Archive for november, 2013

22 november 2013

Naslawerken – Over anglicismen, germanismen, gallicismen en de verdachte Verheugt

door Jan Dirk Snel

In zijn taalrubriek in Trouw, waarvan ik nooit goed weet of die nu taal of Taal heet – is de kleine letter een integraal onderdeel van de naam, zoals je ook stern en niet Stern en facebook en niet Facebook dient te schrijven, of gewoon een typografisch eigenaardigheidje van de vormgevers van de krant? – is Jaap de Berg vandaag toegekomen aan lezersvraag nummero 677. “Naslagwerk” en “impact”: woorden die niet iedereen op prijs stelt’, zo luidt de kop. Ik citeer de vraag en het begin van het antwoord:

Herhaaldelijk struikelen lezers over bastaardwoorden. “Impact”, laatst zelfs in een kop, zou ”een stuitend anglicisme” zijn. “Naslagwerk”, nota bene in deze rubriek aangetroffen, had vervangen moeten worden door het niet-germanistische “naslawerk”.
Wat volop ingeburgerd is, en dat is naslagwerk, verliest de reputatie van bastaardwoord. Zouden de critici ervan ook, pakweg, boter willen vervangen omdat middeleeuwers het Germaanse anke hebben ingeruild voor dit stuitende latinisme?’

Daarna gaat het verder over het woordje impact en over (Engelse) leenwoorden, maar mij gaat het nu om dat woordje naslagwerk.

DeVerdachteVerheugt

`

Strijd
Uiteraard heeft Jaap de Berg gelijk. Woorden die ingeburgerd zijn, behoren gewoon tot de taal. Je kunt bepaalde woorden persoonlijk verfoeien, het daadwerkelijke gebruik is toch het belangrijkste criterium bij de beoordeling van de vraag of een woord al dan niet tot de standaardtaal behoort. In dit geval is het zelfs zo dat het Groene Boekje, althans in de versie op internet, naslawerk niet kent en naslagwerk wel. Ook het grote Woordenboek der Nederlandsche Taal (WNT) biedt wel het lemma naslagwerk aan, maar van naslawerk heeft het nog nooit gehoord. Ook als je zoekt op ‘woord in artikel’, vind je het niet.

Wat mij altijd het meest verbaast, is de gedachtegang die de geërgerde lezers uit de vraag tot struikelen brengt. Het idee erachter is kennelijk dat er zoiets als een ‘zuivere’ taal bestaat. En die zou dan naar het woord van Tollens van ‘vreemde smetten’ vrij gehouden moeten worden. Voor sommige mensen is het predicaat germanisme, anglicisme of gallicisme dan ook al genoeg om hun afkeuring over het gebruik van een woord uit te drukken. In dit geval hebben ze, anders dan in het concrete geval van naslawerk, het WNT trouwens aan hun zijde.

Dat omschreef een anglicisme in 1949 als een ‘uitdrukking die aan het Engelsch eigen is en die in een andere taal wordt overgenomen, in strijd met het idioom van die taal’, een germanisme in 2001 als een ‘woord, uitdrukking of constructie dat/die, in strijd met het eigen taalgebruik, is gevormd uit het Duitsch of daaruit letterlijk vertaald is’ en een gallicisme, eveneens in 2001, als een ‘uit het Fransch in een andere taal overgenomen woord dat, uitdrukking of woordschikking die in strijd is met het idioom van die andere taal’. Ik citeer alle drie omschrijvingen maar even, omdat het wat curieus is dat ze allemaal net iets anders geformuleerd zijn – wat letterlijk knip- en plakwerk had volstaan, zou je zeggen – maar in alle drie staat wel dat het begrip een verschijnsel omschrijft dat ‘in strijd met’ het ‘idioom’ of ‘het eigen taalgebruik’ van de ontvangende taal is. Er zit dus duidelijk een negatief waarderend element in.

Leenwoord
Je kunt je afvragen of dat wel nodig is. Je zou onder een anglicisme, germanisme of gallicisme ook een leenwoord uit het Engels, Duits of Frans kunnen verstaan dat als zodanig nog duidelijk herkenbaar is –
überhaupt is een goed Nederlands woord, waarvan Huizinga terecht opmerkt dat we er ‘geen equivalent’ voor hebben, maar je ziet direct waar het vandaan komt – zonder daar verder een afkeurend oordeel over uit te spreken. De omschrijving van een latinisme, ook al uit 2001 – men was dat jaar kennelijk met een inhaalslag bezig – is bijvoorbeeld veel neutraler: ‘taaleigenaardigheid die ontleend is aan het Latijn maar afwijkt van de eigen taal, inz. in idioom en zinsbouw’.

