Archive for ‘Literatuur’

15 januari 2016

Beteuterd lezen – Over de valse tegenstelling van Christiaan Weijts

door Jan Dirk Snel

 

[Vrijdag 15 januari 2016] ‘Is het zo ingewikkeld om te bedenken dat de gemiddelde puber niet zo bijster geïnteresseerd is in het regentschap Lebak in de negentiende eeuw?’, vroeg Christiaan Weijts zich af in een column die gisteren in NRC Next verscheen. Nu lees ik die deftige liberale ochtendkrant niet – ik houd het bij de avondeditie voor gewone mensen – maar om de een of andere reden belandde een plaatje van dat stuk een aantal keren in mijn tijdlijn op Twitter. Er waren kennelijk lieden die dit wel de moeite van het verspreiden waard vonden. Uitgeverij Podium bestond het zelfs om dit pleidooi voor domheid, want dat is de tirade van Weijts en niets anders, in verband te brengen met ‘leesbevordering’. Je moet maar durven.

Lebak
Maar terug naar de aangehaalde vraag. Weijts gaat er kennelijk vanuit dat de lezer die wel begrijpt. Dat die doorheeft waar hij met dat ‘regentschap Lebak’ op doelt. Dat hij dus terugverwijst naar de roman Max Havelaar (1860), die hij eerder in zijn stuk omschreven heeft als een ‘afgrijselijke monumentale baksteen’. Maar waarom denkt Weijts eigenlijk dat hij daarop kan vertrouwen? Waarom weet de lezer dat? En waarom weet hij dat die dat weet? Misschien omdat die lezer op school die Max Havelaar toevallig gelezen heeft? Of er daar tenminste iets over gehoord heeft? Of misschien ook omdat hij in een boek of een krant wel eens vaker over die Max Havelaar gelezen heeft? Misschien ook omdat hij die titel van dat boek van E. du Perron, De man van Lebak (1937), wel eens voorbij heeft zien komen en gehoord heeft dat die op Eduard Douwes Dekker (1820-1887) betrekking heeft?

WeijtsPodium

Kinderen iets bijbrengen? Houd ze liever dom, betoogt Christiaan Weijts. Uitgeverij Podium ziet een verband met, brrr, ‘leesbevordering’. Moesten we vroeger meer melk drinken, de hedendaagse Joris Driepinters bevelen ons het lezen aan. Lezen, dat moet. Maar beperkt u zich daarbij wel tot ‘opwindende’ lectuur. Laat de oude heer Smits liggen, maar neem de jonge heer Brusselmans in ruime mate tot u.

En waarom vertrouwt Weijts er eigenlijk op dat de lezer enig benul heeft als hij Karel ende Elegast, Hooft, Vondel, Feith, Bilderdijk, Emants en Van Deyssel noemt? Dat hij deze aanduidingen herkent en zo’n beetje in de tijd kan plaatsen? Inderdaad, omdat dit bekende, overbekende namen uit de canon van de Nederlandse literatuur zijn. En omdat we op school of via lectuur daar allemaal wel eens wat van meegekregen hebben. Algemene, gedeelde kennis. Misschien moeten we even nakijken uit welke eeuw Karel ende Elegast nu precies was, maar dat het om middeleeuwse letterkunde gaat, dat weten we allemaal. We hebben dan misschien vorige week Vondel niet uit de kast gepakt en het kan ook al even geleden zijn dat we voor het laatst Bilderdijk lazen, maar we hebben allen enige herinneringen. En de grondige lectuur van sommige teksten laten we dan misschien graag aan Frits van Oostrom of Herman Pleij over, wat die daar vervolgens van weten te maken, lezen we op zijn tijd toch graag.

Maar Weijts schijnt dus een wereld voor te staan waarin niemand zijn stukje meer begrijpt. Dat laatste zou inderdaad niet erg zijn, maar zo’n wereld, een wereld der onwetendheid, dat zou wel erg zijn.

