Waarheid en belang – President Obama en het geval-Syrië

door Jan Dirk Snel

Gisteren tweette Harald Doornbos, een ervaren Midden-Oostencorrespondent die ik zeer hoog heb, dit:

Wantrouw alle info over Syrië. Assad. Rebellen. Amerika. Rusland. Bij allen gaat het om “is dit in mijn belang?” NIET om “is dit waar?”‘

Het was een waarschuwing die op veel instemming kon rekenen. 54 keer werd ze tot op dit moment geretweet. Vrijwel alle reacties waren, voor zover ik dat zien kan, instemmend.

kerry

John Kerry tijdens zijn toespraak over Syrië op 30 augustus 2013

Werkelijkheid
Toch wil ik er een kanttekening bij plaatsen. Niet omdat de opmerking volstrekt onjuist zou zijn, maar wel omdat de snelle instemming wellicht ook iets zegt over een tendens of neiging die maatschappelijk zeer algemeen is. Ja, het is op zich verstandig om als iemand voor een bewering waarheid claimt, je af te vragen of de geponeerde stelling of het vertelde verhaal misschien in het belang van de spreker is. Toch gaat het om twee afzonderlijke vragen, die weliswaar met elkaar in verband gebracht kunnen worden, maar die een afzonderlijk antwoord verdienen.

Wat waarheid is, weten we allemaal. Veritas est adaequatio rei et intellectus. In alle tijden en alle culturen is dat de kern van wat men onder waarheid verstaat, wat men er verder ook nog aan moge toevoegen. Sinds ongeveer een eeuw zaaien sommige filosofen verwarring door dit de correspondentietheorie van de waarheid te noemen, alsof het slechts om een van de vele of althans diverse waarheidstheorieën zou gaan. Dat is niet zo. De consistentietheorie en de pragmatische opvatting behandelen slechts andere aspecten die óók met het begrip waarheid in verband gebracht kunnen worden. De waarheid ligt ook niet alleen in een bewering, maar juist in de relatie of de verbinding daarvan met de werkelijkheid, in de adaequatio uit de gangbare omschrijving dus. Waarheid is een kwestie van epistemologische harmonie met de omringende werkelijkheid, zoals ik bij een vorige gelegenheid uiteenzette.

Wat belang is of wat belangen zijn, valt veel moeilijker te beantwoorden. Belang behoeft gemeenlijk een nadere kwalificatie. Belangen kunnen economisch zijn, maar ook politiek, cultureel of ideologisch. En nog veel meer. Het woordenboek omschrijft belang als ‘iets dat iemand raakt, dat voor hem niet onverschillig is’. Ook hier gaat het dus om de relatie tot de werkelijkheid, maar die is minder afstandelijk dan bij waarheid, Het gaat om wat mensen raakt. Belang lijkt een directere, soms ook emotionele verhouding tot het menselijk handelen te hebben. Ook het Woordenboek der Nederlandsche Taal geeft al aan dat belang op een uitgebreid sociaal ontologisch spectrum betrekking kan hebben. Iets kan iemand raken ‘doordat zijn voordeel, zijn voorspoed, er mede gemoeid is’, maar ook ‘doordat het een gevoel van nieuwsgierigheid, deelneming enz. in hem opwekt’. Kortom, het kan om het materiële en economische gaan, maar ook om het geestelijke.

Ook bij belangen gaat het dus om onze verhouding tot de werkelijkheid, maar het punt waar het op aankomt, is dat die relatie niet afstandelijk of vrijblijvend is. Je zou misschien een onderscheid kunnen maken tussen een negatief en een positief aspect. Negatief beperken belangen je. Het gaat dan vaak om economische belangen. Als je heel veel olie uit Saoedi-Arabië haalt, is het niet handig om ruzie met het bewind in dat land te krijgen. Maar het kan ook over andere aspecten gaan. Als Amerikaanse kiezers al jaren veel belang hechten aan het welzijn van de staat Israël, dan worden Amerikaanse politici beperkt in hun mogelijkheden een kritische houding in te nemen. Bij het negatieve aspect gaat het vooral om bestaande belangen, het verleden. Positief gaat het eerder om doeleinden, de toekomst. Wie de bevordering van de internationale rechtsorde tot een belang verklaart, heeft op zich nog meer keuzemogelijkheden, zolang de middelen om een doel te verwezenlijken niet in conflict komen met bestaande belangen. Maar bij positieve belangen is er in het algemeen meer vrijheid van handelen.