Het grappige is dat al deze woorden zelf volgens het WNT ook uit de ons omringende drie grote talen afkomstig zijn. Anglicisme zou uit het Frans (anglicisme) of Neolatijn (anglicismus) komen, germanisme ook uit het Engels (germanisme, 1611), Frans (germanisme,1720) of Duits (germanismus) en gallicisme waarschijnlijk uit het Frans (gallicisme, 1578, in 1690 in de gedefinieerde betekenis), en daarbij verwijst men ook nog naar het Van Dale Etymologisch Woordenboek. dat ook varianten in het moderne Latijn (gallicismus), Engels (gallicism, 1656) en Duits (gallizismus) geeft.

Merk overigens op dat de drie, nu dus vaak afkeurend gebruikte begrippen zelf tot op zekere hoogte, maar dan wel enigszins indirect, via het Frans dat in alle drie gevallen een bron lijkt te zijn, latinismen zijn of dat althans óók zijn. Anglicisme gaat terug op Anglia en dat is zowel Latijn als Engels, maar daarbij is het verband met Engeland en Engels nog wel direct duidelijk. Het gaat om een klankverschuiving of klankverschil. Maar we zeggen dus gallicisme en germanisme en niet francisme en duitsisme. De begrippen refereren duidelijk aan de Latijnse benamingen Gallia en Germania, al neem ik aan dat Tacitus en anderen die namen wel weer aan aanduidingen die door lokale stammen zelf gebruikt werden, ontleend hebben – ik ga dat nu niet nakijken. Maar het zal duidelijk zijn dat het langdurige gebruik van het Latijn zeker heeft bijgedragen aan de instandhouding ervan, zij het niet als enige. De aanduidingen zijn ook in andere talen blijven leven. In het Engels zegt men immers ook Germany.

Zuiverheid
Het meest opvallend zijn trouwens de jaren waarin de begrippen opgenomen zijn. De afleveringen over de A en de G verschenen al in de jaren tachtig van de negentiende eeuw. Het gaat om latere toevoegingen. Mogelijk dat de opname van anglicisme in 1949 toe te schrijven valt aan een plotselinge proliferatie van het Engels na de Bevrijding? Maar dan verbaast het toch dat men er zo lang niet aan gedacht heeft om het germanisme te omschrijven, want juist over dat verschijnsel werd met name in het Interbellum veelvuldig geklaagd. In 1931 werd het genootschap Onze Taal zelfs opgericht om de strijd met oprukkende germanismen aan te binden. Je zou toch zeggen, een tamelijk onschuldig verschijnsel vergeleken met het fysieke binnentrekken der troepen dat negen jaar later volgde. En aan de herkomst van de hier besproken woorden kunnen we al zien dat in vroeger eeuwen met name het Frans een grote rol speelt. Als je achttiende-eeuwse gerechtsstukken doorneemt, zie je dat ook gewone, ongeletterde mensen hun taal met gallicismen doorspekten.

Maar goed, ik zou dus de voorkeur geven aan een meer feitelijke beschrijving, waarbij anglicismen, germanismen en gallicismen omschreven worden als woorden waarvan de afkomst nog wel herkenbaar is, maar dan zonder daaraan een negatieve waardering toe te kennen. Het misverstand waar ook Jaap de Berg vanochtend tegen moest opboksen, is dat er zoiets als een ‘zuivere’ taal bestaat, die puristisch hersteld of in stand gehouden zou kunnen worden. Volgens Joop van der Horst, die in 2008 een mooi en onderhoudend boek over Het einde van de standaardtaal. Een wisseling van Europese taalcultuur schreef, is dat een typisch renaissancistisch idee, dat nu op zijn laatste benen begint te lopen. Natuurlijk is er in een taalgemeenschap enige regeling nodig. Men moet elkaar immers kunnen verstaan en kunnen begrijpen. En je wilt, vooral bij het schrijven, een beetje weten waar je aan toe bent, zodat je niet steeds zelf een keuze hoeft te maken. Vandaar dat er zekere regels nodig zijn.