Geweldig
Weijts is ook ergens voor. Hij wil dat jongeren ‘leesplezier’ hebben. En dat kan ook, want stomtoevallig, of misschien wel helemaal niet stomvallig, zijn er juist in een recente cultuurperiode toch zulke ‘geweldige boeken’ geschreven! Ik herhaal: ‘geweldige boeken’! Weijts noemt een zestal titels: Gimmick! (1989) van Joost Zwagerman, Kartonnen dozen (1991) van Tom Lanoye, Giph (1993) van Ronald Giphart, Joe Speedboot (2005) van Tommy Wieringa, Tirza (2006) van Arnon Grunberg en De helaasheid der dingen (2006) van Dimitri Verhulst. ‘Geweldige boeken’! Geschreven door ‘jongere generaties tjokvol talent’. Maar wat jammer dat nog niemand daarvan gehoord heeft! Natuurlijk, al die boeken hebben stuk voor stuk vele, vaak zelfs tientallen drukken gekregen, maar had u ooit van Joost Zwagerman of Arnon Grunberg gehoord?

Dat is namelijk het trieste: ‘Het ontbreekt alleen aan de juiste gidsen.’ Nooit schrijft een krant eens iets over deze ‘geweldige boeken’, nooit verschijnt zo’n schrijver eens op tv, nooit zie je eens een boek van ze in de winkel liggen. Maar gelukkig heeft Weijts hoop. De moderne technologie. Jawel, de moderne technologie! Die is misschien eindelijk in staat om ‘de juiste lezers aan de juiste boeken te koppelen’. Eeuwenlang ging dat natuurlijk fout. Er waren wel lezers, er waren wel boeken, maar ja, die koppeling, hè? Honderden, duizenden jaren lang hebben mensen in totale onwetendheid de verkeerde boeken zitten lezen. Schrijnend. We wenen om al die eeuwen die verloren zijn gegaan.

Maar gelukkig kan deze misstand nu eindelijk de wereld uit worden geholpen. Na alle eeuwen van het dode boek zou 2016 ‘het jaar van het lévende boek’ kunnen worden, ‘waarin jongeren elkaar via apps of webportals hun opwindendste boeken aanraden.’ Ja, u leest het goed: apps en webportals. Dat was natuurlijk waar de literatuur sinds Homerus en Hesiodus op heeft zitten wachten. Gewoon mondeling een goede vriend of vriendin een ‘opwindend’ boek aanraden, dat ging natuurlijk ook totaal niet. Je hebt daar echt apps en webportals voor nodig. Heel erg bij die tijd, hoor, die Christiaan Weijts. Dat daar nog nooit iemand op was gekomen!

Strafkamp
Maar Christiaan Weijts is niet maar zo tevreden. Niet alleen moeten die ‘geweldige boeken’ door ‘jongere generaties tjokvol talent’ door de juiste gidsen bij onze scholieren onder de aandacht gebracht worden, die scholieren moeten vooral ook niet de verkeerde boeken lezen.

‘Fuck de canon’, ‘fuck de literaire canon’, houdt de wijze Weijts ons in een duizelingwekkend literaire stijl voor. Een docent die zijn leerlingen laat kiezen – ja, kiezen – uit een lange lijst met klassieke werken, die is volgens Weijts ‘misdadig’ en die moet naar een strafkamp. Uiteraard! Laten we fluks een klein goelagje bouwen nabij het Fochteloërveen. Maar waarom eigenlijk? Weijts heeft niet veel meer argumentatie dan dat die teksten te lastig zijn. Vanaf groep 6 van de basisschool ontwikkelen heel wat kinderen een ‘weerzin tegen lezen’, omdat ze boeken in handen krijgen ‘die te moeilijk zijn of die niet bij hun beleving aansluiten’.