Belangen
Een waarheid kan in iemands belang zijn, maar er ook tegenin gaan. Neem nu Syrië. Dat er in buitenwijken van Damascus op woensdag 21 augustus 2013 een gifgasaanval heeft plaatsgevonden, dat lijkt op grond van ooggetuigenverslagen, waarnemingen en beelden wel vast te staan (ook al lijken sommigen op grond van strenge criteria misschien nog enkele vragen te hebben). De vraag waar het vervolgens om ging, was wie er nu precies achter de aanval zat. Het regime of een bepaalde groep rebellen? Waartussen je dan nog ingewikkelder theorieën had, die bijvoorbeeld veronderstelden dat er bij beschietingen per ongeluk gifgasvoorraden geraakt waren, waarbij er dan logischerwijze ook nog vier mogelijke combinaties tussen degenen die schoten, en degenen die de opslagplaatsen beheerden, denkbaar waren.

Wat het belang van de Amerikaanse president Barack Obama in dit geval was, is duidelijk. Dat de rebellen het gedaan zouden hebben. De onmogelijke positie waarin Obama beland was of zichzelf gemanoeuvreerd had, is de afgelopen week uitvoerig uit de doeken gedaan. Door al lang van tevoren een ‘rode streep’ te trekken, had en heeft hij zich in een netelige positie gebracht. Om zijn waarschuwing gestand te doen, moet hij eigenlijk wel optreden – waarbij ik hier even de discussie over de legaliteit en de taak van de VN buiten beschouwing laat – terwijl concreet ingrijpen eigenlijk nauwelijks zin lijkt te hebben en hooguit alleen nog maar meer vernieling en leed kan brengen in een land dat daar al van vergeven is. ‘Vreselijk onverstandig, maar domweg onvermijdelijk’, luidde de adequate samenvatting door Bas Heijne. Niets had Obama dus beter kunnen uitkomen dan de vaststelling dat het regime niet de schuldige was. Hij had dan niets hoeven te doen, want het zou waarschijnlijk te ingewikkeld geweest zijn om de rebellen gericht te bestraffen. Kortom, het objectieve belang van Obama was duidelijk en zijn optreden als reluctant warrior lijkt dat te bevestigen.

Je zou dus kunnen betogen dat het feit dat de Amerikaanse inlichtingendiensten met een uitkomst kwamen die de president niet goed kon uitkomen, voor de waarheid van hun bevindingen pleit. Maar op zich zegt de verhouding ten opzichte van belangen natuurlijk nog niets over de waarheid van een verhaal. In 2003 kwamen de diensten met een verhaal dat de ideeën van de toenmalige president en zijn ministers aangaande Irak juist ondersteunde. Dat gaf te denken en Joschka Fischer antwoordde op de presentatie van Colin Powell terecht dat hij niet overtuigd was. Maar in beide gevallen kwam of komt het toch gewoon aan op de vraag naar de feiten: is wat men beweert, in overeenstemming met de werkelijkheid? Kortom, de vraag naar belangen kan een zekere heuristische waarde hebben, maar de waarheidsvraag kan nooit tot de cui bono-vraag herleid worden. Het gaat om twee afzonderlijke vragen die afzonderlijk beantwoord dienen te worden.

Wantrouwen
In dit geval komen de Amerikaanse verhalen, de rede van John Kerry van vrijdag 31 augustus 2013 en het bijbehorende ‘Government Assessment of the Syrian Government’s Use of Chemical Weapons on August 21, 2013′, geloofwaardig over, vooral ook omdat ze overeenkomen met journalistieke berichten en met de bevindingen van andere inlichtingendiensten, terwijl er eigenlijk geen feitenrelazen beschikbaar zijn die de schuld geloofwaardig bij (de) rebellen leggen. En ook het feit dat de Russische president Poetin de Amerikanen nu vraagt om bewijs dat het reguliere Syrische leger chemische wapens inzette, voor te leggen aan de VN-Veligheidsraad, maakt het waarschijnlijk dat Rusland zelf in ieder geval niet over ander bewijs, dat de schuld ondubbelzinnig bij de rebellen legt, beschikt. Maar ondertussen zijn we afhankelijk van vertrouwen, we kunnen de gegevens niet zelfstandig controleren en het ziet er naar uit dat de Amerikanen ook niet over simpel materiaal dat eenduidig is, beschikken, want dan zouden ze dat ongetwijfeld vrij hebben gegeven. Kennelijk gaat het om de combinatie van heel veel verschillende gegevens, deels ook uit bronnen die beschermd moeten worden.

