Archive for ‘Filosofie’

4 januari 2016

Homo arbor mala factus – Aus so krummem Holze, als woraus der Mensch gemacht ist…

door Jan Dirk Snel

[Maandag 4 januari 2016] Soms blijkt een ideetje simpelweg niet te kloppen. Een poosje geleden kwam ik de uitspraak van Martin Luther (1483-1546) tegen dat de waarheid nu eenmaal is dat de mens, gemaakt van een slechte boom, niets anders kan dan kwaad willen en doen. Die uitspraak deed me direct denken aan de bekende stelling van Immanuel Kant (1724-1804) dat de mens uit zulk krom hout gemaakt is dat daar niets rechts van getimmerd kan worden. Zou er een verband zijn? Zou de lutheraan die Kant was – ik zie nu dat er zelfs een tamelijk recent boek over Kants lutherische Fundamentaltheologie bestaat – al dan niet bewust aan Luther refereren? Ik maakte even een notitie.

Kant
Men zal zich herinneren, of misschien ook niet, dat Kants bekende uitspraak afkomstig is uit het essay ‘Idee zu einer allgemeinen Geschichte in weltbürgerlicher Absicht‘, dat hij in november 1784 in de Berliner Monatschrift publiceerde, een maand voordat hetzelfde tijdschrift zijn merkwaardige opstel ‘Beantwortung der Frage: Was ist Aufklärung?’ afdrukte. De ‘Idee’ geeft uitdrukking aan Kants verlichte teleologische opvatting van de geschiedenis, die aan het hedendaagse, sterk antiverlichte denken zo vreemd is, maar nu wilde ik me maar beperken tot de passage waarin het befaamde citaat voorkomt. Kant heeft het er daarin over dat de mens een diersoort is, dat wanneer het onder zijn eigen soortgenoten leeft, leiding nodig heeft. Leiding? Ik zwak hedendaags af: einen Herrn!

‘Denn er mißbraucht gewiß seine Freiheit in Ansehung anderer Seinesgleichen; und ob er gleich als vernünftiges Geschöpf ein Gesetz wünscht, welches der Freiheit Aller Schranken setze: so verleitet ihn doch seine selbstsüchtige thierische Neigung, wo er darf, sich selbst auszunehmen. Er bedarf also einen Herrn, der ihm den eigenen Willen breche und ihn nötige, einem allgemeingültigen Willen, dabei jeder frei sein kann, zu gehorchen.’

Alte_Universität_Koenigsberg

Eeuwenlang was de universiteit in Koningsbergen gevestigd in het stadsdeel Kneiphof op het eiland bij de Dom. Hier doceerde Immanuel Kant.

Toe maar, de eigen wil breken, de klassieke opvoedingsgedachte. Maar waar moet die heer vandaan komen? ‘Nirgend anders als aus der Menschengattung.’ Maar ook die heer heeft onontkoombaar weer een heer nodig. Dit alles leidt tot een paradox, of voor wie denkt dat een paradox slechts een schijnbare tegenstelling is – quod non, maar laat maar – een heus dilemma: ‘Das höchste Oberhaupt soll aber gerecht für sich selbst und doch ein Mensch sein.’ Het lijkt een beetje op Luthers bekende simul iustus et peccator, maar deze paradox is veel treuriger. Terwijl bij Luther de positieve uitkomst vaststaat, is het dilemma hier werkelijk onoplosbaar. Althans, zo stelt Kant het voor. En ik cursiveer:

‘Diese Aufgabe ist daher die schwerste unter allen; ja ihre vollkommene Auflösung ist unmöglich; aus so krummem Holze, als woraus der Mensch gemacht ist, kann nichts ganz Gerades gezimmert werden. Nur die Annäherung zu dieser Idee ist uns von der Natur auferlegt.’

Maar het kader is ook geheel anders. Terwijl Luther het over zonde en rechtvaardiging heeft, beperkt Kant zijn blik hier tot de natuur en de inherente dialectiek die deze kenmerkt. In de voetnoot die hierop volgt, legt hij nog eens uit dat de rol van de mens zeer ‘künstlich’ is. Met die vreemde mengeling van kinderlijke naïviteit en een poging tot het creëren van weidse vergezichten die de Koningsberger zo kenmerkt, merkt hij op dat we niet weten hoe het met de bewoners van andere planeten en dier aard zit, maar dat als we de opdracht van de natuur goed uitvoeren, we ons wel mogen vleien, ‘da wir unter unseren Nachbaren im Weltgebäude einen nicht geringen Rang behaupten dürften.’

