In strijd met de Grondwet? Over staatssecretarissen die toch Kamerlid blijven [Grondwet I]

door Jan Dirk Snel

[Vrijdag 13 augustus 2021] Er is een strijd uitgebroken over de benoeming van enkele staatssecretarissen die lid van de Tweede Kamer waren en daar kennelijk ook lid van blijven. Op 25 mei 2021 werd Dilan Yesilgöz-Zegerius benoemd tot staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat (belast met klimaat en energie) en op 10 augustus werden Dennis Wiersma en Steven van Weyenberg benoemd tot respectievelijk staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat.

Kennelijk blijven ze alle drie lid van de Tweede Kamer. De laatste twee staan althans nog als zodanig op de website vermeld en van Yesilgöz-Zegerius weten we dat ze zich in ieder geval wel eens als Kamerlid bij een plenaire vergadering gemeld heeft.

Grondwet
De vraag is nu of dat kan. Sommigen zeggen van niet, al vertellen ze er meestal niet dwingend bij waarom niet. De Grondwet lijkt op zich duidelijk. Artikel 57 lid 2 zegt:

‘Een lid van de Staten-Generaal kan niet tevens zijn minister, staatssecretaris, lid van de Raad van State, lid van de Algemene Rekenkamer, Nationale ombudsman of substituut-ombudsman, of lid van of procureur-generaal of advocaat-generaal bij de Hoge Raad.’

Dat is de algemene regel. Lidmaatschap van de Staten-Generaal, dus ook de Tweede Kamer, en een ministerschap of staatssecretarisschap – of staatssecretariaat, als die term bestaat en zo gebruikt kan worden – zijn in principe niet verenigbaar. Maar het volgende lid, genummerd 3, maakt daar een uitzondering op:

‘Niettemin kan een minister of staatssecretaris, die zijn ambt ter beschikking heeft gesteld, dit ambt verenigen met het lidmaatschap van de Staten-Generaal, totdat omtrent die beschikbaarstelling is beslist.’

Die bepaling is op zich glashelder. Alleen een minister of staatssecretaris ‘die zijn ambt ter beschikking heeft gesteld’, kan dit ambt ‘verenigen met het lidmaatschap van de Staten-Generaal’. In dit geval: als de drie nieuw benoemde staatssecretarissen rechtmatig lid van de Tweede Kamer blijven, dan kan dat alleen, als ze hun ambt ter beschikking hebben gesteld.

Twee mogelijkheden
De vraag is dan of ze geacht kunnen worden dat gedaan te hebben. Er zijn twee mogelijkheden. 1. Ze zijn net als de rest van het kabinet demissionair – dat is de omschrijving in één woord voor de terbeschikkingstelling van het ambt – en dan kunnen ze inderdaad tegelijk Kamerlid zijn. 2. Ze zijn niet demissionair. Dat zou dus betekenen dat het kabinet bestaat uit demissionaire bewindslieden en niet-demissionaire bewindslieden. Dat lijkt nogal ongerijmd.

We gaan er immers vanuit dat het hele kabinet demissionair is en dat alle leden ontslag krijgen op het moment dat de koning een nieuw kabinet gaat beëdigen. Op grond van het ontslagaanbod dat al is gedaan. (Wat overigens niet geldt voor leden die in hetzelfde ambt deel zouden gaan uitmaken van het nieuwe kabinet: die worden immers niet opnieuw beëdigd. Doch dit terzijde.)

Het lijkt duidelijk dat men ervan uitgaat dat het hele kabinet demissionair is en dat alle leden hun ontslag aangeboden hebben. Hoe ging dat ontslag? Op 15 januari 2021 schreef minister-president Rutte aan de koning:

‘daartoe gemachtigd door de ministerraad bied ik Uwe Majesteit hierbij het ontslag aan van de minister-president en alle ministers en staatssecretarissen waarbij minister van Economische Zaken en Klimaat ir. E.D. Wiebes heeft verzocht hem met ingang van heden ontslag te verlenen.’

Collectief ontslagaanbod
Dat is conform het Reglement van orde voor de ministerraad. Dat zegt in artikel 4 lid 2 onder k dat de ministerraad kan besluiten over ‘voordrachten van de minister-president voor koninklijke besluiten tot benoeming en ontslag van ministers en staatssecretarissen’. En als die voordracht alle ministers en staatssecretarissen betreft, is er dus sprake van collectief ontslag. De ministers hebben niet individueel hun ontslag ingediend bij de koning. Zelfs minister Wiebes heeft dat niet gedaan. Premier Rutte heeft dat gedaan, daartoe gemachtigd door de ministerraad. Strikt genomen weten wij niet eens of alle ministers het wel eens waren met het aanbieden van ontslag – al was dat vast zo – en de staatssecretarissen, die geen lid zijn van de ministerraad, is waarschijnlijk niets gevraagd.

Collectief ontslag aanbieden is dus mogelijk. En een bewindspersoon wordt verondersteld zich te conformeren aan zo’n besluit. Of misschien beter: daar simpelweg onder te vallen. Als de Grondwet spreekt over een minister of staatssecretaris ‘die zijn ambt ter beschikking heeft gesteld’, moet dat ook gelden als het aanbod namens de ministerraad door de premier is gedaan. Kaag, Hoekstra en andere bewindslieden hebben immers niet persoonlijk hun ontslag bij de koning ingediend en toch worden ze geacht hun ambt ter beschikking te hebben gesteld, zodat artikel 57 lid 3 op hen van toepassing is.

