Archive for maart, 2012

20 maart 2012

Een linkse meerderheid. Of waarom D66 en GroenLinks de PVV dankbaar kunnen zijn

door Jan Dirk Snel

.:.

Zaterdag was het weer zover. Ik stond in Hoog Catharijne even naar wat kranten te kijken, toen een meneer naast me uit het niets begon te mopperen. Hij wees op een bericht over de verkiezing van een nieuwe voorzitter van de Tweede Kamerfractie van de PvdA door de leden die partij (de fractie was, zoals bekend, te lamlendig om dat zelf te doen). Het was niet te hopen dat die lui weer aan de macht zouden komen, want dan zouden ze er alles doorjagen. Dat was ongeveer wat de man in de benauwde wereld van het Utrechtse winkelcentrum ongevraagd kwijt wilde.

Geen linkse meerderheid
Er schuilt een hele wereld van vooroordelen achter zo’n losse, eenzame, wrokkige opmerking, want zeker is dat de man niet origineel was, maar daar zal ik nu niet op ingaan. En ook de voor de hand liggende opmerkingen over wie gedurende de voorbije decennia werkelijk welke financiële politiek voerde, zal ik niet maken. Het gaat me namelijk om iets anders.

Huis ten Bosch in Japan. Het geheim van Noordeinde en Huis ten Bosch zal plaatsmaken voor dat van het Binnenhof: de politiek trekt zich steeds verder op beperkt terrein terug. (Foto: Radio Nederland Wereldomroep)

Ten eerste heeft in Nederland een enkele partij nooit in haar eentje de meerderheid in de Staten-Generaal verworven en dat zit er vooralsnog ook absoluut niet in. Dat moet voor mensen die menen dat er partijen zijn met heel erg snode plannen die ons rechtstreeks naar de ondergang zullen voeren, een troost zijn. Ook bij de samenstelling van kabinetten is er in Nederland een machtsbalans. Altijd moeten meerdere partijen het eens zien te worden. Altijd worden alle zaken vanuit meerdere perspectieven bekeken.

Ten tweede, en nu kom ik bij het punt waar ik het hier over wil hebben, heeft links in Nederland nog nooit de meerderheid gehad. Het zou wel eens kunnen zijn dat Nederland daarin zelfs een beetje atypisch is, maar ook dat zal ik nu niet in detail uitzoeken. Wie het handige overzicht met de zetelverdeling sinds 1946 op de onmisbare site Parlement & Politiek bekijkt, zal vaststellen dat er van de 31 partijen die er na de oorlog in de Tweede Kamer gezeteld zijn geweest (om het maar eens zo te zeggen), er slechts tien als ‘links’ golden, wat die aanduiding verder ook waard is. In de volgorde van optreden (en grootte): PvdA, CPN, PSP, D66, DS’70, PPR, EVP, GL, SP en PvdD.

En ook dan kun je het er nog hebben in hoeverre DS’70, D66 en de PvdD echt in dat lijstje thuishoren. Maar de partij van de jonge Drees kwam toch echt voort uit de PvdA en juist nogal wat oude socialisten, die Nieuw Links niet meer verdroegen, behoorden tot de oprichters. De naam van de partij was overigens duidelijk genoeg. D66 en de PvdD zijn in ieder geval, ook anders dan GL dat deels is, geen partijen met socialistische wortels, maar het begrip links is daar ook niet identiek aan. De PvdD geldt in ieder geval als gematigd links of progressief. D66 is misschien nog lastiger, maar zeker in de eerste jaren werd het als een linkse partij gezien. Men denke aan de samenwerking met PvdA, PPR en aanvankelijk ook de PSP in het zogenaamde Progressief Akkoord en het optreden in het kabinet-Den Uyl. Omdat het om een typische jojopartij gaat, die zich na de onvermijdelijke periodieke inzinkingen steeds weer opnieuw uitvindt, verandert de identiteit ook telkens en nu ze zich tegenwoordig wel als ‘liberaal’ presenteert – lange tijd was dat volstrekt ondenkbaar -, kun je wat vraagtekens bij de indeling zetten.

Wie de omvang van links in de loop van de jaren wil meten, doet er altijd verstandig aan om twee lijstjes te maken: met en zonder D66. Maar voor mijn betoog is dat nu niet zo van belang. Nooit hebben de genoemde partijen samen een meerderheid in de Staten-Generaal gehad. Als we D66 meerekenen, was 1998 het topjaar. Toen bereikten PvdA, D66, GL en SP met 75 zetels samen de helft van het aantal zetels, maar dat viel nauwelijks op, omdat de paarse samenwerking van PvdA, VVD en D66 werd voortgezet in het tweede kabinet-Kok. En de SP met vijf zetels werd als ‘tegenpartij’ trouwens nog niet zo serieus genomen door de rest. In de Eerste Kamer had dit links toen trouwens ook geen meerderheid en daar hadden PvdA en VVD, die in de Tweede Kamer samen een meerderheid hadden, D66 trouwens ook hard nodig.

Oude en nieuwe indelingen
Wie de zaken over een wat langere termijn beziet, moet er zich overigens over verbazen dat de samenwerking tussen PvdA, VVD en D66 met de mengkleur paars werd aangeduid. Voor de oorlog zou dit namelijk een typische linkse coalitie zijn geweest. Dat was immers de oude indeling: confessioneel was rechts en alles wat niet confessioneel was, gold als links. Voorlopers van de VVD als de LSP en de VDB werden altijd als linkse partijen gezien en Hendrik Colijn regeerde tussen in zijn tweede en derde kabinet tussen 1933 en 1937 naar toenmalige begrippen dan ook samen met links. Ik denk dat zelfs de VVD, opgericht in 1948, aanvankelijk nog als een linkse partij werd gezien en dat de aanhangers zich daar zeker toe rekenden. Maar daarna verschoof de indeling en werd de sociaal-economische politiek, grof gezegd de houding tegenover het kapitalistische systeem, het leidende beginsel bij de indeling in links en rechts. Tot 1967 golden volgens die zienswijze alleen de socialistische PvdA en PSP en de communistische CPN als links.

Maar helemaal lekker zat die indeling toch niet, want in de jaren zestig kwam meteen een nieuwe indeling tussen ‘progressief’ en de rest, die gemeenlijk niet conservatief wilde heten, op. D66 en de PPR, niet socialistisch, wel ‘links’, waren daarvan de eerste exponenten. Het oude rechts, dat terminologisch inmiddels uit de mode was, verloor trouwens al in 1967 de meerderheid: de vijf confessionele partijen behaalden toen niet meer dan 73 zetels. In die zin heeft links sinds dat jaar de meerderheid in de Nederlandse politiek, maar omdat andere tegenstellingen vooralsnog dominanter waren, zag niemand dat zo. Wel werd de sociaal-economische indeling dus aangevuld met een nieuwe immateriële, waarbij links ook iets als ‘progressief’ ging betekenen.

In die gepolariseerde dagen verleende het etiket links een tamelijk duidelijke identiteit, maar rechts verloor in feite aan betekenis. Typerend was dat A.A.M. van Agt het nieuwe CDA bij de eerste verkiezingen waar die (toen nog toekomstige) partij aan meedeed, in 1977 als een typische middenpartij neerzette: hij boog niet naar rechts en hij boog niet naar links. Zei hij tenminste. Hoewel je uit de 31 na de oorlog in de Tweede Kamer vertegenwoordigde partijen dus wel de tien linkse kunt halen, is het in feite onmogelijk om de overige 21 volgens de nu gangbare norm zonder meer rechts te noemen. Dat zou aan het zelfverstaan geen recht doen en zo zagen ook anderen hen vaak niet.

Nieuwrechts
Maar nu is het weer anders. En in zekere zin zou je misschien kunnen zeggen dat links nu wel een meerderheid heeft. Soms dan, niet altijd. Hoewel je dat in bepaalde opzichten al kon zeggen over de paarse coalities – euthanasiewetgeving, het zogenaamde homohuwelijk, en er valt vast wel meer te bedenken – is dat met het optreden van het populisme in de laatste tien jaar helemaal duidelijk geworden. De LFP snoepte in 2002 vooral kiezers bij links weg, maar door de moord op Pim Fortuyn werd dat zo’n zooitje dat er verder weinig zinnigs over gezegd kan worden. Met de strakker geleide eenmanspartij van Wilders, de PVV, is het wel zichtbaar geworden. De aanhangers van die partij noemen zich vaak trots rechts. Anderen, tegenstanders, hebben het over domrechts, maar voor een analyse is dat een wat al te partijdige aanduiding. Nieuwrechts lijkt me als neutrale, beschrijvende typering beter. Het doet recht aan het zelfverstaan en de term brengt een duidelijke onderscheid aan met traditioneel rechts, waarvan eigenlijk niet eens duidelijk is wat het precies betekent.