‘Vielleicht mag bei diesen ein jedes Individuum seine Bestimmung in seinem Leben völlig erreichen. Bei uns ist es anders; nur die Gattung kann dieses hoffen.’

Toch nog een sprankje hoop dus, of misschien iets meer, niet zozeer voor de individuele mens, maar dan toch wel voor de soort, het ganse mensengeslacht. (De gedachte aan de grootste worp van Hegel en Marx doemt toch al even op.) Maar dat de Verlichting altijd naïef positief over de vermogens van individuele mensenkinderen dacht, dat kun je volgens mij moeilijk volhouden. Krom hout waar niets rechts mee getimmerd kan worden, zegt Kant. En hij was niet de enige die er zo over dacht.

Berlin
Dat de typering van Kant de laatste decennia zo bekend is, zou wel eens kunnen komen doordat Henry Hardy in 1990 zijn vijfde verzameling met essays van Isaiah Berlin (1909-1997) – niet ongeestig begint het voorwoord met: ‘This is in effect the fifth of four volumes’ – de titel The Crooked Timber Of Humanity. Chapters in the History of Ideas (1990) meegaf. In twee opstellen daarin figureert de aanhaling.

RIMG0483Allereerst in het tweede essay, ‘The Decline of Utopian Ideas in the West’, voor het eerst in 1978 in Tokyo gepubliceerd. Je zou dus denken aan dat Berlin een lezing in Japan hield, maar dat staat er niet bij; misschien leverde hij alleen maar een tekst in bij de publicerende Japan Foundation. Berlin pleit daarin voor een soort evenwicht tussen de verschillende ambities van verschillende groepen en hij beëindigt zijn essay aldus:

‘But this is not, prima facie, a wildly exciting programme: a liberal sermon which recommends machinery designed to prevent people from doing each other too much harm, giving each human group sufficient room to realise its own idiosyncratic, unique, particular ends without too much interference with the ends of others, is not a passionate battle-cry to inspire men to sacrifice and martyrdom and heroic feats. Yet if it were adopted, it might yet prevent mutual destruction, and, in the end, preserve the world. Immanuel Kant, a man very remote from irrationalism, once observed that “Out of the crooked timber of humanity no straight thing was ever made.” And for that reason, no perfect solution is, not merely in practice, but in principle, possible in human affairs, and any determined attempt to produce it is likely to lead to suffering, disillusionment and failure.

Ten tweede – ook in inversies dient men consequent te zijn – in het eerste essay. ‘The Pursuit of the Ideal‘, een tekst die Berlin in 1988 ten dele uitsprak in Turijn bij het in ontvangst nemen van de eerste ‘Senator Giovanni Angelli International Prize for the ethical dimension in advanced societies’. Ook die lezing liep tegen het eind toen Berlin opmerkte dat er weliswaar geen universele waarden bestaan, maar dat er wel een minimum is zonder hetwelk een samenleving nauwelijks kan overleven. Slavernij, gaskamers, marteling, kinderen die hun ouders aangeven, zoals de Franse en Russische Revolutie vereisten, willekeurig doden, dat willen we allemaal niet.

‘There is no justification for compromise on this. But on the other hand, the search for perfection does seem to me a recipe for bloodshed, no better even if it is demanded by the sincerest of idealists, the purest of heart. No more rigorous moralist than Immanuel Kant has ever lived, but even he said, in a moment of illumination, “Out of the crooked timber of humanity no straight thing was ever made.” To force people into the neat uniforms demanded by dogmatically believed-in schemes is almost always the road to inhumanity. We can only do what we can: but that we must do, against difficulties.’

In zijn begeleidende woorden lijkt Berlin overigens nogal wat over zichzelf te verraden. Kant – eerste citaat – was geen irrationalist. Nee, natuurlijk niet. Maar alsof je dat bij deze realistische woorden ook maar zou kunnen denken. De veronderstelling – die Berlin misschien eerder bij zijn lezers aanwezig achtte dan bij zichzelf, zodat hij er maar vast op inspeelde – is kennelijk dat bij rationalisme een optimistischere visie hoort. En Kant – tweede citaat – was wel een enorme moralist – ja, zeg dat wel! – maar ‘zelfs hij’ kwam in een moment van verlichting tot dit inzicht. Zelfs hij? Dus een strenge moralist zou niet zou gauw denken dat een mens niet zoveel goeds kan? Omdat hij denkt dat wat moet, ook wel kan? Nou ja, deze tweede veronderstelling lijkt me in ieder geval minder naïef dan de eerste.

Collingwood
In zijn redactionele voorwoord merkt Henry Hardy op dat de door hem voorgestelde boektitel ontleend is aan Isaiah Berlins favoriete citaat en wel in de weergave van Kants woorden waar deze de voorkeur aan gaf: ‘Out of the crooked timber of humanity no straight thing was ever made.’ En dan volgt er dit:

‘He has always ascribed this translation to R.G. Collingwood, but it turns out that he has not left Collingwood’s version untouched. The quotation does not appear in Collingwood’s published writings, but among his unpublished papers there is a lecture on the philosophy of history, dating from 1929, in which the following rendering appears: ‘Out of the cross-grained timber of human nature nothing quite straight can be made.’ It seems likely that Isaiah Berlin attended the lecture and was struck by this passage, which then matured in his memory.’

Ga eens na wat voor een speurwerk hieraan ten grondslag ligt! Eerst is het hele gepubliceerde werk van Robin George Collingwood (1889-1943) dus nageplozen, met als resultaat: nada, niks. En daarna zijn diens ongepubliceerde handschriften dus nagezocht, tot men deze lezing uit 1929 vond. De persoonlijkheid van de editeur moet zo ongeveer het tegendeel zijn van dat van de wat achteloze man wiens verspreide geschriften hij zo nauwgezet uitgeeft. Collingwood bleek dus iets anders te schrijven dan Berlin zich herinnerde, maar zelfs daarvoor is een oplossing, zo blijkt uit de voetnoot:

‘It must be added that Collingwood did originally write “crooked”, but then crossed this out (it is still legible) and substituted “cross-grained”’. The substitution may post-date the delivery of the lecture; or the same passage may have been used in another version in another lecture which does not survive. The truth is probably not definitively recoverable.’

Dr. Luther

Martin Luther met de baret die een doctor droeg. Doktorhut heet zo’n ding in het Duits. Ets door Lukas Cranach de oudere, 1521.

Op grond van minutieus onderzoek krijgt Berlins geheugen nog het voordeel van de twijfel ook. Zó, zoals hij Kant placht aan te halen, zou hij het uit Collingwoods mond gehoord kunnen hebben. Nu we de briefwisseling van Berlin tot onze beschikking hebben – Flourishing heet het eerste deel uit 2004 – weten we dat hij het citaat in 1933, in exact deze formulering, voor het eerst gebruikte in een brief van 30 november aan Elizabeth Bowen. Over Collingwoord scheef hij op 8 december 1931 al aan Shiela Grant Duff dat die ‘very exciting and risky’ was, gevolgd door nog veel meer interessants. Berlin schreef ook: ‘I wish he taught me too’. Maar dat wilde Collingwood nu net niet, vertelt Michael Ignatieff ons in zijn biografie van Berlin. Dat hoeft natuurlijk niet uit te sluiten dat hij de woorden toch nog wel eens vaker uit Collingwoods mond gehoord kan hebben, misschien op de manier waarop hij ze later altijd opschreef, maar ik kan me ook goed voorstellen dat hij ze daarna zelf nog wel eens bij Kant heeft opgezocht. Zou Isaiah Berlin nu werkelijk zijn hele leven, van 1933 tot 1988, Kant geciteerd hebben zonder hem eens te lezen?

Luther
Immanuel Kant groeide op in een zeer luthers milieu. De universiteit van Koningsbergen, waaraan hij eerst studeerde en vervolgens, vanaf 1755, doceerde en in 1770 hoogleraar werd, was een door en door luthers bolwerk, in 1544 gesticht met hulp vanuit Wittenberg, waar Luther toen nog hoogleraar was. In de achttiende eeuw was, net als bij Kant thuis, de invloed van het piëtisme er sterk. Kan het zijn dat Kants woorden aan Luther refereren? Nee, dat lijkt me uitgesloten. De aanhaling die ik ergens las, bleek afkomstig te zijn uit de Disputatio contra scholasticam theologiam uit 1517, waarbij professor Luther zijn student Franciscus Guntherus – dat zal in het Duits wel Franz Gunther (of Günther?) of zo geweest zijn – een reeks door hem opgestelde stellingen tegen de scholatiek liet verdedigen. Dit was in feite een veel hardere aanval op de traditionele theologie dan de 95 stellingen over de boetedoening, die later dat jaar op 31 oktober zouden volgen. Het was een frontale aanval op Aristoteles, en vooral diens Ethica, en de hele scholastieke traditie. Men kon geen theoloog worden als men Aristotoles niet afzwoer. Welnu, de vierde stelling luidt aldus:

‘Veritas itaque est quod homo arbor mala factus non potest nisi malum velle et facere.’