De vraag is vervolgens of dat collectieve ontslagaanbod dat Rutte op 15 januari voor alle ministers en staatssecretarissen indiende, ook later benoemde bewindslieden betreft. Het antwoord is kennelijk ja. Wie toetreedt tot een kabinet dat al demissionair is, weet dat de benoeming meteen die demissionaire status impliceert. Het zou ongerijmd zijn als de drie nieuwe staatssecretarissen wel afzonderlijk een ontslagaanbod aan de koning zouden moeten doen. Dan zouden ze dat immers ook niet kunnen doen en niet demissionair zijn. Het lijkt duidelijk: wat geldt voor Kaag, Hoekstra et cetera, geldt ook voor Yesilgöz-Zegerius, Wiersma en Van Weyenberg.

Kieswet
Maar nu nog een moeilijkheid. De Kieswet zegt in artikel X 3 lid 1:

‘Wanneer een lid van de Tweede of van de Eerste Kamer wordt benoemd in een ambt als bedoeld in artikel 57, tweede lid, van de Grondwet, houdt zijn lidmaatschap van de Kamer van rechtswege op.’

Als iemand benoemd wordt, houdt het lidmaatschap van de Tweede Kamer op. De drie werden nieuw benoemd, dus zijn ze automatisch geen Kamerlid meer, zou je kunnen betogen. Maar dan is de vraag of artikel 57 lid 2 hier wel opgaat. Kan die bepaling gelezen worden los van lid 3, dat juist de uitzondering bevat? Ik zou zeggen van niet. Deze bepaling uit de Kieswet kan alleen maar goed geïnterpreteerd worden in verband met alle relevante grondwetsbepalingen. Het kan niet zo zijn dat die de duidelijke bepaling uit het derde lid ongedaan maakt.

Er is trouwens allang antwoord op deze vraag gegeven. In 1994 werden, toen het kabinet-Lubbers III al demissionair was, de staatssecretarissen Dieuwke de Graaff-Nauta en Aad Kosto benoemd tot ministers op de departementen die ze tot dusverre dienden, nadat de ministers Ed van Thijn en Ernst Hirsch Ballin waren afgetreden. In 2017 werd Klaas Dijkhoff, tot op dat moment staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, in het demissionaire kabinet-Rutte II benoemd tot minister van Defensie als opvolger van Jeanine Hennis-Plasschaert. Over de Graaff-Nauta hoeven we het verder niet te hebben, zij is nooit lid van de Tweede Kamer geweest, maar over Kosto en Dijkhoff wel. Die bleven in 1994 en 2017 gewoon lid van de Tweede Kamer.

Nu kan men natuurlijk zeggen: ze waren al demissionair staatssecretaris en konden aldus ook lid van de Tweede Kamer blijven. En de stap van het staatssecretaris zijn naar het ministerschap is niet groot. Dat is ook zo. Maar ze werden in die nieuwe functie wel beëdigd door de koningin of de koning. Het ging echt om een nieuwe benoeming.

Conclusie
Kortom, de vraag of de drie nieuwe staatssecretarissen conform artikel 57 lid 3 van de Grondwet lid van de Tweede Kamer kunnen blijven, is al op 27 mei 1994 beantwoord. Aad Kosto werd toen nieuw beëdigd als minister van Justitie en men zag geen reden hem op grond van die nieuwe benoeming van het Kamerlidmaatschap vervallen te verklaren. Dat antwoord werd bovendien op 4 oktober 2017, onder de huidige bepaling in de Kieswet, herhaald.

Postscriptum
Hierboven heb ik nog eens zo kort mogelijk opgeschreven wat ik over het onderwerp te zeggen heb. Het gaat om de vraag of de interpretatie die het kabinet kennelijk volgt, mogelijk is. Wie betoogt dat er in strijd met de Grondwet gehandeld wordt, moet dat immers wel dwingend aantonen. Het gaat me niet om de vraag of dit allemaal wenselijk is. Ik vind dat artikel 57 lid 3 van de Grondwet beter helemaal geschrapt zou kunnen worden. Rutte, Kaag en Hoekstra kunnen ook best namens bepaalde fracties onderhandelen zonder daar lid van te zijn, eventueel als metgezel van een (andere) fractieleider. Tot 1983 moesten ministers na drie maanden ook kiezen. Die keuze kunnen ze ook direct na de verkiezingen maken.

Ik heb hier de afgelopen dagen op Twitter al veel over gediscussieerd en ben eigenlijk niet van plan dat nog eens voort te zetten. Dit is mijn invalshoek. En dat is het wel.

Tweede postscriptum
[Vrijdag 13 augustus, 19.00 uur] De functie die Klaas Dijkhoff had op het moment dat hij in 2017 benoemd werd tot minister van Defensie, heb ik nu in de tekst ingevoegd.

(213)

5 Responses to “In strijd met de Grondwet? Over staatssecretarissen die toch Kamerlid blijven [Grondwet I]”

  1. Zou U naast Kosto en Dijkhoff niet ook Kaag kunnen noemen? Ook zij kreeg – in dit kabinet – een nieuwe benoeming en bleef lid van de Tweede Kamer: https://www.rijksoverheid.nl/regering/bewindspersonen/sigrid-kaag/nieuws/2021/05/25/tijdelijke-vervanging-minister-van-ezk-en-benoeming-staatssecretaris-van-ezk

  2. Ah, dank. Het heeft inderdaad de vorm gekregen van een takenwisseling, zo te zien. Dat ze al minister was zal daarvoor wel de reden zijn geweest. Dat kon bij Kosto niet, omdat die ‘bevorderd’ moest worden tot minister.

Trackbacks

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: