Archive for april, 2012

21 april 2012

De omkering – Over het epistemologisch godsbewijs van Emanuel Rutten (2)

door Jan Dirk Snel

[Zaterdag 21 april 2012] Afgelopen dinsdag plaatste ik hier een stukje over het epistemologisch godsbewijs van Emanuel Rutten. Naar aanleiding daarvan heb ik de afgelopen dagen veel discussies gevoerd en ik kan nu nog scherper uitleggen waarom het bewijs niet klopt. Ik herhaal alleen nog de korte formulering van het godsbewijs, of godsargument zoals de opsteller zelf graag zegt. Voor de verwijzingen naar zijn drie artikelen waar hij het uiteenzet, verwijs ik naar mijn vorige weblogstukje. Het bewijs dus:

  1. Voor alle p geldt dat als p noodzakelijk onkenbaar is, dan is p noodzakelijk onwaar.
  2. De propositie ‘God bestaat niet’ is noodzakelijk onkenbaar.
  3. Ergo: ‘God bestaat niet’ is noodzakelijk onwaar.
  4. Ergo: het is noodzakelijk waar dat God bestaat.

Gustave Caillebotte, Rue de Paris, temps de pluie, 1877 (Art Institute of Chicago)

Met de formele geldigheid van de redenering zit het natuurlijk wel goed. Hier wordt gebruik gemaakt van modus ponens: Als K, dan L. Welnu K. Dus L. (Om misverstanden te voorkomen vermijd ik hier het gebruikelijke p en q maar even, omdat het eerste symbool ook al in het epistemologisch argument gebruikt wordt voor een willekeurige propositie.)

Iedereen voelt natuurlijk op zijn klompen aan dat er met de premissen iets mis is: of met eentje of met beide. Maar wat precies? Op het eerste gezicht, ik merkte dat de vorige keer ook al op, ziet de relatie tussen de twee kernbegrippen in de eerste premisse er positief geformuleerd wel enigszins plausibel uit. Als je een oordeel over de kwaliteit van een roman of een film wilt vellen, dan moet je eerst het boek lezen of de film bekijken en er dus kennis van nemen. En pas als je kennis genomen hebt van een bewering (propositie), kun je zeggen of die waar is.

Kenbaarheid veronderstelt waarheid
Maar, en dat is het verraderlijke, dat is niet hoe Emanuel Rutten kenbaarheid en onkenbaarheid definieert. Hij verstaat onder kenbaarheid en kennis iets heel anders. Hij maakt gebruik van een zogenaamde ‘Cartesian view of knowledge’, een cartesiaanse notie van kennis. In zijn lange Engelstalige artikel (nummer 2 in mijn lijstje in de vorige blog) omschrijft hij die zo:

‘to know p is to be certain that p is true’.

En in zijn Nederlandse toespraak bij het symposium op de VU (nummer 3 in mijn lijstje) geeft hij deze omschrijving:

‘Een subject S kent propositie p indien p is en indien S zich met betrekking tot p in een ideale epistemische situatie bevindt. Dit laatste wil zeggen dat p voor S zelf-evident of niet-corrigeerbaar is.’

Wat betekent dit? Dat in dit specifieke begrip van kennis het begrip waarheid al is opgenomen. Alleen wat waar is, kun je op die manier kennen. Maar dat wil zeggen dat zijn eerste premisse circulair is of tautologisch is. ‘Onkenbaar’ betekent daarin dat geen enkel subject ooit (in geen enkele mogelijke wereld) kan weten dat p waar is en dus ‘dat p’. In zijn begrip van kenbaarheid en ook van (noodzakelijke) onkenbaarheid zit volgens de definitie al een oordeel omtrent de waarheid opgesloten. Ik citeer uit de toespraak:

‘Indien het metafysisch onmogelijk is om te weten dat p, dan is p noodzakelijk onwaar”. Of anders gezegd: wat mogelijk waar is, is ook mogelijk kenbaar. Deze claim lijkt niet onredelijk.’

Maar dat is volgens de definitie van kennis net niet het hele verhaal. Niet wat kenbaar is, is mogelijk waar, maar alleen wat waar is, is kenbaar. Dat ‘alleen‘ staat niet hier, maar is wel het uitgangspunt van de definitie. Wat noodzakelijk onwaar is, is onkenbaar, dat is de verborgen veronderstelling waar alles op gebaseerd is. Die zin is in de eerste premisse dus precies omgekeerd (maar dus niet equivalent) opgeschreven: wat noodzakelijk onkenbaar is, is onwaar. Maar noodzakelijke onkenbaarheid betekent ‘noodzakelijk niet kunnen weten dat’ en ‘wel kunnen weten dat noodzakelijk niet p’.