Aha. Maar als dat het probleem is, dan begint dat dus al ruimschoots voor ze de Max Havelaar of Karel ende Elegast voorgeschoteld krijgen. Zou er dan niet toch iets anders aan de hand zijn? Andere interesses bijvoorbeeld bij het opgroeien? En is dat dan een reden om leerlingen maar nooit meer een wat ingewikkelder boek in handen te geven? Komt er in Weijts’ wereld een moment waarop iemand toch maar eens de Politeia van Plato, de De Civitate Dei van Augustinus of de Kritik der reinen Vernunft van Immanuel Kant ter hand neemt? Of is zijn idee: allemaal veel te moeilijk, moeten we als samenleving niet willen, moeten we leerlingen, en later studenten, vooral niet mee lastig vallen? Die moeten alleen de ‘opwindende boeken’ die ze elkaar aanraden, lezen? Want ‘beleving’. Waar voor Christiaan Weijts echt nog nooit iemand op gewezen heeft. (Overigens: als die leerlingen elkaar die boeken zelf wel kunnen aanbevelen, waarom hebben ze dan nog gidsende leraren nodig?)

Ongerijmd
Weijts creëert een hele rare tegenstelling. Stel nou eens dat veel leerlingen niet zo erg van Joost van den Vondel of Rhijnvis Feith houden, weerhoudt ze dat er dan van om Joe Speedboot te lezen? Ik zou zeggen: het tegendeel ligt toch iets meer voor de hand. Dat een leerling denkt: nu heb ik voor mijn huiswerk hard op Huygens zitten ploeteren, dan ga ik straks nog eens heerlijk een ‘opwindend’ boek van de piepjonge Ronald Giphart (1965) of de zo fruitig ogende Tom Lanoye (1958) lezen.

Beeld_Joost_van_den_Vondel

Joost van den Vondel (1587-1679) in het Amsterdamse park dat later naar hem is genoemd. Standbeeld (1867) door Louis Royer (1793-1868). In de wereld van Christiaan Weijts is het betreurenswaardig als u bijvoorbeeld de Gijsbrecht van Aemstel (1637) wel eens gelezen of gezien hebt. En wie u daartoe aanzette, was trouwens een misdadiger. U had natuurlijk veel beter iets van de van talent barstende Dimitri Verhulst kunnen lezen. (Foto: Henkgron)

Scholen zijn ervoor om leerlingen een blik op de wereld mee te geven. Om leerlingen te laten zien wat er zoal is. En niet iedereen zal alles even interessant vinden. Dat is ook niet erg. Leerlingen krijgen een breed vakkenpakket aangeboden. Opdat ze van van alles en nog wat, ook van veel dingen waar ze in hun latere leven nooit meer iets mee doen – wiskunde, erg belangrijk, zeggen ze, maar de meeste mensen gebruiken nooit meer dan wat simpele rekenkunde van de lagere school – iets afweten. Ook lang niet iedere leerling houdt van scheikunde of van economie. Maar dat is toch geen reden om die vakken maar niet meer aan te bieden? Er zijn altijd leerlingen die ze wel boeiend vinden en erin doorgaan.

De geschiedenis van de Nederlandse letterkunde is een gewoon schoolvak. Waar je dingen leert en waar je hopelijk voor de rest van je leven iets, vaak niet zo veel trouwens, van onthoudt. En een enkeling zal persoonlijk of esthetisch gegrepen worden door een tekst. Weijts geeft dan wel af op de Max Havelaar, maar geen mens zal serieus kunnen beweren dat dat voor een zestienjarige een moeilijk leesbare tekst is. Een ‘effectief moordwapen is voor elk sluimerend vonkje literaire interesse’? Kom nou. Toen ik het op de middelbare school las, maakte de stijl een verpletterende indruk op me. Die ik meteen maar – vast heel pathetisch – probeerde in een opstel te emuleren. Ik geloof dat ik in dat ‘regentschap Lebak’ toen nog steeds niet zo geïnteresseerd was. Maar wat zou het? Waarom zou een leerling die dit boek gans niet raakt, dan helemaal geen literaire interesse voor andere teksten meer kunnen opbrengen? Weijts’ hele redeneertrant is ongerijmd.

Vrijheid
‘Lezen is vrijheid, avontuur’ schrijft Weijts. Hij gebruikt dat als argument tegen het zelfs maar durven aanbieden van de canon. Het lijkt mij het beste argument ervoor. Een school wijdt leerlingen in in de wereld, in die wereld waarin we met zijn allen leven, waarin we dus weten wie Anna Bijns was, wat er zo ongeveer in de Heidelbergse Catechismus staat, waarin we vagelijk weten waarom Hugo de Groot zijn De iure belli ac pacis schreef of waarin we iets meer over Anselmus, Georg Cantor of het echtpaar Curie kunnen vertellen.

Daar hoort kennis van de Nederlandse literatuurgeschiedenis gewoon bij, zoals dat ook geldt voor de geschiedenis van de Duitse, Franse, Engelse en Amerikaanse literatuur. Daarom zijn andere talen op school ook zo belangrijk, niet alleen omdat we ons zo een beetje over de grens kunnen redden, maar omdat we aldus toegang hebben tot de cultuurgeschiedenis van omringende staten. En we dan later, nog op school of misschien na de school, op het idee komen dat er wellicht ook door Italianen, Spanjaarden, Denen of Russen wel eens interessante romans of wijsgerige verhandelingen geschreven zouden kunnen zijn. Of door Chinezen of Egyptenaren. Die gymnasiumleerling die volgens Weijts zo ‘beteuterd’ keek naar een lijstje met enige klassieke Nederlandse literatuur, loopt trouwens het risico op school zo maar teksten van Xenophon of Plato, van Ovidius, Vergilius of Tacitus voorgezet te krijgen. Ik wil zijn plezier niet bij voorbaat bederven en niet al te veel verklappen, maar vergeleken bij deze oude knarren is Pieter Corneliszoon Hooft historisch gezien dan toch echt een jonkie, hoor. Die trouwens die ouden nog wel eens nadeed. Maar moet je volgens Weijts natuurlijk helemaal niet willen weten.

Weijts heeft helemaal gelijk dat geen enkel boek geschreven is om ‘als afschrikwekkend museumstuk te eindigen’. Raak inzicht. En daarom leren we op school hoe we met teksten uit oudere perioden en soms andere culturen om moeten gaan. Hoe we onze hermeneutische vermogens kunnen ontwikkelen. Hoe wat eerst misschien wat vreemd lijkt, ons toch vertrouwd kan worden. Kortom, als hij denkt dat oudere literatuur onder het stof ligt, is er extra aanleiding om te zorgen dat dat er nooit meer over afdaalt, maar dat die literatuur een levendige plaats in onze cultuur blijft innemen. En dat leerlingen inderdaad het vermogen ontwikkelen om in vrijheid uit de schat der eeuwen te kiezen. Ja, vrijheid. Dat is dus avontuur: dat je niet opgesloten zit in je eigen tijd, maar je vrij door de geschiedenis van onze cultuur hebt leren beweegen.

Respect
Dat is waar scholen voor zijn. Inzicht in de wereld geven. De tegenstelling die Weijts maakt, tussen de oudere letterkunde en zijn moderne canon – ja canon, want alles wat hij noemt, lijkt op een of andere wijze inmiddels ook verdacht canoniek – is net zo vals als wanneer hij had geschreven: laten we geen onderwijs in het Dopplereffect meer geven, maar leerlingen in plaats daarvan Herman Brusselmans in handen duwen.

Ondertussen heeft Weijts’ stukje me wel een stuk vrolijker gemaakt. Ik was al bang dat er weinig meer aan historische letterkunde werd gedaan. Maar op dat ene gymnasium of die ene gymnasiumafdeling met die ene beteuterde scholier heerst er kennelijk nog wel respect voor leerlingen. Dat stemt hoopvol.

Nawoord (zaterdag 15 januari 2015, 16 uur)
De column van Christiaan Weijts stond op dezelfde dag, donderdag 14 januari 2016, trouwens ook in NRC Handelsblad onder de kop ‘Ontlezing. Geen wonder met zo’n stoffige boekenlijst‘. De zoekfunctie leidt daar niet toe. En ik had die krant nog niet (digitaal) doorgebladerd. Dank aan degenen die me hierop wezen.

(201)

Advertenties
18 februari 2015

Rhienderen – Over een ontbrekende letter bij Simon Carmiggelt

door Jan Dirk Snel

[Woensdag 18 februari 2015] Al in de eerste zin gaat het mis. Maar dat weet ik niet. Ik ben alleen maar nieuwsgierig. Uit de kringloopwinkel heb ik voor een bedrag van exact één euro een boekje van S. Carmiggelt met illustraties van Peter van Straaten meegenomen. Het is vooral de titel die me verlokt: Met de neus in de boeken. Dat kreeg ik als kind ook vaak te horen, vooral als er in mijn bijzijn over mij werd gesproken: hij zit altijd met de neus in de boeken.

Eerste zin
In de winkel heb ik al gezien dat het gaat om een uitgebreide uitgave van het boekenweekgeschenk van 1979 dat Mooi kado heette. Of beter, dat was een inkorting van het originele manuscript, zo vertelt Simon Carmiggelt ons hoogstpersoonlijk op de achterzijde. En dit is dan weer een uitbreiding daarvan uit 1983, uitgegeven door de Arbeiderspers. Het staat trouwens ook in de ondertitel: Een Mooi Kado zoals het eigenlijk had moeten zijn. Thuis zoek ik dat originele boekenweekgeschenk, met als ondertitel Een boekje over boeken – datum voorin: 6 april 1979 – nog eens op. Dat oogt wat somber – hetgeen overigens uitstekend past bij auteur en tekenaar – en dit ziet er ook na ruim drie decennia nog steeds vrolijk, helder én kleurrijk uit. 224 bladzijden tegen 96 daarvoor – tellen boekenweekgeschenken (tenzij de auteur Salman Rushdie heet) niet steevast 96 pagina’s? – met een ruimere, aangenamere bladspiegel.

Neus in de boeken

Het origineel en het origineel. Maar welk van beide boeken links en in het midden is nu het meest oorspronkelijk?

Maar die eerste zin. Die luidt als volgt:

‘Mijn vader werd geboren in het Gelderse dorpje Rhieneren, als zoon van een vrouw die de bijnaam ‘mooie Leentje’ droeg en een man die het, timmerend in de bouwvakken, niet ver schopte.’

Geen slechte beginzin trouwens. Uiteraard, iemand als Gabriel García Márquez schreef wel eens een spannendere eerste zin, maar voor een boekje dat niet pretentieus oogt en dat kennelijk ook niet beoogt te zijn, kan ie er best mee door. De tegenstelling tussen de schoonheid van Leentje en het karige bestaan harer echtgenoot roept voldoende spanning op. Maar daar gaat het me dit keer niet om. Ik lees aanmerkelijk prozaïscher en ik stok dan ook al voor de zin uit is, aan het eind van de eerste regel. Rhieneren? Dat ken ik niet. Waar ligt dat?

Gelders dorpje
Tegenwoordig lees ik anders dan vroeger. Toen las je gewoon in onbekommerde onwetendheid door. Bijvoorbeeld zoals de zoon van de timmerman, de vader van de auteur, daar als jongetje in dat Gelderse dorpje las. Die ging, als ’s winters de olielamp uit zuinigheidsoverwegingen al vroeg uit moest en iedereen naar bed was, zo vertelt Carmiggelt even verderop, ‘met zijn boek vlak bij de asla van de kachel op de grond liggen en las, bij die vage gloed, dóór tot alle sintels waren gedoofd.’ Hetgeen de ouders allerminst waardeerden: ‘Wat mot je toch altijd met die neus in die smerige boeken?’

Maar dezer dagen gaat dat dus anders. Als je iets niet weet en het toch wilt weten, tik je het gewoon even in Google in. En die wist het meteen ook beter. Ik kreeg meteen de resultaten van Rhienderen, met een d erin dus, voorgeschoteld. Alleen als je de bekende aanhalingstekens er omheen zet, kom je uit bij de paar pagina’s waarop de naam zonder die d voorkomt en dan zie je ook al direct dat het om een verschrijving gaat. Of kom je dus, in Google Books, weer bij dit boekje terecht.

