Archive for ‘Persoonlijk’

19 mei 2013

Het aardige van Twitter – en van niet twitteren

door Jan Dirk Snel

Dit is het stukje dat ik wist dat ik moest schrijven. De eerste automatische aankondiging ervan is mijn 40.000e tweet en in de vorige tweet had ik – met schrijffout en al – aangekondigd dat ik daarbij een stukje zou schrijven en dit is het dan. Het liep daarbij iets anders dan ik verwacht had.

Cijfers
Eerst de cijfers maar. Ook bij mijn 25.000e tweet op 16 november 2011 had ik een stukje geschreven. Toen had ik 546 dagen getwitterd en dat kwam er op neer dat ik in de bijna anderhalf jaar van mijn twitterbestaan bijna 46 (45,8) tweets per dag verstuurd had. Ik vond dat te veel en ik sprak de hoop uit dat het er minder zouden worden. Dat is gelukt. Ik ben nu ruim anderhalf jaar verder, 550 dagen om precies te zijn, en in die tijd heb ik 15.000 tweets verstuurd. Dat zijn er in opnieuw ongeveer anderhalf jaar tienduizend minder, maar nog steeds ruim 27 (27,2) per dag.

Exif_JPEG_PICTURE

Er bestaat een wereld buiten Twitter

Ik twitter sinds 19 mei 2010 en dat wil dus zeggen dat ik vandaag precies drie jaar twitter. Het gemiddelde over de gehele periode van 1096 dagen – er zit één schrikkeljaar tussen – is daarmee gedaald tot bijna 36,5 per dag. Per jaar verstuurde ik dus gemiddeld 13.333 tweets, maar het zou me niet verbazen als het er de afgelopen twaalf maanden minder dan tienduizend waren. Dat is natuurlijk niet helemaal vanzelf zo gekomen. In juni ben ik bijvoorbeeld een maand gestopt en dat had ik toen ook aangekondigd. Die tweet haalde zelfs Letter & Geest van Trouw. En ook nu had ik twintig dagen niet van me laten horen. Dat was trouwens aanmerkelijk minder gepland, maar daar zal ik het zo nog wel over hebben.

Je kunt tegenwoordig je Twitter-archief downloaden. Het ligt er natuurlijk aan hoe je iets opslaat, maar ik kom dan toch ergens rond de drieduizend A4-tjes uit. En er zitten allerlei gegevens buiten de inhoud van de tweets bij, maar als ik daarmee rekening houd, kom ik nog steeds uit op ruim zeshonderdduizend woorden, gemiddeld vijftien per tweet dus. Dat is de omvang van zes aardige boeken, al zal de samenhang ongetwijfeld wat minder zijn.

Volgen
Veel van wat ik anderhalf jaar geleden in Bang voor Twitter schreef, hoef ik hier niet te herhalen. Ik geloof dat ik het meeste nog wel onderschrijf. Dat twitteren vooral over reageren en wisselwerking gaat bijvoorbeeld en niet over eenzijdige zelfexpressie. En zo kloppen de meeste observaties en ervaringen nog wel. Denk ik tenminste.

Op één punt heb ik mijn beleid wel drastisch gewijzigd. Ik ben nu toch een beetje de boekhouder geworden, over wie ik de vorige keer nog schertste. Ik volg heel weinig nieuwe lieden actief uit mezelf, tenzij ik ergens een goede bekende of een wel heel erg boeiend persoon die mij niet bekend is, ontdek. Maar als iemand mij nu volgt, volg ik meestal terug. Dat wil zeggen: als het om een persoon gaat – en soms een informatie-account (een programma, een blad, een activiteit) – en het er niet al te onserieus uitziet. Bedrijven of onzinaccounts volg ik gemeenlijk niet terug – en mensen achter slotjes die ik niet ken, in het algemeen ook niet. Veel oudere volgers ben ik ook terug gaan volgen, maar op dat punt is mijn boekhouding duidelijk niet helemaal rond, vrees ik.

Daar staat tegenover dat ik ook veel sneller ontvolg. Ik twitter voor mijn plezier en als ik me erger, ontvolg ik vrij snel. Meestal weet ik dan binnen een mum van tijd ook niet meer wat de reden was. Vaak ontvolgt zo iemand mij ook – het do-ut-des-principe blijft nu eenmaal een grote rol spelen – maar ik zie ook wel eens dat een twitteraar na een poosje terugkeert en dan volg ik meestal ook weer snel.