Een zeker wantrouwen lijkt me dus methodisch op zijn plaats. We kunnen niet zelf oordelen, we kunnen alleen redeneren en vertrouwen. Maar wat nu opvalt, is dat het wantrouwen vaak precies omgekeerd is. In veel van de discussies wordt de vergelijking met 2003, de Irak-oorlog, juist omgekeerd gemaakt dan zakelijk voor de hand ligt, namelijk door te veronderstellen dat Obama nu net als Bush zou staan de popelen om in te grijpen. In feite wordt dan de waarheid niet meer vanuit het belang betwijfeld, maar wordt vanuit een voorliggende, als waar gepresenteerde voorstelling het belang beredeneerd. Iemand wil dat of gaat dat doen, dan moeten de feiten die daarin ten grondslag liggen, wel uit belang voorkomen.

Het is een denkwijze die we vaak tegenkomen, met name als het om buitenlandse politiek gaat. Als een land een beslissing neemt, moet daar wel een belang, het liefst een economisch belang, de reden voor vormen. Zo hoor je nog regelmatig beweren dat Israël zo strategisch ligt. Ja, dat klopt inmiddels ook, maar alleen omdat de Verenigde Staten en veel westerse landen zich zo nauw bij de lotgevallen ervan betrokken voelen, niet omdat er van origine een groot materieel belang was. Het aardige is dat diplomaten en ambtenaren op ministeries van buitenlandse zaken ook vaak denken dat alles wat de minister doet, wel uit belang moet voortkomen. Als het niet direct inzichtelijk is, moet het toch gevonden kunnen worden.

In de afgelopen eeuw is er een structurele achterdocht in het westerse denken binnengeslopen. Marx leerde ons dat ideeën altijd afhankelijk waren van materiële belangen. Nietzsche daarentegen wees op het streven naar macht. En Freud betoogde dat onbewuste krachten in werkelijkheid onze gedachten en handelingen stuurden. Niets was zoals het leek. Maar ook al is het waar dat economische belangen, het streven naar macht, onbeheersbare krachten invloed hebben op onze ideeën en die in hoge mate bepalen, zodra het gaat om de waarheid van ideeën, blijft de vraag daarnaar toch een zelfstandige vraag. Die kan nooit gereduceerd worden tot andere aspecten. Maar toch zien we nu bij veel mensen een houding waarbij men denkt dat waarheid niet bestaat of niet te vinden is of er niet toe doet. Ze achten zichzelf waarschijnlijk kritisch, maar in werkelijkheid blijkt hun cynisme juist onkritisch te zijn.

Waarheid
In de analytische wijsbegeerte bestaat soms de neiging om waarheid tot propositionaliteit te beperken. Desda, dan en slechts dan als, de onhandige vertaling van if and only if, het idee dat waarheid de equivalentie is tussen een enkelvoudige bewering en een bepaalde stand van zaken. Maar zodra het over de waarheid van gifgasaanvallen in Damascus gaat, beseffen we natuurlijk dat het hier slechts om een grensgeval van waarheid gaat. Ja, voor individuele feiten is het belangrijk dat de overeenkomst met een concrete werkelijkheid nauwkeurig vastgesteld wordt. Maar de waarheid van een geheel verhaal – wie deed het? – is weliswaar afhankelijk van veel van die feiten, maar hangt niet van een paar enkele feiten af, ook niet als een paar ervan bij nader inzien niet blijken te kloppen, en die kan ook niet in zo’n simpele equivalentie gevangen worden. In dit geval is waarheid samengesteld en dat is eigenlijk altijd, of tenminste heel vaak, zo, als het werkelijk om de vraag naar de waarheid gaat.

Ook als er belangen in het geding zijn, houdt de waarheid haar eigen kracht. Wie er belang bij heeft om de waarheid buiten beeld te houden, bijvoorbeeld door slechts de halve waarheid te vertellen, of om regelrecht te liegen, heeft nog steeds veel met waarheid te stellen, al was het maar omdat het nogal wat werk kost om geloofwaardig en vooral consistent – consistentie is vooral een negatief controlecriterium – een verzonnen verhaal te presenteren. Juist daarom is het soms heersende cynisme als het gaat om de waarheidsvraag, ook zo schadelijk. We kunnen de waarheid inderdaad niet altijd kennen, maar ze bestaat wel. Het komt er dan op aan om niet voortijdig op te geven, maar om de vraag naar waarheid met kracht te blijven stellen.

Naschrift (16.45 en 17.15 uur)
De ondertitel heb ik aangepast.  ‘Bij het geval-Syrië’ heb ik veranderd in ‘President Obama en het geval-Syrië’. Ook heb ik nog wat fouten uit de tekst gehaald. En ik heb één inhoudelijke, adjectieve typering van een begrip vervangen.

(118)

One Comment to “Waarheid en belang – President Obama en het geval-Syrië”

  1. “Onkritisch cynisme” – jammer dat deze term niet lekker bekt, anders mocht-ie van mij vleugels krijgen.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers op de volgende wijze: