Archive for mei, 2013

31 mei 2013

De scheiding van kerk en staat mag nog wel wat verder doorgevoerd worden – over het huwelijk

door Jan Dirk Snel

In Nederland mag van alles, maar een kerkelijk of religieus geregeld concubinaat mag niet. Dat is vreemd. Er valt nog wel wat te doen aan de scheiding van staat en kerk, vermoed ik zo.

Scheiding van kerk en staat
Het beginsel van de scheiding van kerk en staat, dat trouwens nergens in de Grondwet staat en er sinds 1815 ook nooit in heeft gestaan, maar dat in onderscheiden interpretaties wel een zekere achtergrond vormt, wordt vaak slecht begrepen. Maar laat ik positief beginnen. Wat is het wel?

Het betekent allereerst dat de overheid een bepaalde kerk, die dan de hare is – en dat kan op verschillende wijzen geregeld zijn – niet langer koeioneert. Geen commissarissen-politiek meer bij kerkenraadsvergaderingen, zoals ten tijde van de Republiek niet ongebruikelijk was, om maar eens wat te noemen. Tegelijk betekent het dat de overheid niet één kerk – of kerkgenootschap, zoals men in de op sociabiliteit gerichte eeuw van de Verlichting begon te zeggen – meer exclusief bevoordeelt. De overheid bemoeit zich niet langer met de interne aangelegenheden van de kerk, dat is het centrale punt. En verder kan het van alles en nog wat betekenen: dat de overheid allerlei religieuze en levensbeschouwelijke organisaties op gelijke wijze of althans gelijke voorwaarden ondersteunt bijvoorbeeld, maar zich daarbij wel tot uiterlijke aangelegenheden beperkt, maar ook dat ze zich zoveel mogelijk van elke betrokkenheid onthoudt.

Napoleon Amsterdam

Op 9 oktober 1811 kreeg Napoleon op de Oetewalerweg in de Overamstelse polder de stadssleutels van Amsterdam overhandigd. De plek is die van de huidige Linnaeusstraat, ongeveer ter hoogte van de Vrolikstraat. (Schilderij door Mattheus Ignatius van Bree. Amsterdam Museum, voorheen Amsterdams Historisch Museum)

Er is ook iets dat het niet betekent: godsdienstvrijheid. Die kan ermee samenhangen, maar het hoeft niet per se. Toen in de Bataafse Republiek de scheiding van kerk en staat in 1796 werd geregeld, verkregen alle godsdienstige gezindheden, inclusief de joodse – daar was nog even discussie over – gelijke rechten. Dat ligt ook enigszins voor de hand als je niet langer één staatskerk of erkende publieke religie handhaaft, al is het niet per se noodzakelijk. Het gaat om twee verschillende dingen. Er zijn nog genoeg landen waar een staatskerk bestaat, maar waar met de vrijheid van godsdienst en levensbeschouwing weinig mis is. In Engeland heeft de staat nog steeds zijn eigen kerk, die dan ook de Church of England genoemd wordt en die zozeer een eigen karakter heeft – iets op het scala van het rooms-katholicisme, maar dan zonder Rome, tot het gereformeerd protestantisme of tegenwoordig evangelicalisme – dat het als anglicanisme omschreven wordt. En ook Schotland heeft zijn eigen kerk, de Church of Scotland, of in het Schots de Kirk o Scotland, die dan ook simpelweg de Kirk genoemd pleegt te worden, maar die onderdeel vormt van de internationale stroming van het gereformeerd protestantisme, in de presbyteriaanse variant. In Engeland en Schotland heerst gewoon religievrijheid en als voormalige koloniale macht gaat het Verenigd Koninkrijk daar vaak ontspannener mee om dan in Nederland het geval is, waar men ook de positieve, pragmatische lessen van het koloniale tijdperk vaak vergeten lijkt te zijn.

Burgerlijk Wetboek
Tegenwoordig nu is de opvatting van de relatie tussen staat en kerk minimaler dan ze lange tijd was. De staat dient zich zo weinig mogelijk met de aangelegenheden van kerken en van religieuze en levensbeschouwelijke organisaties te bemoeien, is de heden ten dage gangbare opvatting. Daar nu bestaat altijd nog een merkwaardige inbreuk op en die staat in het Burgerlijk Wetboek. In artikel 68 van boek 1 lezen we altijd nog dit:

‘Geen godsdienstige plechtigheden zullen mogen plaats hebben, voordat de partijen aan de bedienaar van de eredienst zullen hebben doen blijken, dat het huwelijk ten overstaan van de ambtenaar van de burgerlijke stand is voltrokken.’

En daar hoort zelfs een artikel, 449, uit het Wetboek van Strafrecht bij:

1. De bedienaar van de godsdienst die, voordat partijen hem hebben doen blijken dat hun huwelijk ten overstaan van de ambtenaar van de burgerlijke stand is voltrokken, enige godsdienstige plechtigheid daartoe betrekkelijk verricht, wordt gestraft met geldboete van de tweede categorie.
2. Indien tijdens het plegen van de overtreding nog geen twee jaren zijn verlopen sedert een vroegere veroordeling van de schuldige wegens gelijke overtreding onherroepelijk is geworden, kan hechtenis van ten hoogste twee maanden of geldboete van de tweede categorie worden opgelegd.

Zoals men aan de formulering al wel kan zien, is de bepaling in het Burgerlijk Wetboek tamelijk oud. Ze dateert van donderdag 8 april 1802. Napoleon was toen eerste consul en de jaren werden anders geteld, althans in Frankrijk en over dat land hebben we het hier. Het gaat om artikel LIV van de ‘Loi relative à l’organisation des cultus. Du 18 Germinal, an X de la République une et indivisible’:

‘Ils ne donneront la bénédiction nuptiale qu’à ceux qui justifieront, en bonne et due forme, avoir contracté mariage devant l’officier civil.’

‘Ils’, dat zijn ‘curés’, pastoors dus, en dat zijn in Nederland ‘bedienaren van de eredienst’ geworden. Via de Franse inmenging in gebieden en staatsvormen die in 1815 het Koninkrijk der Nederlanden gingen vormen, kwam de bepaling ook in het Nederlandse recht terecht. Vanaf 10 januari 1817 was ze ononderbroken in Nederland van kracht en dat is tot op de dag van vandaag zo gebleven.

Primaat van de staat
Men kan goed begrijpen dat deze bepaling, die het voltrekken van een kerkelijk huwelijk vóór het burgerlijk huwelijk verbood, in de negentiende eeuw werd ingevoerd. Daarvoor werden huwelijken vaak door ‘geestelijken’ voltrokken, al is dat een wat oneigenlijke term voor predikanten van de gereformeerde religie die in Nederland tijdens de Republiek de officiële eredienst verzorgden. In de Republiek werden huwelijken óf door predikanten, die zich daarbij geenszins tot lidmaten of geloofsgenoten beperkten, óf, althans op sommige plaatsen, zoals de stad Amsterdam, op het stadhuis voltrokken. Er is was maar één huwelijk, kerkelijk of burgerlijk, en dat had dezelfde rechtskracht. De staat nu wilde in het omwentelingstijdvak op dit punt de regie naar zich toe trekken. Een alleen door haar dienaren voltrokken huwelijk was rechtsgeldig en dat moest in de volgorde tot uiting komen.

De godsdienstige situatie was bovendien tamelijk overzichtelijk, zelfs in een land als Nederland, waar naar toenmalige begrippen toch aardig wat godsdienstige groeperingen bestonden. Meestal was er een formele organisatie en de overheid wist wie bedienaren der eredienst waren. De overheid liet kerkgenootschappen ook registreren en van 1853 tot 1988 bestond er zelfs een Wet op de Kerkgenootschappen. Zelfs toen C.N. Impeta zijn Kaart van kerkelijk Nederland in 1961 publiceerde, was de situatie nog redelijk overzichtelijk, al dienden de eerste wijzigingen zich toen reeds aan. Er kwamen steeds meer groepjes die geen onderdeel van grotere verbanden meer waren. Binnen het christendom heeft de evangelische beweging voor een vloed aan nieuwe, vaak plaatselijke en kortstondige initiatieven gezorgd en religieuze ondernemers begonnen hun eigen clubjes. En er kwamen meer aanhangers van andere godsdiensten binnen, vaak letterlijk via immigratie. Het is tegenwoordig niet zo gemakkelijk meer om te zeggen wie een bedienaar der eredienst is. Iedereen kan voor zichzelf beginnen.