Maar het idee van een zuivere taal is een kunstmatig idee. Taal, zo beschrijft Van der Horst, is een continuüm. Binnen wat we nu een taal noemen, zijn er overgangen, maar ook tussen talen zijn die er. Ook de grens tussen Nederlands en Frans of tussen de Germaanse en de Romaanse talen was nooit scherp. Buren spraken met elkaar en namen woorden, constructies, vormen en zo meer van elkaar over. Wie de isoglossen in een dialectatlas bekijkt, ziet dat elk verschijnsel eigen grenzen kent. En daar waar we een sterke bundeling van isoglossen zien, is dan kennelijk een zekere taalgrens. Die zijn de laatste eeuwen vooral politiek bepaald. Een taal is een ‘dialect met een leger en een vloot’ zeggen we dan met een geslaagde frase van de Jiddische geleerde Max Weinberger.

Nuttig
Je hoeft niet elk vreemd woord dat binnenkomt, onmiddellijk te omhelzen, maar soms vervullen woorden van elders een nuttige functie, omdat ze iets kunnen weergeven dat we zo nog niet goed konden zeggen. Of fungeren ze als een technische term voor iets waar we zelf ook wel een woord voor hebben, maar waarbij die ‘eigen term’ breder is, zodat het buitenlandse synoniem een specifiek en vaak nieuw gebruik kan aanduiden. Natuurlijk zijn er woorden die niet erg nodig lijken. Ik heb bijvoorbeeld nooit begrepen waarom ik ineens flyers voor bijeenkomsten moest maken – ook dat is trouwens al weer een jaar of tien of langer geleden, toen e-mailnieuwsbrieven (en wat daarna kwam) nog niet iedereen bereikten – en waarom politici gingen flyeren. Maar hoe zeiden we dat dertig jaar geleden nu? Ik denk dat we toen folders maakten en dat men bij de deur van de universiteit of de fabriek stond te folderen, maar helemaal zeker zou ik het echt niet meer weten.

Nu is het natuurlijk de vraag of dit wel het goede voorbeeld is. Is flyer een anglicisme of gewoon een Engels woord? Het WNT is op dat punt niet helemaal helder. Bij het anglicisme zegt het dat dat een uitdrukking is ‘die aan het Engelsch eigen is en die in een andere taal wordt overgenomen’. Je zou zeggen: dan is flyer een anglicisme, want het woordenboek zegt niets over de wijze van overname. Dat geldt ook voor het gallicisme dat een ‘uit het Fransch in een andere taal overgenomen woord (…), uitdrukking of woordschikking’ zou zijn. Letterlijk, onveranderd overnemen telt kennelijk ook.

Maar ten aanzien van het germanisme zegt het dat het een ‘woord, uitdrukking of constructie’ is, ‘gevormd uit het Duitsch of daaruit letterlijk vertaald’. Dat laatste is duidelijk, maar ook dat ‘vormen’ veronderstelt kennelijk een zekere bewerking. Dat is, denk ik, ook waar mensen aan denken: aan woorden als voorwoord of nieuwbouw, die slechte, al te directe vertalingen uit het Duits zouden zijn, die zich niet zouden houden aan de regels voor Nederlandse woordvorming. Of dat ook zo is, laat ik nu maar even in het midden. Of toch maar niet. Het zijn uitstekend bruikbare woorden en ook de wijze waarop je woorden vormt, kun je desnoods aanpassen en uitbreiden. Niks mis mee.

Nachschlagewerk
Kortom, er lijkt me weinig mis met gallicismen, germanismen en anglicismen – in mijn neutrale en ruime omschrijving dan. Je moet gewoon per geval beoordelen of een woord een nuttige, verrijkende functie heeft en of er mogelijk een beter gevormd of te vormen Nederlands alternatief beschikbaar is. Veel modieuze woorden verdwijnen trouwens ook weer. Ik refereerde al aan achttiende-eeuwse verhoren door de schepenbank, waarvan ik ooit honderden of duizenden bladzijden heb doorgenomen. Veel aan het Frans ontleende woorden of uitdrukkingen waar die teksten van wemelen, kom je nooit meer tegen en soms moet je als lezer even puzzelen waar de Nederlandse vervorming nu in het Frans op teruggaat.