De waarheid is dus dat de mens, gemaakt als een slechte boom, alleen maar in staat is om het kwade te willen en te doen. Karl Barth schreef overigens interpreterend over de ‘einmal ein schlechter Baum gewordene Mensch’. De tekst die ik onder ogen kreeg en waar dit stukje mee begon, ging er vanuit dat de mens uit een slechte boom gemaakt is, maar er blijkt in feite te staan dat hij zelf een slechte boom is. Daardoor liet ik me even op het verkeerde been zetten en daaraan is dit stukje te danken – of te wijten, zo u wilt. Vertalingen voegen er meteen een verwijzing naar Mattheus 7: 17-18 aan toe en dat lijkt me de juiste uitleg:

‘Zo brengt iedere goede boom goede vruchten voort en een slechte boom brengt slechte vruchten voort. Een goede boom kan geen slechte vruchten voortbrengen en een slechte boom kan geen goede vruchten voortbrengen.’

Dat is dus andere beeldspraak: de boom en zijn vruchten. De mens is de boom en in de stelling van Luther bestaan zijn vruchten in het willen en het doen van het kwaad. In het beeld van Kant gaat het om de kwaliteit van het hout, dat natuurlijk ook van de boom komt, als zodanig. Als dat hout krom is, zal de boom dat ook wel geweest zijn. Maar het is een ander beeld.

KrummesHolz

.

Oudheid
Kortom, ik had graag een mooi stukje over een ontlening van Kant aan Luther geschreven, maar het lukt gewoon niet om die rond te krijgen. Het zit er nu eenmaal niet in. Ondertussen moet het beeld dat Kant gebruikte, van het kromme hout dat nooit recht zal worden, wel van tamelijk oude datum zijn. In het dertiendelige lexicon Thesaurus proverbiorum medii aevi. Lexikon der Sprichwörter des romanisch-germanischen Mittelalters (1995-2002)begonnen onder redactie van Samuel Singer, kom ik althans enkele citaten uit het Grieks tegen waarin deze beeldspraak – dat krom hout zich nooit recht laat maken – al gebruikt wordt. Maar het is tevens zo’n lexicon dat van de afk. aan elkaar hangt, zodat de lust tot verder opzoeken je direct vergaat. Het blijkt onder andere om Pseudo-Diogenianos te gaan, een tekstenverzameling die kennelijk uit het einde van de eerste eeuw afkomstig is, maar waarin de verzamelde teksten veel ouder kunnen zijn. En de afkorting ‘Frg. com. adesp.’ blijkt voor Fragmenta comica adespota te staan, een anonieme verzameling fragmenten van komedieschrijvers, in de negentiende eeuw door Theodor Koch uitgegeven, die door het lexicon op 1271-1291 gedateerd wordt. Maar als ik het goed begrijp, gaat het dus om anonieme fragmenten uit de Griekse of althans Grieks schrijvende Oudheid. Wie zin heeft, mag de andere afkortingen nog eens gaan oplossen.

Ik vind het voorlopig voldoende dat ik weet dat Kants kromme hout dat nooit recht zal worden, geen originele vondst was, maar een staande uitdrukking, die kennelijk al uit de Oudheid afkomstig is, ver van voor Luther dus. Weliswaar is de toepassing daarmee nog niet gegeven, maar waar zou je die anders op toe moeten passen dan op het menselijk handelen of de gehele mens? Ook in Nederland moet de uitdrukking bekend geweest zijn. ‘Wie isser, die alle krom-hout kan recht maken?’, vroeg Johan de Brune de oude zich blijkens het Woordenboek der Nederlandsche Taal in 1657 af.

Kant en Luther vinden elkaar in dit stukje dus niet. Ten onrechte bleek ik even een associatie gekregen te hebben bij twee verschillende beeldspraken. Maar in 1970 gebruikte de bekende lutherse theoloog Helmut Gollwitzer de kantiaanse beeldspraak wel in een boektitel: Krummes Holz – aufrechter Gang. Zur Frage nach dem Sinn des Lebens. Zo kwamen Kant en Luther dus toch nog een beetje bij elkaar.