Rhienderen dus. Het blijkt een buurtschap in de gemeente Brummen te zijn en al heel lang te bestaan, al schreef men in 796 nog Hrenheri, ook zonder d trouwens. In de negentiende eeuw schreef men ook wel Reenderen, zag ik, met d dus, maar zonder die aanstellerige h. Maar toen schreef men wel vaker simpel wat wij nu ingewikkeld antiquarisch spellen. (Cuijk was toen bijvoorbeeld ook wel Kuik.) De website van de gemeente Brummen geeft Carmiggelt overigens gelijk. Het was meer dan zomaar een buurtschap en schijnt dat eigenlijk nog te zijn:

‘Voor de bouw van de Brummense woonwijken Enken en Elzenbos waren Brummen en Rhienderen twee gescheiden dorpen, met hun eigen winkels, feesten en jaarmarkt. Voor een groot deel is dat nog steeds zo. Rhienderen is dus meer een dorp dan een buurtschap, ook al ligt het voornamelijk in de bebouwde kom van Brummen.’

Van Rhienderen naar Den Haag
Ik wist dat niet. Ik hoefde het ook niet te weten, zie ik nu. In de eerste maand van het jaar 2000 had ik de biografie door Henk van Gelder, Carmiggelt. Het levensverhaal (Amsterdam 1999) – je bent echt groot als je voornaam in zo’n titel rustig weggelaten kan worden – weliswaar gelezen en, naar ik me vagelijk meen te herinneren, zelfs gerecenseerd, maar die noemt de geboorteplaats van Carmiggelts grootvader van vaderszijde niet. Wat hij wel schreef, was typerend genoeg:

‘Herman Carmiggelt was een zwijgzame, introverte melancholicus uit een Gelders arbeidersgeslacht, die kranten las alsof zijn leven ervan afhing en toch had moeten aanvaarden dat hij niet als intellectueel in zijn levensonderhoud kon voorzien.’

HermanCarmiggelt

De jonge Herman Carmiggelt (1873-1943) lezend bij de asla van de kachel in Rhienderen, in de verbeelding van Peter van Straaten.

Van Gelder verhaalt vervolgens hoe hij een baantje kreeg als vertegenwoordiger bij Stegeman & Co Vleeschwarenfabriek te Deventer en in die hoedanigheid dagelijks per fiets bezoeken aflegde aan slagerswinkels in Den Haag en omstreken – ‘Let op het loodje’. En daar, in ‘s-Gravenhage, werd Simon Johannes Carmiggelt dan ook in 1913 geboren – zo hij iets was, was hij een Amsterdammer van Haagse komaf – en trouwens vernoemd naar zijn grootvader van moederszijde, Simon Johannes Bik, zij het wat betreft die tweede naam misschien meteen een beetje naar zijn grootvader van vaderszijde. Zijn oudste broer Jan (1910-1943), voluit Johannes Simon, was immers ook al naar beide opa’s genoemd. Die grootvader in Rhienderen, gemeente Brummen, geboren in 1837, heette nu eenmaal Johannes Carmiggelt.

Die heeft Simon Carmiggelt overigens nooit gekend, want hij overleed al in 1903. Maar wie ‘mooie Leentje’ was, dat moet hij zich toen hij over haar schreef, nog wel herinnerd hebben. Ze heette voluit Leentje Busser en ze werd oud. Ze was geboren in 1838 en overleed pas in 1929. Ze werd 90 jaar. En ze woonde kennelijk haar hele leven in de gemeente Brummen.

Schotse Brigade
Dat van dat oude Gelderse – en naar we inmiddels weten: Veluwse – arbeidersgeslacht lijkt ook te kloppen. Dat is ook het aardige van de huidige mogelijkheden. Met een beetje geluk tref je zo een complete stamboom aan op het web en dat is nu ook het geval. Je kunt de lijn terug zo volgen. Simon Johannes Carmiggelt (1913-1987) was de zoon van de lezende Herman Carmiggelt (1873-1943) en die was, zoals reeds verhaald, de zoon van de timmerende Johannes Carmiggelt (1837-1903) uit Rhienderen. Aan hem gingen vooraf Harmen Carmiggelt (1806-1873), metselaar, en de ook al metselende Joost Carmiggelt (1776-1860), die zowel in Brummen geboren werden als daar overleden.