In mijn jeugd hadden we het bij het voetbal altijd over corners en zoiets als pennelties, maar ik geloof dat men allang weer over hoekschoppen en strafschoppen spreekt, al volg ik het voetbal te slecht om dat goed te kunnen beoordelen. Ook in het parlementaire en politieke jargon zijn uitdrukkingen weer verdwenen. In de negentiende eeuw noemde men de leider van een politieke formatie vaak de leader van zijn partij. Thorbecke was de leader van een liberale factie en wat later was Abraham Kuyper dat van de antirevolutionairen. Men sprak overigens ook over kamerclubs en het laatste deel van die samenstelling kwam uiteraard ook rechtstreeks van over de Noordzee. Verklaarbaar taalgebruik, want het Britse parlement was natuurlijk het grote voorbeeld, maar nu spreken we gewoon over fractieleiders en partijleiders. (Terzijde: ooit vroeg ik in Israël aan de gids van een Duitstalig gezelschap of hij de Führer dieser Reisegruppe was. Dat vond hij geen gelukkige uitdrukking. Hij was ook in het Duits liever de Guide.)

Maar terug naar het woord waarmee dit allemaal begon: naslagwerk. Dat komt inderdaad van het Duitse Nachslagewerk. Het is kennelijk ook nog vrij nieuw. Het WNT nam het pas bij de inhaalslag in 2001 op en het oudste verwijzing die daarbij gegeven wordt, dateert uit 1950. Die is wel naar het woordenboek van Van Dale en het moet dus al wel wat ouder zijn, want anders zou het woordenboek het toen niet als gangbaar Nederlands opgenomen hebben. Dat klopt ook wel. De oudste twee vermeldingen via Google Books vond ik in 1907, maar dan ook direct twee keer: in het ‘maandelyksch bibliografisch tydschrift’ De Boekzaal en in het ongetwijfeld spannende Maandblad voor het Boekhouden en Aanverwante Vakkenwaarin een Buchhaltungs-Lexikon ‘terecht veel geprezen’ wordt genoemd. Naslawerk volgt overigens al drie jaar later in een jaargang van De Navorscher uit 1910. Er zullen vast en zeker nog wel oudere vindplaatsen opduiken, maar het woord lijkt toch zo net na of omstreeks de vorige eeuwwisseling in zwang te zijn gekomen.

Sla
In 1980 bestond het boekenweekgeschenk van het CPNB uit een ‘politieroman’ – zo heette dat toen – van Janwillem van de Wetering, De verdachte Verheugt. Op een gegeven moment is het duo Grijpstra en De Gier op bezoek bij de uitgever Frits Verheugt, de naam uit de titel, om hem te vragen waar zijn verdwenen vrouw gebleven is. Die vertelt dat hij van een makker uit de kroeg, Hieuwer, die in de directie van Rozevier zit, een bod op zijn zaak had gekregen.

‘Grijpstra wilde weer door het appartement gaan dwalen maar wist zich te beheersen. “Rozevier? Dat is een grote. Boden ze een beetje een redelijk bedrag?”
“Jawel.”
“Rozevier?” vroeg De Gier. “Ik dacht altijd dat die in groente deden.”
“Groente?” vroegen Grijpstra en Verheugt gelijktijdig.
“Ja. Sla. Iets met sla. Doen ze daar niet in?”
Verheugt keek verbaasd, Grijpstra geërgerd.’

Het gesprek gaat nog even door. Verheugt wilde de zaak niet verkopen en zijn vrouw was daar boos over. Het was een mooi bedrag, Verheugt zou nooit meer hoeven te werken, maar hij zei dat hij iets om handen moest hebben.

‘”Uw vrouw geloofde dat niet?’
“Nee, ze werd sarcastisch. Ze ziet niets in boeken over sla verbouwen op het balkon. Ze houdt meer van uitgaan en luxe, en dat heb ik haar eigenlijk nooit gegeven, we leefden altijd heel eenvoudig.”
“Sla,” zei De Gier, “zie je wel, daar heb je het weer.”
“De Gier, alsjeblieft.” Grijpstra keek zorgelijk naar Verheugt maar de verdachte scheen de onderbreking niet gehoord te hebben.
“Nou zie ik toch dat Ria gelijk had. Wat heb ik nou voor elkaar gekregen? Wat doet het ertoe wie die collectie boeken over geiteharen sokken en hallucinerende padddestoelen en piskijken, daar had ik een mooi boekje over, dat heb ik vier keer herdrukt in éen seizoen, wat doet het ertoe wie dat beheert? Als Rozevier het graag wil hebben en ik mag dan ter ruste, waarom niet?”
“Nasla,” zie De Gier.
“Nou weet ik het. Als je de stad binnen komt rijden zie je het. In neonletters. Rozevier naslawerken. En die andere zaak doet in beren. Ook in boeken natuurlijk maar voornamelijk in beren. Waarom gaat u ook niet met die firma praten? Misschien bieden die meer.”
Verheugt knikte gehoorzaam. “Dat zal ik zeker doen, er zijn vast nog meer uitgeverijen die interesse hebben. Ik zal mijn huid duur verkopen.”