De islam bracht bovendien het verschijnsel van het zogenaamde islamitische huwelijk met zich mee, dat snel gesloten kan worden en ook snel ontbonden. Bij jongeren lijkt het soms te gaan om een vorm van godsdienstig gelegitimeerd kortstondig samenwonen – als het al zover komt. In dit verband is het trouwens nuttig om het boek van Christiaan Snouck Hurgronje over Mekka, oorspronkelijk uit 1888-1889 – een deel is in 2007 vertaald – door te nemen. Het westerse beeld van de islam is in eeuw tijd honderdtachtig graden omgedraaid: terwijl men het toen vaak een losgeslagen boel vond – in allerlei vormen van oriëntalisme verbeeld – en daar stiekem ook wel een beetje van genoot – wat moslims elders uitspookten, durfde men hier immers niet – overheerst nu juist het puriteinse beeld van de islam. Over paradoxen gesproken.

Te grote bemoeienis
Het komt me voor dat een discussie over het verbod uit het Burgerlijk Wetboek en de behorende bepaling uit het Wetboek van Strafrecht op zijn plaats is. Ik formuleer het bewust wat voorzichtig, omdat ik mogelijk niet alle consequenties overzie. Maar naar hedendaagse tamelijk algemeen aanvaarde opvattingen over de verhouding tussen en de scheiding van kerk en staat bemoeit de overheid zich hier veel te veel met interne religieuze aangelegenheden, zou ik zo zeggen. Het burgerlijk huwelijk is een juridische aangelegenheid en daar zou de overheid zich toe moeten beperken.

Men kan ook grote vraagtekens zetten bij het ruime aanbod aan bijkomende ceremonies dat de overheid verschaft. Men kan tegenwoordig op allerlei merkwaardige locaties in het huwelijk treden en buitengewone ambtenaren van de burgerlijke stand, die vaak zeer kortstondig aantreden, maken er hele vertoningen van, met allerlei gewaden, toespraken en andere ceremoniële toestanden. (Het verhaal over de plaatsvervangende schaamte die toehoorders of toeschouwers kan overvallen, zal ik hier maar niet doen.) Overschrijdt de overheid met het aanbod van semireligieuze ceremonies niet de grens tussen staat en kerk, althans naar de normen die we tegenwoordig aan plegen te leggen? Ik begrijp dat nu de overheid eenmaal zover is gegaan, ze daarmee zaken tegen betaling aanbiedt waar mensen aan zijn gaan hechten, en daarom is het misschien lastig om de grens juridisch weer wat zakelijker te trekken, maar enige voorzichtige inbinding zou voorlopig misschien niet zo gek zijn.

In ieder geval zou het verbod op het sluiten of inzegenen van een kerkelijk of religieus huwelijk voorafgaand aan het burgerlijk huwelijk opgeheven kunnen worden. Het valt ook moeilijk in te zien hoe het te handhaven valt, als niet eens goed duidelijk meer is wie een ‘bedienaar van de eredienst’ is. En de overheid is tegenwoordig echt wel in staat om duidelijk te maken dat alleen haar bepalingen burgerlijke rechtskracht hebben. Bovendien heeft ze op dat punt toch al diverse regelingen getroffen door ook rekening te houden met samenwonen of althans de samenstelling van huishoudens en naast het huwelijk het geregistreerd partnerschap in te voeren.

Wetsovertreding
Overigens moet ik mijn beginzin mitigeren. Degenen die een kerkelijk of religieus huwelijk sluiten – huwelijken sluiten twee mensen zelf, ook voor de wet – zonder eerst een burgerlijk huwelijk aangegaan te zijn, zijn op zich niet strafbaar. In die zin mag het wel – de resulterende ‘toestand’, bedoel ik, want die heeft geen eigen rechtskracht. Maar degene die er religieus-ceremonieel medewerking aan verleent, is wel strafbaar. De strafwet moet er dus wel voor overtreden worden. En dat zal toch niemand willen? Afschaffen dus, die bepaling.