Maar wat zegt die vaak provocerende term rechts die aanhangers van de PVV zelf graag gebruiken eigenlijk? Dat men zich bij de oude machten van het behoud aansluit? Geenszins. Het is een term die vooral gebruikt wordt om zich af te zetten tegen links en die vooral ook de teleurstelling of de wrok tegen wat men als het linkse establishment ziet, moet uitspreken. Misschien was dat ook wel de achtergrond van die meneer in Utrecht, die me ongevraagd deelgenoot van zijn zieleroerselen maakte. Vaak wordt de leuze gebruikt door lieden die zichzelf vroeger als links beschouwden, maar zich door de progressieve ‘elite’ in de steek gelaten of bedrogen voelen. Het is een feit dat dát links nooit de meerderheid had of de dienst uitmaakte, maar de kiezers, nou ja sommige, voelen dat vaak anders. In een aantal grote steden had links immers wel de meerderheid en het ambtenarenapparaat en de spraakmakende intellectuele gemeente waar men zich tegen afzet, beschouwt men vaak ook als links.

In die zin is het nieuwe rechts een paradoxaal begrip: het is een soort anti-links, dat een merkwaardige mengeling bevat: de gewone rechtse man tegen de linkse elite. Ooit zou je dat de omgekeerde wereld hebben genoemd. In die zin vervult het in de veranderde sociaal-economische en culturele omstandigheden van de voltooide en zichzelf noodzakelijkerwijs steeds vernieuwende en hervormende welvaartstaat enigszins de oppositionele rol die links vroeger ook had: juist tegen de gevestigde machten of wat men daarvoor houdt. Het huidige rechts van nieuwrechts is een soort links in het kwadraat: de stem van het protest (ook al heeft dat protest weinig om het lijf en leidt het zelden tot gemotiveerde actie).

Toch een linkse meerderheid
De voorstellen die gisteren gepresenteerd werden om de koningin – staatsrechtelijk trouwens de Koning – haar rol bij de formatie van een nieuw kabinet te ontnemen, geven in feite aan dat er nu in de Tweede Kamer wel degelijk een linkse meerderheid is. Wat je ook van de erfelijke monarchie kunt zeggen, ze staat in ieder geval voor de gevestigde machten en juist dat symbool pakt men nu aan.

Als ik het goed zie, claimen zowel D66 als GroenLinks dit succesje. Wie op de site van D66 kijkt, leest daar dat een ‘ruime meerderheid van de Tweede Kamer’ instemt ‘met het voorstel van D66-Kamerleden Gerard Schouw en Boris van der Ham om de kabinetsformatie democratischer en transparanter te maken.’ Wie vervolgens bij GroenLinks te rade gaat, treft daar een belangrijke aanvulling aan: pas door een amendement van Ineke van Gent (GL) op een voorstel van Gerard Schouw en Boris van der Ham werd een meerderheid bereikt.

Het is ondertekend door vertegenwoordigers van de vijf linkse partijen GroenLinks, PvdA, SP, D66 en PvdD – Ineke van Gent, Pierre Heijnen, Ronald van Raak, Magda Berndsen, Esther Ouwehand – én, als derde, door een lid van de PVV-fractie, Andre Elissen. En dat is veelzeggend. De PVV past niet in de oude schema’s en door slechts op bepaalde punten een Gedoogakkoord met de VVD en het inmiddels wel rechtse CDA – het ‘radicale midden’ heft zichzelf terminologisch op – aan te gaan, heeft de club van Wilders zich de vrijheid verschaft om op punten als deze juist met links in zee te gaan. Maar het omgekeerde valt nog meer op: dat progressieve partijen als D66 en GroenLinks op een punt als dit gretig met de PVV samenwerken. In die zin heeft links nu op bepaalde punten voor het eerst een werkbare meerderheid in het parlement.

Het voorstel
Het voorstel om het Reglement van Orde aan te passen zal het wel halen. Of het ook echt gaat werken, moet bij de volgende kabinetsformatie maar blijken. Er is vaak op gewezen dat de Kamer al in 1971 een motie van de KVP-er Kolfschoten aannam waarin de Kamer werd aangespoord ‘in een openbare beraadslaging te onderzoeken of een oordeel kan worden uitgesproken omtrent een door het Staatshoofd te benoemen kabinetsformateur”. Toen dat even later in dat zelfde jaar werd uitgeprobeerd, kwam daar niets van terecht. Door voorzichtiger te werk te gaan en ook de mogelijkheid van het zelf aanwijzen van informateurs op te nemen en nog wat procedurele slagen om de arm te houden, lijkt de kans van slagen nu veel groter.