Eik
Kan uit krom hout, kromhout, dan helemaal niks worden? Jawel, hoor. Het werd – en wordt misschien nog wel – voor ‘industrieele doeleinden, met name in den scheepsbouw’, gebruikt, zegt het woordenboek. En men plantte, lees ik ergens, dan bewust beuken aan naast eiken, zodat de eiken kromgroeiden en het gewenste hout opleveren. Krom hout is dus best ergens goed voor.

(199)

Advertenties
2 januari 2016

Waardensamenhang – Over waardenpluralisme, het goede, het ware en het schone

door Jan Dirk Snel

[Zaterdag 2 januari 2016] Het was op tweede kerstdag. In de toelichting door Max van Egmond bij cantate BWV 40 – van J.S. Bach natuurlijk, maar dat blijkt al uit de drieletterige aanduiding – die deel uitmaakte van de liturgie, las ik dit: ‘Het kwaad wordt uitgemaakt voor alles wat lelijk is.’

Esthetiek
Ik vond dat een opmerkelijke zin, een grappige vooral ook. Je verwacht nu eenmaal niet echt iets anders, in ieder geval niet dat er van het kwaad veel goeds gezegd zal worden. Daar kan alleen maar kwaad over gesproken worden. In die zin is de zin tautologisch. Maar bij nader inzien zit er nog een laag in. Het kwade is lelijk. Over het moreel afkeurenswaardige wordt hier, bijna zonder dat het opvalt, in esthetische termen gesproken. Het goede is schoon, het kwade is lelijk.

Thomaskirche

Op tweede kerstag 1723 werd de cantate ‘Darzu ist erschienen der Sohn Gottes’ (BWV 40) voor het eerst ten gehore gebracht in Leipzig, in de Thomaskirche, hier op de foto, en op dezelfde dag ook in de Nicolaikirche. (Foto: S-kay via Wikipedia)

Of de mededeling nu overigens erg trefzeker was, kun je je afvragen. Het ging over deze aria, gezongen door de bas, die voorafgaand aan de aangehaalde zin getypeerd wordt als ‘bijna agressief in zijn dramatiek’.

Höllische Schlange,
wird dir nicht bange?
Der dir den Kopf
als ein Sieger zerknickt,
ist nun geboren,
und die verloren,
werden mit ewigem
Frieden beglückt.

Ik zou zeggen dat over het kwaad als zodanig hier eigenlijk helemaal niets gezegd wordt, behalve dan dat het, in de gedaante van de ‘helse slang’, overwonnen is, de kop gebroken.

Goed, waar, schoon
Maar daar gaat het me nu even niet om. Het gaat me om die samenhang tussen het kwade en het lelijke als spiegelbeeld van het verband tussen het goede en het schone. We zijn daaraan gewend, aan die gedachte, bedoel ik. Het goede en het schone horen bij elkaar en vaak voegen we daar het ware nog aan toe: verum, bonum et pulchrum est unum. Het is dan gebruikelijk om naar Plato te verwijzen, of zelfs naar Socrates, maar ik geloof eigenlijk niet dat de drieslag zo ergens in het – in zekere zin gezamenlijke – werk van de Atheense wijsgeren te vinden is. Ik zou tenminste niet weten waar. Bij mijn weten duikt de drieslag pas bij middeleeuwse scholastici op.

Maar ook daar gaat het me nu niet om. Wel om de inhoud. We voelen direct aan dat er een verband is tussen dit drietal waarden, als ik ze tenminste zo mag noemen, hetgeen overigens nog maar zeer de vraag is. Het ware is ook mooi en goed. Het goede is ook waar en schoon. En het schone is ook goed en waar. Met drie begrippen kun je al zes eenvoudige prediceringen verrichten en negen als je de drie dubbele eraan toevoegt. Het gaat hier, zoals trouwens meestal, in die door ‘is’ aangeduide relaties immers niet om identiteit, maar om predicaties.