(100)

Advertenties
30 mei 2013

De paradox als slechte beschrijving

door Jan Dirk Snel

Een paradox is een tegenspraak die we wel te pruimen achten. Een contradictie is een tegenspraak die we niet acceptabel vinden. Grieks versus Latijn. Een paradox is een schijnbare tegenspraak, schijnen velen op school te leren. Beter kun je waarschijnlijk zeggen dat het om een opzettelijke tegenspraak gaat. Wie gebruik maakt van de paradox als stijlfiguur, benut een werkelijke tegenspraak om iets duidelijker te maken, dat zich rechttoe rechtaan misschien niet zo goed laat zeggen.

Barbier
Met de paradox als stijlfiguur zijn we vertrouwd. Maar kan de paradox ook een logische figuur zijn? In wijsgerige encyclopedieën als bijvoorbeeld de Stanford Encyclopedia of Philosophy kom je nogal wat stukken over paradoxen tegen. Wikipedia, de laatste jaren enorm in aanzien gestegen, heeft trouwens ook aardig wat te bieden. Maar is een logische paradox in feite niet iets heel vreemds? Bestaat die eigenlijk wel? Of is wat we een logische paradox noemen, in feite gewoon een contradictie? En is het beginsel van de non-contradictie niet zo ongeveer de basis van de logica?

Exif_JPEG_PICTURE

De vieringtoren van de Sint-Jan in Den Bosch steekt boven de huizen uit. Een logisch verband met dit stukje is er niet. Fysieke paradoxaliteit is overigens uitgesloten.

Men kent het verhaaltje. Het gaat over een eilandje waar een niet al te grote bevolking woont. Er is één barbier, die alle mannen scheert die niet zichzelf scheren, en alleen hen. Wie scheert nu de barbier? Als hij zichzelf scheert, scheert hij dus niet alleen mannen die zichzelf niet scheren. Als hij zichzelf niet scheert, scheert hij dus niet alle mannen die zichzelf niet scheren. Pogingen tot ontsnapping, dat hij elke dag met een bootje van elders komt aangevaren, dat hij een baard laat staan of dat de barbier wel eens een vrouw zou kunnen zijn, helpen allemaal niet. Het hoeft trouwens helemaal niet om een eilandje of voor mijn part een geïsoleerd dorpje te gaan. Voor elke barbier die midden in een grote metropool roept dat hij iedereen die zichzelf niet scheert, en alleen hen scheert, geldt hetzelfde verhaal.

Maar het is natuurlijk wel duidelijk wat hier mis is. De beschrijving klopt gewoon niet. Die bevat een tegenspraak en komt er in feite op neer dat de barbier zich tegelijk wel en niet scheert. En contradicties mogen niet. Het gaat om beschrijvingsfout en de werkelijke situatie zou je in heel gewone bewoordingen kunnen omschrijven, zij het wat minder kort en krachtig geformuleerd. Bijvoorbeeld dat de barbier alle mannen die zichzelf niet scheren, én zichzelf scheert. Of dat hij alle mannen die zichzelf niet scheren, scheert en zelf een baard laat staan. Of wat dan ook. De situatie kan veel complexer zijn met mannen die soms zichzelf scheren en soms naar de barbier gaan. Het doet er allemaal niet toe. Hier gelden de regels van de gewone, fysieke wereld en die valt altijd te beschrijven, zij het dat er de ene keer meer woorden en zinnen nodig zijn dan in een ander geval.

Zeno en de leugenaar
Scholieren kennen vaak de paradoxen van Zeno. Die over Achilles en de schildpad bijvoorbeeld. Ook al loopt Achilles veel sneller dan de schildpad, als hij die bij de start maar een klein stukje voorsprong geeft, zal hij die nooit inhalen, omdat elke keer als hij aankomt waar de schildpad was, die toch een heel klein stukje verder is gekomen. Of die over de pijl en de dichtomie, die trouwens in elkaar geschoven worden. Of je het nu over een renner of een pijl hebt, je kunt de resterende afstand steeds in tweeën opdelen. De renner of de pijl legt steeds de volgende helft van afstand tot het doel af, maar komt nooit definitief aan. De opmerkingen over de pijl, overgeleverd via Aristoteles en Diogenes Laërtius, geven als zodanig al aan waar het probleem zit: Zeno vertikt het verschijnsel van de beweging te honoreren. Hij stelt zich de pijl (of de renner) voor als telkens in rust zijnde. Hij doet alsof beweging uit een reeks momenten is samengesteld, terwijl het omgekeerd is: beweging en tijd vallen in een op zich oneindig aantal momenten nader onder te verdelen. Maar opnieuw is het probleem duidelijk: de beschrijving deugt niet en doet de fysieke werkelijkheid en in concreto het kinetisch aspect geen recht.

Er kan trouwens ook nog iets anders met de beschrijving aan de hand zijn. Die kan op zich ook betekenisloos of onzinnig zijn. Het lemma over de leugenaarsparadox in de Stanford Encyclopedia of Philosophy begint bijvoorbeeld met de zin: ‘The first sentence in this essay is a lie.’ Het zal een ieder direct opvallen dat die zin volstrekt onzinnig is. Er staat helemaal niets wat waar of onwaar kan zijn. Dat de auteur vervolgens nog iets bazelt over dat als de zin waar is, ze een leugen is en dus niet waar, en dat als ze niet waar is, ze dus een leugen is en dus waar, moeten we maar beschouwen als een poging de absurditeit nog wat op te voeren. Het gaat hier simpelweg niet om een propositie die waar of onwaar kan zijn. Propositionaliteit is slechts een van de opties van taal en doet zich lang niet altijd voor. Het is een verschijnsel waar Ludwig Wittgenstein zijn hele leven mee geworsteld heeft en maar niet erg aan kon wennen. Taal is primair een communicatiemiddel – of we weten niet wat voorop gaat, dat kan ook – en beschrijving is slechts een van de functies – en dat weten we dan overigens wel weer met grote zekerheid.

Er is natuurlijk een andere variant van de leugenaarsparadox die wel aan de voorwaarden voor propositionaliteit voldoet. Het de bekende aan Epimenides toegeschreven paradox – vast en zeker ten onrechte – waar ook de apostel Paulus in de brief aan Titus aan refereert: ‘Een van hen, hun eigen profeet, heeft gezegd: Kretenzen zijn altijd leugenaars, kwade beesten, luie buiken.’ De logische paradox is dat een Kretenzer zegt dat Kretenzers altijd, in elke zin, liegen. Hier gaat het net als in de paradox van de barbier om een fysiek voorstelbare situatie. En dus om een beschrijvingsfout. Maar hier is de tegenspraak veel leuker. Stel al dat het waar is dat Kretenzers in elke zin, althans elke zin die het predicaat waar of onwaar toegewezen kan krijgen, liegen, wat overigens praktisch betekent dat je altijd de waarheid uit hun woorden kunt afleiden, mits helder is wat het tegendeel is, dan is de uitspraak op zich waar, maar onvolledig. Zakelijk gesproken had de Kretenzer erbij moeten vertellen dat hij nu voor één keer een uitzondering maakte. Maar het grappige is dat hij met zijn uitspraak aangeeft dat hij ook niet beoogt de waarheid te spreken. Dat maakt deze paradox veel geestiger dan die de eerder genoemde.

Russell en Frege
De paradox van de barbier, waar ik mee begon, werd door Bertrand Russell opgeschreven, maar was hem kennelijk door iemand anders aan de hand gedaan als een variant op de paradox waar hij bekend mee is geworden en die dan ook Russell’s paradox genaamd pleegt te worden. Het is het idee van ‘de verzameling van alle verzamelingen die zichzelf niet bevatten’. De achtergrond vormt de verzamelingenleer die Georg Cantor vanaf 1874 ontwikkelde. Als deze verzameling een element van zichzelf is, valt ze niet onder de definitie die zegt dat een verzameling zichzelf niet mag bevatten. Maar als ze geen lid is van zichzelf, gaat ze ook in tegen de definitie, die zegt dat de verzameling bestaat uit alle verzamelingen die zichzelf niet bevatten. Kortom deze door Bertrand Russell bedachte verzameling bevat zichzelf wel en ook weer niet.

Dat is, opnieuw, geen paradox meer, dat is een tegenspraak. Ook hier gaat het om een niet deugdelijke omschrijving. Maar misschien kan men in dit geval beter zeggen dat het gaat om een foutief voorschrift. In de verzamelingenleer gaat het immers niet alleen om de beschrijving van een reëel bestaande wereld of althans een werkelijk voorstelbare wereld – dat eiland met die barbier – maar ook om constructies. Telkens weer kun je nieuwe verzamelingen verzinnen. Niet dat je er iets aan hebt, maar je kunt bijvoorbeeld best de verzameling definiëren die alles bevat dat geen motorfiets is en geen groente.

Wat Russell in feite ontdekte, was een voorschrift dat niet uitvoerbaar is. Een verzameling die aan de omschrijving voldoet, valt immers niet eenduidig samen te stellen. Gottlob Frege wist hij in 1902 met zijn formulering over de verzameling van alle verzamelingen die zichzelf niet bevatten, dan ook aardig de stuipen op het lijf te jagen. Die was namelijk bezig hier de logische grondslag van zijn wiskundig systeem van te maken en aan het tweede deel van zijn Grundgesetze der Arithmetikdat in 1903 verscheen, voegde hij dan ook een nawoord toe waarin hij de paradox van Russell behandelde.

Mij lijkt dat de fout simpelweg lag in de definitie van een verzameling die toeliet dat men een verzameling – set in het Engels bij Russell, Klasse bij Frege in het Duits – zichzelf liet bevatten. Ik zou zeggen dat men zo een dubbele beschrijving gebruikte. De verhouding tussen een verzameling en een element is hiërarchisch, ook als de verzameling slechts uit één element bestaat. Ook dan is de omschrijving van de verzameling algemener, zodat dat element er onder past, maar als zodanig wordt dat op een meer specifieke wijze omschreven. Wie nu toestaat dat een verzameling zichzelf bevat, voegt er een tweede omschrijving aan toe: identiteit. Dat is geen relatie meer, zoals in betrekking tot de (andere) elementen die tot een verzameling behoren. Het verzamelingenbegrip dat Frege gebruikte, bestond uit twee verschillende omschrijvingen en daar kwam de fout uit voort. Russell zelf zocht de oplossing wel in deze richting, maar dan veel ingewikkelder, met een heel hiërarchisch systeem.

Voorschrift
De wiskundige L.E.J. Brouwer ging er vanuit dat je het bestaan van een wiskundig object niet kunt aannemen als je niet kunt aangeven hoe je het tot stand kunt brengen. Dat is waar het om gaat. Het gaat hier om een voorschrift dat onjuist geformuleerd is, omdat de begrippen niet helder gedefinieerd zijn. In die zin gaat het ook om een slechte beschrijving. Een architectonische tekening kan men als een voorschrift beschouwen, maar ook als een beschrijving van een komende, tot stand te brengen situatie. Nogal wat prenten van M.C. Esscher voldoen dan niet, omdat het perspectief niet eenduidig is. Zo is het ook met Russells paradox. Die is op zich niet interessant, maar had wel een nuttige functie: ze bracht aan het licht dat men onder een verzameling twee verschillende dingen kon verstaan: een hiërarchische relatie én identiteit.

En dat van die identiteit hoeft ons niet te verbazen, want in veel logische paradoxen gaat het om zelfreferentialiteit. Zodra een handeling die aan een subject toegeschreven wordt, daar zelf betrekking op heeft, blijkt de beschrijving zó vaak niet te kloppen en onvolledig te zijn. Hoe het ook zij, altijd gaat het om slechte beschrijvingen. Taal misleidt. Logica is gebaseerd op onze realiteit en abstraheert daarvan. Logica spoort juist tegenspraken op. Maar de taal, ook symbolische taal, kan zichzelf tegenspreken. Logische paradoxen laten zien dat er ergens een fout gemaakt is.

Logische paradoxaliteit is een paradoxaal begrip.

(99)