Elsevier naslawerken
Het was natuurlijk duidelijk waar Rozevier voor stond: Elsevier, destijds een bekende algemeneboekenuitgever, een fonds dat men later aan de kant heeft gedaan toen het niet de winstmarges opleverde die Pierre Vinken wilde. Die zoog liever met publiek geld betaalde universiteitsbibliotheken uit met veel te dure en in feite monopolistische wetenschappelijke tijdschriften. Maar destijds was Elsevier nog de trotse uitgever van onder meer de grote Winkler Prins, een mooi naslagwerk. Het concern zetelde destijds aan de Amsteldijk in het grote gebouw Rivierstaete. Welnu, dat Elsevier had iets verderop, op het dak van het ook al grote gebouw Casa Academica, later Casa 400, des zomers hotel, des winters studentenhuisvesting, grote neonletters laten plaatsen, waarop Elsevier naslawerken stond. Als je in de tijd dat Janwillem van de Wetering zijn boekje schreef, de stad vanaf Muiden en Diemen binnen kwam rijden over de Gooiseweg, zag je het onvermijdelijk in de laatste bocht van de weg staan. En altijd verbaasde ik me over die ontbrekende g.

Veel lezers van zijn boekje zullen de zinspeling direct begrepen hebben. Waar die ‘beren’ in de passage op duiden, zou ik trouwens niet (meer) weten. Misschien op een reclame die ernaast stond? Maar waarvan dan? Ik kom alleen maar op een merk berenburg, maar dat lijkt toch niet echt waarschijnlijk. Maar misschien zou ik het daarvoor het hele boekje moeten herlezen. Hoe het ook zij, later in het verhaal keert het thema nog eens terug:

‘De Gier stond bij de tafel. “Rozevier. Die doen in sla.”
“Sla?”, vroeg Hieuwer.
“Niet nog een keer, brigadier.” Grijpstra’s wijsvinger stak bezwerend omhoog.
“Naslawerken,” zei De Gier. “In Neonletters. Dat lees ik als ik de stad binnenrijd op de Utrechtseweg. Hele grote letters.”
Hieuwer dacht na. “Ah juist. Ik begrijp u. Daar is destijds nog over gediscussieerd, tijdens een directievergadering. Dat was om te besparen. Onze Neerlandicus, die is niet van de directie maar die hebben we er altijd bij, zei dat het wel kon. En het bespaarde inderdaad een neonletter. Weet u wat een neonletter kost?”
“Nee.”
“Ik weet het ook niet meer. Veel, geloof ik. Het fietsenhok hebben we dat jaar ook niet gebouwd.”‘

Van de Wetering verplaatste de locatie een slagje van het oosten naar het zuidoosten naar een andere invalsroute. De reden voor de ontbrekende letter was trouwens anders. Er had aanvankelijk wel degelijk ‘naslagwerken’ op het dak gestaan, maar dat was ooit als lagwerken op een krantenfoto gekomen, zo wil het verhaal, en toen zou men tot wijziging besloten hebben, al ontgaat mij enigszins wat er nu zo erg is aan dat woord. Als er nou iets met een ch had gestaan. De wijziging, die kennelijk al voor of in 1970 zijn beslag had gekregen, hielp overigens niet echt. Een ander verhaal wil dat men toen vanuit een bepaalde hoek aslawerken kon lezen. De merkwaardige schrijfwijze trok in ieder geval wel de aandacht en je zou je kunnen afvragen of het daar eigenlijk niet om te doen was.

Slag
Ook al lijkt het op zich correct of op zijn minst mogelijk, dat naslawerken, het klinkt raar en het staat ook vreemd, al kan men er nog wel met ‘droge ogen‘ naar kijken. In het voltooid deelwoord komt de g trouwens wel voor. Het is geslagen en nageslagen. En men slaat een slag. Een taalkundige, Geert Booij, heeft trouwens wel eens enige regels aan die Elsevier naslawerken gewijd, al geloof ik dat hij de wijziging van het woord juist verkeerd om vertelt.

Als je erover nadenkt, is dat hele woord naslaan trouwens een beetje vreemd. Slaan klinkt zo gewelddadig. Met boeken zou men liefdevol moeten omgaan. Voor dit stukje heb trouwens meer anglicistisch gesurft en gegoogeld, maar dat boekje van Janwillem van de Wetering heb ik er toch germanistisch op nageslagen.

Naschrift (21.07 uur)
Enkele fouten, met name typefouten en spellingfouten, heb ik inmiddels uit het stukje gehaald. Ook veel dank aan een lezeres die mij op een aantal typo’s wees. Ook heb ik een paar zinnen inhoudelijk nog wat gewijzigd of aangevuld, al zijn de veranderingen beperkt gebleven.

(122)

21 november 2013

Waarom woorden veranderen

door Jan Dirk Snel

Dit is geen bijster originele openingszin. Toch is hij ondanks zijn simpelheid – zes woordjes, wat is dat nou? – waarschijnlijk nog nooit eerder zo opgeschreven. Op internet kan Google hem tenminste niet vinden, althans nu nog niet, want na korte tijd zal de zoekmachine naar dit stukje verwijzen. Nu zegt dat niet alles, omdat het merendeel van alle geschreven taal nog lang niet op internet staat en het is de vraag of het ooit zover komt.

En daarnaast heb je dan nog veel en veel meer gesproken taal, die elke dag vervliegt. Elke dag worden er miljarden zinnen op de wereld gesproken, die zo nog nooit eerder gezegd zijn en die ook nooit weer gezegd zullen worden. Dat is het kenmerk van menselijk taalgebruik: dat het telkens weer nieuw is, onontkoombaar, al is het zeker niet willekeurig.

Persoon en patroon
Iemands taaluitingen passen in een patroon. Ze zijn kenmerkend voor een persoonlijkheid. Op grond van de stijl kan men, soms zo al en soms na nauwkeurige vergelijking, vaststellen dat een bepaalde tekst alleen van één bepaalde auteur kan zijn. Het gaat er dan niet om dat die persoon precies dezelfde formuleringen als elders gebruikt, maar wel om de manier waarop hij zinnen en delen van zinnen vormt, of om de wijze waarop zijn gedachtengang verloopt. Ook binnen de voortdurende nieuwheid zijn er structuren herkenbaar. De mogelijkheden van taal zijn onuitputtelijk, zo groot dat zelfs elk mens zijn eigen stijl kan ontwikkelen, of misschien gewoonweg hééft, en daarbinnen toch steeds weer andere dingen kan zeggen.

JHvandenBergOpHet ScherpVanDeSnede

`

We vormen natuurlijk geen zinnen door woordjes te combineren. De beginzin in dit stukje is heel kort, maar ik moest toch even vlug tellen om vast te stellen dat het werkelijk om zes woorden gaat. In een andere taal, het Engels bijvoorbeeld, zou dezelfde gedachte een ander aantal woorden opgeleverd hebben. ‘This is not a very original opening’ telt bijvoorbeeld al zeven woorden – die in die volgorde, niet die zin, twee keer op het web voorkomen – al weet ik niet zeker of het simpele ‘opening’ in dit geval wel de beste overzetting van ‘openingszin’ is – wel als het me er om zou gaan dat het begin van dit stukje als zodanig niet erg oorspronkelijk is, maar wellicht niet nu het me specifiek om die ene zin te doen is. Nou ja, met ‘opening sentence’ komt hij dus al één keer voor, maar dan weer niet als zelfstandige openingszin en daar verander ik zo niets aan.

Niet te harden
Onze wereld verandert steeds, fysiek, maar dat gaat meestal geleidelijk en soms met sprongen, als er nieuwe gebouwen gebouwd worden, huizen anders ingericht worden, de infrastructuur veranderd wordt of, zoals dat in onze dagen gaat, van cultuurlandschap zelfs ‘nieuwe natuur’, een soort zichzelf ontkennend cultuurlandschap dus, gemaakt wordt. Maar ook onze situatie is telkens net iets anders. Elke dag is weer een andere dag. Elke lente is een herhaling, maar toch kon Gorter het terecht over een nieuwe lente hebben. En ook al doen we telkens zo ongeveer dezelfde dingen, toch praten we er in steeds weer iets andere variaties over.