En het gevolg van het grotere aantal volgers en gevolgden is ook dat ik zelf niet zo bar veel meer volg, maar dan in de oude zin van het woord. Ik lees het een en ander als ik toevallig op Twitter kijk, maar heel veel ontgaat me. Alleen van enkele goede bekenden kijk ik achteraf de tijdlijn nog wel eens na. Terwijl ik anderhalf jaar geleden soms het idee had dat ik het wel en wee van een sommige mensen bijna van dag tot dag of, als ik te vaak keek, vrijwel van uur tot uur kon volgen, is dat nu niet meer zo.

Polemiek
Het probleem van de ergernissen heeft zich zo ook vrij gemakkelijk opgelost. Er zijn mensen waarvan je soms helaas vermoed dat ze tot op de dag van hun dood door zullen gaan met razen en tieren, maar erg groot is hun getal waarschijnlijk ook weer niet en als je eenmaal van ze af bent – soms moet je toch echt even blocken, al was het maar omdat ze in de retweets van anderen blijven verschijnen – blijven ze meestal ook buiten je gezichtsveld.

Daarbij reageer ik ook minder. Vroeger reageerde ik in principe op vrijwel alle mentions, maar inmiddels heb ik geleerd om op vervelende opmerkingen helemaal niet meer te reageren, al durf ik niet te zeggen dat ik altijd zo verstandig ben. Maar in onverkwikkelijke uitwisselingen beland ik zelden meer en dat is niet alleen goed voor de gemoedsrust, maar scheelt ook een hoop nutteloze tweets en daarmee tijd en energie. Ik besef dat ik daardoor natuurlijk ook een veel saaiere twitteraar ben geworden, maar echt harde polemiek probeer ik zoveel mogelijk te vermijden, al zullen er nog steeds momenten zijn dat mijn wijsheid me in de steek laat. En soms zie je gewoon niet aankomen waar een gedachtenuitwisseling op uitloopt.

Dat wil natuurlijk niet zeggen dat je niet reëel met iemand van mening kunt verschillen, maar discussies zijn meestal alleen maar vruchtbaar als je niet volstrekt diametraal tegenover elkaar staat en er ruimte is voor nuance en argumentatie. Een van de dingen die ik echt moest leren, is om niet op fouten te reageren. Je doet iemand er zelden een plezier mee door erop te wijzen en soms zijn de reacties ronduit vijandig en onheus, zelfs als je met een link naar een betrouwbare bron kunt aantonen hoe het wel is. Niet meer doen dus. Het kost soms wel wat moeite als je ziet hoe lieden naar aanleiding van nieuwsbericht over, laten we zeggen, instantie of persoon A, dat ze niet goed gelezen blijken te hebben, losgaan op instantie of persoon B, maar ook dan geldt: laten gaan, niet mee bemoeien.

Moreel schelden
Misschien komt het door mijn eigen beleid – wie ik wel volg en vooral niet volg en ook door het minder op Twitter kijken – maar toch heb ik de indruk dat het sociale verkeer op Twitter erop vooruitgaat. Waarbij ik me, het zij nogmaals gezegd, op grond van mijn beperkte blikveld kan vergissen.

Mijn twitterstop van vorig jaar juni kwam nog voort uit ergernis. Het ging om een moment dat ik het gescheld dat ik voortdurend langs zag komen, slecht kon verdragen. Het ging me daarbij niet om persoonlijke reacties op mij – daar ben je, zoals opgemerkt, tamelijk snel vanaf – maar vooral om het afgeven op derden. Je hoeft niet veel waardering voor een bepaalde politicus te hebben om het toch niet nodig te vinden dat hij voor ‘sukkel’ wordt uitgemaakt. Zelfs als je iemands denkbeelden ernstig verfoeit, moet het mogelijk zijn zakelijk te blijven en is het nergens voor nodig scheldwoorden te gebruiken.

