Archive for ‘Politiek – Nederland’

26 februari 2016

Wacht met stemmen, doe niet mee aan destructieve democratie

door Jan Dirk Snel

[Vrijdag 26 februari 2016] Het referendum waarmee de Nederlandse overheid de kiesgerechtigde burger op 6 april lastigvalt, gaat in werkelijkheid over twee dingen. Ten eerste natuurlijk over de vraag die voorgelegd wordt, of men ‘voor of tegen de wet tot goedkeuring van de associatieovereenkomst tussen de Europese Unie en Oekraïne’ is. Maar ten tweede ook over de vraag of we als burgers zo’n raadgevend correctief referendum überhaupt wensen. Beide vragen zijn onontkoombaar met elkaar verweven.

Selectie
Het gaat hier om een typisch staaltje destructieve democratie. Democratie, we weten het allen, is een vrij laat element in ons politieke bestel. Al lang kenden we de constitutionele, liberale rechtsstaat met een vertegenwoordiging (bij de regering) van het volk, die de eerste eeuw door een beperkte, deskundig geachte groep burgers en aanvankelijk zelfs deels door de koning werd verkoren. Bijna honderd jaar geleden besloot men het parlement door het gehele volwassen deel van de bevolking te laten kiezen. Hét uitgangspunt van democratie is selectie. In zijn nog regelmatig aangehaalde Problemen der demokratie legde de sociaaldemocraat W.A. Bonger daar in 1934 terecht alle nadruk op. Maar het eigenaardige van democratie is dat het meerderjarige deel van het volk daar volledig bij betrokken wordt. Uiteraard valt ook dan het electoraat nog niet samen met het volk, dat de leden der Staten-Generaal grondwettelijk vertegenwoordigen, maar dichterbij komen kan men niet. Democratie is elitevorming bij gelijke politieke rechten.

bong005prob01_01_tpg

Dit is geen illustratie die een onbekende en volstrekt onverwachte zijde uit het oeuvre van Mark Rothko laat zien – zijn tot dusverre onbekende groene fase – maar de omslag van het klassieke werk van W.A. Bonger uit 1934. ‘Decisief tegen het referendum is m.i. het argument, dat het referendum onselectionistisch is’, schreef hij daarin. Zijn geestelijke nazaten sloegen zijn wijze lessen helaas in de wind. De Wet raadgevend referendum is het resultaat van een denkwijze die het wezenlijke van de democratie miskent.

Dat het referendumidee op gespannen voet staat met de democratische gedachte, is direct duidelijk. Een van de twee essentiële elementen, selectie, ontbreekt immers. Het referendum is dan ook een geliefd instrument van heersers of regeringen die de volksvertegenwoordiging willen passeren. Vanwege de strijdigheid met de representatieve democratie zijn sommigen er tout court tegen. Toch valt er in uitzonderlijke gevallen wellicht iets voor te zeggen. Bijvoorbeeld als een natie echt voor een tweesprong gaat: die kant op of die? In zo’n geval kiest men uit twee gelijkwaardige positieve opties. Ook komt het voor dat een regering bij een bijzonder zware beslissing de actieve steun van de bevolking wil verwerven. Toen de Franse president Charles de Gaulle in 1961 tot de conclusie kwam dat Algerije onafhankelijkheid verlenen onontkoombaar was, zocht hij de instemming van de kiezers. Ook bij het Griekse referendum vorig jaar wist de regering de bevolking achter zich te krijgen.

Negatief
Op 6 april gaat het echter om iets heel anders. Het referendum is raadgevend, zodat regering en volksvertegenwoordiging er niet aan gebonden zijn. Dat is op zich een goede zaak. (Kamerleden die nu reeds aankondigen de uitslag te zullen volgen, minachten welbewust de grondwettelijke opdracht ‘zonder last’ te stemmen.) Maar het gaat ook om een correctief referendum. En dat is een slechte zaak. Een dergelijk referendum is naar zijn aard negatief. Niet de keuze voor iets staat centraal, maar het boerkoekoekse teugen. En in dit geval valt dat wel bijzonder op. Het gaat om een verdrag waar 28 EU-landen en Oekraïne en 29 parlementen, vaak over meerdere kamers verdeeld, al mee ingestemd hebben, in het algemeen met overgrote meerderheid of zelfs unaniem. Het gaat bovendien om een complexe tekst waar vele jaren over onderhandeld is, ook met de vorige Oekraïense regering van Viktor Janoekovytsj. Voor en tegen zijn geen gelijkwaardige opties en het zou misleidend zijn om te doen alsof dat wel het geval is. Wie vertrouwen heeft in democratie en deskundigheid, kan zonder nadere lectuur gerust voor stemmen. Alleen wie tegen is, behoeft een grondige rechtvaardiging.

Maar de verantwoordelijke kiezer dient natuurlijk altijd te weten waar het over gaat. De referendumvraag gaat over een goedkeuringswetje van 2 bladzijden, doch verwijst ook naar de associatieovereenkomst tussen de Europese Unie en Oekraïne en die telt in het Tractatenblad 323 bladzijden. Men had van de overheid mogen verwachten dat ze deze twee teksten uit eigen beweging aan iedere kiesgerechtigde had toegestuurd. Dat had ook in de wet horen te staan. Uiteraard mogen we aannemen dat de 427.939 burgers die de referendumaanvraag van een geldige handtekening voorzagen, stuk voor stuk een volle week hebben uitgetrokken om de tekst van bijna honderdduizend woorden grondig te bestuderen. Het moet om de fine fleur van de natie gaan. Het is echter nog maar de vraag of de overheid zoiets werkelijk van alle bijna 13 miljoenen kiesgerechtigden mag verlangen. Maar het is wel van groot belang dat alle burgers concreet kunnen zien waar het over gaat. Zodat ze weten dat ze eigenlijk twee volle weekenden voor studie zouden moeten uittrekken. Vertellen dat de teksten ook wel ergens op internet staan of vanaf 9 maart kosteloos op het gemeentehuis verkrijgbaar zijn, is onvoldoende.

Asymmetrie
De Wet raadgevend referendum, die sinds 1 juli 2015 van kracht is, zeven dagen voor de koninklijke ondertekening van het goedkeuringswetje, bevoordeelt de tegenstanders. Als 16% van het electoraat tegen stemt, kunnen 15% voorstemmers de tegenstanders net over de vereiste opkomstdrempel van 30% helpen. Als 29% tegen is, bezorgen enkele voorstemmers hen al de overwinning. Pas bij een – wel erg hoge – opkomst van meer dan 60% weten we a priori zeker dat kansen gelijkwaardig waren. Tegenstanders hebben er altijd belang bij te gaan stemmen, voorstanders alleen als de tegenstanders de drempel zelfstandig halen. Anders kan het effect van hun stem precies tegengesteld zijn aan wat ze beogen. Kortom, de wet werkt asymmetrisch en is oneerlijk. De kansen zijn ongelijk. De initiatiefnemers (Kamerleden van D66, GroenLinks en PvdA) en de voorstemmers (naast de drie genoemde partijen ook PvdD, PVV, SP, 50PLUS en in de Eerste Kamer OSF) mochten er om duistere redenen dan misschien een aanvulling op de democratie in zien, in werkelijkheid draagt zo’n destructief, op wantrouwen gebaseerd referendum alleen maar bij aan uitholling van ons bestel.

Er is dan ook alle reden om uit protest tegen dit oneerlijke en antidemocratische referendum niet te gaan stemmen. Een andere mogelijkheid is er niet. Ook blanco stemmen zijn geldig en zelfs ongeldige stemmen tellen mee voor de opkomst. In de jaren negentig stemden in Amsterdam meerderheden tegen de bouw van IJburg en de aanleg van de Noord-Zuidlijn, maar de opkomst was gelukkig te laag, zodat het onzalige idee van een referendum vanzelf verdween: te elitair omdat het slechts weinigen trekt. Laten we hopen dat dit op 6 april ook blijkt.

Het is een democratische plicht om niet te gaan stemmen. Tegelijk zou vertrouwen in de democratie paradoxalerwijze wel tot een voor-stem moeten leiden. De conclusie lijkt me duidelijk. Ga in principe niet stemmen. Wacht in ieder geval tot acht uur, een uur voor sluitingstijd van de stembureaus. Mocht op dat moment blijken dat de dertig procent (waarschijnlijk) gehaald is, ga dan alsnog.

Eeuwfeest
Over drie jaar bestaat onze parlementaire democratie een eeuw. In 1917 werd de mogelijkheid van algemeen kiesrecht in de Grondwet vastgelegd, in 1919 werd die tot werkelijkheid toen ook vrouwen het kiesrecht verwierven. Het zou mooi zijn als we dat eeuwfeest kunnen vieren in de wetenschap dat negatieve, destructieve initiatieven geen kans maken.

(205)

Advertenties
31 december 2015

Geen wettelijke grondslag voor de parlementaire onderzoekscommissie-CIVD-lek

door Jan Dirk Snel

[Donderdag 31 december 2015] En nu ik het toch over de parlementaire onderzoekscommissie naar het zogenaamde ‘lek’ in de CIVD had – deze twee stukjes van gisteren (één, twee) bedoel ik – gooi ik er nog maar een stukje tegenaan. De inhoud ervan is geenszins origineel. Wat ik hier ga betogen, heb ik ook al kort opgemerkt in mijn column ‘Forum privilegiatum: een Kamerlid voor de Hoge Raad?‘ in het recente winternummer van Christen Democratische Verkenningen. En het was vooral Joop van den Berg die in zijn column ‘Blunderend naar de Hoge Raad‘, op 27 november op Parlement & Politiek gepubliceerd, hierop wees. Maar sommige dingen dringen nu eenmaal slecht door. Vandaar.

Aanklacht
Het gaat om de simpele vaststelling dat de parlementaire onderzoekscommissie onder leiding van Carola Schouten, die op 19 november werd ingesteld en die moet onderzoeken of er voldoende gronden zijn voor vervolging van een lid van Commissie voor de Inlichtingen- en veiligheidsdiensten (CIVD) van de Tweede Kamer wegens het zogenaamd lekken van vertrouwelijk informatie, geen wettelijke grondslag heeft. Ik herhaal: geen wettelijke grondslag.

BergBlunderend

De column van parlementair historicus Joop van den Berg van 27 november, waarin in enkele lapidaire zinnen al staat wat ik hier nog eens onder de aandacht breng. De columns van Bert van den Braak en Joop van den Berg op Parlement & Politiek zou ik trouwens tot de Pflichtlektüre voor elke Nederlandse burger willen rekenen.

Men zal zich de redenering van het presidium in de brief van donderdag 12 november 2015 herinneren. Het Openbaar Ministerie meende in een openhartige en vooral provocatieve bui dat een lid van de Tweede Kamer wel eens een ambtsmisdrijf als bedoeld in artikel 119 van de Grondwet begaan zou kunnen hebben. Volgens dat grondwetsartikel en artikel 76 van de Wet op de rechterlijke organisatie komen ambtsmisdrijven en ambtsovertredingen ‘in eerste instantie, tevens in hoogste ressort’ voor de Hoge Raad. Voor een ambtsovertreding zou de procureur-generaal zelf tot vervolging over mogen gaan, maar de Kamer zet hier in op een ambtsmisdrijf en dan kan de ‘opdracht tot vervolging’ alleen bij koninklijk besluit of bij een besluit van de Tweede Kamer worden gegeven. En wat de Kamer nu gaat uitzoeken, is of zij zo’n opdracht tot vervolging zal kunnen geven. En vooral tegen wie dan.

Nu zegt artikel 483 van het Wetboek van Strafvordering dat de artikelen 4 tot en met 19 van de Wet ministeriële verantwoordelijkheid van 22 april 1855 ‘van overeenkomstige toepassing’ zijn op alle ambtsmisdrijven en ambtsovertredingen, begaan door de in artikel 76 van de Wet op de rechterlijke organisatie opgenoemde personen’. Dus ook Kamerleden als er tegen hen strafvordering ter zake van ambtsmisdrijven wordt ingesteld. En wat zegt nu artikel 7 van die wet? Dit:

‘Geene aanklagt tegen een der Hoofden van de Ministeriële Departementen wordt bij de Kamer in overweging genomen, tenzij door vijf leden schriftelijk en met opgave der feiten ingediend.’

Vanwege de door het Wetboek van Strafvordering ingevoerde analoge toepassing kunnen we hier in plaats van die ‘Hoofden van de Ministeriële Departementen’ zonder meer ‘leden der Staten-Generaal’ lezen. De bepaling is zo klaar als een klontje. Een aanklacht tegen een Kamerlid wordt alleen in behandeling genomen als vijf leden die schriftelijk en met opgave der feiten hebben ingediend. Bovendien geeft de voorzitter, zo zegt artikel 8, van de aanklacht binnen 24 uur kennis aan het ‘betrokken’ Kamerlid – opnieuw de analogie, er staat: ‘de betrokken Minister’. De aanklacht kan vervolgens ‘niet vroeger dan acht dagen na deze kennisgeving aan de orde gesteld worden’. En dan, pas dan, komt artikel 9 aan de orde:

‘Wanneer tot het in overweging nemen der aanklagt besloten is, wordt zij gesteld in handen eener commissie van onderzoek, daartoe door de volle Vergadering te benoemen.’

Kortom, de vereisten zijn volstrekt duidelijk. Vijf leden moeten tegen een bij name genoemd Kamerlid een aanklacht ingediend hebben, schriftelijk en met opgave der feiten, dat Kamerlid moet daarvan door de voorzitter binnen een etmaal op de hoogte gesteld zijn en vervolgens mag de aanklacht pas na acht dagen of later aan de orde gesteld worden. En dan, als er dus een concrete aanklacht voorligt tegen een betrokkene die daar kennis van heeft, kan er na acht dagen, en zeker niet eerder, een commissie van onderzoek worden ingesteld. De voorwaarden zijn helder.

De wet aan de laars
Maar wat schreef het presidium op 12 november 2015? Dat de Wet ministeriële verantwoordelijkheid uit 1855 het wettelijk kader biedt dat gevolgd moet worden (overigens een volstrekt foute veronderstelling naar mijn idee, zoals hieronder nog wel zal blijken). En daarop volgde doodleuk dit:

‘Dat betekent dat nu op grond van artikel 9 van de Wet ministeriële verantwoordelijkheid een Commissie van onderzoek moet worden ingesteld, die door de Kamer wordt benoemd. De procedure uit artikel 7 en 8, waarin is geregeld dat een aanklacht door ten minste vijf Leden moet worden ingediend en waarvan kennis moet worden gegeven aan betrokkenen is in dit geval niet van toepassing. De aangifte bij de politie door de voorzitter van de Commissie IVD is hiervoor in de plaats getreden. Omdat het OM heeft aangegeven niet langer bevoegd te zijn om strafrechtelijk onderzoek te doen naar aanleiding van de aangifte en de behandeling heeft overgedragen aan de Tweede Kamer, is deze nu aan zet om onderzoek te verrichten.’

800px-Anouchka-van-miltenburg-1310465197

Anouchka van Miltenburg, voorzitter van de Tweede Kamer (2012-2O15). Onder haar leiding besloot het presidium van de Tweede Kamer in november 2015 zich niets van de wet aan te trekken. De Kamer volgde het presidium daarin. Maar de brief waarin dat werd voorgesteld, zal wel niet door de leden van het presidium, maar door een gedienstige, zij het niet echt plichtsgetrouwe ambtenaar geschreven zijn. (Foto geüpload door Edoderoo op Wikipedia.)

Wat staat daar? Dat men zich van de wettelijke vereisten niets, maar dan ook helemaal niets, aantrekt. De cursivering in het citaat hierboven is uiteraard van mij. (Hiervoor ook, maar dat spreekt nog enkele malen meer vanzelf.) De vereisten uit artikel 7 en 8 worden simpelweg aan de kant geschoven. Tja, je maakt als Kamer wetten, althans werkt daaraan mee, maar waarom zou je je er ook aan houden, niet waar? Men weet heel goed dat er geen aanklacht ingediend is en dat er geen ‘betrokken’ Kamerlid is dat in kennis kan worden gesteld. Men besluit simpelweg dat een aangifte ook wel een basis biedt. Kortom, het presidium lapt de wet aan de laars en de Kamer volgde het daarin doodgemoedereerd. Het was volgens Joop van den Berg nog maar de zevende blunder in deze farce. Hij telde er, in al zijn goedheid, in totaal overigens slechts acht.

Maar het betekent dus wel dat de onderzoekscommissie-Schouten zonder een wettelijke basis opereert. En die commissie eigent zich wel heel wat bevoegdheden toe. Omdat men immers net doet alsof men wel op basis van de bepalingen van de Wet ministeriële verantwoordelijkheid opereert – quod non – kent men zich volgens artikel 11 daarvan ook de bevoegdheden toe die de Wet op de parlementaire enquête 2008 biedt. In zijn merkwaardige opinieartikel dat ik in mijn vorige blogstukje reeds besprak, schrijft Gerard Spong dat de commissie ‘de bevoegdheid mist om de verdachte politicus te verplichten voor haar te verschijnen’, maar volgens onder meer artikel 14 van de genoemde wet kan elke Nederlander, op een aantal verschoningsgronden na, wel degelijk verplicht worden medewerking te verlenen. Men kan er zelfs de rechter bij halen. Het enige bezwaarlijke punt was uiteraard dat er op het moment van instelling van de commissie van onderzoek nog helemaal geen ‘verdachte politicus’ was, althans niet openlijk, terwijl juist de openbaarheid van de aanklacht volgens de wet een essentieel punt is. (We weten natuurlijk niet wat het Openbaar Ministerie vertrouwelijk ingefluisterd heeft.)

Rechtmatig?
Het lijkt mij allemaal vrij ernstig. En het is dan ook de vraag of als de commissie met resultaten komt en een ‘verdachte’ aanwijst en de Kamer voorstelt om de procureur-generaal bij de Hoge Raad te gelasten vervolging in te stellen, het eventuele bewijs wel rechtmatig is verkregen. Wat is de waarde van een commissie die met voorbijgaan van de fundamentele wettelijke bepalingen is ingesteld? De enige ontsnappingsmogelijkheid lijkt me dat de Tweede Kamer natuurlijk veel beter gewoon direct een parlementaire enquête had kunnen instellen. Dan had ze de commissie zo ongeveer dezelfde bevoegdheden gegeven, maar dan zonder wettelijke vereisten te negeren. Dan had die termijn van drie maanden, waarvan ze nu denkt dat die op grond van de Wet ministeriële verantwoordelijkheid geldt, ook geen rol hoeven te spelen. En bij een parlementaire enquête had men, nu het zozeer om personen gaat, wettelijk trouwens ook tamelijk veel achter gesloten deuren kunnen doen.

Het is gewoon heel simpel. Er lag domweg geen concrete aanklacht voor tegen een bij name genoemd Kamerlid. De Wet ministeriële verantwoordelijkheid vormde dus helemaal niet het vanzelfsprekende wettelijk kader. Men verkeerde nog een in fase daarvoor, die van een vaag vermoeden tegen een onbekende. Als men toch per se wilde denken dat er wel eens een ambtsmisdrijf begaan kon zijn – mij lijkt dat flauwekul, maar enfin – had men eerst eens kunnen beginnen uit te zoeken of dat werkelijk het geval was. Die aangifte van CIVD-voorzitter Halbe Zijlstra van vorig jaar was al te onbesuisd.

Geen documenten
Bovendien, als de CIVD zich werkelijk houdt aan de richtlijnen die ze in 2009 onder het voorzitterschap van Pieter van Geel heeft opgesteld, dan zijn de leden helemaal niet in staat om vertrouwelijke stukken aan een journalist te geven. Onder punt 3.6 staat duidelijk:

‘Van de vergaderingen wordt een vertrouwelijk verslag opgesteld door de griffier van de commissie en vastgesteld door de voorzitter van de commissie. Het verslag wordt niet rondgedeeld maar kan door de leden te allen tijde worden ingezien.’

De Kamerleden horen dus volgens zichzelf helemaal geen stukken in handen – of op de laptop – te hebben. Het valt ook op dat NRC-journalist Derk Stokmans in zijn politiek brisante stuk van 18 februari 2015 één klein foutje maakte. Hij schrijft dat de CIVD behalve op 12 december 2013 ook op 4 februari 2014 vergaderd had, de dag waarop de ministers Hennis en Plasterk in een brief de herkomst van een zeker aantal, voor het brede publiek overigens volstrekt onbelangrijke metadata (die eigenlijk alleen in een militair kader van belang lijken) publiek maakten. In werkelijkheid was die vergadering een dag later, op 5 februari 2014, zo blijkt het uit jaarverslag. Nu is het goed mogelijk – in dit soort gevallen komen alle vormen van wantrouwen op – dat hij bewust zo’n inhoudelijk onbeduidend vergissinkje maakte om zijn sporen uit te wissen, maar is ook goed mogelijk dat hij nooit documenten onder ogen heeft gekregen. Nogmaals, als de CIVD zich aan de richtlijnen houdt, hebben Kamerleden hem die niet kunnen geven, maar het is uiteraard goed mogelijk dat ze zich daar onderhand niets meer aan gelegen laten. Het valt ook op dat Stokmans over bronnen, in het meervoud, spreekt. Terecht wees Joop van den Berg op de verschijnselen ‘journalistieke competentie’ en ‘journalistieke behendigheid’. Wie zegt dat de journalist door eens met deze en gene te praten – ook buiten Kamerleden om: denk eens aan ambtenaren rond de twee ernstig gepiepelde ministers, en er valt meer te noemen, hetgeen ik bewust niet zal doen – niet via kleine stukjes informatie tot zijn conclusie kwam?

Zondebok
Maar goed, dat weten we al langer. Er is helemaal niets gelekt dat niet openbaar had mogen zijn – of beter: openbaar had moeten zijn. Juridisch was de onthulling van het NRC-stuk niet van belang, politiek was die zeer brisant. Wat namelijk onthuld werd, was dat acht fractievoorzitters (Pechtold, Roemer, Van Ojik, Thieme, Van Haersma Buma, Klein, Wilders en Bontes) op 12 februari een motie ingediend hadden die nogal in strijd was met de waarheid – zie mijn eerdere stukken, hieronder opgesomd.

Het is nog steeds de vraag of de parlementaire pers de werkelijke portee van de zaak nog een keer doorkrijgt, of dat ze consequent de verkeerde kant op blijft kijken en meegaat in het merkwaardige en riskante spelletje van de Kamer – op zoek naar de zondebok, of zondebokken, die dat aan de kaak stelden. Het blijft trouwens merkwaardig dat de ministers Hennis en Plasterk zich de mond lieten snoeren – hadden ze nooit moeten doen – en de waarheid tijdens het debat van 12 februari niet gewoon vertelden. Maar toen was dit misschien politiek al te riskant. (Politiek betekent in dat geval altijd: alles wat tegen het gewone mensenverstand en de alledaagse waarheidsliefde ingaat.) Als ze lef hadden, zouden ze zich alsnog een keer openlijk over de zaak uiten. En zelfs zonder lef zou dat verstandiger zijn.

Het is nu vooral afwachten. Krijgt de parlementaire pers eindelijk door dat de commissie-Schouten geen wettelijke basis heeft? Beseft de pers eindelijk dat ze zich laat gebruiken voor het merkwaardige spelletje dat vrijwel de hele Tweede Kamer speelt? Het is afwachten. We hebben nog ongeveer een maand, iets meer, te gaan. En dan weten we of de afleidingsmanoeuvre succes heeft. Of dat de positie van een zevental fractievoorzitters eindelijk ter discussie komt te staan.

Malaise
Gezien het huidige discours voorspel ik vooral niksigheid. Geen resultaten, geen scherpe analyse, maar wel weer de gebruikelijke afbreuk aan het gezag van een Kamer die nu al jaren collectief de kluts kwijt is. De malaise zal het wel winnen.

Naschrift (aangevuld op donderdag 7 januari 2016)
Over het CIVD-onderzoek, op zich ongeveer het ultieme niets, heb ik nu een aantal stukken op geschreven. Ik zet ze even op een rij:

1. Verklaring OM zet geloofwaardigheid fractievoorzitters op het spel (vrijdag 13 november 2015) op deze weblog
2. Onderzoek naar lek schaadt aanzien Kamer (donderdag 19 november 2015) in Reformatorisch Dagblad
3Forum privilegiatum: een Kamerlid voor de Hoge Raad? (december 2015) in Christen Democratische Verkenningen
4. De veroordeling van Lodewijk Pincoffs – een rectificatie (woensdag 30 december 2015) op deze weblog
5. Drijfzand – Het betoog van Gerard Spong over de parlementaire onderzoekscommissie naar het ‘lek’ in de CIVD (woensdag 30 december 2015) op deze weblog. Met een tweede naschrift van donderdag 7 januari 2016.
6. Geen wettelijke grondslag voor de parlementaire onderzoekscommissie-CIVD-lek (donderdag 31 december 2015) op deze weblog. Met een tweede naschrift van donderdag 7 januari 2016.
7. Grondwet gehoorzamen is niet onrechtmatig (donderdag 7 januari 2016), ingezonden brief in NRC Handelsblad, met een korte reactie (Toch geen eerlijk proces) van Gerard Spong. Daarbij een tweede naschrift bij het vorige stuk op deze weblog

(196)