Of het voorstel tot ‘méér transparantie’ zal leiden, zoals Schouw en Van der Ham claimen, of dat de procedure ‘een stuk transparanter’ zal worden, zoals Ineke van Gent schrijft, valt nog te bezien. In hun toelichting wezen Schouw en Van der Ham er al op ‘dat besloten overleg nu eenmaal onontkoombaar is in ons stelsel van evenredige vertegenwoordiging, waarbij door overleg tot machtsvorming moet worden gekomen’. Het voorstel beoogt dan ook niet ‘volledige transparantie’, merkten ze zelf bescheiden op, en ook de formulering van Ineke van Gent is comparatief van aard.

Eigenlijk valt niet zo snel in te zien wát er dan werkelijk transparanter zal worden. Wat wel zeker is, is dat een mooi ritueel om zeep wordt geholpen. Het had iets plechtigs: al die fractieleiders die op paleis Noordeinde langs gingen en vervolgens volkomen transparant uitlegden wat ze geadviseerd hadden. Alleen wat de beide Kamervoorzitters en de vice-president van de Raad van State adviseerden, was niet volledig bekend. Het komt er nu op neer dat voorzitter van de Tweede Kamer een grotere rol krijgt en de Eerste Kamer en haar voorzitter en de Raad van State en zijn vice-president volledig buiten spel gezet worden. De Eerste Kamer kan aan een dergelijke wijziging van het reglement van de andere Kamer niets doen, maar het is wel een boeiende vraag of er van daaruit nog een reactie komt.

Het aardige van de tot dusver gangbare werkwijze was dat de partijpolitieke adviezen volledig transparant waren en voor het publiek ook op een aantrekkelijker wijze werden gepresenteerd dan in een Kamerdebat zal gebeuren. Juist bij de formatie vervulde de monarchie een politiek nuttige rol, zonder dat die partijpolitiek werd. Die was veel overtuigender dan het ceremonieel op Prinsjesdag waarbij al te duidelijk is dat de vorstin alleen maar de tekst van iemand anders voorleest. Alleen de uiteindelijke aanwijzing van een informateur was uiteindelijk soms een verrassing, maar dat lijkt me voor de partijen ook wel prettig. Ze hoeven zich dan in de eerste stadia nog niet zelf vast te leggen en over de uiteindelijke uitkomst, wie er met wie een meerderheid vormt en de feitelijke aanwijzing van de formateur, gaan ze toch echt zelf. De speelruimte voor de partijen neemt in het voorstel alleen maar iets af, zou ik zeggen. Ik zie eenvoudigweg niet waar er nog meer transparantie zou ontstaan.

Of toch?
Maar we zullen wel zien. Uit zakelijk oogpunt kun je je trouwens wel afvragen of dit voorstel juist voor de PVV nu zo’n geweldige stap is. Meer dan een uiting van rancune lijkt het niet. Als deze procedure bij de laatste formatie al gevolgd was, zou dit kabinet er dan ook gekomen zijn? Het was helder dat Mark Rutte, Maxime Verhagen en Geert Wilders op een gegeven moment per se dit kabinet wilden. De gang van zaken na het afscheid van Ab Klink maakt dat duidelijk. Maar als er vanaf het begin hoofdelijk gestemd was, hadden Kamerleden als Kathleen Ferrier en Ad Koppejan zich dan ook zo onder druk laten zetten? Het valt moeilijk te zeggen. Ook dan zou pressie vanuit de fractie immers mogelijk zijn geweest. Maar het is mogelijk dat op dit punt de nieuwe procedure tot iets meer doorzichtigheid zou hebben geleid. Maar op andere punten verwacht ik eerder iets minder transparantie.

De praktijk zal het leren. Het lijkt me op zich weinig waarschijnlijk dat de PVV ooit nog weer bij een formatie betrokken wordt. Het lijkt me duidelijk dat het CDA zich net als de ezel niet opnieuw aan dezelfde steen zal stoten. En ook al maakt links nu gretig gebruik van de PVV om een speeltje binnen te krijgen – een speeltje trouwens dat veertig jaar geleden helemaal niet typisch links was trouwens -, het lijkt me vooralsnog onwaarschijnlijk dat de linkse partijen déze linkse meerderheid werkelijk in een kabinet willen omzetten. Tenzij men natuurlijk zo de smaak van de huidige parlementaire sterkte te pakken krijgt en er dan een links minderheidskabinet komt. Maar vooreerst lijkt me dat uiterst onwaarschijnlijk.