Het was de vader van de laatstgenoemde, Willem Cobussen Carmichel (1736-1793), die de gang van Utrecht naar (een buurtschap in) Brummen gemaakt moet hebben. Hij trouwde daar namelijk in 1764 een vrouw en dat is altijd een goede reden om te verhuizen. De meeste Carmiggelts lijken er ook nu nog in de buurt te wonen. In 1947 woonden van de 128 Nederlanders met de achternaam Carmiggelt er 90 in de provincie Gelderland. En van de 138 die er veertig jaar later, in 2007, geteld konden worden – dit keer dus eens niet zo bar veel meer – lijken de meesten nog steeds in het voormalige hertogdom domicilie te houden, al heeft men zich inmiddels wel wat meer over het land verspreid. (De meeste mensen blijven nog immer hangen in de omgeving waar ze opgroeiden, dat is een algemene regel.)

De voorgaande drie voorvaderen in de mannelijke lijn terug woonden allen in Utrecht, Jacobus Carmichel, wiens achternaam kennelijk ook wel eens als Kermigge werd geschreven, werd er geboren in 1697 en stierf er in 1755. Diens vader, Wilhelmus Carmiggelt (maar kennelijk ook wel eens Karmichel) was er geboren in 1668. Wanneer hij overleed, is klaarblijkelijk niet bekend. En dan zijn we er. Zijn vader was Willem Carmicael, wiens naam in het Nederlands ook wel als Carmiggelt werd geschreven, en de man was kennelijk als soldaat onder ene kolonel John Kirkpatrick, als lid van een Schots regiment, onderdeel van de befaamde Schotse Brigade, naar het Sticht gekomen. De geboortedatum van stamvader Willem Carmicael, alias Carmiggelt, kennen we niet, zijn datum van overlijden trouwens ook niet, maar een gegeven dat wel bekend is, is dat hij in 1642 in Utrecht huwde met Lijsbeth Wakker, die kennelijk ook wel eens de achternaam Sanders voerde. Al deze gegevens zijn, zoals de wakkere, dezer dagen dus klikkende, lezer al opgemerkt zal hebben, dan ook afkomstig van een website over Schots-Nederlandse genealogie.

Carmiggelt De Steeg

Simon en Tiny Carmiggelt op een bankje in de Steeg. (Foto: Wikipedia)

Beeld
Hebben we hier iets aan? Dunkt me niet. Dit is volstrekt nutteloze kennis. Maar om de een of andere wijze is het ook wel weer aardig om te weten. Als ik voortaan aan Simon Carmiggelt denk, zal ik niet meer alleen aan dat wat treurige, scheve hoofd op de tv denken, en ook niet alleen aan Amsterdam en Den Haag, maar ook aan Rhienderen en Brummen en aan die ene Schotse soldaat, Willem Carmicael, die nog ten tijde van de Tachtigjarige Oorlog in krijgsdienst naar de hoofdstad van het Sticht kwam en daar een echtgenote vond en een gezin stichtte. Hij zal in zijn jonge jaren wel als William of iets dat daar in het Schots op lijkt, aangesproken zijn. Het zijn associaties die de schrijver zelf mogelijk nooit gekend heeft.

Overigens staat er in De Steeg, een eindje ten zuiden van Brummen, een bronzen beeld van Simon Carmiggelt en zijn echtgenote Tiny (1912-1990), voluit Hubertina Wilhelmina Joanna de Goeij, knus op een bankje, en zo kneuterig dat het weer vertederend is. Het echtpaar kon het zich namelijk veroorloven om zich daar regelmatig terug te trekken en van de natuur te genieten, in de streek dus die Simons vader ooit verlaten had. De schrijver leest trouwens. De cirkel was rond.

Naschrift (15.10 uur)
Ik heb inmiddels enkele kleine aanvullingen gepleegd en vooral enkele overbodige woorden geschrapt.

(183)