Het ingewikkeldst ligt het daarbij bij wat ik een tijd geleden in twee stukjes ‘moreel schelden’ heb genoemd (één, twee, van het beloofde derde is nooit meer iets gekomen). Ik weet het niet helemaal zeker, maar ik kreeg toen bij enige zoekacties de indruk dat ik dat begrip wel eens gemunt zou kunnen hebben. Het gaat er daarbij niet om dat mensen maar zo wat schelden, maar dat ze dat duidelijk uit morele overwegingen doen. Het is goed bedoeld, zullen we maar zeggen. Moreel schelden is immers iets heel anders dan  immoreel schelden. Sommige mensen zijn soms zo oprecht verontwaardigd of boos dat ze zich even niet meer in kunnen houden. Vaak speelt daarbij ongeïnformeerdheid een grote rol – niet iedereen raadpleegt eerst de bronnen en leest lange teksten grondig alvorens een sterk moreel oordeel te vellen – maar het blijft een opmerkelijk en ietwat paradoxaal verschijnsel.

Kentering
Maar ook op dat punt hoop ik dat er sprake is van een zekere kentering. Diverse columnisten hebben op de slechte gewoonten op Twitter gewezen. Er is de laatste maanden wel enige discussie over geweest, ook in de ‘oude’ papieren media. En ik vermoed dat er door de kritiek en bewustwording wel een zekere gedragswijziging aan het ontstaan is.

Ik denk ook dat veel mensen de laatste jaren hebben moeten leren omgaan met Twitter. Het is een direct middel en mensen hebben de neiging om er uit te gooien wat ze binnen huiselijke kring of op de werkplek ook zo zeggen. Maar in een persoonlijke en fysieke omgeving functioneren woorden heel anders dan in de abstractere ruimte op het scherm. Als je ’s morgens de column van Dinges leest en tegen je tafelgenoot zegt dat het weer een idioot stuk is, is er veel context geïmpliceerd. De ander weet hoe je het bedoelt, bijvoorbeeld omdat er over Dinges in het verleden ook wel genuanceerdere woorden zijn gevallen, maar dat … Et cetera. Hoe het ook zij, een ontboezeming in de persoonlijke sfeer heeft een heel ander karakter dan een publieke bewering. Als je met elkaar over boeken praat, spreek je ook al gauw in termen van ‘goed’ of ‘slecht’, maar als je een recensie schrijft, die de auteur ook onder ogen krijgt, zul je toch wat meer argumentatie gebruiken. Dan ga je niet uit van een goede verstaander die aan een half woord wel genoeg heeft.

Mijn vermoeden nu is dat mensen eerst moeten leren met dat publieke karakter van Twitter om te gaan. En dat velen dat gaandeweg echt wel leren. Met gescheld of alleen maar negatieve opmerkingen houd je het op den duur niet zo goed met elkaar uit. Wil er werkelijke communicatie gaande worden gehouden, is een enigszins geciviliseerde omgang wel zo wenselijk. En ik denk dat de processen wel in de goede richting werken. De grofheid zal afnemen, alleen uit praktische overwegingen – hoe houd je het een beetje met elkaar uit? – al. Mensen willen ook graag serieus genomen worden.

Gemakkelijk
En ook als kritische opmerkingen inhoudelijk volstrekt gerechtvaardigd zijn, is het de vraag wat ze aan het debat toevoegen. Het is heel gemakkelijk om kritiek uit te oefenen.

Je kijkt naar een actualiteiten- of discussieprogramma. Drie onderdelen zijn gewoon goed of informatief. Niets op aan te merken dus. Geen tweet. Maar dan is een vierde onderdeel niet goed. De feiten kloppen niet of de vragen zijn slecht voorbereid of wat dan ook. Het is dan heel gemakkelijk om dat even te laten weten, maar voegt het altijd wat toe? En dan zie je dus het accumulerend effect, omdat heel veel mensen hetzelfde op zich juiste punt maken.

Twitter kan dan al snel iets van een volksgericht krijgen. Maar het is ook gemakkelijk, al te gemakkelijk of zelfs goedkoop zelfs. En als je je ergert aan een programma als Pauw en Witteman, een bekend object van hoon, zou je natuurlijk ook zo verstandig kunnen zijn om niet meer te kijken. Wel zo rustig.

Nuance
Het aardigst van Twitter vind ik eigenlijk nog wel dat je meerdere kanten van mensen leert kennen, ook vaak onvermoede. Vaak ken je iemand vanuit de publiciteit vanwege één aspect. Maar dan lees je op Twitter ineens heel andere uitingen van zo’n persoon. Ik ben vaak veel gunstiger over mensen gaan denken. Je kent iemand van een boek of een bepaalde stellingname, die je niet zo bevalt. Maar dan ontdek je bijvoorbeeld dat de betreffende persoon over andere onderwerpen heel verstandige opmerkingen maakt. Of dat iemand die je ideologisch niet zo ligt, bijvoorbeeld heel feitelijk en fair is zijn benadering van allerlei zaken.

Dat persoonlijke element blijft de grote winst. Het volgen van nieuwsmedia via Twitter voegt naar mijn ervaring niet zo bar veel toe. Het is veel praktischer om even de voorpagina’s van een aantal nieuws- en opiniesites te raadplegen. Dan heb je veel sneller alles bij elkaar. En de grote onderwerpen die leven en die op de keper beschouwd juist vaak heel klein zijn, krijg je via persoonlijke, op het nieuws reflecterende tweets wel mee.

Het mooie blijft dat iedereen met iedereen in gesprek is. Op zich kun je dat in je eentje natuurlijk nooit helemaal goed vaststellen omdat je nu eenmaal zelf je eigen tijdlijn samenstelt. Maar toch, heel vaak kun je zien dat mensen die dertig jaar geleden nog in volstrekt gescheiden werelden geleefd zouden hebben, nu op elkaar reageren. Dat is winst en ik denk dat die blijvend is. Hokjesdenken werkt niet meer.

Zonnig
Kortom, ik zie het wat betreft Twitter vrij zonnig in. Ik denk dat de redelijkheid uiteindelijk zal winnen, omdat alleen daarmee op den duur te leven valt. En ik denk de communicatie verbetert. Tegelijk blijft het waar dat de groep mensen die veelvuldig twittert, vooralsnog relatief klein is. Heel vaak ben ik bij bijeenkomsten waar vrijwel niemand over twittert – of zelfs echt helemaal niemand. De afgelopen week hoorde ik op straat een grote knal, een ontploffing mogelijk. Toen ik later op Twitter wat nazocht, vond ik één of twee tweets erover, waar ik trouwens ook wat wijzer van werd, terwijl er toch honderden mensen in de buurt waren. Het echte leven bevindt zich buiten Twitter en dat zal wel zo blijven. Internet en dus ook Twitter is geen platonische of misschien eerder antiplatonische verdubbeling van de wereld – dat zat ooit sterk in het idee van een ‘virtuele wereld’ – maar een onderdeel ervan, ook een onderdeel van de alledaagse leefwereld.

Daarmee kom ik op het punt waar ik mee wil eindigen. Dit stukje verschijnt precies op de derde verjaardag van min twitterbestaan. Toen ik twintig dagen geleden mijn voorlaatste tweet plaatste, zag ik uiteraard al wel dat ik niet ver van deze dag af was. Maar ik was toch echt niet van plan om daar op te gaan wachten. Maar er kwam van alles tussen. Ik kwam niet toe aan het schijven van dit stukje en toen ik er een dag of tien, twaalf geleden wel aan begonnen was, kwam het niet af. En ondertussen merkte ik dat ik het twitteren eigenlijk helemaal niet miste. Ik keek wel eens, maar de laatste twee weken waren er veel dagen dat Twitter volledig uit mijn bestaan verdwenen was. Zo maar. En ik ontdekte dat niet twitteren soms nog veel leuker is. Vooral omdat dat meer tijd laat voor andere dingen. Die 40.000 tweets maal misschien 15 woorden schrijf je stuk voor stuk wel snel tussendoor, je kunt je toch afvragen of je dezelfde vrij lichte energie niet beter aan kunt wenden, bijvoorbeeld om eveneens tussendoor maar eens een echt boek te schrijven.

Ik ben wel van plan te blijven twitteren, of misschien moet ik misschien inmiddels schrijven, weer te gaan twitteren. Maar ik vermoed dat het vanzelf minder zal worden. Het blijft een aardig en vooral persoonlijk divertissement tussendoor, je steekt soms interessante dingen op, ik heb sommige mensen echt via Twitter leren kennen en je kunt er trouwens ook goed stukjes als dit op aankondigen, maar er is meer in het leven.

En dat is goed.

(88)

9 december 2011

Over werk

door Jan Dirk Snel

.:.

Ja, ik doe het toch.

Het loopt allemaal een beetje uit de hand. Veel te veel tijd ben ik momenteel kwijt met dingen waar ik geen cent mee verdien. Wie a zegt, moet soms ook b zeggen. Onlangs had ik een journalistiek dingetje uit pure nieuwsgierigheid – ik wilde weten hoe het nu echt zat – uitgezocht en ik had niet bevroed dat de ontwikkelingen me min of meer dwongen om nog minstens vier maal te reageren. Maar het kost me te veel tijd en het is niet goed om te lang op één onderwerp gefocust te blijven. De komende weken moet ik als wiedeweerga een paar klussen afmaken. Tot Nieuwjaar zal ik vooral moeten werken en zal ik geen tijd voor allerlei weblogstukjes meer hebben. Of ik me toch niet zo af en toe zal laten verleiden iets te schrijven, dat kan ik uiteraard niet voorspellen.

Maar ik zoek dus ook nieuw werk of nieuwe werkzaamheden, vanaf januari dus. Door alle gedoe kom ik ook niet aan verwerving van opdrachten toe. Vandaar dat ik deze onsympathieke weg maar eens kies. Ja, het is gênant: de aandacht op jezelf te vestigen. Maar het moet maar een keer.

Wat ik zoek
Dat weet ik niet. Ja, ik doe allerlei dingen met een toetsenbord. Ik schrijf wel eens wat, ik redigeer wel eens wat (maar ik heb er eigenlijk niet het temperament voor) en ik vertaal wel eens (maar dan denk ik ondertussen vaak dat ik liever aan een eigen, beter boek zou zitten te schrijven). Voor artikelen of columns mag men mij altijd vragen. Graag. In oktober en november heb ik ook voor mezelf op deze weblog even uitgeprobeerd of ik dat kon: vrijwel elke werkdag een aardig en gevarieerd stukje schrijven, maar dan dus naast mijn werk. Ik kan trouwens ook wel degelijk kort schrijven. En wie mij vraagt om 850 of 1225 woorden te schrijven, krijgt gewoonlijk ook 850 of 1225 woorden en niet 849 of 1226. Dat kost dan wel meer tijd dan om snel een gedachtegang uit te werken waarbij het niet uitmaakt of je op 756 of 2776 woorden uitkomt. Je moet immers veel meer wikken en wegen. En, als het even kan, moet het wat mooier opgeschreven worden. Lichtvoetig schrijven, achteloos formuleren kost soms enige inspanning.

Maar ik zoek eigenlijk ook wel iets anders en juist dingen waar ik zelf niet op kom. Het heerlijke van een freelancebestaan is dat je zelf je tijd indeelt. Dat je dus midden op de dag je werk kunt laten liggen om even snel een weblogstuk te schrijven. Dat je een stukje gaat rennen, een vriend tegenkomt en samen een uur bij een cappuccino bijpraat. Of dat je op een mooie zomermiddag op het terras van de Ysbreeker kunt afspreken en mijmerend over de Amstel over nieuwe boeken praat. Het is ook niet onaangenaam om soms ’s ochtends om half zes al achter de computer te zitten of om een andere keer tot kwart voor vier uur ’s ochtends door te werken tot iets af is en verzonden kan worden. Maar het heeft dus ook nadelen. Ik zou daarom best eens weer, zoals in mijn ambtenarentijd, een bureau elders willen hebben, een werkplek waar je naar toe kunt gaan en waar je je werk ook om vijf uur achter je kunt laten (waarbij ik het weer niet erg vind dat dat ook een keer kwart voor negen kan worden, als de beveiliging dat tenminste goed vindt).

En ik sta dus open voor dingen waar ik zelf van mijn leven nooit aan zou denken. Dat mag commercieel zijn, dat mag idealistisch zijn. Mijn enige voorwaarde is dat het goed betaalt en dat het om twee of zeker niet meer dan drie dagen in een week gaat. Ik heb namelijk nog wel wat anders te doen. Of juist daarom zou ik de scheiding van werk elders en werk thuis ook wel weer willen zien. Ik zoek werk om mezelf in de rest van de week te kunnen subsidiëren. Ik heb een aantal boeken in gedachten die ik wil schrijven – over de verzuiling, over hedendaagse moraal, over grondrechten en individuele rechten, over nieuwe wereldbeelden en seculariteit, over negentiende-eeuwse sociologie ook, om maar eens iets vreselijk hips te noemen – en dat lukt alleen als ik daar twee of drie dagen per week voor over houd. En het lukt beter als ik betaald werk en dat onbetaalde, maar uiteraard wel erg nuttige werk zou kunnen scheiden. Vandaar. Maar ik sta dus open voor allerlei ideeën.

Wat ik kan
Dat weet ik ook al niet. Ik doe in kennis en analyse en kennis is geen vast bezit. Een boek kun je in de kast zetten, maar je weet niet wat je weet. Dat weet je pas op het moment dat je er iets mee doet en de kennis gebruikt. Hooguit achteraf besef ik altijd dat ik ergens toch wel iets vanaf wist. Vooraf moet ik het altijd nog maar zien.

Ik heb ooit geschiedenis gestudeerd en daarom noem ik me maar historicus, maar alle geestes- en sociale wetenschappen hebben wel enigszins mijn belangstelling, terwijl ik op school qua aanleg meer een bètaleerling was. Geschiedenis is geen vak. Het gaat over alles, want alles gaat nu eenmaal voorbij. En ik heb ook filosofie gestudeerd, maar officieel nooit afgemaakt, al denk ik dat ik op dat gebied zeker zoveel gelezen en geschreven heb. Maar ook dat is geen vak. Ook filosofie gaat over alles, maar dan in meer systematische en helaas vaak ook warrige zin. En dan vooral over alles dat we niet met zekerheid weten. Filosofie raapt de restjes op die de wetenschap van tafel laat vallen. Of het leven, dat kan ook. En de kans dat je van te veel wijsgerige teksten lezen eerder minder kritisch wordt en allerlei flauwekul gelooft, is, vrees ik, ook groter dan dat je er helderder en beter van gaat denken. Maar ik hoop dat een beetje nuchter gebleven ben. Ik denk zelf van wel.

Maar ach, ik heb altijd de krant gelezen en daar steek je het meeste van op. En ik lees wel eens een boek over bestuursrecht of over economie. En ik lees wel eens literatuur of theologie of sociologie. Van alles weet ik wel wat, van niets erg veel. Ik denk trouwens dat ik beter rechten had kunnen studeren en dat die discipline me meer gelegen zou hebben. Ik kan, denk ik, wel vrij goed analyseren. Enerzijds, anderzijds, dit aspect, dat aspect, deze vraag, die vraag, dat ligt me wel. Ik heb een wat formalistisch temperament: argumenteren, redeneren. Ik geloof dat ik ook wel verstand van macht heb, juist omdat ik er zelf niet erg naar taal. Of anders gezegd: ik ben geen groot psycholoog, maar wel een redelijk socioloog. Ik denk soms een beetje te begrijpen hoe sociale processen werken, hoe interactie tussen mensen werkt, hoe de relatie tussen menselijk streven en menselijk handelen is. Zoiets.

Nou ja, praten kan ik wel. Ik heb zelfs Martin Ros wel eens onder tafel gekletst. Maar ik hoop dat ik al pratende ook redelijk kan analyseren. En schrijven kan ik soms een beetje. Ook dat kan ik het best als ik systematisch een probleem moet uitwerken. Vraagstelling, gegevens en dan maar eens kijken wat er al schrijvende en proberende uitkomt. Interviewen, drie kwartier lang, openbaar, heb ik ook altijd graag gedaan. Soms was het echt niet goed, soms liep het ook wel degelijk goed. Ik heb geleerd om zoiets zonder briefjes te doen. Paar punten in het hoofd, wat vragen, goed inlezen, maar twintig seconden voor aanvang nog niet weten wat de openingsvraag zal zijn. Dat blijkt vanzelf wel op het moment dat het gesprek begint. En als het goed is, wordt het ook een echt gesprek en sluit je volgende vraag dus aan op wat iemand net zei. Debatten leiden is ook wel leuk. In het dagelijks leven praat ik altijd te veel, maar bij interviews en debatten ben ik juist heel kort van stof. De stelregel is: probeer of je iets in twee zinnen kunt zeggen. En dan wijk je dus zo af en toe een keer uitvoerig daarvan af.

Mijn belangstelling ligt bij boeken, bij het intellectuele leven, meer bij non-fictie dan bij fictie en als het om literatuur gaat meer bij de traditie dan bij de laatste trend. En intellectuele onderwerpen dan wel het liefst in alledaagse taal uitgelegd, zoals je er met vrienden aan een cafétafel over praat. Dus niet zoals mensen in veel tv-programma’s praten, maar zoals ze in het echte leven praten. Kennis is heerlijk, maar vooral als het ingebed is in het dagelijks leven. Niets is zo leuk – en soms ook embarrassing – als aan een geïmmigreerde buurman op de tafel voor de snackbar te proberen uit te leggen waarom je bezig bent een dik Duits of Amerikaans werk met een theorie over gerechtigheid te doorgronden. Dan pas blijkt of je het ook echt snapt. Elke academicus weet wat natuurrecht is. Maar zit eens tegenover iemand die daar niets van weet en probeer dan eens uit te leggen wat het is. Probeer eens dingen uit te leggen aan mensen die niks hebben aan gemakzuchtige steekwoorden als de grot van Plato, of de leibniziaanse monade, of aan hegelianisme of neopositivisme. Dan moet je dus echt vanaf het begin beginnen. Het lukt me niet altijd, maar het geeft aan wat voor een soort dingen ik aardig vind.

O ja, en waar ik niet voor geschikt ben, dat is ondergeschiktheid. Voor bovengeschiktheid geldt trouwens hetzelfde. Natuurlijk moeten mensen dingen regelen en is het soms handig als er eentje is die daarvoor zorgt. Maar in een formalistische hiërarchie pas ik niet. Ik ga er vanuit dat mensen in een redelijke, machtsvrije dialoog – Habermas, denkt u nu, en terecht – met elkaar omgaan. Wat ik haat, is krampachtigheid: ja, dit is wel waar, we zijn het wel met je eens, maar je mag het niet tegen een andere afdeling zeggen. Of mannen in de vroege ochtend bij de koffieautomaat die boos zijn omdat iemand van een ander bedrijf in een interview in de krant heeft gezegd dat ‘wij’ iets fout doen. Terwijl hij best eens gelijk zou kunnen hebben. Kortom, ik wil wel mijn vrijheid behouden, maar sta open voor dialoog.

Wat ik wil
Dat weet ik dus wel en ik heb het al gezegd. Ik wil eindelijk boeken gaan schrijven. Maar daar betaalt niemand je voor. Ik heb de laatste tijd wel eens wat uitgeprobeerd en qua habitus ben ik een academicus pur sang, maar als je al jaren buiten de universiteit staat, kom je daar toch niet meer binnen. Ik zie dat ook bij vrienden: ze weten vaak meer, ze hebben betere boeken geschreven, maar als die niet in de academische kadertjes passen, dan worden ze niet eens uitgenodigd voor een gesprek. Het gaat niet om kennis en kunde, het gaat om de juiste papieren, of je lang genoeg in het juiste stramien meegelopen hebt, om het kunnen voldoen aan bepaalde cijfertjes: een Engelstalig boek dat geen hond leest en dat bij een obscure uitgeverij is verschenen, schijnt academisch soms ook hoger te scoren dan een filosofische bestseller waar half intellectueel Nederland over praat.

Maar het geeft niet. Ik wil dus eindelijk boeken gaan schrijven, sommige voor een breder publiek, maar sommige ook tamelijk specialistisch, waarbij ik blij zou zijn als de oplage 250 zou zijn en 46 lieden het van a tot z uit zouden willen lezen. Maar ik wil dus mezelf bekostigen. En juist daarom zoek ik werk dat heel anders is. In een eerder bestaan heb ik dat ook gemerkt: hoezeer afwisseling in een werkweek stimulerend werkt. Reizen vind ik trouwens heerlijk. Je mag mij bij wijze van spreken elke dag voor mijn werk naar Groningen of Maastricht, naar Enschede of Vlissingen sturen.

Nou ja, ik heb het toch maar een keer opgeschreven. Ik ga de komende weken even hard aan de slag. Ik moet nog een paar lange stukken schrijven en ik moet nog allerlei priegelwerk afmaken. Dus van mij zult u hopelijk niet veel horen. Maar ik beloof niets.

Mijn adres staat trouwens hier.

(36)

Tags: ,