. Kortom, het objectieve belang van Obama was duidelijk en zijn optreden als reluctant warrior lijkt dat te bevestigen.

Je zou dus kunnen betogen dat het feit dat de Amerikaanse inlichtingendiensten met een uitkomst kwamen die de president niet goed kon uitkomen, voor de waarheid van hun bevindingen pleit. Maar op zich zegt de verhouding ten opzichte van belangen natuurlijk nog niets over de waarheid van een verhaal. In 2003 kwamen de diensten met een verhaal dat de ideeën van de toenmalige president en zijn ministers aangaande Irak juist ondersteunde. Dat gaf te denken en Joschka Fischer antwoordde op de presentatie van Colin Powell terecht dat hij niet overtuigd was. Maar in beide gevallen kwam of komt het toch gewoon aan op de vraag naar de feiten: is wat men beweert, in overeenstemming met de werkelijkheid? Kortom, de vraag naar belangen kan een zekere heuristische waarde hebben, maar de waarheidsvraag kan nooit tot de cui bono-vraag herleid worden. Het gaat om twee afzonderlijke vragen die afzonderlijk beantwoord dienen te worden.

Wantrouwen
In dit geval komen de Amerikaanse verhalen, de rede van John Kerry van vrijdag 31 augustus 2013 en het bijbehorende ‘Government Assessment of the Syrian Government’s Use of Chemical Weapons on August 21, 2013′, geloofwaardig over, vooral ook omdat ze overeenkomen met journalistieke berichten en met de bevindingen van andere inlichtingendiensten, terwijl er eigenlijk geen feitenrelazen beschikbaar zijn die de schuld geloofwaardig bij (de) rebellen leggen. En ook het feit dat de Russische president Poetin de Amerikanen nu vraagt om bewijs dat het reguliere Syrische leger chemische wapens inzette, voor te leggen aan de VN-Veligheidsraad, maakt het waarschijnlijk dat Rusland zelf in ieder geval niet over ander bewijs, dat de schuld ondubbelzinnig bij de rebellen legt, beschikt. Maar ondertussen zijn we afhankelijk van vertrouwen, we kunnen de gegevens niet zelfstandig controleren en het ziet er naar uit dat de Amerikanen ook niet over simpel materiaal dat eenduidig is, beschikken, want dan zouden ze dat ongetwijfeld vrij hebben gegeven. Kennelijk gaat het om de combinatie van heel veel verschillende gegevens, deels ook uit bronnen die beschermd moeten worden.

Een zeker wantrouwen lijkt me dus methodisch op zijn plaats. We kunnen niet zelf oordelen, we kunnen alleen redeneren en vertrouwen. Maar wat nu opvalt, is dat het wantrouwen vaak precies omgekeerd is. In veel van de discussies wordt de vergelijking met 2003, de Irak-oorlog, juist omgekeerd gemaakt dan zakelijk voor de hand ligt, namelijk door te veronderstellen dat Obama nu net als Bush zou staan de popelen om in te grijpen. In feite wordt dan de waarheid niet meer vanuit het belang betwijfeld, maar wordt vanuit een voorliggende, als waar gepresenteerde voorstelling het belang beredeneerd. Iemand wil dat of gaat dat doen, dan moeten de feiten die daarin ten grondslag liggen, wel uit belang voorkomen.

Het is een denkwijze die we vaak tegenkomen, met name als het om buitenlandse politiek gaat. Als een land een beslissing neemt, moet daar wel een belang, het liefst een economisch belang, de reden voor vormen. Zo hoor je nog regelmatig beweren dat Israël zo strategisch ligt. Ja, dat klopt inmiddels ook, maar alleen omdat de Verenigde Staten en veel westerse landen zich zo nauw bij de lotgevallen ervan betrokken voelen, niet omdat er van origine een groot materieel belang was. Het aardige is dat diplomaten en ambtenaren op ministeries van buitenlandse zaken ook vaak denken dat alles wat de minister doet, wel uit belang moet voortkomen. Als het niet direct inzichtelijk is, moet het toch gevonden kunnen worden.

In de afgelopen eeuw is er een structurele achterdocht in het westerse denken binnengeslopen. Marx leerde ons dat ideeën altijd afhankelijk waren van materiële belangen. Nietzsche daarentegen wees op het streven naar macht. En Freud betoogde dat onbewuste krachten in werkelijkheid onze gedachten en handelingen stuurden. Niets was zoals het leek. Maar ook al is het waar dat economische belangen, het streven naar macht, onbeheersbare krachten invloed hebben op onze ideeën en die in hoge mate bepalen, zodra het gaat om de waarheid van ideeën, blijft de vraag daarnaar toch een zelfstandige vraag. Die kan nooit gereduceerd worden tot andere aspecten. Maar toch zien we nu bij veel mensen een houding waarbij men denkt dat waarheid niet bestaat of niet te vinden is of er niet toe doet. Ze achten zichzelf waarschijnlijk kritisch, maar in werkelijkheid blijkt hun cynisme juist onkritisch te zijn.

Waarheid
In de analytische wijsbegeerte bestaat soms de neiging om waarheid tot propositionaliteit te beperken. Desda, dan en slechts dan als, de onhandige vertaling van if and only if, het idee dat waarheid de equivalentie is tussen een enkelvoudige bewering en een bepaalde stand van zaken. Maar zodra het over de waarheid van gifgasaanvallen in Damascus gaat, beseffen we natuurlijk dat het hier slechts om een grensgeval van waarheid gaat. Ja, voor individuele feiten is het belangrijk dat de overeenkomst met een concrete werkelijkheid nauwkeurig vastgesteld wordt. Maar de waarheid van een geheel verhaal – wie deed het? – is weliswaar afhankelijk van veel van die feiten, maar hangt niet van een paar enkele feiten af, ook niet als een paar ervan bij nader inzien niet blijken te kloppen, en die kan ook niet in zo’n simpele equivalentie gevangen worden. In dit geval is waarheid samengesteld en dat is eigenlijk altijd, of tenminste heel vaak, zo, als het werkelijk om de vraag naar de waarheid gaat.

Ook als er belangen in het geding zijn, houdt de waarheid haar eigen kracht. Wie er belang bij heeft om de waarheid buiten beeld te houden, bijvoorbeeld door slechts de halve waarheid te vertellen, of om regelrecht te liegen, heeft nog steeds veel met waarheid te stellen, al was het maar omdat het nogal wat werk kost om geloofwaardig en vooral consistent – consistentie is vooral een negatief controlecriterium – een verzonnen verhaal te presenteren. Juist daarom is het soms heersende cynisme als het gaat om de waarheidsvraag, ook zo schadelijk. We kunnen de waarheid inderdaad niet altijd kennen, maar ze bestaat wel. Het komt er dan op aan om niet voortijdig op te geven, maar om de vraag naar waarheid met kracht te blijven stellen.

Naschrift (16.45 en 17.15 uur)
De ondertitel heb ik aangepast.  ‘Bij het geval-Syrië’ heb ik veranderd in ‘President Obama en het geval-Syrië’. Ook heb ik nog wat fouten uit de tekst gehaald. En ik heb één inhoudelijke, adjectieve typering van een begrip vervangen.

(118)