We verdragen ook niet anders dan variatie en nieuwheid. In zijn onlangs verschenen korte, eigenlijk te korte, autobiografie, Op het scherp van de snede. Memoires van een gewraakt schrijver (Pelckmans Klement 2013) schrijft de psychiater en historisch fenomenoloog Jan Hendrik van den Berg (1914-2012), die als scholier een rebel was, maar het als hoogleraar aan de stok kreeg met opstandige studenten, over de docent Nederlands op de Kweekschool in Deventer – het moet zo ongeveer 1933 geweest zijn – ene voornaamloze Timmer, die zijn stof niet kende en die vooral hinderlijk was omdat hij in een les van drie kwartier veertig keer een vast en nogal lang tussenwerpsel gebruikte: ‘snie-waar, goed, dus, kijk, en, wij gaan verder’. De klas had het geteld. Op een dag werd de jonge Jan Hendrik door de man de klas uitgestuurd, omdat hij hem had uitgelegd dat die een fout had gemaakt. Toen de directeur, kwaad, hem vroeg of hij de les van de leraar naar behoren kon bijwonen, antwoordde hij: ‘Nee, meneer Douwes, dat kan ik niet!’. Waarop de jonge onderwijzer die de hoofdakte probeerde te halen, van school werd gestuurd. Hij had natuurlijk gelijk. Iemand die schier elke minuut dezelfde woorden bezigt, die valt niet te harden.

Creatief
Je hebt wel filosofen gehad die meenden dat onze natuurlijk taal onvolkomen is. Ze zou te onnauwkeurig zijn. Ook Ludwig Wittgenstein, verder een alleszins boeiend denker, had daar een handje van, zowel in zijn eerste als in zijn latere periode. Hij dacht dat de alledaagse taal ons voor de gek hield. Soms is dat misschien ook zo en bij gelegenheid is het verstandig om eens precies na te gaan wat we nu eigenlijk – over verraderlijke woorden gesproken! – zeggen als we dit of dat zeggen. Nog erger maakten allerlei logisch positivisten het. Maar die waren dan ook alleen maar geïnteresseerd in het beschrijven van de wereld en dat is nou net niet onze normale omgang met de dingen. Die is veel creatiever. Wij scheppen onze wereld telkens, zoals wij ook blikken werpen en niet alleen maar indrukken op ons netvlies opvangen.

Onze natuurlijke taal is juist bijzonder geëigend voor onze omgang met de wereld. Ze is creatief. Ze past zich voortdurend aan aan nieuwe situaties, weet ook het ongeziene toch te omschrijven met al bekende termen, al gebeurt dat een enkele keer aarzelend. Maar al snel vinden we voor elke nieuwe situatie nieuwe woorden. En wij mensen scheppen dus met onze woorden zelf steeds nieuwe situaties, ook al lijkt de uiterlijke toestand ongewijzigd.

Woorden fungeren in een heel web. In bijna elke zin staan ze weer in een volstrekt nieuwe combinatie. Daardoor veranderen ze ook telkens een heel klein beetje. Ze kunnen steeds meer, blijkt elke keer weer. Bestaande woorden zijn in staat ook nieuwe betekenissen te verwoorden en met onze bekende woorden roepen we zelf, zonder dat we dat vaak doorhebben, nieuwe betekenissen op.

Vast
Soms hebben we inderdaad behoefte aan een taal die het vaste van het bewegende onderscheidt. Daarom kennen specifieke vakgebieden vaak nauwkeurige definities. Maar die vormen soms eerder een belemmering omdat ze niet de volle werkelijkheid recht kunnen doen en juist nieuwe zienswijzen in de weg kunnen staan. Maar ook dat valt mee, omdat ook in vaktechnische verhandelingen het aantal vastgelegde begrippen een minderheid vormt. Lees eens een filosoof als Jürgen Habermas, of luister eens naar zijn wijze van spreken. Bij hem liggen de substantiva nogal lomp en zwaar vast, al zijn die in de Duitse idealistische traditie vaak zo groot en omvattend dat je je nog wel eens afvraagt of ze zijn zinnen niet overladen. Bij hem zijn ook de adjectiva vaak tamelijk saai en vastgelegd. Maar iets moet de zinnen soepel houden en dat zijn meestal de werkwoorden en die zijn dikwijls heel alledaags en huiselijk, beeldend soms ook. Bij Kant kun je trouwens hetzelfde opmerken.

En voor de vaste structuren van de wereld hebben we natuurlijk de wiskunde al. Die blijkt op een verrassende manier onderliggende structuren in onze wereld te kunnen bevatten. Daarmee zien we dingen die we zo aan de oppervlakte niet zien en we kunnen er zo vooral over communiceren, maar ze beschrijft ook niet de gehele wereld, maar naar haar aard juist het bestendige. Ze is een aanvulling op de taal van onze leefwereld, geen vervanging ervan.