De zinnen ‘Als het regent, worden de straten nat’ en ‘Als de straat nat is, heeft het geregend’ kunnen in bepaalde omstandigheden allebei waar zijn, maar ze zijn niet elkaars equivalenten. Je kunt het tweede niet concluderen uit het eerste, maar je kunt wel op grond van ervaring vaststellen dat zowel de eerste als de tweede conditionele zin vaak waar zijn. Het equivalent van de eerste zin is: ‘Als de straten niet nat zijn, heeft het niet geregend’ en van de tweede is die ‘Als het niet geregend heeft, is de straat niet nat’. De omkering van de veronderstelling uit de definitie in de eerste premisse is dus geen equivalent daarvan. Dat wat noodzakelijk niet waar is, niet gekend kan worden, is niet hetzelfde als dat wat noodzakelijk niet gekend kan worden, niet waar is.

Noodzakelijke onwaarheden
Als je vraagt naar illustraties van beweringen die noodzakelijk onwaar zijn, dan krijg je voorbeelden in de trant van logische tegenstrijdigheden of uitspraken die gezien de structuur van onze werkelijkheid onmogelijk zijn. Je kunt niet weten dat 2 plus 2 5 is, want dat is niet waar. Je kunt alleen weten dat 2 plus 2 niet 5 is. ‘A is niet A’ is een tegenstrijdigheid en je kunt dus niet weten dat A niet A is.

‘Bernard Smit lunchte gisteren om 12 uur in Parijs en Rome’ is een uitspraak die onmogelijk waar kan zijn, omdat je niet tegelijk op twee plekken die zover uit elkaar liggen, kunt zijn (je kunt nog wel een keer met twee benen in twee landen staan, op de grens). Niemand kan dus volgens de cartesiaanse visie weten dat Bernard Smit gisteren op noentijd tegelijk in Parijs en Rome zat te eten, want dat kan niet waar zijn geweest. En in die zin is die uitspraak volgens de definitie noodzakelijk onkenbaar, wat dus niet wil zeggen dat je de uitspraak in gewoon Nederlands niet kent, want we hebben het erover, maar dat de uitspraak noodzakelijk onwaar is.

Toevallig had ik in mijn vorige blogstukje ook al twee zinnetjes gegeven die zichzelf overduidelijk tegenspreken: ‘Ik ben dood’ of ‘Dit is geen zin’. Ik vind dat altijd nogal flauwigheden, maar van deze zinnen kun je in alledaags Nederlands wel zeggen dat je ze kent, maar niet dat je ze weet. En weten staat dan dus voor die zogenaamde cartesiaans notie van kennis: weten dat p waar is en dus simpelweg weten dat p.

Nu maakt Rutten onderscheid tussen proposities die noodzakelijk onwaar zijn en proposities die wel onwaar zijn, maar niet noodzakelijk. ‘2+2=5’ is noodzakelijk onwaar, maar ‘Nederland won de WK-finale voetbal van Duitsland in 1974’ is wel onwaar, maar niet noodzakelijk onwaar en daarom ook niet noodzakelijk onkenbaar. Je kunt je volgens hem immers een wereld voorstellen waarin dat wel waar is.

De juiste formulering
Maar goed, ik geloof dat we er wel zijn en dat we nu definitief vast kunnen stellen dat de conditionele zin die de eerste premisse vormt, nietszeggend is. In de notie van noodzakelijke onkenbaarheid wordt de notie van waarheid en onwaarheid al voorondersteld en de implicatie is dan ook al in het eerste deel gegeven. Het lijkt een beetje op een zin als ‘Als de straten nat regenen, worden de straten nat’ in plaats van ‘Als het regent, worden de straten nat’. Er blijkt iets aan vooraf te gaan: als p noodzakelijk onwaar is, dan blijkt p noodzakelijk onkenbaar te zijn volgens de definitie en dan verbaast het ons niets als p vervolgens weer onwaar is.

De eerste premisse is een fout als uitdrukking van de gehanteerde definitie van kennis. En de juiste zin zou zijn:

‘Voor alle p geldt dat als p noodzakelijk onwaar is, dan is p noodzakelijk onkenbaar [in de zin van weten dat p]’

Wat noodzakelijk onwaar is, dat is in de zogenoemde cartesiaanse opvatting onkenbaar. Maar de uitspraak ‘God bestaat niet’ is in die zin geen noodzakelijk onware uitspraak. Wat Rutten doet, is mensen laten toegeven dat je op empirische gronden nooit helemaal met zekerheid kunt zeggen dat die uitspraak waar is. En dat noemt hij dan ‘noodzakelijke onkenbaarheid’. Maar zijn definitie van onkenbaarheid houdt in dat mensen dan ook meteen zeggen dat de uitspraak ‘God bestaat niet’ noodzakelijk onwaar is. Terwijl menig atheïst en in ieder geval agnost zou stellen dat je niet met absolute zekerheid kunt stellen dat God niet bestaat, maakt Rutten daar zo van dat je noodzakelijk niet kunt stellen dat God niet bestaat.

Het is allemaal niet zo van belang. Zijn eerste premisse is simpelweg verwarrend. En de juiste premisse volgens zijn definitie van kenbaarheid is dat als p noodzakelijk onwaar is, p dan noodzakelijk onkenbaar is, omdat je dan niet kunt weten dat p.

Afscheid
Ik geloof dat we nu wel definitief afscheid kunnen nemen van Ruttens godsargument. De eerste premisse draait de volgorde van de definitie om en is in die zin tautologisch. Want de definitie van ‘onkenbaarheid’, die afwijkt van wat ‘onkenbaarheid’ in gewoon Nederlands betekent, impliceert al dat je weet dat iets niet waar is. En of iets waar of onwaar is, dat was nu net de vraag.

Wie meent dat premisse 2 waar is, meent dat de uitspraak die daar gedaan wordt, op dezelfde wijze logische tegenstrijdig is of met de bekende werkelijkheid in strijd is als de andere opgegeven voorbeelden. In mijn vorige stukje had ik ingestemd met de tweede premisse, omdat ik de uitleg van Rutten gevolgd had: dat je over een dergelijke vraag nooit met zekerheid uitsluitstel kunt geven. Maar dan trap je dus in een val, want ‘noodzakelijk onkenbaarheid’ blijkt volgens de definitie te betekenen: weten dat noodzakelijk niet p. Het gaat niet om een empirisch begrip. Het gaat over uitspraken die als zodanig, direct herkenbaar, onwaar zijn.

Met serieuze vragen over het bestaan van God heeft het allemaal niets te maken. Daarom laat dit gegoochel met begrippen ook een wat nare smaak na. Over dergelijke vragen kun je heel goed een serieus gesprek voeren. Je kunt wel proberen om medemensen met kunstgrepen af te troeven, maar je bereikt er niets mee. Of je bereikt er mee dat je eindeloos gesteggel krijgt en dat is ook deze week weer gebeurd.

Rutten gebruikt een omkeringstruc en zodra je iemand zover hebt dat die toegeeft dat iets niet helemaal met zekerheid vastaat en zo gekend kan worden en ‘dus noodzakelijk’ onkenbaar is, kan hij zijn mechanisme in werking zetten. Van alles waarvan je niet met zekerheid meent te kunnen stellen dat het waar is, kun je zo aantonen dat het onwaar is. Maar het enige dat je dan bereikt hebt, is dat je gesprekspartner zich in het ootje genomen voelt.

Aan de vraag waar het om gaat, kom je dan niet meer toe.

Eerste naschrift, zaterdag 21 april 2012, ongeveer 15.00 uur
Dit stuk was om 13.25 geplaatst en is daarna nog weer op onderdelen herschreven. Het is verwarrende materie. De eerste premissie keert in feite de volgorde van de definitie – waarheid bepaalt wat kennis is – om, maar als je de definitie volledig uitwerkt blijkt het om een tautologie te gaan. Als je nagaat wat noodzakelijke onkenbaarheid, niet op het gehoor, maar volgens de definitie is, dan is de tweede premisse onjuist. Ruttens empirische uitleg, dat geen enkel subject de waarheid van de tweede premisse ooit kan vaststellen, is misleidend. Noodzakelijke onkenbaarheid houdt het oordeel in dat iets noodzakelijk onwaar is, hetzij wegens innerlijke tegenstrijdigheid, hetzij wegens direct waarneembare strijd met de werkelijkheid.

Tweede naschrift, zondag 22 april 2012, ongeveer 8.25 uur
Misschien is een kleine toelichting nog verhelderend. Volgens mij is veel ontwarring onstaan door de eigenzinnige wijze waarop in het argument het woordje ‘onkenbaar’ wordt gebruikt. Dat betekent niet wat er staat – altijd een zwak punt, zoiets – maar iets anders: namelijk, ‘onweetbaar’. Kennen wordt hier immers volgens de definitie beperkt tot ‘weten dat’, terwijl kennis, ook wetenschappelijke kennis heel wat meer betekent. Maar als we dat ene woord vervangen, wordt het argument veel helderder:

  1. Voor alle p geldt dat als p noodzakelijk onweetbaar is, dan is p noodzakelijk onwaar.
  2. De propositie ‘God bestaat niet’ is noodzakelijk onweetbaar.
  3. Ergo: ‘God bestaat niet’ is noodzakelijk onwaar.
  4. Ergo: het is noodzakelijk waar dat God bestaat.

 Het zal verder geen betoog hoeven dat ‘God kennen’ iets heel anders is dan ‘weten dat God bestaat’. Maar ook wetenschappelijke en alledaagse kennis is heel wat meer dan weten dat iets waar is. Dat leren kinderen op school al. Ze moeten niet alleen dingen ‘leren’, maar ze ook ‘begrijpen’.

(67)

17 april 2012

Het onkenbare is niet onwaar – Over het epistemologisch godsbewijs van Emanuel Rutten

door Jan Dirk Snel

 .:.

 

Vorig jaar oktober presenteerde Emanuel Rutten een nieuw godsbewijs, of in zijn eigen woorden, godsargument. Onder meer omdat de webrubriek Stone Links in de New York Times er op woensdag 26 oktober één verwijzend zinnetje aan wijdde, trok het al enige aandacht. Op Nu.nl schreef Jean Wagemans er op 22 november 2011 een column over onder de titel ‘Een maagdelijk godsbewijs’.

Een ooit mogelijke wereld. Wereldkaart uit de Map Psalter, ongeveer 1265 (British Library)

Aandacht
Afgelopen woensdag, 11 april 2012, was er op de VU een debat over het godsargument (waar ik trouwens niet bij aanwezig was) en daardoor laaide de publiciteit op. Op maandag 9 april 2012 schreef Paul Delfgaauw al een aankondigende beschouwing, ‘Je kunt logisch sluitend afleiden dat God bestaat’ op zijn weblog Van goden en mensen. Woensdag 11 april plaatste Filosofie Magazine een interview door Jeroen Hopster met Emanuel Rutten onder de titel, ‘Nederlandse filosoof presenteert nieuw godsbewijs’. De volgende dag, donderdag 12 april, volgden er enkele verslagen. Paul Delfgaauw was er al vroeg bij met ‘VU-debat: Het is noodzakelijk waar dat God bestaat’. En de kerkredactie van het Reformatorisch Dagblad kwam met ‘“Als God niet niet bestaat, bestaat Hij dus wel”’.

Een dag later, vrijdag 13 april, schreef Paul Delfgaauw nog een stuk, ‘Vier tegenwerpingen godsbewijs Emanuel Rutten’, dat een weergave van de vier tegenwerpingen die Rutten op de VU zelf alvast probeerde te weerleggen, bevatte. Op zaterdag 14 april bracht de Vlaamse krant De Standaard een gesprek met Rutten, ‘Daaruit volgt: God bestaat’. Nederlandse filosoof vindt nieuw argument voor opperwezen’, waar ook een korte bijlage bij was: ‘Het argument van Emanuel Rutten in vier simpele stappen’. Er is her en der nog veel meer verschenen – ik noem alleen nog het weblog van Mihai Martoiu Ticu, die maar liefst vijf stukjes aan het argument wijdde -, maar bij deze verwijzingen laat ik het maar even.

De stukken
Hierdoor liet ik me verleiden toch maar eens naar de stukken van Rutten te kijken. Als ik het goed zie, gaat het om drie artikelen, die ik even op een rij zet.

  1.  A metaphysical principle entailing theism?
    Het stuk (van net 4 pagina’s) is ongedateerd, maar op woensdag 19 oktober 2011 zette Rutten het eerste deel op zijn weblog en het was hiernaar dat de New York Times-blog linkte. Op zaterdag 22 oktober verscheen het ook integraal in een bijdrage van Alexander Pruss op de weblog The Prosblogion: ‘Rutten’s argument for the existence of God.
  2.  A modal-epistemic argument for the existence of God
    Rutten kondigde dit stuk (van 25 pagina’s) op zaterdag 24 maart 2012 op zijn weblog aan.
  3. Openingstoespraak ‘Debat Godsargument’ VU Faculteit der Wijsbegeerte
    Op dezelfde dag, woensdag 11 april 2011, kondigde Rutten deze publicatie (van 7 pagina’s) op zijn weblog aan. Eronder staan vele reacties.

Als ik het goed zie, is het tweede artikel een uitbreiding van de eerste tekst. In de eerste tekst voert Rutten vier mogelijke tegenwerpingen tegen zijn godsbewijs op en in de tweede tekst heeft hij die uitgebreid tot een tiental. In de toespraak op 11 april voerde hij weer vier mogelijke objecties op, die overeen lijken te komen met de eerste, vijfde, negende en tiende tegenwerping uit het lange stuk van maart. Wie snel kennis wil nemen van de hoofdlijn, kan de toespraak (3) lezen, wie het hele verhaal wil hebben, kan beter het lange stuk (2) van maart lezen.

De kern
De kern is door Rutten in vier korte stellingen samengevat, die op vele plaatsen zijn weergegeven:

  1. Voor alle p geldt dat als p noodzakelijk onkenbaar is, dan is p noodzakelijk onwaar.
  2. De propositie ‘God bestaat niet’ is noodzakelijk onkenbaar.
  3. Ergo: ‘God bestaat niet’ is noodzakelijk onwaar.
  4. Ergo: het is noodzakelijk waar dat God bestaat.

Dit is een nauwkeurige vertaling van de argumentatie die ook al in zijn lange betoog, ‘A modal-epistemic argument for the existence of God’ staat, maar daar is nog iets toegevoegd:

  1. For all p, if p is unknowable, then p is necessarily false (first premise; the principle),
  2. The proposition „God does not exists‟ is necessarily unknowable (second premise),
  3. Therefore, „God does not exists‟ is necessarily false (from both premises)
  4. Therefore, necessarily, God exists (conclusion; from (3)).

Epistemologisch
In interviews zegt Rutten dat hij niet over een godsbewijs wil spreken, maar over een argument. ‘Bewijzen doen we in de wiskunde’, zegt hij steeds. Dat lijkt me niet verstandig. Systematische op de rede gebaseerde argumentaties voor het bestaan van God plegen we nu eenmaal godsbewijzen te noemen en dat ze omstreden zijn, is ook bekend. Bovendien beperken bewijzen zich echt niet tot de wiskunde. Voor de rechter wordt van alles bewezen en ook historici kunnen bewijzen dat Willem van Oranje in 1584 is doodgeschoten en ze voeren daarbij allerlei argumenten aan of hij zijn overgeleverde laatste woorden wel of niet gesproken kan hebben. In het dagelijks leven bewijzen we steeds van alles en nog wat. Een leerling kan bewijzen waarom hij te laat op school was, door naar informatie over storingen op de site van de NS te verwijzen.

Zelf noemt hij Rutten zijn godsbewijs een modaal-epistemisch argument voor het bestaan van God, maar het lijkt me dat we het rustig als een epistemologisch godsbewijs kunnen typeren. De argumentatie ligt immers op het vlak van wat we kunnen kennen en in dat opzicht wijkt het ook af van de bekende godsbewijzen. Als ik het goed zie, beginnen die meestal bij ‘iets’ of soms ‘alles’ dat we kennen, en redeneren ze van daaruit verder dat er (nog) ‘meer’ moet zijn en dat heet dan God. In de kosmologische godsbewijzen wordt vanuit het bestaan van de wereld als zodanig of van oorzakelijkheid of beweging daarbinnen terugredenerend geconcludeerd dat er iets ‘voor’ of ‘buiten’ de wereld moet zijn. Het teleologisch godsbewijs gaat uit ervan uit dat iets als doelgerichtheid binnen de wereld bestaat en dat daar iets ‘achter’ moet zitten. Het ontologisch godsbewijs maakt de sprong van een gedachte naar werkelijkheid en ook morele of ethische godsbewijzen concluderen vanuit het verschijnsel dat mensen een moreel vermogen hebben of dat er moraal bestaat, dat bijvoorbeeld God, de ziel en onsterfelijkheid bestaan. Er wordt iets waargenomen of geconstateerd en van daaruit wordt er verder geredeneerd: van iets naar meer.

Het epistemologisch godsbewijs is daaraan in zekere zin tegengesteld: van niets naar iets. Het begint niet bij weten, maar juist bij niet-weten en zelfs bij wat onkenbaar is en concludeert daaruit dat we iets wél weten, namelijk dat God bestaat. Ik neem godsbewijzen zeker serieus en voor het ontologisch godsbewijs van Anselmus heb ik ondanks de evidente zwakte van de sprong van idee naar realiteit zelfs een uitgesproken zwak, maar het argument van Rutten kan me op geen enkele wijze overtuigen.