Duidelijk lijkt me in ieder geval dat er op bepaalde punten nu voor het eerst in de Nederlandse geschiedenis een soort linkse meerderheid bestaat. Maar of dat veel betekent? En wat wel zeker is: juist voor mensen die niet zo veel met politiek hebben, wordt het een stuk minder aantrekkelijk. De laatste gelegenheid waarbij we politici overtuigend buiten de nauwe grenzen van het Binnenhof zagen optreden, verdwijnt. De magie van het koningschap verleende aan het politieke getouwtrek iets feestelijks. Dat is nu voorbij.

En de wrok zal toenemen.

Eerste naschrift (ongeveer 15.30 uur)
Of het vertrek van Hero Brinkman, ook zo’n vroegere PvdA-er trouwens, uit de PVV-fractie – ik zag tijdens het schrijven wat meldingen langs komen, maar wilde me niet te veel af laten leiden – gevolgen zal hebben voor bovenstaande beschouwing, valt nog te bezien. Het zal vooral van diens stemgedrag afhangen. Hij zegt dat hij de coalitie absoluut niet zal laten vallen en hij heeft daar, dunkt mij, ook geen enkel belang bij. Ik denk dat er voor het kabinet in principe weinig verandert. Men heeft alleen nog een extra inofficiële gedoogpartner. Of om het met Willem Aantjes te zeggen: het draagvlak van het kabinet in de Tweede Kamer is versterkt: het aantal gedoogpartijen is nu immers verdubbeld.
Het is trouwens interessant dat Brinkman als een van de eersten, vermoed ik, populisme als een positief etiket hanteert, maar dit terzijde.

Tweede naschrift (woensdag 21 maart ongeveer 9.30 uur)
Toen ik mijn stukje gisteren schreef, zag het er nog naar uit dat er ’s middags een debat gevoerd zou worden over het voorstel van Schouw en Van der Ham. Dat ging niet door omdat de Kamer besloot een debat te houden over het vertrek van Hero Brinkman uit de fractie van de PVV. Dat debat leverde uiteraard niets op. Wat ik hierboven al beschreef, gebeurde opnieuw: de Kamer was vooral met zichzelf bezig. Ze trekt zich helemaal terug op de kleine wereld van het Binnenhof. Het was een nieuwe uiting van de hijgerigheid die de huidige politiek zo in zijn greep heeft.
Het paradoxale is dat deze navelstaarderij waarschijnlijk mede ontstaat doordat Kamerleden, ook via Twitter, zo in interactie met de maatschappij staan. Natuurlijk roept het vertrek van Brinkman allerlei reacties op bij het geïnteresseerde deel van het publiek en het is ook zeker niet onwaarschijnlijk dat het het begin is van belangwekkende ontwikkelingen. Zet hier het verval van de PVV in? Dat zou goed kunnen, maar we weten het nog niet. Het is een onderwerp waar iedereen nu rustig over kan speculeren, maar uitgerekend de Tweede Kamer zou zo verstandig moeten zijn om er even geen grote aandacht aan te besteden. Laat men dat doen op het moment dat er werkelijk iets duidelijk wordt. De oppositie probeert nu te scoren op een moment waarvan ze weet dat ze niets bereikt. Iets meer geduld zou verstandiger zijn.
Vooralsnog acht ik de constatering dat de grotendeels linkse oppositie zich afzet tegen het huidige kabinet, maar als dat zo uitkomt, net zo gretig als het gedecimeerde rechts samenwerkt met de nieuwrechtse en in feite onindeelbare PVV, belangrijker. Zowel het een als het ander is overigens niet onbegrijpelijk. Het gaat me vooral om de waarneming, minder om een oordeel.

(63)

6 maart 2012

Vietsen in het Vondelpark. IV. Eerst fietsen en dan pas op de fiets?

door Jan Dirk Snel

.:.

Kijk, dat is nou aardig, al op de avond dat ik mijn bevindingen aangaande de herkomst van het woord fiets bekend maakte, reageerde de grote fietsetymoloog Ewoud Sanders op mijn blog.

Bevindingen
Maar laat ik eerst nog resumeren wat ik gevonden heb.

  • Ten eerste heb ik het werkwoord vietsen in augustus 1885 gevonden, geschreven door een Amsterdammer.
  • Ten tweede heb ik twee verhaspelingen van vélocipède in juni 1886 geattesteerd, vieloziepee en viezepee, waarvan de tweede een tussenvorm op weg naar de afleiding viets of fiets zou kunnen zijn.
  • Ten derde heb ik aangewezen dat de vraag of de viets naar de Wageningse smid E.C. Viets genoemd was, al in 1886 werd opgeworpen (en dat de suggestie meteen ook werd verworpen).

Vroege vélocipèdes waren er in vele soorten en maten. In zijn ‘kouterij’ beval ‘Who?’ in augustus 1885 mensen die niet zo goed durfden, een driewieler aan. De zus van ANWB-penningmeester Everard Kol was naar verluidt de eerste Nederlandse vrouw die zich op zo’n driewieler vertoonde. Ik denk dat Kol en ‘Who?’ identiek zouden kunnen zijn.

De derde bevinding is aardig, maar verder niet zo wereldschokkend. Iedereen die de literatuur doorneemt, zal zien dat een rechtstreekse verklaring vanuit de naam van de in de Wageningse Hoogstraat gevestigde ondernemer toch al niet waarschijnlijk is. De eerste bevinding is voorlopig aardig, maar nu steeds meer negentiende-eeuwse teksten digitaal beschikbaar komen, lijkt het me waarschijnlijk dat er binnen afzienbare tijd wel een oudere vindplaats opduikt.

De tweede bevinding acht ik zelf de interessantste, omdat ze aannemelijk maakt dat viets of fiets wel degelijk vanuit vélocipède gevormd kan zijn. Maar er moet bewust met het woord gespeeld zijn en, wat belangrijker is, het moet min of meer opzettelijk verspreid zijn. Het verhaal dat het woord vooral op een kostschool te Brummen in omloop is gebracht en door de jongens in hun thuissteden is verspreid, lijkt me het meest aannemelijk. En mijn bevindingen – Amsterdam 1885, Arnhem 1886, in Leeuwarden in 1886 al minstens enige tijd bekend – passen daar ook in. Ik kom daar mogelijk in een later stukje nog wel op terug.

Werkwoord
Nu echter, wil ik ingaan op de reactie van Ewoud Sanders, wiens boekje Fiets! De geschiedenis van een vulgair jongenswoord (Den Haag/Antwerpen 1997, 2e editie) het uitgangspunt blijft voor iedereen die zich in deze materie verdiept. In zijn reactie – die hij trouwens onder mijn tweede stukje plaatste, hoewel hij op de melding van vietsen in 1885 in mijn derde weblogbijdrage reageerde – blijft hij bij de theorie die hij in zijn boek naar voren schuift. In mijn vondst ziet hij zelfs een nadere bevestiging. Ik denk dat het handig is, als ik de hele reactie hier even citeer:

‘Mooie vondst, het werkwoord ‘vietsen’ in 1885! Het lijkt erop dat het werkwoord er dus eerder was dan het zelfstandig naamwoord, dat we – althans op schrift – voor het eerst in 1886 hebben gevonden. Dit pleit voor de theorie van A.P. de Bont, die meende dat ‘fiets’ teruggaat op het Brabantse dialectwerkwoord ‘fietse’ (of ‘vietse’) voor ‘met een lichte en vlugge beweging zich verplaatsen’.’

Op het eerste gezicht lijkt dit op de vraag naar de kip en het ei. Wat was er het eerst, het werkwoord of het substantief? Komt viets van vietsen? Of komt vietsen van viets? Hoewel bijna alles wat Sanders in zijn boekje schrijft, mij overtuigde, was dat niet het geval met zijn verklaring van fiets en fietsen uit het Brabantse dialectwerkwoord vietse of fietse voor ‘met een lichte en vlugge beweging zich verplaatsen’. En nu ik er naar aanleiding van zijn reactie verder over nadenk, is dat nog minder het geval. Ik zal mijn overwegingen op een rijtje zetten.

Op de viets
(1) Het is waar dat de oudste vindplaats uit augutus 1885 nu een werkwoord is: vietsen. Maar wie goed kijkt, ziet dat de betekenis niet dezelfde is als die van het Brabantse dialectwoord. De anonieme schrijver, die zich ‘Who?’ noemt, heeft het over de vraag hoe je de nieuwe sport die zijn hart heeft, bevordert en dus mensen op een vélocipède krijgt. Hij schrijft dan:

‘Behalve moedige menschen bestaan er ook meer bescheiden dito’s. Deze laatsten zouden wel willen “vietsen”, maar …… ze durven niet.’

Het is duidelijk dat het werkwoord vietsen daar niet zoiets als ‘zich snel voortbewegen’ betekent. Nee, het gaat er om of mensen op een vélocipède durven te gaan zitten en het is volstrekt duidelijk dat vietsen hier zoiets als ‘op een vélocipède rijden’ betekent. Het gaat niet om de lichtheid of de snelheid van de voortbeweging, maar om het gebruikmaken van een nieuwe machine. De schrijver moet op dat moment nog niets hebben van de nieuwe lage tweewielers en de Kangaroo, een toen nieuw model, noemt hij zelfs een ‘gedrochtje’. Nee, hij beveelt een driewieler aan, die natuurlijk nog wel twee hoge wielen heeft.

Kortom, het werkwoord betekent hier iets heel anders dan het Brabantse dialectwoord en als het er al uit ontstaan is, veronderstelt het al dat daaruit al de viets ontstaan is en dat daar vervolgens weer een nieuw werkwoord van gemaakt is. Ook de aanhalingstekens zouden daarop wel eens kunnen wijzen. Het kan zijn dat de auteur het ongewone en informele van het woord vietsen als zodanig wil uitdrukken, al veronderstelt hij wel dat de lezers het begrijpen. Maar het zou ook wel eens kunnen dat hij zijn nieuwe vorming van een werkwoord uit een zelfstandig naanwoord door die aanhalingstekens markeert. Uit de eerste attestatie van viets in april 1886 kunnen we bovendien opmaken dat dat woord een maand of acht eerder echt al wel in omloop was: het is dan immers al tamelijk wijd verbreid. Het werkwoord veronderstelt het bestaan van de viets.

Dialect
(2) Dat wil allemaal nog niet zeggen dat de viets niet van dat Brabantse werkwoord afgeleid zou kunnen zijn, maar zijn daar concrete aanwijzingen voor? Wat opvalt, is dat er bij de discussie direct nadrukkelijk naar mogelijke dialectinvloeden gezocht wordt. De redacteur van Het Dagblad van Zuid-Holland en ’s-Gravenhage die op donderdag 29 april 1886 naar een nadere verklaring van viets zoekt, vraagt zich expliciet af of het niet iets met ’het Geldersch taaleigen’ te maken heeft en de Grolse correspondent die in de krant van maandag 3 mei reageert, gaat daar met zoveel woorden op in. Hij schrijft dat ‘volgens het Geldersch patois geen “fiets” zonder snelheid denkbaar is.’

Wie wil, zou in de volgende zin een referentie aan de betekenis van het Brabantse werkwoord kunnen zien: ‘Het is de snelheid zonder groot gedruisch.’ Dat gaat inderdaad over een lichte wijze van voortbewegen zou je zeggen, maar van een werkwoord maakt de man geen gewag en als hij vervolgens opmerkt dat de bliksem, een kogel die langs de oren suist, en een zweepslag, ook het geluid ‘fiets’ voortbrengen, blijkt in feite wel dat hij aan iets heel anders denkt: klanknabootsing. In feite slaat de man maar een slag in de lucht.

En daarna komt hij dan nog wel expliciet op een dialectuitdrukking te spreken: een fietsken zou zoiets als een laatste restje zijn. Het is een verklaring die verder geen opgang gemaakt heeft, maar juist die geeft naar mijn idee aan dat de man geen meer voor de hand liggende dialectverklaring kende en dus nooit van het werkwoord vietse(n) in de zin die Sanders noemt, gehoord had. Nu kun je zeggen dat hij in de Graafschap woonde en dat is een eindje van de zuidelijke Veluwe waar het woord in 1886 in Arnhem werd aangetroffen. Maar ook Kampioen-correspondent L. die van de Wageningsche smid Viets gehoord had en mogelijk wel in die contreien woonde, komt niet met een dialectverklaring, terwijl hij de voorgaande overwegingen gelezen heeft.

Stam
(3) Ten derde zou ik willen vragen in hoeverre het waarschijnlijk is dat uit de stam van een onovergankelijk werkwoord dat vietse(n) in de zin van ‘zich licht voortbewegen’ nu eenmaal is, een zelfstandig naamwoord ontstaat. Vrijwel alle werkwoorden die op de menselijke en dierlijke voortbeweging duiden, zijn uit hun aard onovergankelijk: lopen, wandelen, rennen, rijden en ga zo maar door. Alleen via een prefix als be- kun je er soms een overgankelijk werkwoord van maken: je kunt een paard berijden en een weg bewandelen. Maar ik kan zo gauw geen voorbeelden verzinnen dat uit een dergelijk werkwoord een kort substantief zou ontstaan. Als dat al het geval zou zijn, zou ik een iets langere versie verwachte. Je maakt een maaksel. En ik zou me dan nog wel kunnen voorstellen dat je dan bijvoorbeeld op een fietsel zou fietsen, al lijkt iets als fietsmachine me dan nog logischer. Maar ontstaat een zo kort woord als fiets echt snel uit het intransitieve fietsen? Ik weet het niet, maar ik neem aan dat taalkundigen er wel meer over kunnen zeggen.

Van algemeen naar specifiek
(4) Daar komt nog een inhoudelijke overweging bij. Vietse(n) of fietse(n) zou een tamelijk algemene betekenis hebben: ‘met een lichte en vlugge beweging zich verplaatsen’. Maar hoe kan uit een dergelijke algemene aanduiding van voortbewegen dan een heel specifieke vorm ontstaan? We zien dat vietsen in 1885 al duidelijk ‘rijden op een viets’ betekent. En wat problematisch was, was de onhandige naam van het voorwerp, de vélocipède, en niet het werkwoord, want je kon gewoon op zo’n ding rijden, zoals op een paard. Of je kon erop wieleren. Er was behoefte aan een beter substantief, niet aan een beter werkwoord. Waarom zou men dan een tamelijk lokaal werkwoord met een meer algemene strekking specifiek gebruikt hebben voor het rijden op een vélocipède?

Natuurlijk komt het wel eens voor dat een meer algemeen woord een specifiekere betekenis krijgt. Bij de trein is dat in feite gebeurd, maar daar valt dat te begrijpen. De trein wagens die door de locomotief werd getrokken, werd een specifieke aanduiding. Maar daar valt het gebruik direct te verklaren.

Laat en ver weg
(5) Het grootste nadeel blijft naar mijn idee dat deze theorie pas in 1914 – door de Limburgse letterkundige L. Linssen – opgeworpen is, bijna drie decennia na de eerste signaleringen van viets en vietsen en dat bij alle tussenliggende discussies niemand op deze afleiding gewezen heeft. En toen, in 1914, ging het dan ook nog over het gebruik van dit verbum in Zuid-Limburg, ver weg van de gebieden waar het vietsen het eerst in zwang kwam. In Maastricht was weliswaar al snel een velocipèdeclub, maar wie de eerste jaargangen van De Kampioen doorneemt, zal zien dat het hier ging om een sport die vooral door onkerkelijke of niet al te kerkelijke protestantse jongelieden uit de steden boven de grote rivieren werd beoefend: men vergaderde veelvuldig op zondagmorgen of stapte dan al op de fiets. F
ietsen was toen nog geen katholieke plattelandssport en Sanders geeft dat zelf ook aan: waar het woord volgens hem werd gebruikt, werd er niet zo vroeg gefietst. Het woord ontstaat in kringen ver weg van het Zuid-Limburges platteland waarin geen dialect wordt gesproken. 

Als De Bont de theorie in 1973 op het Brabantse platteland toepast, geloof ik zonder meer dat hij ouder bewijsmateriaal heeft, maar van wanneer zijn de oudste bewijsplaatsen? Mijn vraag zou toch eerder zijn: is vietse(n) in deze betekenis ook voor 1885 geattesteerd of is de algemene dialectbetekenis van ‘zich snel voortbewegen’ misschien toch van fietsen afgeleid? Ik geloof best dat iemand als ‘Mie Fiets’, de boerin Marie Renders uit Oerle, zich rond de vorige eeuwwisseling nooit op een rijwiel voortbewoog, maar vanaf 1890 en zeker vanaf 1900 moet iedereen in Nederland wel eens van een fiets gehoord hebben. Een omgekeerde, uitbreidende ontlening lijkt me vooralsnog waarschijnlijker, maar ook als het Limburgse en Brabantse dialectwerkwoord aantoonbaar geheel op eigen benen kan staan, lijkt het me nog niet waarschijnlijk dat het tot de meest gangbare benaming van de tweewieler geleid heeft.

Tot slot
Ik denk dat Sanders met zijn verhaal over de kostschool Spaanschweerd te Brummen veel dichter bij de oorsprong zit. Het lijkt me alleszins aannemelijk dat viets door jongensachtig geknutsel via een tussenvorm als viezepee uit velocipede is ontstaan en vervolgens door de kostschooljongens in de steden van herkomst en met name via hun fietsclubs is verbreid. Maar misschien moet ik daar een volgende keer nog maar uitvoeriger op ingaan.

Andere theorieën zijn allemaal latere constructies, maar hier hebben we concrete getuigenissen voor. Waarom zouden we die niet geloven, zolang ze niet door andere concrete verhalen weersproken worden?

(62)