Er zijn natuurlijk vele redenen waarom taal verandert en taalkundigen kijken dan naar woorden, woordbetekenissen, naar woordvormen, naar klanken, naar hele zinnen of zinsdelen, zelfs naar spelling – niet zo’n erg taalkundig verschijnsel op zich, maar de spelling heeft soms wel degelijk invloed op hoe we woorden opvatten, al gaat het daarbij nogal eens om misverstanden, maar ook door fouten verandert taal. Mijn opsomming is ongetwijfeld taalkundig onvolledig en suspect. Maar daar gaat het me nu niet om. Het gaat me nu om het alledaagse fenomeen dat taal telkens nieuw is, dat de combinaties die vanuit gehelen voortkomen – zinnen, zinsdelen, zoiets vaags als gedachten – kleine gehelen die zelf vaak weer uit grotere gehele voortvloeien, telkens weer andere zijn. En alleen door die flexibiliteit veranderen woorden al geleidelijk. Ze bieden nieuwe mogelijkheden. De betekenis kan een beetje verschuiven.

Verlies
En daarbij gaat er natuurlijk ook iets verloren. Omdat we telkens nieuwe dingen zeggen, zeggen we oude dingen niet meer. Ook oude patronen en gedachten gaan verloren. Als je een achttiende-eeuws boek leest, valt je dat direct op. Je snapt op zich wel wat er staat, denk je althans, maar de woorden worden vaak net iets anders gebruikt dan wij nu doen. Soms kun je ze vertalen in een ander woord, dat toen ook al bestond, maar dat nu de betekenis heeft gekregen van dat woord van toen en wat het toen aanduidde, daarvoor wordt dan nu ook weer een ander woord gebruikt. Maar de verschuivingen zijn zo subtiel dat je er vaak net niet helemaal vat op krijgt.

Het lijkt niet of de betekenissen van een eeuw of twee geleden ergens tussen nu bekende betekenissen inhangen. Ze horen thuis in een ander taalweefsel en in andere wijze van denken. Daarom begrijpen we oude teksten wel en toch gaat er iets verloren. Iets ontgaat ons. Dat kan ook niet anders als we bedenken dat dat sommige woorden of begrippen goed tien of twintig jaar oud zijn. We kunnen ons niet eens meer voorstellen hoe we dezelfde gedachte dan dertig jaar geleden uitdrukten. Deden we dat eigenlijk wel, konden we dat wel? Maar dan zullen er ook dingen zijn die we in 1980 nog wel konden zeggen en nu niet goed meer.

Vat
Er is natuurlijk altijd wel gepoogd om ook op onze natuurlijke taal vat te krijgen. Dat is vanouds de logica. Maar heel ver kwamen we daarmee niet. Of een paar zinnen, een paar elementaire gedachten geldig verbonden waren, in een syllogisme bijvoorbeeld, dat konden we nog net vaststellen. Maar zelfs dat zei weinig over de waarheid of inhoud van een redenering. De logica kan alleen iets zeggen over enkele formele kenmerken. Maar een redenering kan ongeldig zijn en toch uit allemaal ware beweringen bestaan en ze kan geldig zijn en complete nonsens bevatten.

En de formele logica die in de laatste eeuw opgang maakte, maakte zich meteen ook los van de natuurlijke werkelijkheid van onze taal. Zelfs de simpelste waarheidstabellen hebben nauwelijks enige betekenis voor onze gewone taal. Wie vier proposities conjunctief verbindt, moet als er één van onwaar is, logisch al concluderen dat de totale bewering onwaar is, die terwijl die heel goed waar kan zijn, met erkenning van een kleine onbeduidende vergissing. Of zelfs dat niet, omdat die opmerking er in het geheel totaal niet toe doet. En de meeste betogen kunnen we helemaal niet logisch analyseren. Verder dan een paar zinnen komt de logica niet.

Altijd nieuw
Dat komt omdat onze taal scheppend is. Zelfs lieden die aan het begin van een verhandeling of boek ons met nauwkeurige begripsbepalingen vermoeien, houden zich daar in de loop van het betoog gemeenlijk zelf niet aan. Dat is meestentijds geen gebrek of slordigheid, maar noodzaak. Omdat het betoog hen daartoe noopt. De woorden en begrippen betekenen iets anders en vooral meer dan ze zelf beseffen.

We creëren iets. Een stukje als dit bijvoorbeeld. Bijster origineel is dat ook inhoudelijk niet, omdat ik over dit soort dingen ook eerder wel eens wat mijmerend geschreven heb. Maar nieuw is het, in deze vorm althans, wel.

 ♦

(121)