Een onkenbare premisse op schrift
Ik beperk me nu tot de twee premissen. Het punt is dat Rutten ze zonder veel uitleg presenteert en dan vervolgens opmerkt dat ze ‘cogent’, overtuigend dus, of ‘plausibel’ zijn. Ik citeer:

‘I take it that, reasonably, the prior plausibility of premises (1) and (2) of this argument is, everything else taken equal, higher than the prior plausibility of the proposition that God necessarily exists, which, I would say, makes the argument relevant for the debate between theists and atheists.’

Maar voor zover ik zien kan, doet hij eigenlijk nergens een poging om ze te onderbouwen of zelfs maar toe te lichten. Bijna direct gaat hij over op het bestrijden van tegenwerpingen – eerst vier, dan tien en dan weer vier – die hij zelf verzint en vervolgens probeert te weerleggen. Die tegenwerpingen gaan over van alles en nog wat, maar niet of nauwelijks over de overtuigingskracht of zelfs maar plausibiliteit van de twee premissen. En ik vind die allerminst plausibel.

Eerst maar even de tweede:

‘De propositie ‘God bestaat niet’ is noodzakelijk onkenbaar.’

Zoals het er staat, is het overduidelijk een zin die zichzelf tegenspreekt, een beetje in de trant van beweringen als ‘Ik ben dood’ of ‘Dit is geen zin’. ‘Propositie’ – ik heb eerder een overzichtje gegeven van definities – is een technische term voor de inhoud van een bewering of een stelling die waar of onwaar kan zijn. In het gewone debat is de term eigenlijk overbodig, want als we een stelling bespreken, doelen we ook al op de inhoud van die stelling en niet op de exacte bewoordingen.

Maar in de tweede premisse is de stelling of propositie, die ‘noodzakelijk onkenbaar’ zou zijn, gewoon geformuleerd: ‘God bestaat niet’. Dat is een heel begrijpelijke stelling en daarvan kan men zeggen dat die waar is of niet. Een propositie is dus geen feit, een stelling die per definitie waar is volgens degene die iets zo noemt, maar kan dus ook een onwaarheid zijn. Rutten accepteert wel de propositie ‘God bestaat’. Ook dat is een stelling waarvan men kan zeggen dat die waar is of onwaar. En van het tegendeel kan men dus hetzelfde zeggen. Ik neem aan dat Rutten bedoelt dat het geen ware propositie is, maar ook een onware propositie is een propositie en hij staat uitgeschreven voor onze neus. Hoe zo onkenbaar? We kennen de stelling maar al te goed en we kunnen er gewoon over debatteren.

Wat wel mogelijk is: dat je niet over alle beweringen die waar of onwaar zijn of kunnen zijn, met stelligheid een uitspraak kunt doen. Van sommige stellingen weet je nu eenmaal te weinig. En het is waar dat aantonen dat iets niet bestaat, in het algemeen veel moeilijker is dan aantonen dat iets wel bestaat, tenminste als het bestaat. Ik durf anders dan Ludwig Wittgenstein wel met zekerheid te stellen dat er zich geen neushoorn in mijn woning bevindt, maar of er zich op de Pelopponesos niet ergens een olifant bevindt, zou ik zo snel niet kunnen zeggen. Rutten bedoelt iets anders, namelijk ‘dat het onmogelijk is te weten dat God niet bestaat.’ Niet de propositie is onkenbaar, maar de vraag of ze waar is.

Het onkenbare
Maar de eerste premisse is belangrijker:

‘Voor alle p geldt dat als p noodzakelijk onkenbaar is, dan is p noodzakelijk onwaar.’

Het is volgens Rutten het ‘beginsel’ waar alles vanaf hangt. En die stelling is allerminst plausibel. Ze lijkt me zelfs regelrecht onjuist. Als iets onkenbaar is, kun je er eenvoudig niets over zeggen. Je kent het immers niet. Om te kunnen zeggen of iets waar of onwaar is, moet er eerst iets concreets voorliggen en voor mijn part noem je dat een propositie. (Ook boeken, verhalen, getuigenverklaringen, hele religies en levensbeschouwingen kunnen waar of onwaar zijn en het lijkt me gekunsteld die in het debat allemaal onder het begrip ‘propositie’ te vatten, maar dit terzijde.) Zonder dat je over een concrete stelling – of iets anders – kunt spreken, kun je niet zeggen of iets onwaar is of onwaar is. Over wat je niet kent, kun je niets zeggen omdat je het niet kent, en als je het noodzakelijk niet kunt kennen, kun je er dus nooit of te nimmer iets over zeggen. Elke dag worden er vele miljarden beweringen gedaan – en dus proposities geformuleerd of geschapen – maar over dat wat mensen niet kennen, kunnen ze ook geen stellingen formuleren.

Nu zit er een addertje onder het gras. Als je spreekt over de vraag of je kunt weten of God bestaat of niet bestaat, heb je het over mensen, zou ik zeggen. Je kunt je afvragen of dieren bijvoorbeeld hun omgeving ‘kennen’ en of ze daarbij zich ook kunnen ‘vergissen’ en dus ook over ‘onware kennis’ kunnen beschikken, maar dieren communiceren daar in ieder geval niet in taal met mensen over en die komen in Ruttens betoog ook niet voor. Maar Rutten beperkt zich niet, zoals je zou mogen verwachten, tot de vraag wat mensen in déze wereld kunnen weten. Ik citeer noot 1 uit het lange stuk:

‘Some given proposition p is metaphysically unknowable, or, in short, unknowable, if and only if there is no logically possible world W and no subject S such that S knows p in W. That is to say, a proposition is unknowable just in case there is no possible world in which that proposition is known. Moreover, it is quite important to note that “subject” does not refer only to human persons. “Subject” refers to any possible type of agent or actor capable of knowledge, or, more precisely, capable of knowing at least one proposition.’

Het is duidelijk dat Rutten hier God in zijn argumentatie opneemt. Dat is uiterst merkwaardig, want je zou toch zeggen dat de vraag nu juist is of anderen dan God van zijn bestaan kunnen weten. Rutten definieert God als de ‘persoonlijke eerste oorzaak’, ‘personal first cause’. Daarmee sluit hij uit dat zijn argumentatie als zodanig ook over de Verschrikkelijke Sneeuwman of het Vliegende Spaghettimonster, die binnen deze wereld gesitueerd moeten worden, gaat. Maar in dit geval gaat de vergelijking daarmee wel op. Als we willen weten of het bestaan van de Verschrikkelijke Sneeuwman gekend kan worden, is het toch merkwaardig om op te merken dat als die figuur bestaat, hij zelf weet dat hij bestaat en dat het dus – in de mogelijke wereld waarin hij wel bestaat – niet onmogelijk is om te weten dat hij bestaat. Maar dat doet Rutten precies met God:

‘For, take a possible world in which God exists. In such a possible world there is a subject that knows that God exists, namely God. Indeed, in that world God knows that God exists. So, it is not impossible to know that God exists after all.’

Tja, de enige zinvolle vraag in dit verband lijkt me toch echt of mensen al redenerend – daar gaat het bij godsbewijzen om, niet om de vraag of God zich openbaart – kunnen weten of God wel of niet bestaat en niet of een ander wezen dat kan weten. Rutten beweert dat zijn argumentatie niet circulair is, maar het blijft toch merkwaardig dat in een betoog waarin het gaat om de vraag of God bestaat en wie dat kan weten, bij het trekken van de scheidslijn tussen wat metafysisch of noodzakelijk kenbaar is en wat niet, de logische mogelijkheid van Gods bestaan wel wordt opgevoerd om een centraal begrip als kenbaarheid en onkenbaarheid te markeren.

Het mogelijke
Dat hele gespeel met mogelijke werelden, een truc die in bepaalde vormen van analytische filosofie – David Lewis en zo – schering en inslag is, lijkt me weinig zinvol. Filosofisch lijkt ‘wereld’ me de aanduiding voor alles wat er is, wat je ook de werkelijkheid of de natuur of wat dan ook kunt noemen. Die wereld is weliswaar veranderlijk en je kunt je voorstellen dat de wereld er in de toekomst anders uit gaat zien, zoals je weet dat de wereld een geschiedenis heeft en er vroeger anders uitzag, maar bij dit soort vragen gaat het toch echt om deze ene, veranderlijke wereld en niet om allerlei ander werelden. Het is me ook volstrekt onduidelijk wat er dan wel of niet als ‘mogelijke wereld’ mag gelden. Je kunt immers van alles verzinnen, ook als je er vroom bij zegt dat het ‘logisch’ denkbaar is. Rutten zegt bijvoorbeeld ergens dat ‘reality is ultimately metaphysically intelligible, i.e. amenable to understanding or knowable’, maar hoe ver gaat die intelligibiliteit? Kun je dan ook een wereld verzinnen waarin mensen echt met zekerheid, vanwege een bijzonder vermogen, weten dat God niet bestaat? Waar ligt de grens?