En ze zijn ook niet allemaal gelijk. Je kunt misschien net zeggen, zoals ik hierboven al deed, dat het goede waar is, maar de uitspraak dat het ware goed is, is duidelijk betekenisvoller. Van het ware en het schone kun je gemakkelijk zeggen dat ze goed zijn. En ook als is het goede in zekere zin ook wel waar of mooi, daarin gaat het om stellingen van duidelijk minder gehalte. Het goede is een hoger of universeler begrip. Dat had Plato al door. En daarom is het eeuwige gesteggel of morele uitspraken nu ook waar zijn, niet zo overdadig inzichtgevend. Waarheid is in het goede geworteld, niet omgekeerd. Feiten fungeren alleen binnen een moreel kader. Alleen een uit de hand gelopen ‘verwetenschappelijkte’ wijze van naar de wereld kijken – met de Wiener Kreis als vooral daarom herinnerd schrikbeeld – begint bij feiten en bij waarheid en stelt vervolgens de verkeerde vragen. De wereld is de omgeving waar we als morele wezens in leven. Met onze medemensen, de dieren en de dingen gaan we primair moreel, handelend om. Pas in latere instantie gaat het om iets dat we ook puur proberen waar te nemen. Dat de wereld dat is wat het geval is, is een abstractie.

Waardenpluralisme
De hoogste waarden, om die verdachte, van oorsprong nogal nihilistische term toch nog maar even te gebruiken, hangen duidelijk samen. Dat hebben mensen altijd geweten en niet voor niets. Toch lijkt dit oude inzicht tegenwoordig in diskrediet geraakt te zijn, met name door het waardenpluralisme dat iemand als Isaiah Berlin onvermoeibaar uiteenzette en, sterker, uitdroeg. Er zijn verschillende waarden, ze kunnen met elkaar in conflict komen en dan zul je moeten kiezen, dat is zo ongeveer de gedachte. Berlin benadrukte daarbij altijd dat er misschien wel veel waarden zijn of in ieder geval een groot aantal, maar dat dat aantal uiteindelijk ook weer begrensd is, ook al kon hij niet alle waarden opsommen. Communicatie tussen mensen, groepen en culturen is mogelijk, zei Berlin in gesprek met Ramin Jahanbegloo ‘because the values of men are not infinitely many; they belong to a common horizon – the objective, often incompatible values of mankind – between which it is necessary, often painfully, to choose.’ En in zijn allerlaatste essay, enkele maanden na zijn dood in 1997 gepubliceerd, schreef Berlin nog: ‘the number of human values, of values that I can pursue while maintaining my human semblance, my human character, is finite — let us say 74, or perhaps 122, or 26, but finite, whatever it may be.’

Een bekend voorbeeld, dat in de politieke theorie en trouwens ook wel de politieke praktijk altijd weer naar voren gebracht wordt, betreft de spanning tussen vrijheid en gelijkheid. Het zijn allebei waarden die dezer dagen hoog genoteerd staan. Vaak gaan ze ook wel samen. Je hebt zelfs auteurs die een mogelijke tegenstelling zoveel mogelijk ontkennen. In zijn drie dikke delen over de Radicale Verlichting – dus niet primair over de hoofdstroom van de Verlichting, waar hij niet veel van moet hebben – neigt Jonathan Israel er bijvoorbeeld toe om vooral de compatibiliteit te benadrukken. Dat komt door zijn nogal mathematisch aandoende opvatting van de rede die eigenlijk altijd maar één ding kan zeggen. En als die verondersteld spinozistische rede ons zowel naar de vrijheid als naar de gelijkheid leidt, dan kunnen beide elkaar eigenlijk alleen maar aanvullen.

Maar dat is toch niet hoe de meesten, denk ik, deze begrippen – en trouwens ook de rede – zien. Natuurlijk, op allerlei wijzen kunnen maatschappelijke vrijheid en sociale gelijkheid elkaar bevorderen en aanvullen, maar als het specifieker wordt, dan zal er vaak toch gekozen moeten worden, is de gedachte. Politieke denkers onderscheiden daarbij vaak een meer republikeinse en een meer liberale oriëntatie. De eerste traditie legt vooral de nadruk op vrijheid in het economisch handelen en de noodzaak van een zekere hiërarchie. Gelijkheid is eerder een uitgangspunt dan een doel. De tweede traditie hecht meer waarde aan maatschappelijke gelijkheid en zal bij vrijheid vooral de nadruk op geestelijke waarden leggen. Gelijkheid is hier eerder een zeker doel. (Tussen haakjes: de VVD past meer bij de republikeinse traditie, maar het Nederlandse liberalisme wijkt nu eenmaal sterk af van wat daar internationaal onder verstaan wordt. Maar ik voeg eraan toe dat het, vooral in wat langeretermijnperspectief, kennelijk ook mogelijk is om de beide richtingen precies omgekeerd aan te duiden.)

Redeneringen
Waardenpluralisme houdt niet alleen in dat er vele waarden zijn en van velerlei aard, maar ook dat ze niet noodzakelijkerwijs met elkaar in harmonie zijn. Dat kan soms, maar ze kunnen ook botsen. En dan zal er gekozen moeten worden.

RIMG0479

De twee in mijn stuk aangehaalde boeken, alsmede de nieuwe en de oude uitgave van het werk waarin Berlins beroemdste essay is opgenomen.

De vraag is dan natuurlijk: hoe? Willekeurig? Of ligt er aan een keuze ook een redenering ten grondslag? Ik zou zeggen: ja. Iemand die uitlegt waarom hij de vrijheid van ondernemers een groot goed – hè, nu komt die morele term zo maar binnenvallen, ook al lijkt het in de gedaante van een handelswaar – acht, kan gemeenlijk ook wel zo ongeveer uitleggen waarom hij dat vindt. Hij kan bijvoorbeeld uitleggen dat mensen pas dan echt tot hun recht kunnen komen. Of dat een dergelijke vrijheid uiteindelijk voor meer welvaart zorgt. Enzovoorts. Hoe het ook zij, hij zal redeneringen beschikbaar hebben. En hetzelfde geldt natuurlijk voor iemand die hecht aan een zekere maatschappelijke gelijkheid. Die zal er mogelijk op wijzen dat alle mensen van waarde zijn, een eigen waardigheid bezitten en dat de een zich niet boven de ander behoort te verheffen. Of dat juist een zekere maatschappelijke gelijkheid de beste ontplooiingskansen voor zoveel mogelijk mensen biedt. En dat juist zo’n gelijkheid vrijheid betekent – de klassieke liberale gedachtegang. Zoiets. Hoe het ook zij, duidelijk lijkt me dat het niet om willekeurige keuzen gaat, maar om voorkeuren die meer of minder adequaat, afhankelijk van wie je spreekt, nader gefundeerd kunnen worden.

Kortom, waarden zijn geen vrij rondvliegende monaden die willekeurig uit de lucht geplukt kunnen worden. Ze zijn onderdeel van redeneringen, van vertogen, voor het geval u die term graag nog eens hoort. Ze verwijzen naar andere waarden. In het hier gegeven voorbeeld naar opvattingen over menselijke waardigheid, menselijke bloei en zo meer. Naar de vraag ook wat goed is voor mensen. Goed, schreef ik.

Waardenmonisme
En daarbij zijn we van het waardenpluralisme weer bij het eerste punt van dit stukje beland. Het lijkt me daarom niet juist om waardenpluralisme tegenover waardenmonisme te stellen. Waarden zijn onderling verbonden en waarschijnlijk in een zekere hiërarchie. Vrijheid en gelijkheid – nogmaals, hier slechts als voorbeeld gebruikt – zijn slechts relatieve waarden. Het zijn zeker geen ultieme waarden. Wat hebben we aan vrijheid? Op zich niet veel, zou je zeggen. Je hebt eigenlijk alleen wat aan vrijheid als je er iets mee kunt doen. Je kunt natuurlijk zeggen: gevrijwaard te zijn van dwang is ook al iets. Dat is natuurlijk zo. Maar die dwang houdt dan kennelijk in dat je iets moet doen wat je niet wilt. Of niet kunt doen wat je wel wilt. Je wilt je vrijheid om dingen te doen die jij wilt. Die dingen, daar gaat het om. En bij gelijkheid is het al niet anders. Dat is geen waarde op zichzelf, maar eerder een voorwaarde voor iets anders. Waarbij dit voorbeeld naar mijn idee trouwens al aangeeft dat het een waarde van net iets lager allooi – of om hetzelfde nog eens anders te zeggen: van net iets fundamentelere aard – is dan vrijheid: gelijkheid kan bijvoorbeeld dienen om vrijheid te verwezenlijken.

We zoeken vrijheid om dingen te doen die goed zijn. Waardenpluralisme bestaat als feitelijkheid: er zijn meerdere waarden en ze kunnen soms een keuze, een beredeneerde keuze, vergen. Waardenpluralisme dus niet als nastrevenswaardig ideaal, maar als factische waardenpluraliteit. Maar het lijkt me niet verstandig om daarin een irrationele keuze voor onberedeneerbare waarden te zien. En het is al helemaal niet verstandig om de oude opvatting, die we toch maar platoons zullen noemen, daar als waardenmonisme tegenover te stellen. Juist op dat punt is er immers geen echte tegenstelling tussen de veelheid, de pluraliteit aan waarden, en het besef dat ultieme waarden een zekere samenhang vertonen.

We zoeken een zekere gelijkheid omdat die recht doet aan de menselijke waardigheid. We zoeken vrijheid omdat zo mensen tot ontplooiing kunnen komen. Politiek bakenen we zo voor mensen een eigen gebied af: negatieve vrijheid. Maar waar is die voor? Voor positieve vrijheid: opdat mensen die vrijheid voor goede doelen kunnen invullen. In die zin is Berlins klassieke tegenstelling tussen negatieve en positieve vrijheid er vooral een tussen het publieke terrein en de private sfeer.

Eenheid
Al die verschillende waarden beoordelen we uiteindelijk toch op de vraag wat ze bijdragen aan een goed leven. Dat geldt ook voor het ware en het schone. Het ware draagt bij aan het goede en wordt ook vandaaruit beoordeeld. Daarom is puur feitelijke waarheid ook geen waarde op zich. Het bekende kantiaanse dilemma of je tegen iemand die erop uit is om een persoon die jij in je woning verstopt hebt, te vermoorden, mag zeggen dat die er helemaal niet is, of je dus zogenaamd mag ‘liegen’, is bij nader inzien helemaal geen dilemma en in feite zelfs geen serieuze vraag. Kant verloor in zijn rigorisme even de verhoudingen uit het oog. De bescherming van een medemens gaat voorop. Op dat criterium moet ook hier de vraag naar de waarheid en haar plaats beoordeeld worden. Waarheid als feitelijkheid staat in dienst van het goede, niet omgekeerd.

En zo belanden we dan bij de vraag wat goed is of wat het goede is. Is dat wel een waarde? Kan een criterium een waarde zijn? Is het goede wel een criterium? Of is het weer een generieke aanduiding voor andere waarden die elke keer weer ingevuld dienen te worden? Het goede is natuurlijk ook steeds dat wat van dingen geprediceerd wordt. Het is niet één ding, het geeft de samenhang tussen een veelheid aan realisaties en waarderingen aan. Vrijheid kan goed zijn, gelijkheid kan goed zijn, maar in sommige omstandigheden misschien ook niet. Wat ik hier maar wilde betogen, is dat waardenpluralisme niet tegenover de oude gedachte hoeft te staan dat hogere waarden een zekere eenheid vormen. En eenheid is dan iets dan anders dan identiteit. Het is een kwestie van samenhang en misschien van hiërarchie.

Het is in feite ook wat Berlin probeert te betogen als hij opmerkt dat er zonder een begrensd aantal waarden geen communicatie, want begrip, tussen mensen en culturen mogelijk zou zjin. Maar ook tussen die waarden is er dus, anders dan hij benadrukt, wel degelijk samenhang – onderlinge communicatie, zou men kunnen zeggen. En omdat ze niet zo afzonderlijk onderscheiden kunnen worden als hij denkt, wijl ze immers geen zelfstandig monadisch bestaan leiden, zijn ze ook niet zo telbaar als Berlin doet voorkomen. Als er werkelijk maar zo’n 74, of misschien 122 or 26, waarden zouden zijn, zou je weliswaar misschien geen uitputtend, maar toch wel een redelijk volledig lijstje kunnen opstellen. En dat lukt natuurlijk in geen jaren. Hooguit kunnen socialewetenschappers, van het type Geert Hofstede of de Tilburgse en Nijmeegse waardenonderzoekers, een poging doen een redelijke adequate beschrijving op hoofdlijnen te bieden, maar het blijft altijd gaan om hun pragmatische indeling die zij aan de sociaal-morele werkelijkheid opleggen. Als er al een geschil is tussen de platoonse en de berliniaanse wijze van kijken, dan gaat die in feite niet over de eenheid of veelheid aan waarden, maar over de aard van de menselijke rede: leidt die tot één enkele slotsom of laat die meerdere redeneringen toe?

Goed
Het goede, het ware en het schone vormen een eenheid, vooral omdat het ware en het schone goed genoemd mogen worden. Identiek zijn ze niet. Er bestaat een pluraliteit aan waarden, maar we kunnen ook steeds vragen hoe ze bijdragen aan het goede. We zullen niet allemaal hetzelfde kiezen, maar onberedeneerd hoeven onze voorkeuren bepaald niet te zijn.

(198)