Twee hondjes – Over een rijmpje dat toch van Godfried Bomans was

door Jan Dirk Snel

[Woensdag 29 september 2021] Acht jaar geleden, op dinsdag 23 juli 2013, schreef ik een stukje over het gedichtje Spleen, dat door Michel van der Plas in 1954 in een bloemlezing was gepubliceerd en dat hij aan zijn goede vriend Godfried Bomans toeschreef. Het werd in de loop der jaren, denk ik, de best gelezen bijdrage op deze weblog. Elke dag blijken er wel mensen naar die twee hondjes te zoeken. Het stukje schreef ik destijds naar aanleiding van het overlijden van Ben Brinkel (1927-2013), zoals Michel van der Plas in werkelijkheid heette, de voorgaande zondag.

Toch Bomans
Het meeste in dat stukje klopt nog wel, maar één ding nadrukkelijk niet, zo bleek vandaag. Het gedicht is helemaal niet van Michel van der Plas. In Trouw publiceerde Willem Pekelder het artikel ‘Gedichtje “Spleen” is echt van Bomans: “Een mooie rehabilitatie”.’ Daarin meldt hij dat Fred Berendse, voorzitter van het Godfried Bomans Genootschap, onlangs ‘in het krantenarchief’ – daarmee wordt onmiskenbaar op Delpher gedoeld – ontdekte dat het gedichtje – de kop verraadde het al – wel degelijk van de hand van Bomans zelf is:

‘Het complete gedicht, met daaronder de initialen G.B., gepubliceerd op 4 april 1947 in het katholieke jeugdblad De Linie. Berendse: “Er is geen twijfel meer mogelijk: Bomans is de geestelijk vader van Spleen.”’


Dat klopt. Ieder die op grond van deze publicatie een korte zoekactie verricht, stuit zo op de vindplaats. Alleen lijkt het me niet geheel juist het ernstige, door paters jezuïeten opgerichte weekblad De Linie (1946-1963), voorloper van De Nieuwe Linie (1963-1982), een ‘jeugdblad’ te noemen; het gaat hier om een wat luchtige afsluitende rubriek op de achterpagina, die als geheel het opschrift ‘Weekend’ draagt. Doch dit terzijde. Dat G.B. inderdaad Godfried Bomans is, neem ik voetstoots, of op goed geloof, aan, ook zonder dat ik dat nog eens voor honderd procent heb gecontroleerd. Het moet wel. En Fred Berendse zal dat ongetwijfeld nauwkeurig uitgezocht hebben.

Ik heb nog even gezocht of ik op de site van het Godfried Bomans Genootschap hierover iets kon vinden, maar dat was niet het geval. Wel blijkt dat Fred Berendse zijn vondst al op 13 juli van dit jaar verwerkt heeft in het lemma ‘Spleen’ op Wikipedia. Ere wie ere toekomt.

Frigyes Karinthy
Een corrigerend postscriptum bij mijn stukje van acht jaar geleden was hard nodig en als zodanig is deze bijdrage bedoeld. Daar komt echter nog iets bij. Ook in Trouw en op Wikipedia wordt er op gewezen dat het grapje over de twee spelende hondjes al langer circuleerde – in ieder geval sinds 1929, toonde ik de vorige keer aan, en het inmiddels aanzienlijke uitgebreide Delpher lijkt nu zo snel geen oudere resultaten op te leveren – en dat Bomans, weten we nu, het zeker niet aan Friedrich Torberg ontleend kon hebben.

Doch er is iets dat te weinig aandacht kreeg. In een reactie op mijn vorige stukje wees Frans van Nes op de Hongaarse schrijver Frigyes Karinthy (1887-1938), die in zijn 1916 verschenen humoreskenbundel Viccelnek velem schreef: ‘Álmomban két macska voltam és játszottam egymással.’ Oftewel, in de vertaling die Van Nes er gelukkig direct bij levert: ‘In mijn droom was ik twee katten en speelde met elkaar.’ Katten dus in plaats van honden, maar het is hetzelfde beeld, merkt Van Nes terecht op. En, voegt hij eraan toe: ‘voor zover ik kan beoordelen vooralsnog de oudste vindplaats’.

Dat lijkt nog steeds te kloppen. Het zou natuurlijk kunnen dat ook Karinthy gebruik maakte van een al langer in varianten circulerend grapje, maar de oudste vindplaats lijkt dit nog zeker. In het Engels lijkt de zinsnede van Karinthy inmiddels ook bekend te zijn, zoals onlangs nog bleek uit een reactie op mijn weblog, maar dat lijkt een tamelijk recent fenomeen te zijn. Als het grapje over de hondjes werkelijk teruggaat op de twee katten van Karinthy, zal dat eerder via het Duitse taalgebied verlopen zijn – in 1916 vormden Hongarije en Oostenrijk nog één rijk – al vind ik ook daar vooreerst geen erg oude vertalingen. Wel wordt in een in 1979 gepubliceerd overzichtswerk gesteld dat het aforisme ‘Ich träumte ferner, ich war zwei Katzen und spielte miteinander‘, vaak aangehaald werd.

Bewerkt
Wat me achteraf nog het meest verbaast, is hoe ik er in 2013 zo vanzelfsprekend vanuit ging dat Michel van der Plas het gedicht weliswaar aan Bomans toeschreef, maar dat het niet van diens hand was. Wat was daar eigenlijk de gedachte achter? Dat het in de werken van Bomans zelf nergens voorkwam? Misschien is er toch iets meer aan de hand. Fred Berendse meldde bijvoorbeeld zo’n twintig jaar geleden dat Michel van der Plas hem verteld had dat hij het gedicht bewerkt had.

En nu blijkt er inderdaad een verschil te zijn tussen de twee versies. Bomans in 1947:

Ik zit vaak voor het vensterglas
Mij duchtig te vervelen
En denk: als ik twee hondjes was
Dan zou ik samen spelen.

De bloemlezing van Van der Plas in 1954:

Ik zit mij voor het vensterglas
onnoemlijk te vervelen.
Ik wou dat ik twee hondjes was,
dan kon ik samen spelen.

Het oorspronkelijke versje had bovendien geen titel. Het lijkt inderdaad niet onwaarschijnlijk dat de bekend geworden versie inderdaad door Van der Plas bewerkt is. Ook het stuk in Trouw gaat daar vanuit. In beperkte zin zou men misschien van een coproductie kunnen spreken.

Stanley Moss
Inmiddels, zag ik, is de centrale zin ook in het Engels bekend. De dichter Stanley Moss (*1925) publiceerde in 2016 in zijn Almost Complete Poems een kinderliedje dat begon met de regel ‘I wish I was two dogs, then I could play with me’ en dat eindigde met de woorden: ‘and never be lonely, never be lonely’. Zo’n liedje zou natuurlijk wel iets eerder geschreven kunnen zijn, maar op zich lijkt het toch tamelijk recent. Hoe dan ook, de gedachte die nu al meer dan een eeuw in diverse vormen circuleert, heeft inmiddels ook het Engelse taalgebied bereikt.

(216)

2 Responses to “Twee hondjes – Over een rijmpje dat toch van Godfried Bomans was”

  1. Een prachtige speurtocht. Ik maak echter onderscheid tussen het grapje twee hondjes te willen zijn en het gedichtje waarin het grapje verwerkt is. Het grapje is dus al ouder dan een eeuw en wie weet gaat de stamboom nog verder terug. Het gedichtje is van 1947 en van Bomans. Van der Plas heeft me niet gezegd dat hij het van Bomans heeft, hij heeft het me geschreven, maar hij wist niet meer waar hij het had gelezen. Daar ben ik dus nu achter gekomen. Overigens bleef Bomans zelf stug aan zijn eigen versie vasthouden met woorden als duchtig en ‘dan kon ik samen spelen’.

Trackbacks

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: