Archive for januari, 2016

29 januari 2016

De journalist als het middelpunt van de wereld – Na Luttelgeest

door Jan Dirk Snel

[Vrijdag 29 januari 2016, 15.00 uur] In Luttelgeest werd gisteravond door de gemeente Noordoostpolder een besloten ‘beeldvormende informatieavond’ belegd over de mogelijke opvang van vluchtelingen in die gemeente, waarvoor alleen direct omwonenden een persoonlijke uitnodiging hadden ontvangen. Omdat de gemeente vreesde voor mogelijke ordeverstoringen, had de burgemeester een noodbevel uitgevaardigd. Dat kwam er kort gezegd op neer dat allen die niet uitgenodigd waren en die niet in de gemeente Noordoostpolder woonden, verplicht waren zich die avond ‘verwijderd te houden’ uit een bepaald, nader aangewezen gebied. Als u het precies wilt weten, leest u de tekst van het noodbevel zelf maar.

Generieke maatregel
Mij lijkt dat geen onredelijke maatregel, maar of dit noodbevel op grond van artikel 175 van de Gemeentewet, die zegt dat een burgemeester ook bij de ‘ernstige vrees’ voor het ontstaan van ‘oproerige beweging, van andere ernstige wanordelijkheden of van rampen’ bevoegd is ‘alle bevelen te geven die hij ter handhaving van de openbare orde of ter beperking van gevaar nodig acht’, bij bezwaar en beroep stand kan houden, en dat komt er, kan ik niet beoordelen. We zullen het wel zien. Dat is dus de eerste vraag.

Luttelgeest

Dit gebied – een kleine hoge zandgrond, zegt de middeleeuwse, geleende naam – was op donderdagavond 28 januari 2016 een soort Nederlands Noord-Korea of, erger nog, Egypte. Terwijl rustig verlopen lokale bijeenkomsten gemeenlijk weinig landelijke journalistieke aandacht trekken, was die er in dit geval wel. Het ging de altijd zo bescheiden pers nu eindelijk eens een keer om zichzelf.

De maatregel gold generiek. Ook journalisten vielen eronder. Wat er voor hen interessant aan zou kunnen zijn om naar Luttelgeest te trekken, zou ik niet weten. Dat zal waarschijnlijk trouwens niemand weten. Dat zo’n avond besloten is, dat lijkt me alleen maar verstandig en vooral in het belang van de omwonenden die geïnformeerd wensen worden. Dat is alleen maar loffelijk. Geen journalist kan er een redelijk belang bij hebben zo’n bijeenkomst bij te wonen. De informatie over de opvang kunnen de media ook wel op andere wijze verkrijgen.

Maar het zou natuurlijk kunnen dat verslaggevers vooraf en achteraf de bezoekers wat vragen wilden stellen. Dat konden ze nu niet, althans niet van aangezicht tot aangezicht binnen het aangewezen gebied. Er waren natuurlijk nog wel andere mogelijkheden. Onmiddellijk stak er een storm van protest op. De altijd zo bezonnen verslaggever Chris Klomp twitterde bijvoorbeeld: ‘Noodbevel ziet op mensen die ergens niets te zoeken hebben. Journalisten doen gewoon hun werk. Persbreidel. Noord-Korea.’ En oud-hoofdredacteur van het NOS Journaal Hans Laroes viel hem bij: ‘Zo is dat, in essentie. Merkwaardige regenten hebben wij’. En na 24 minuten diep denkwerk vervolgde hij: ‘als ik nu hoofdredacteur was zou ik met m’n collega-hoofdredacteuren naar t centrum rijden. Arresteren maar’. Alom werd er geklaagd over een ‘ernstige beperking’ van de ‘persvrijheid’ en de Groningse hoogleraar Jan Brouwer verklaarde, als we omroep Flevoland mogen geloven, en dat zal wel, dat hier sprake was van een ‘persbreidel’, die onrechtmatig zou zijn en ‘een ernstige inbreuk op de vrije nieuwsgaring’ zou vormen. Roel Geeraedts van RTL Nieuws kon in deze barre omstandigheden gelukkig teruggrijpen op zijn ervaringen in het Midden-Oosten: ‘Journalisten worden geweerd in Luttelgeest. Zo gaat dat in -zeg- Egypte ook.’ En: ‘Vanaf nu spreken we college van B&W aan als: het regime van Luttelgeest.’ Ach, gut, teergevoelige ziel, die Geeraedts. Zo’n onbarmhartige terugkeer in Nederland had hij nu ook weer niet verdiend.

Verheven journalist
Nogmaals, ik kan niet beoordelen of dat noodbevel juridisch stand kan houden. Dat was de eerste vraag. Maar de tweede vraag is dan al gauw: stel dat dat wel het geval is, is er dan een reden om een uitzondering voor de pers te maken? Zou dat geen rechtsongelijkheid zijn? Zijn journalisten boven andere mensen verheven? Zijn zij ook belangrijker dan die omwonenden, wier belang en mogelijkheid om zich vrij te kunnen uiten de burgemeester verdedigde? En die vraag geldt trouwens ook als dat noodbevel niet overeind blijft.

HansLaroes

Wijsgerige diepte. En zelfs razende reporters lassen soms een bespiegelend avondje in.

Wat immers het meest opvalt, is de enorme gerichtheid van de pers op zichzelf in dit geval (en in vergelijkbare gevallen). De pers is er om ons een beeld van de wereld te verschaffen. Maar zodra ze als andere mensen behandeld worden, staan journalisten direct op hun achterste benen. Zo schreef Omroep Flevoland over ‘het besluit van burgemeester Aucke van der Werff van Noordoostpolder om donderdagavond de media te weren uit Luttelgeest’. Ja ja. Je kwam veel meer van die uitingen tegen en als je het nieuws niet zo scherp volgde, zou je al heel snel het idee kunnen krijgen dat specifiek de pers uitgesloten was. Er zijn vast mensen die dat geloven. De berichtgeving en de commentaren gingen eigenlijk alleen nog maar om het grove onrecht dat die arme pers was aangedaan.

Inmiddels heeft de befaamde bioloog dr. R.H.A Plasterk, die momenteel wat hobbyt als minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, verklaard dat ‘er specifieke veiligheidsredenen kunnen zijn waarom niet iedereen kan worden toegelaten, maar dat het uitgangspunt is dat de pers zijn werk moet kunnen doen’. Eerder deze week heeft het Nederlands Genootschap van Hoofdredacteuren al geprotesteerd tegen het weren van de pers bij azc-bijeenkomsten, maar daarbij ging het om openbare bijeenkomsten. Het protest ging tegen een ongelijke behandeling, waarbij de ene journalist meer mocht dan de andere. De nieuwe vraag lijkt me nu of die hoofdredacteuren in het geval van besloten bijeenkomsten en generieke verboden als van gisteren in de Noordoostpoldler ook voor een gelijke behandeling van journalisten zouden zijn of dat ze vinden dat die een streepje voor hebben op gewone burgers. Lijkt me interessant dat nog eens te horen.

Waarnemer en waarneming
Ik weet het allemaal niet. Wat me het meest opvalt, is dat journalisten en anderen wel onmiddellijk over persbreidel en dergelijke beginnen te schreeuwen, maar daarbij weinig blijk geven van verdere reflectie.

RoelGRTL

Ook voor een ervaren oorlogsverslaggever zijn dit harde tijden.

De pers doet niet alleen verslag. Door ergens (massaal) te zijn, zegt ze ook: dit is belangrijk. Zo is ze onderdeel van de gebeurtenissen. Net als in de theorie van Einstein bepaalt de waarnemer ook hier de waarneming. Daar zou de pers ook wel eens over na mogen denken. Hans Laroes mag dan wel twitteren: ‘Dus er zijn in Luttelgeest ‘ongeregeldheden’ vooral omdat de pers bewoners aanspreekt? Dat is creatief/gezocht en onzin’, maar zulke onzin lijkt me dat niet, al moet ik zeggen dat de betreffende formulering in het noodbevel me niet de handigste lijkt. Maar het verband is niet zo vreemd: de aanwezigheid van de pers kan wel degelijk aanleiding geven tot ongeregeldheden. Onruststokers willen gemeenlijk opgemerkt worden. Daar doen ze het voor. Zo creatief is dat verband niet, het is common sense. Als er door aanwezigheid van de pers ongeregeldheden ontstaan, is dat zeker niet de schuld van journalisten – het zijn toch echt de onruststokers zelf die dan over de schreef gaan – maar een verband kan er dus wel degelijk zijn. Laroes had echt zijn avond niet, want juist hij staat bekend als iemand die nog wel eens nadenkt. Maar het was dan ook al wat later op de avond.

Het noodbevel heeft de pers ondertussen niet belet om goed verslag te doen. De avond is ‘rustig verlopen’, kon de NOS melden en dat lijkt me eigenlijk ook meer dan voldoende. Wat is er voor het algemene Nederlandse publiek verder interessant aan een besloten informatiebijeenkomst in een klein dorp? Eigenlijk is deze mededeling al veel meer dan we normaal gesproken hadden moeten weten. De bijeenkomst had op zich geen enkel landelijk belang. Als het goed was geweest, hadden we er helemaal niets over gehoord.

Grote principes
We hoorden er natuurlijk alleen maar iets over omdat de pers – of laten we voorzichtig zijn: een deel, zij het geen onbelangrijk deel – er zo’n drukte over maakte. Grote principes in het geding! Persvrijheid! Waakhond van de democratie volgens hoogleraar Jan Brouwer. Maar waarin dat in dit specifieke geval dan bestond? Dat zou hij toch nog eens rustig moeten uitleggen.

Nogmaals, ik weet het allemaal niet. Van mij had men de pers best verslag mogen laten doen van de nietszeggendheden van wat omwonenden die een zaaltje in Luttelgeest betreden of verlaten. Als men daar nu eenmaal lol in heeft… Ook voor saaiheid is een plaats en een medium als de tv is ervoor gemaakt. Als gewoon burger zou ik er zelfs niet boos om worden als een verslaggever daar wel naartoe mocht en ik niet. Ik was toch al niet op het idee gekomen om te gaan. Maar wat wel wat meer zou mogen, is reflectie van journalisten over hun eigen aandeel in het creëren van nieuws. Ik weet dat dit een sterk religieuze tijd is, dat de angst voor twijfel dezer dagen groot is en dat bepaalde dogma’s heilig zijn, maar zo af en toe een beetje voorzichtig nadenken erover kan toch geen kwaad?

Journalisten nemen nooit louter waar. Ze schiften. Zij bepalen wat we volgens hen moeten weten en wat niet. Dat is hun vak. En dat is hun taak. Maar daar zouden ze dan ook best goed over na mogen denken. In hoeverre ze bijvoorbeeld niet alleen bepalen wat belangrijk is en niet zo belangrijk, maar ook in hoeverre hun aanwezigheid de inhoud van het nieuws bepaalt.

Dat is alles wat ik nu wilde zeggen.

Naschrift (18.45 uur, gewijzigd 21.45 uur)
Ik wil toch nog twee of drie opmerkingen maken, over het noodbevel – waar mijn stukje in de kern niet over ging – en over een wel erg typisch staaltje journalistieke arrogantie, waarna nog iets zakelijks volgt.

Noodbevel
Dat het handelen van de burgemeester op zich verstandig was, is uiteraard duidelijk. Hij beschermde de vrijheid van zijn burgers. Maar of het in deze tijd van formalistische administratiefrechtelijke toetsing ook standhoudt, is uiteraard nog maar de vraag. Ik gebruikte hierboven de term ‘generiek’ om de strekking van het noodbevel mee te typeren en daarin zit mogelijk nou net het probleem. De wetstekst is op zich ruim, maar de jurisprudentie en de gebruikelijke uitleg lijken terecht wat beperkter te zijn. Is het bevel noodzakelijk? Is het proportioneel? Dat soort vragen, daar komt het op aan.

Joop

Uit de tweet die in deze tweet geciteerd wordt – de woorden zijn hierboven letterlijk overgenomen – groeide dit stukje. Misschien is deze kernachtige opmerking ook wel beter dan het gehele betoog.

Het bevel was beperkt tot een klein gebied en tot een zeer beperkt aantal uren. Maar het was niet gericht tot een beperkt aantal nauwkeurig omschreven personen. De wet vereist dat ook niet, maar het schijnt wel gebruikelijk te zijn. Op de site van het Nederlands Genootschap van Burgemeesters kan men bij de uitleg van het begrip ‘noodbevel‘ daar meer over vinden – met dank aan R.G. Vleeming, met wie het altijd aangenaam is van gedachten te wisselen. Het hele punt doet overigens niets toe of af aan mijn stukje hierboven, want ik schreef al dat ik niet tegen toelaten van journalisten bij de ingang van het zaaltje geweest zou zijn. In het zaaltje zelf hoorden ze uiteraard niet, maar dat zal ook geen zinnig mens betogen.

Journalistieke arrogantie
De vraag is alleen of Laurens Boven ook zo’n type is. Van zijn hand kwam ik op de site van BNR nu een prachtig staaltje journalistieke arrogantie tegen, onder de titel ‘De Heer van Luttelgeest‘. Leest u het zelf maar, dan kunt u zien wat er heden ten dage allemaal mis kan zijn met journalistiek. Hij citeert de burgemeester die zegt: ‘Buren hebben het recht in alle rust bijgepraat te worden, zonder het risico te lopen om de volgende dag op de voorpagina van een krant te staan.’ Dat lijkt me een voortreffelijke uitspraak. De vrijheden van burgers dien je als burgemeester inderdaad te beschermen. Boven maakt vervolgens een heel punt van een volgende uitspraak van de burgemeester, namelijk dat de pers wel eens ‘uitermate tendentieus’ is – een waarheid als een koe, zoals we allen weten – maar de man had dat inderdaad omstandiger en voorzichtiger moeten formuleren. Waar het, dunkt me, om gaat, is dat de pers in dit soort gevallen een onderdeel van de gebeurtenissen vormt en dus ook kritisch zou dienen na te denken over de rol van haar eigen handelen in het geheel. Ze is niet alleen waarnemer, ze brengt ook gebeurtenissen op gang en ook al is dat lang niet altijd de intentie, men kan het – Verantwortungsethik – soms wel zien aankomen of verwachten.

Boven sjoemelt vervolgens enorm door te schrijven: ‘Besluitvorming is openbaar.’ Op zich uiteraard waar, maar hij weet natuurlijk heel goed dat het niet gaat om besluitvorming, maar over informatie, over een besloten avond voor omwonenden. Kortom, hij verlegt het onderwerp en hij doet welbewust alsof het om iets heel anders gaat. De besluitvorming is natuurlijk gewoon openbaar, maar die speelt zich niet in Luttelgeest af en dat weet hij drommels goed. Maar ook maar één moment nadenken over wat de aanwezigheid van de pers doet? Of die misschien toch iets uitmaakt? Of de rol meer is dan die van onzichtbare verslaggever? Hij heeft er duidelijk geen zin in. Hij doet net alsof de pers alleen maar de brave en onschuldige boodschapper is en niets meer. Hij weet niets beter te verzinnen dan het gebruikelijk riedeltje afgeven op politici. Heeft ie waarschijnlijk al braaf op school geleerd. Dat dat zo hoort. Over zijn eigen verantwoordelijkheid wenst meneer simpelweg niet na te denken. Beter kun je niet illustreren wat er mis is met de hedendaagse journalistiek in Nederland. Okay, met een deel ervan. Er zijn zeker ook nog journalisten die wel willen nadenken en die wel verantwoordelijkheidsbesef hebben.

Tot slot
Dan nog dit. Na plaatsing heb ik in het stuk hierboven nog wat kleine dingen verbeterd. Het betreft geen inhoudelijke wijzigingen of toevoegingen. Bovendien heb ik nadien nog de onderste afbeelding toegevoegd: van een tweet waarin mijn tweet waaruit mijn stukje voortkwam, werd aangehaald. Misschien vatten die twee dozijn woorden – 138 tekens – wel veel beter wat ik wil zeggen, dan het hele betoog hierboven met dit naschrift. Nogmaals: ik weet het niet en ik heb geen pasklare antwoorden hoe het wel zou moeten. Ik pleit alleen voor reflectie en ik word misschien iets al te gallisch van opzichtige weigeringen boven pavlovreacties uit te stijgen. Maar ik zou het al heel wat vinden als journalisten wel openlijk zouden reflecteren op hun rol bij het scheppen van nieuws – en van wat er gebeurt.

Nadat ik het stuk hierboven geplaatst had, viel me echter nog wel iets op in de eerste zin. Ik schrijf daarin over de ‘mogelijke opvang van vluchtelingen’. Ik nam dat zonder al te veel nadenken over uit het noodbevel van de burgemeester van de Noordoostpolder, maar mij lijkt het dat het om de opvang van asielzoekers gaat. En dat is iets anders. Ik wilde dat ter wille van de zorgvuldigheid toch nog even opmerken.

En verder besef ik natuurlijk maar al te goed dat de strijd voor bezinning en redelijkheid momenteel tamelijk zinloos is. De schreeuwlelijken, de lieden met hun ferme, maar o zo flinterdunne ‘principes’ hebben de overhand en dat zal nog wel een tijdje zo doorgaan. Het is nu eenmaal niet anders. Zo af en toe merk ik iets op, omdat ik het nu eenmaal niet laten kan. Maar verder is dit een tijdsgewricht om in innere Emigration te gaan, de wereld buiten te laten woeden en zich te richten op het goede, het ware en het schone dat onze traditie gelukkig nog zo ruim te bieden heeft.

Hopelijk breken er geestelijk ooit weer betere tijden aan. Maar ik denk niet dat ik dat nog mee zal maken.


(202)

15 januari 2016

Beteuterd lezen – Over de valse tegenstelling van Christiaan Weijts

door Jan Dirk Snel

 

[Vrijdag 15 januari 2016] ‘Is het zo ingewikkeld om te bedenken dat de gemiddelde puber niet zo bijster geïnteresseerd is in het regentschap Lebak in de negentiende eeuw?’, vroeg Christiaan Weijts zich af in een column die gisteren in NRC Next verscheen. Nu lees ik die deftige liberale ochtendkrant niet – ik houd het bij de avondeditie voor gewone mensen – maar om de een of andere reden belandde een plaatje van dat stuk een aantal keren in mijn tijdlijn op Twitter. Er waren kennelijk lieden die dit wel de moeite van het verspreiden waard vonden. Uitgeverij Podium bestond het zelfs om dit pleidooi voor domheid, want dat is de tirade van Weijts en niets anders, in verband te brengen met ‘leesbevordering’. Je moet maar durven.

Lebak
Maar terug naar de aangehaalde vraag. Weijts gaat er kennelijk vanuit dat de lezer die wel begrijpt. Dat die doorheeft waar hij met dat ‘regentschap Lebak’ op doelt. Dat hij dus terugverwijst naar de roman Max Havelaar (1860), die hij eerder in zijn stuk omschreven heeft als een ‘afgrijselijke monumentale baksteen’. Maar waarom denkt Weijts eigenlijk dat hij daarop kan vertrouwen? Waarom weet de lezer dat? En waarom weet hij dat die dat weet? Misschien omdat die lezer op school die Max Havelaar toevallig gelezen heeft? Of er daar tenminste iets over gehoord heeft? Of misschien ook omdat hij in een boek of een krant wel eens vaker over die Max Havelaar gelezen heeft? Misschien ook omdat hij die titel van dat boek van E. du Perron, De man van Lebak (1937), wel eens voorbij heeft zien komen en gehoord heeft dat die op Eduard Douwes Dekker (1820-1887) betrekking heeft?

WeijtsPodium

Kinderen iets bijbrengen? Houd ze liever dom, betoogt Christiaan Weijts. Uitgeverij Podium ziet een verband met, brrr, ‘leesbevordering’. Moesten we vroeger meer melk drinken, de hedendaagse Joris Driepinters bevelen ons het lezen aan. Lezen, dat moet. Maar beperkt u zich daarbij wel tot ‘opwindende’ lectuur. Laat de oude heer Smits liggen, maar neem de jonge heer Brusselmans in ruime mate tot u.

En waarom vertrouwt Weijts er eigenlijk op dat de lezer enig benul heeft als hij Karel ende Elegast, Hooft, Vondel, Feith, Bilderdijk, Emants en Van Deyssel noemt? Dat hij deze aanduidingen herkent en zo’n beetje in de tijd kan plaatsen? Inderdaad, omdat dit bekende, overbekende namen uit de canon van de Nederlandse literatuur zijn. En omdat we op school of via lectuur daar allemaal wel eens wat van meegekregen hebben. Algemene, gedeelde kennis. Misschien moeten we even nakijken uit welke eeuw Karel ende Elegast nu precies was, maar dat het om middeleeuwse letterkunde gaat, dat weten we allemaal. We hebben dan misschien vorige week Vondel niet uit de kast gepakt en het kan ook al even geleden zijn dat we voor het laatst Bilderdijk lazen, maar we hebben allen enige herinneringen. En de grondige lectuur van sommige teksten laten we dan misschien graag aan Frits van Oostrom of Herman Pleij over, wat die daar vervolgens van weten te maken, lezen we op zijn tijd toch graag.

Maar Weijts schijnt dus een wereld voor te staan waarin niemand zijn stukje meer begrijpt. Dat laatste zou inderdaad niet erg zijn, maar zo’n wereld, een wereld der onwetendheid, dat zou wel erg zijn.

Geweldig
Weijts is ook ergens voor. Hij wil dat jongeren ‘leesplezier’ hebben. En dat kan ook, want stomtoevallig, of misschien wel helemaal niet stomvallig, zijn er juist in een recente cultuurperiode toch zulke ‘geweldige boeken’ geschreven! Ik herhaal: ‘geweldige boeken’! Weijts noemt een zestal titels: Gimmick! (1989) van Joost Zwagerman, Kartonnen dozen (1991) van Tom Lanoye, Giph (1993) van Ronald Giphart, Joe Speedboot (2005) van Tommy Wieringa, Tirza (2006) van Arnon Grunberg en De helaasheid der dingen (2006) van Dimitri Verhulst. ‘Geweldige boeken’! Geschreven door ‘jongere generaties tjokvol talent’. Maar wat jammer dat nog niemand daarvan gehoord heeft! Natuurlijk, al die boeken hebben stuk voor stuk vele, vaak zelfs tientallen drukken gekregen, maar had u ooit van Joost Zwagerman of Arnon Grunberg gehoord?

Dat is namelijk het trieste: ‘Het ontbreekt alleen aan de juiste gidsen.’ Nooit schrijft een krant eens iets over deze ‘geweldige boeken’, nooit verschijnt zo’n schrijver eens op tv, nooit zie je eens een boek van ze in de winkel liggen. Maar gelukkig heeft Weijts hoop. De moderne technologie. Jawel, de moderne technologie! Die is misschien eindelijk in staat om ‘de juiste lezers aan de juiste boeken te koppelen’. Eeuwenlang ging dat natuurlijk fout. Er waren wel lezers, er waren wel boeken, maar ja, die koppeling, hè? Honderden, duizenden jaren lang hebben mensen in totale onwetendheid de verkeerde boeken zitten lezen. Schrijnend. We wenen om al die eeuwen die verloren zijn gegaan.

Maar gelukkig kan deze misstand nu eindelijk de wereld uit worden geholpen. Na alle eeuwen van het dode boek zou 2016 ‘het jaar van het lévende boek’ kunnen worden, ‘waarin jongeren elkaar via apps of webportals hun opwindendste boeken aanraden.’ Ja, u leest het goed: apps en webportals. Dat was natuurlijk waar de literatuur sinds Homerus en Hesiodus op heeft zitten wachten. Gewoon mondeling een goede vriend of vriendin een ‘opwindend’ boek aanraden, dat ging natuurlijk ook totaal niet. Je hebt daar echt apps en webportals voor nodig. Heel erg bij die tijd, hoor, die Christiaan Weijts. Dat daar nog nooit iemand op was gekomen!

Strafkamp
Maar Christiaan Weijts is niet maar zo tevreden. Niet alleen moeten die ‘geweldige boeken’ door ‘jongere generaties tjokvol talent’ door de juiste gidsen bij onze scholieren onder de aandacht gebracht worden, die scholieren moeten vooral ook niet de verkeerde boeken lezen.

‘Fuck de canon’, ‘fuck de literaire canon’, houdt de wijze Weijts ons in een duizelingwekkend literaire stijl voor. Een docent die zijn leerlingen laat kiezen – ja, kiezen – uit een lange lijst met klassieke werken, die is volgens Weijts ‘misdadig’ en die moet naar een strafkamp. Uiteraard! Laten we fluks een klein goelagje bouwen nabij het Fochteloërveen. Maar waarom eigenlijk? Weijts heeft niet veel meer argumentatie dan dat die teksten te lastig zijn. Vanaf groep 6 van de basisschool ontwikkelen heel wat kinderen een ‘weerzin tegen lezen’, omdat ze boeken in handen krijgen ‘die te moeilijk zijn of die niet bij hun beleving aansluiten’.

Aha. Maar als dat het probleem is, dan begint dat dus al ruimschoots voor ze de Max Havelaar of Karel ende Elegast voorgeschoteld krijgen. Zou er dan niet toch iets anders aan de hand zijn? Andere interesses bijvoorbeeld bij het opgroeien? En is dat dan een reden om leerlingen maar nooit meer een wat ingewikkelder boek in handen te geven? Komt er in Weijts’ wereld een moment waarop iemand toch maar eens de Politeia van Plato, de De Civitate Dei van Augustinus of de Kritik der reinen Vernunft van Immanuel Kant ter hand neemt? Of is zijn idee: allemaal veel te moeilijk, moeten we als samenleving niet willen, moeten we leerlingen, en later studenten, vooral niet mee lastig vallen? Die moeten alleen de ‘opwindende boeken’ die ze elkaar aanraden, lezen? Want ‘beleving’. Waar voor Christiaan Weijts echt nog nooit iemand op gewezen heeft. (Overigens: als die leerlingen elkaar die boeken zelf wel kunnen aanbevelen, waarom hebben ze dan nog gidsende leraren nodig?)

Ongerijmd
Weijts creëert een hele rare tegenstelling. Stel nou eens dat veel leerlingen niet zo erg van Joost van den Vondel of Rhijnvis Feith houden, weerhoudt ze dat er dan van om Joe Speedboot te lezen? Ik zou zeggen: het tegendeel ligt toch iets meer voor de hand. Dat een leerling denkt: nu heb ik voor mijn huiswerk hard op Huygens zitten ploeteren, dan ga ik straks nog eens heerlijk een ‘opwindend’ boek van de piepjonge Ronald Giphart (1965) of de zo fruitig ogende Tom Lanoye (1958) lezen.

Beeld_Joost_van_den_Vondel

Joost van den Vondel (1587-1679) in het Amsterdamse park dat later naar hem is genoemd. Standbeeld (1867) door Louis Royer (1793-1868). In de wereld van Christiaan Weijts is het betreurenswaardig als u bijvoorbeeld de Gijsbrecht van Aemstel (1637) wel eens gelezen of gezien hebt. En wie u daartoe aanzette, was trouwens een misdadiger. U had natuurlijk veel beter iets van de van talent barstende Dimitri Verhulst kunnen lezen. (Foto: Henkgron)

Scholen zijn ervoor om leerlingen een blik op de wereld mee te geven. Om leerlingen te laten zien wat er zoal is. En niet iedereen zal alles even interessant vinden. Dat is ook niet erg. Leerlingen krijgen een breed vakkenpakket aangeboden. Opdat ze van van alles en nog wat, ook van veel dingen waar ze in hun latere leven nooit meer iets mee doen – wiskunde, erg belangrijk, zeggen ze, maar de meeste mensen gebruiken nooit meer dan wat simpele rekenkunde van de lagere school – iets afweten. Ook lang niet iedere leerling houdt van scheikunde of van economie. Maar dat is toch geen reden om die vakken maar niet meer aan te bieden? Er zijn altijd leerlingen die ze wel boeiend vinden en erin doorgaan.

De geschiedenis van de Nederlandse letterkunde is een gewoon schoolvak. Waar je dingen leert en waar je hopelijk voor de rest van je leven iets, vaak niet zo veel trouwens, van onthoudt. En een enkeling zal persoonlijk of esthetisch gegrepen worden door een tekst. Weijts geeft dan wel af op de Max Havelaar, maar geen mens zal serieus kunnen beweren dat dat voor een zestienjarige een moeilijk leesbare tekst is. Een ‘effectief moordwapen is voor elk sluimerend vonkje literaire interesse’? Kom nou. Toen ik het op de middelbare school las, maakte de stijl een verpletterende indruk op me. Die ik meteen maar – vast heel pathetisch – probeerde in een opstel te emuleren. Ik geloof dat ik in dat ‘regentschap Lebak’ toen nog steeds niet zo geïnteresseerd was. Maar wat zou het? Waarom zou een leerling die dit boek gans niet raakt, dan helemaal geen literaire interesse voor andere teksten meer kunnen opbrengen? Weijts’ hele redeneertrant is ongerijmd.

Vrijheid
‘Lezen is vrijheid, avontuur’ schrijft Weijts. Hij gebruikt dat als argument tegen het zelfs maar durven aanbieden van de canon. Het lijkt mij het beste argument ervoor. Een school wijdt leerlingen in in de wereld, in die wereld waarin we met zijn allen leven, waarin we dus weten wie Anna Bijns was, wat er zo ongeveer in de Heidelbergse Catechismus staat, waarin we vagelijk weten waarom Hugo de Groot zijn De iure belli ac pacis schreef of waarin we iets meer over Anselmus, Georg Cantor of het echtpaar Curie kunnen vertellen.

Daar hoort kennis van de Nederlandse literatuurgeschiedenis gewoon bij, zoals dat ook geldt voor de geschiedenis van de Duitse, Franse, Engelse en Amerikaanse literatuur. Daarom zijn andere talen op school ook zo belangrijk, niet alleen omdat we ons zo een beetje over de grens kunnen redden, maar omdat we aldus toegang hebben tot de cultuurgeschiedenis van omringende staten. En we dan later, nog op school of misschien na de school, op het idee komen dat er wellicht ook door Italianen, Spanjaarden, Denen of Russen wel eens interessante romans of wijsgerige verhandelingen geschreven zouden kunnen zijn. Of door Chinezen of Egyptenaren. Die gymnasiumleerling die volgens Weijts zo ‘beteuterd’ keek naar een lijstje met enige klassieke Nederlandse literatuur, loopt trouwens het risico op school zo maar teksten van Xenophon of Plato, van Ovidius, Vergilius of Tacitus voorgezet te krijgen. Ik wil zijn plezier niet bij voorbaat bederven en niet al te veel verklappen, maar vergeleken bij deze oude knarren is Pieter Corneliszoon Hooft historisch gezien dan toch echt een jonkie, hoor. Die trouwens die ouden nog wel eens nadeed. Maar moet je volgens Weijts natuurlijk helemaal niet willen weten.

Weijts heeft helemaal gelijk dat geen enkel boek geschreven is om ‘als afschrikwekkend museumstuk te eindigen’. Raak inzicht. En daarom leren we op school hoe we met teksten uit oudere perioden en soms andere culturen om moeten gaan. Hoe we onze hermeneutische vermogens kunnen ontwikkelen. Hoe wat eerst misschien wat vreemd lijkt, ons toch vertrouwd kan worden. Kortom, als hij denkt dat oudere literatuur onder het stof ligt, is er extra aanleiding om te zorgen dat dat er nooit meer over afdaalt, maar dat die literatuur een levendige plaats in onze cultuur blijft innemen. En dat leerlingen inderdaad het vermogen ontwikkelen om in vrijheid uit de schat der eeuwen te kiezen. Ja, vrijheid. Dat is dus avontuur: dat je niet opgesloten zit in je eigen tijd, maar je vrij door de geschiedenis van onze cultuur hebt leren beweegen.

Respect
Dat is waar scholen voor zijn. Inzicht in de wereld geven. De tegenstelling die Weijts maakt, tussen de oudere letterkunde en zijn moderne canon – ja canon, want alles wat hij noemt, lijkt op een of andere wijze inmiddels ook verdacht canoniek – is net zo vals als wanneer hij had geschreven: laten we geen onderwijs in het Dopplereffect meer geven, maar leerlingen in plaats daarvan Herman Brusselmans in handen duwen.

Ondertussen heeft Weijts’ stukje me wel een stuk vrolijker gemaakt. Ik was al bang dat er weinig meer aan historische letterkunde werd gedaan. Maar op dat ene gymnasium of die ene gymnasiumafdeling met die ene beteuterde scholier heerst er kennelijk nog wel respect voor leerlingen. Dat stemt hoopvol.

Nawoord (zaterdag 15 januari 2015, 16 uur)
De column van Christiaan Weijts stond op dezelfde dag, donderdag 14 januari 2016, trouwens ook in NRC Handelsblad onder de kop ‘Ontlezing. Geen wonder met zo’n stoffige boekenlijst‘. De zoekfunctie leidt daar niet toe. En ik had die krant nog niet (digitaal) doorgebladerd. Dank aan degenen die me hierop wezen.

(201)