Archive for februari, 2016

26 februari 2016

Wacht met stemmen, doe niet mee aan destructieve democratie

door Jan Dirk Snel

[Vrijdag 26 februari 2016] Het referendum waarmee de Nederlandse overheid de kiesgerechtigde burger op 6 april lastigvalt, gaat in werkelijkheid over twee dingen. Ten eerste natuurlijk over de vraag die voorgelegd wordt, of men ‘voor of tegen de wet tot goedkeuring van de associatieovereenkomst tussen de Europese Unie en Oekraïne’ is. Maar ten tweede ook over de vraag of we als burgers zo’n raadgevend correctief referendum überhaupt wensen. Beide vragen zijn onontkoombaar met elkaar verweven.

Selectie
Het gaat hier om een typisch staaltje destructieve democratie. Democratie, we weten het allen, is een vrij laat element in ons politieke bestel. Al lang kenden we de constitutionele, liberale rechtsstaat met een vertegenwoordiging (bij de regering) van het volk, die de eerste eeuw door een beperkte, deskundig geachte groep burgers en aanvankelijk zelfs deels door de koning werd verkoren. Bijna honderd jaar geleden besloot men het parlement door het gehele volwassen deel van de bevolking te laten kiezen. Hét uitgangspunt van democratie is selectie. In zijn nog regelmatig aangehaalde Problemen der demokratie legde de sociaaldemocraat W.A. Bonger daar in 1934 terecht alle nadruk op. Maar het eigenaardige van democratie is dat het meerderjarige deel van het volk daar volledig bij betrokken wordt. Uiteraard valt ook dan het electoraat nog niet samen met het volk, dat de leden der Staten-Generaal grondwettelijk vertegenwoordigen, maar dichterbij komen kan men niet. Democratie is elitevorming bij gelijke politieke rechten.

bong005prob01_01_tpg

Dit is geen illustratie die een onbekende en volstrekt onverwachte zijde uit het oeuvre van Mark Rothko laat zien – zijn tot dusverre onbekende groene fase – maar de omslag van het klassieke werk van W.A. Bonger uit 1934. ‘Decisief tegen het referendum is m.i. het argument, dat het referendum onselectionistisch is’, schreef hij daarin. Zijn geestelijke nazaten sloegen zijn wijze lessen helaas in de wind. De Wet raadgevend referendum is het resultaat van een denkwijze die het wezenlijke van de democratie miskent.

Dat het referendumidee op gespannen voet staat met de democratische gedachte, is direct duidelijk. Een van de twee essentiële elementen, selectie, ontbreekt immers. Het referendum is dan ook een geliefd instrument van heersers of regeringen die de volksvertegenwoordiging willen passeren. Vanwege de strijdigheid met de representatieve democratie zijn sommigen er tout court tegen. Toch valt er in uitzonderlijke gevallen wellicht iets voor te zeggen. Bijvoorbeeld als een natie echt voor een tweesprong gaat: die kant op of die? In zo’n geval kiest men uit twee gelijkwaardige positieve opties. Ook komt het voor dat een regering bij een bijzonder zware beslissing de actieve steun van de bevolking wil verwerven. Toen de Franse president Charles de Gaulle in 1961 tot de conclusie kwam dat Algerije onafhankelijkheid verlenen onontkoombaar was, zocht hij de instemming van de kiezers. Ook bij het Griekse referendum vorig jaar wist de regering de bevolking achter zich te krijgen.

Negatief
Op 6 april gaat het echter om iets heel anders. Het referendum is raadgevend, zodat regering en volksvertegenwoordiging er niet aan gebonden zijn. Dat is op zich een goede zaak. (Kamerleden die nu reeds aankondigen de uitslag te zullen volgen, minachten welbewust de grondwettelijke opdracht ‘zonder last’ te stemmen.) Maar het gaat ook om een correctief referendum. En dat is een slechte zaak. Een dergelijk referendum is naar zijn aard negatief. Niet de keuze voor iets staat centraal, maar het boerkoekoekse teugen. En in dit geval valt dat wel bijzonder op. Het gaat om een verdrag waar 28 EU-landen en Oekraïne en 29 parlementen, vaak over meerdere kamers verdeeld, al mee ingestemd hebben, in het algemeen met overgrote meerderheid of zelfs unaniem. Het gaat bovendien om een complexe tekst waar vele jaren over onderhandeld is, ook met de vorige Oekraïense regering van Viktor Janoekovytsj. Voor en tegen zijn geen gelijkwaardige opties en het zou misleidend zijn om te doen alsof dat wel het geval is. Wie vertrouwen heeft in democratie en deskundigheid, kan zonder nadere lectuur gerust voor stemmen. Alleen wie tegen is, behoeft een grondige rechtvaardiging.

Maar de verantwoordelijke kiezer dient natuurlijk altijd te weten waar het over gaat. De referendumvraag gaat over een goedkeuringswetje van 2 bladzijden, doch verwijst ook naar de associatieovereenkomst tussen de Europese Unie en Oekraïne en die telt in het Tractatenblad 323 bladzijden. Men had van de overheid mogen verwachten dat ze deze twee teksten uit eigen beweging aan iedere kiesgerechtigde had toegestuurd. Dat had ook in de wet horen te staan. Uiteraard mogen we aannemen dat de 427.939 burgers die de referendumaanvraag van een geldige handtekening voorzagen, stuk voor stuk een volle week hebben uitgetrokken om de tekst van bijna honderdduizend woorden grondig te bestuderen. Het moet om de fine fleur van de natie gaan. Het is echter nog maar de vraag of de overheid zoiets werkelijk van alle bijna 13 miljoenen kiesgerechtigden mag verlangen. Maar het is wel van groot belang dat alle burgers concreet kunnen zien waar het over gaat. Zodat ze weten dat ze eigenlijk twee volle weekenden voor studie zouden moeten uittrekken. Vertellen dat de teksten ook wel ergens op internet staan of vanaf 9 maart kosteloos op het gemeentehuis verkrijgbaar zijn, is onvoldoende.

Asymmetrie
De Wet raadgevend referendum, die sinds 1 juli 2015 van kracht is, zeven dagen voor de koninklijke ondertekening van het goedkeuringswetje, bevoordeelt de tegenstanders. Als 16% van het electoraat tegen stemt, kunnen 15% voorstemmers de tegenstanders net over de vereiste opkomstdrempel van 30% helpen. Als 29% tegen is, bezorgen enkele voorstemmers hen al de overwinning. Pas bij een – wel erg hoge – opkomst van meer dan 60% weten we a priori zeker dat kansen gelijkwaardig waren. Tegenstanders hebben er altijd belang bij te gaan stemmen, voorstanders alleen als de tegenstanders de drempel zelfstandig halen. Anders kan het effect van hun stem precies tegengesteld zijn aan wat ze beogen. Kortom, de wet werkt asymmetrisch en is oneerlijk. De kansen zijn ongelijk. De initiatiefnemers (Kamerleden van D66, GroenLinks en PvdA) en de voorstemmers (naast de drie genoemde partijen ook PvdD, PVV, SP, 50PLUS en in de Eerste Kamer OSF) mochten er om duistere redenen dan misschien een aanvulling op de democratie in zien, in werkelijkheid draagt zo’n destructief, op wantrouwen gebaseerd referendum alleen maar bij aan uitholling van ons bestel.

Er is dan ook alle reden om uit protest tegen dit oneerlijke en antidemocratische referendum niet te gaan stemmen. Een andere mogelijkheid is er niet. Ook blanco stemmen zijn geldig en zelfs ongeldige stemmen tellen mee voor de opkomst. In de jaren negentig stemden in Amsterdam meerderheden tegen de bouw van IJburg en de aanleg van de Noord-Zuidlijn, maar de opkomst was gelukkig te laag, zodat het onzalige idee van een referendum vanzelf verdween: te elitair omdat het slechts weinigen trekt. Laten we hopen dat dit op 6 april ook blijkt.

Het is een democratische plicht om niet te gaan stemmen. Tegelijk zou vertrouwen in de democratie paradoxalerwijze wel tot een voor-stem moeten leiden. De conclusie lijkt me duidelijk. Ga in principe niet stemmen. Wacht in ieder geval tot acht uur, een uur voor sluitingstijd van de stembureaus. Mocht op dat moment blijken dat de dertig procent (waarschijnlijk) gehaald is, ga dan alsnog.

Eeuwfeest
Over drie jaar bestaat onze parlementaire democratie een eeuw. In 1917 werd de mogelijkheid van algemeen kiesrecht in de Grondwet vastgelegd, in 1919 werd die tot werkelijkheid toen ook vrouwen het kiesrecht verwierven. Het zou mooi zijn als we dat eeuwfeest kunnen vieren in de wetenschap dat negatieve, destructieve initiatieven geen kans maken.

(205)

26 februari 2016

De bewijzen – Of: hoe Peter Breedveld vicepremier Lodewijk Asscher wel degelijk voor racist uitmaakte

door Jan Dirk Snel

[Vrijdag 26 februari 2016] Eerst even een vraagje: weet u eigenlijk wel zeker dat u dit wilt lezen? Ik zou zeggen: doe het niet en lees liever het stukje dat een minuut hierna verschijnt, over het referendum en waarom het een democratische plicht is op 6 april niet te gaan stemmen. Dat is veel interessanter. Het is trouwens ook aanmerkelijk korter. Maar u moet het natuurlijk zelf weten. Dit is niet meer dan een verplichte voetnoot bij mijn stukje van vorige week maandag, over De jankerd en de vicepremier. Uitvoerig heb destijds getwijfeld of ik het wel moest schrijven en toen ik dat eenmaal gedaan had, heb ik me vervolgens zeker zo uitgebreid afgevraagd of ik het wel moest publiceren. Peter Breedveld is die aandacht op zich niet waard en het zal ook niet licht lukken hem op een andere levensweg te brengen. Hij is nu eenmaal wie hij is: een geestelijk ontspoord figuur die leeft bij haat, gescheld en gehuil. Waar het me om te doen was, is de cultuur die hem draagt – van die lieden die melodramatisch spreken over de ‘strijd die hij levert’.

Racistisch regeringsbeleid
Er is maar één reden waarom ik toch nog een tweede stukje – zie wat betreft de genese de verantwoording beneden – toevoeg en dan gaat het om één vraag die nogal eens gesteld werd: Breedveld heeft toch nergens letterlijk geschreven dat minister Asscher ‘de gevaarlijkste racist van Nederland’ is? Dat schijnt inderdaad zo te zijn. Niemand heeft kennelijk een letterlijk citaat op weten te delven. Maar Asscher citeerde ook niet. Hij gebruikte tenminste geen aanhalingstekens. Zoals het er staat, constateerde hij iets of trok hij mogelijk een conclusie. Asscher had het wat mij betreft best net iets handiger aan mogen pakken, maar de enige vraag die uiteindelijk telt, is of zijn constatering juist was en standhoudt. Volgens mij had ik dat in mijn vorige stukje al aangetoond, waarbij ik overigens een voorbehoud maakte bij de gebezigde superlatief. Ik concentreerde me daarbij op het stuk waar Asscher via een getoonde tweet aan refereerde – en dat op zijn beurt trouwens nadrukkelijk weer naar een eerder betoog verwees – en daarin betoogde Breedveld dat Asscher allochtonen ‘wil’ stigmatiseren – en nog veel meer fraais. Enfin, ik hoef die passage uit mijn vorige bijdrage hier niet te herhalen en uit de twee stukken van Breedveld waar ik naar verwees, kan men duidelijk opmaken hoe hij destijds over de vicepremier dacht. Men haalt er in ieder geval niet gemakkelijk uit dat hij Asscher louter nobele motieven toedichtte. Maar sommigen verlangen nog meer bewijs. En dat is niet zo moeilijk te vinden.

BreedveldAsschermoslimhaat

Consequent is Peter Breedveld wel. Ook bijna drie jaar geleden vond hij vicepremier Lodewijk Asscher al een moslimhater, enger dan Wilders.

Wie maar even op Breedvelds site rondkijkt, ziet al snel dat de woorden racisme en racistisch daar frequent verschijnen en dat hij mensen al heel snel voor racist uitmaakt. Schrijft of zegt iemand iets kritisch over allochtonen, moslims of Marokkanen, in Breedvelds ogen is die dan vrijwel direct een racist. De VVD is racistisch – het racisme is daar ‘ingebakken‘. Het CDA is racistisch – racisme is daar een ‘deugd‘ – en Michiel Rog is dat in het bijzonder – bij hem is dat racisme dan weer ‘terloops‘. Meindert Fennema is racistisch – hij hangt openlijk ‘racistische theorieën‘ aan. Ebru Umar is racistisch – de NRC plaatste haar ‘racistische gezwatel‘. Een uitputtende zoektocht heb ik niet ondernomen. (En de vraag wat ik inhoudelijk van de uitingen dezer lieden vind, is al helemaal niet aan de orde, merk ik voor de zekerheid maar op.) Wie even wat huisvlijt beoefent, vindt vast meer. Breedveld beperkt zich, zoals we al zagen, zeker niet tot personen. Ook het regeringsbeleid, stelde hij in september 2014 vast, is racistisch:

‘Nu racisme en islamofobie in Nederland officieel regeringsbeleid zijn geworden, slaat de koorts van de moslimhaat overal in volle hevigheid toe.’

Maar stomtoevallig blijkt of all people Lodewijk Asscher, ondanks zijn volgens Breedveld wel degelijk racistische beleid, ineens geen racist te zijn. Een dergelijk onderscheid tussen persoon en handelen zou nog enigszins geloofwaardig kunnen zijn, als je een helder verschil ziet tussen iemands intenties en de (onbedoelde) effecten van zijn handelen. Je bedoelt je beleid niet racistisch, maar ongewild pakt het wel zo uit. Zoiets is denkbaar. Maar in de wereld van Peter Breedveld is zoiets nou net niet denkbaar, want hij schrijft steevast slechte motieven toe aan lieden wier handelen volgens hem niet deugt. Wie zegt dat het regeringsbeleid ‘officieel’ racistisch en islamofoob is, impliceert daarmee dat het zo bedoeld is. Aangezien Asscher vicepremier is en hij zich ook als minister veelvuldig op dit terrein begeeft, is het citaat hierboven eigenlijk al voldoende om te kunnen vaststellen dat Breedveld hem een racist acht. Hoe zou je iemand die officieel racistisch beleid vaststelt en uitvoert, anders moeten noemen?

Asscher, moslimhater, allochtonenhater, discrimineert op ras
Maar er is nog veel meer bewijsmateriaal. (1) Zo twitterde Breedveld – zie de afbeelding – in juni 2013: ‘Die Lodewijk Asscher hè, die vind ik eigenlijk enger dan Wilders en zijn hele clubje kleffe deegballen bij elkaar’. En op de vraag waarom: ‘Asscher is moslimhaat met een vriendelijk gezicht. Ik verkies moslimhaat met z’n eigen, direct herkenbare lelijke porem.’ (2) En in december 2015 meende Breedveld dat Asscher zijn ‘allochtonenhaat er weer eens voor een microfoon moest uitblèren’. (3) Asscher, zo merkte hij een paar maanden eerder al op, ‘zet (…) alles in zijn werk om niet-Westerse allochtonen te marginaliseren’. (4) En kort daarna had hij het over de lieden van de PVV die

‘Asscher dingen laten doen die hij in zijn tijd als wethouder nooit voor mogelijk had gehouden. [tussenkopje] Allochtonen marginaliseren, angst zaaien jegens moslims en Turken, discrimineren op ras en religie. Asscher en Rutte zijn de sokpoppen van Wilders.’

Als Asscher moslimhaat is, dan zal hij toch ook wel een moslimhater zijn in Breedvelds ogen? Als Asscher zijn allochtonenhaat uitschreeuwt, dan zal hij toch ook wel een allochtonenhater zijn? En hoe zouden we iemand nu noemen die zijn uiterste best doet om niet-westerse allochtonen te marginaliseren en ook nog eens welbewust discrimineert ‘op ras’? Een racist toch? Asscher doet dat volgens Breedveld en hij vindt hem dus wel degelijk een racist en hij vindt hem enger en gevaarlijker dan Wilders en de PVV. Ik heb hier nu vier aanvullende bewijsplaatsen gegeven. Het bewijs voor de juistheid van Asschers opmerking is gewoon keihard. En ander gescheld heb ik dan nog buiten beschouwing gelaten, maar ik had in het vorige stukje ook al het een en ander geciteerd. Sinds jaar en dag schildert Breedveld Lodewijk Asscher af als een door en door verderfelijk figuur die alleen maar slechte dingen voorheeft met allochtonen en moslims en ze wil discrimineren. Als een racist dus. En kom niet aan met allerlei beperkte definities van racisme, want enghartig is Breedveld niet met het woord. Hij is er ronduit gul mee. Racist noemt hij mensen ‘die discrimineren op basis van huidskleur en afkomst en dergelijke’, schreef hij onlangs aan de woordvoerder van de vicepremier, Friso Fennema. Daarmee gaf hij dus impliciet toe dat hij Asscher, van wie hij regelmatig beweerd heeft dat die bepaalde groepen vanwege hun herkomst – waar gaat het bij ‘allochtonen’ nu anders om? – wil stigmatiseren, marginaliseren en discrimineren, wel degelijk voor racist had uitgemaakt. Maar of hij dat op dat moment werkelijk doorhad?