Het concept van mogelijke werelden introduceert allerlei vormen van fantasie in het betoog, maar het is onduidelijk wat al die verzinsels zeggen over wat wij als mensen wel of niet (kunnen) weten. De enige serieuze vraag hier is wat mensen in of vanuit deze ene, veranderende wereld redelijk kunnen argumenteren omtrent het al of niet bestaan van God. Het lijkt me juist dat mensen nooit met zekerheid kunnen stellen dat God niet bestaat, omdat een dergelijke harde stelling hun kenvermogen te boven gaat, maar je kunt dat niet omkeren. En over wat mensen verder niet weten, kun je verder niets zeggen.

Het onkenbare is niet onwaar, heb ik boven dit stukje gezet. Die titel lijkt op bijvoorbeeld de uitspraak: ‘Dat verhaal is zeker niet onwaar’. Je zou je kunnen voorstellen dat een politieman dat bijvoorbeeld tegen een collega zegt na het afnemen van een verhoor bij een verdachte. In dat geval zou het ook betekenen: ‘Dat is verhaal is waar’, al hij zou daar bijvoorbeeld wel aan toe kunnen voegen: ‘Maar het is niet het hele verhaal, hij houdt ook iets achter’. (In het dagelijks leven zijn er meer dan twee waarheidswaarden: zie alleen maar de rubriek ‘Next checkt‘ van NRC Next met vijf categorieën.) Maar in dit geval kun je de stelling dat het onkenbare niet onwaar is, niet omkeren tot: ‘Het onkenbare is waar’. Nee, het onkenbare is ook niet waar. Het is niet onwaar en niet waar, omdat je daarover niets kunt zeggen.

De eerste premisse is domweg onjuist en de tweede premisse was ook al evident onjuist en valt alleen omgeformuleerd te handhaven. Maar er blijft geen redenering over. De volledige argumentatie is volstrekt onduidelijk en zelfs met zoveel woorden onwaar. Het is namelijk niet waar – die woorden zijn hier volledig op hun plaats – dat je over het onkenbare iets zinvols zou kunnen zeggen en in termen van waar of onwaar kan dat al helemaal niet.

Waarheid
Zo is het wel genoeg. Voor ik kan zien gaat Rutten nergens in de tien objecties die hijzelf al verzonnen had, hier op in. Maar ik kan iets over het hoofd zien. Ik geloof niet dat het veel nut heeft de tien ‘weerleggingen’ stuk voor stuk langs te gaan lopen. Met het veelvuldige beroep op mogelijke werelden bevinden ze zich deels in de wereld van de fantasie. En zoals dat zo vaak het geval is in bepaalde vormen van analytische filosofie, waar de auteur alvast begint om zelfverzonnen objecties te weerleggen, wekken ze op mij de indruk deels de indruk stropoppen te zijn, maar zonder ze langs te lopen kan ik dat zo niet precies zeggen.

Ik weet niet of ik er verstandig aan gedaan heb toch in te gaan op een argumentatie waarvan elke lezer al op het eerste gezicht moet zien dat die – althans binnen onze ene, niet verzonnen wereld, waarin alleen mensen proposities kunnen formuleren en kunnen uitmaken of ze waar of niet zijn – niet deugt. Niemand zal serieus denken dat dat wat je niet kunt kennen – noodzakelijk nog wel – onwaar is. Wie beweert dat dat een ‘algemeen principe’ is, bluft – en dat is dan wel de meest vriendelijke typering.

Ik vermoed dat er op de achtergrond nog iets meespeelt. Het komt me voor dat de achterliggende vooronderstelling een merkwaardig waarheidsbegrip is, waarbij waarheid geheel losgemaakt wordt van menselijke dragers en van menselijke taal (die men breed mag opvatten en waarbij ook gebaren, afbeeldingen en zo meegenomen worden). Waarheid gaat zeker niet op in taal (ongeveer zoals gedachten niet opgaan in ons brein) want waarheid gaat, vaak althans, over iets buiten de taal, maar zonder taal en mensen heeft het begrip waarheid geen zin.

Misschien dat ik dat binnenkort nog maar eens uit moet leggen: wat waarheid is.

(66)