DiscriminerenOpRas

Asscher discrimineert op ras, schreef Peter Breedveld op 10 september 2015. Op 13 februari 2016 beweerde hij ineens dat hij de vicepremier geen racist vindt, ook al voert die wel een racistisch beleid en is het regeringsbeleid eveneens racistisch. Dat Asscher feiten verdraait of gewoon een leugenaar is, daar hield Breedveld uiteraard wel consequent aan vast. Dat iemand die zo bejegend werd, niet onmiddellijk zijn diep gemeende excuses voor een inhoudelijk juiste opmerking aanbood, dat vindt Breedveld vanzelfsprekend ‘verbijsterend’.

Tertium comparationis
De op zich niet onsympathieke poging die Joris Verheijen – ‘Sorry is het moeilijkste woord‘ – vorige week ondernam, was daarom tot mislukken gedoemd. Hij betoogde dat Asscher en Breedveld allebei verontschuldigingen zouden moeten aanbieden. En Asscher zou daarbij het initiatief moeten nemen, ‘omdat een vals verwijt van een minister duizendmaal meer schade aanricht dan de scheldwoorden van een blogger’. Nu had Asscher op zich best mogen laten weten dat die ene zin niet de allerbest geformuleerde uit zijn verder voortreffelijke stukje was, maar materieel was er, zoals ik inmiddels definitief aangetoond heb, nu eenmaal geen sprake van een ‘vals verwijt’. Het is nu eenmaal niet zo dat Breedveld Asscher ‘gevaarlijk’ vindt, ‘juist omdat de minister géén overtuigde racist of vreemdelingenhater is’, zoals Verheijen abusievelijk denkt. Breedveld heeft, op die ene opportunistische uitglijder na, consequent het tegendeel betoogd. Inmiddels heeft de vicepremier via zijn woordvoerder laten weten dat Breedveld naar zijn oordeel in ‘sommige publicaties’ over hem ‘de fatsoensnormen’ overschreden heeft, en dat hij het verder bij zijn eenmalige uitlating wilde laten. Heel verstandig.

Verheijen vroeg zich ook af of ik Breedveld wel wilde begrijpen. Als je zegt dat iemand gevaarlijker is dan een antisemiet, betoogde hij, dan wil je daarmee nog niet zeggen dat die een antisemiet is. Je kunt hem namelijk best om heel andere redenen gevaarlijk achten. Klopt, dat kan, maar dan moet je wel duidelijk maken om welke redenen je hem dan wel gevaarlijker acht. Wat is het tertium comparationis? Dat op zich onbepaalde gevaar moet je specificeren. Zelf kwam Breedveld met de vergelijking, of misschien eerder de onvergelijkbaarheid, tussen ijs en spinazie. Erg overtuigend was die niet. In plaats van de vergelijking uit te werken deed hij vervolgens of ‘erger’ – en mutatis mutandis ‘gevaarlijker’, mogen we aannemen – een soort ultieme, ondefinieerbare categorie sui generis is in de trant van Moores befaamde ‘good‘, waar ik de vorige keer al naar verwees. Maar wie zegt dat ijs lekkerder is dan spinazie, maakt direct duidelijk dat het punt van vergelijking de smaak betreft. Wie zegt dat Asscher erger of gevaarlijker is dan Wilders, moet wel aangeven in welk opzicht hij dat dan bedoelt. Welnu, als iemand – althans in de ogen van Breedveld – op instigatie van Wilders en de PVV allochtonen marginaliseert, angst zaait jegens moslims en Turken en discrimineert op ras en religie, en dat soort dingen ook werkelijk bewust doet en wil, dan maakt die zich in Breedvelds wereldbeeld echt wel schuldig aan racisme.

Bezinning
Iemand die even wat op Breedvelds site rondneust, ziet dat het hier om een figuur gaat voor wie haat een alledaags instrument is. Het is zijn belangrijkste handelswaar, verkrijgbaar in vele, zij het weinig boeiende varianten. Maar waarom blijven dan toch zovelen hem tegen beter weten in verdedigen? Natuurlijk omdat sommige mensen maar al te gemakkelijk aan hun kwade neigingen toegeven en het simpelweg wel geinig vinden, zo’n scheldend en huilend figuur. Maar misschien is dat toch niet het enige. Soms krijg je de indruk dat ze het eenvoudig niet willen zien en daarom ook echt niet zien. Breedveld staat toch aan hun kant? Nee, de andere kant, de tegenstanders, die moeten niet zo schelden, maar voor het goede doel mag dat toch wel? Om haat en racisme tegen te gaan mag je toch best van haat gebruik maken? En Breedveld hoort toch niet thuis in rijtje met zielige onbenullen dat Asscher verder aanhaalde? Nee, natuurlijk niet. Niet omdat hij beter is, maar omdat hij oneindig onbeschofter is. De haat en het gescheld zijn bij hem zo massief en eentonig dat je de indruk krijgt dat mensen het niet eens meer zien. Ze lezen er overheen. Het is het vaste bestanddeel in zijn stukjes. Daarom zijn sommigen er kennelijk blind voor. Breedvelds repertoire is ook heel beperkt. Veel meer dan schelden, liegen en zelfbeklag zit er niet in. Dat drietal elementen keert telkens terug. Als een brein zo vol haat zit, blijven andere functies uiteraard ook onderontwikkeld, dat kan niet anders.

Multatuli

In zelfbeklag was Eduard Douwes Dekker (1820-1887) – ‘de grootste schrijver aller tijden’, Peter Breedveld dixit (2008) – inderdaad niet onbedreven. Maar of dat nu voldoende grond is voor een vergelijking? Vooralsnog is de geschiedenis waarop hier geanticipeerd wordt, toekomst. Maar misschien blijkt dus ooit dat dit stukje over de allergrootste schrijver aller tijden gaat.

Een normaal mens zou aan Asscher natuurlijk diepe excuses aangeboden hebben in plaats van die op luide toon te eisen. Maar het is mogelijk dat er in Breedvelds zelfbeklag nog een authentiek element zit ook. Elk mens zou beseffen dat als je een minister zo vreselijk uitgescholden hebt, je eerst je verontschuldigingen moet aanbieden, zelfs als je denkt dat die iets geschreven heeft dat letterlijk nou net niet helemaal klopt. Maar bij een narcist komt dat niet op. Die bijt zich vast in een detail en begrijpt niets van context en redenering. Die gaat uitgebreid uitleggen dat Asscher ‘als een geile hond’ zien optreden heus iets heel anders is dan hem een ‘geile hond’ noemen. Alsof er ook maar iemand in het laatste geval zou denken dat de minister de accidentalia van een hond heeft aangenomen, maar de substantie van een mens heeft behouden. De domheid valt in dit geval niet over het hoofd te zien. En die domheid zie je ook wel bij Breedvelds groupies. Het is merkwaardig hoe slecht mensen soms tot denken en redeneren in staat zijn.

Dat er parallelle werelden bestaan waarin mensen schelden, liegen en zelfbeklag bewonderen, daar valt wel mee te leven. Mijn zorg ging erover dat al te veel ervan in de wereld van het ordentelijke maatschappelijke debat doordringt. Maar de reacties vielen me de afgelopen weken mee. Natuurlijk heb je de trouwe volgelingen die alleen wat nietszeggends uit hun toetsenbord krijgen – het gebrek aan argumentatie typeert ze. Het meest viel me het stilzwijgen op van lieden die Breedveld anders nog wel eens verdedigen of aanprijzen. Laten we hopen dat er toch een zekere bezinning op gang komt. Breedveld is geen antidotum tegen de PVV-cultuur, hij is er een symptoom van. Wie zich op het niveau van Wilders begeeft, heeft hem al zijn zin gegeven. Wie Breedveld op zijn eigen niveau aanpakt, heeft ook al verloren, al moet ik bekennen dat dat ook bepaald niet aantrekkelijk is. Verheijen meende dat ik ‘zonder een zweem van zelfironie’ op Breedvelds gebrek aan ‘respect’ inging. Het is niet zo moeilijk. Werkelijk respect moeten mensen verdienen. Maar in de omgang is respect ook de uitgangspositie, de defaultinstelling om het maar in hedendaags Nederlands te zeggen. Medemensen treed je in principe respectvol tegemoet. Maar mensen kunnen dat respect ook verliezen. Minder snel dan Peter Breedveld doorgrond ik de kwade bedoelingen van mensen, maar op grond van zijn gedrag zou ik niet onmiddellijk vermoeden dat hij werkelijk de achting van het gros van zijn medemensen zoekt. De wereld is zijn scheldtoneel, maar hij geniet ongetwijfeld van de bijval van zijn volgelingen. Dat hij Lodewijk Asscher in een opwelling een ‘fatsoenlijke vent’ noemde, moet een vergissing geweest zijn. Of een moment van zwakte. Inmiddels heeft hij het weer op vanouds vertrouwde wijze over een ‘liegende minister’.

Redelijkheid
Waar het op aankomt, is de bescherming van een cultuur van redelijkheid, waarin argumenten en tegenargumenten tellen en waarin oog is voor een verscheidenheid aan perspectieven. Er waren mensen die mij voorhielden dat ik het alleen maar over de ‘vorm’ had. Maar die doet er toe en daar ging die facebookpost van Lodewijk Asscher ook over. Omdat hij merkte dat hij vaak niet meer reageerde als mensen hem via sociale media benaderden. Vanwege de bewoordingen die ze daarbij kozen. Wie het werkelijk over de inhoud wil hebben, kan maar beter een vorm kiezen, die de aandacht op de argumenten vestigt. Iemand buiten een spelletje of een vertrouwelijke verstandhouding om voor ‘ongelofelijke smiecht’ uitmaken, is dan niet de meest doeltreffende uitnodiging voor een serieuze dialoog. Redelijkheid vereist een bepaalde houding, waarin respect en de bereidheid tot luisteren, redeneren en overleg prevaleren. Het blijft de moeite waard daarvoor op te komen.

Overigens had ik u gewaarschuwd. Dit is een heel saai stuk geworden, dat voor de volledigheid nu eenmaal geschreven moest worden.

Verantwoording

Het stukje hierboven is voortgekomen uit het nawoord dat ik vorige week donderdag, 18 februari 2016, bij mijn vorige stukje plaatste, zonder er verder aandacht voor te vragen. Ik plaats dit pas op een moment dat ik ook een ander stukje heb, dat meer belangstelling verdient. Dit is alleen voor wie hier werkelijk belang in stelt. De kern is ongewijzigd gebleven: de veelvuldige bewijzen dat Peter Breedveld minister Lodewijk Asscher wel degelijk voor racist, moslimhater, allochtonenhater en dergelijke had uitgemaakt. Sommigen vroegen daar nu eenmaal naar. Het is me inmiddels opgevallen dat een aantal mensen zich nogal met Peter Breedveld bezighoudt en hij geniet daar overduidelijk van. Haat zoekt haat, zo gaat dat. Ik had de vorige keer al voorspeld dat het gejeremieer nog lang zou aanhouden en die bepaald niet ingewikkelde voorzegging is bezig uit te komen.

Ik behoor niet tot de types die alles volgden wat Peter Breedveld deed. Integendeel, ik probeerde zijn uitingen zoveel mogelijk te vermijden. Ongewild werd ik er soms toch mee geconfronteerd. Dat ik hierin rolde, was omdat ik twee weken geleden zo naïef was om op facebook te reageren op iemand die ‘de nare moedwillige zijsteek aan Peter Breedveld (…) werkelijk echt supereng’ noemde en zich zelfs afvroeg ‘of de steek jegens Breedveld niet de werkelijke reden van het stukje van Asscher was.’ ‘Blijkbaar is ie echt n serieus gevaar voor de status quo’, werd daar nog aan toegevoegd. Ik heb daarop maar even uitgelegd dat Asscher materieel nu eenmaal gelijk had. Breedveld had dat natuurlijk ook moeten inzien, maar hij kon het uiteraard niet laten er toch een stukje over te schrijven. Toen heb ik in mijn vorige stukje maar in het openbaar herhaald dat Asscher simpelweg gelijk had. En voor wie nog steeds niet in staat was om dat te zien, heb ik deze toevoeging geschreven. Ik zou zeggen: nu moet het toch wel genoeg zijn.

(204)