1 juli 2016

Willekeurig fluiten – Hoe de NS chaos creëert en de eigen onbetrouwbaarheid benadrukt

door Jan Dirk Snel

[Vrijdag 1 juli 2016] Het staat me nog helder voor de geest. Op een aangename zomeravond wilde ik zo rond half acht – of misschien wel precies op die tijd – op station Amsterdam Amstel de trein richting Utrecht nemen. Het was nog voor de OV-chipkaart. Maar het waren al wel de dagen waarin je je kaartje meestal bij een automaat kocht.

Stomverbaasd
Toen ik vanuit de hoge, ruime hal, die dat station uit 1939 altijd nog zo aangenaam maakt – ook al heeft men een jaar of vijftien, twintig geleden wel genadeloos een groot deel van het oorspronkelijke interieur gesloopt (maar dit terzijde) – de onderdoorgang inliep, sloeg ik een blik op de klok. Het was het precies een halve minuut voor de vertrektijd. Mooi. Op mijn gemak liep ik door. Dat ging ik makkelijk halen. Maar toen ik 10 seconden later de trap naar het perron besteeg, hoorde ik de conducteur fluiten. De deuren gingen voor mijn neus dicht.

FluitenIsNietMeerInstappen

Maar wanneer dat ‘fuuuuut’ klinkt, daarover laat de NS de reiziger graag in het ongewisse. Still uit het inhoudsloze campagnefilmpje.

Ik was stomverbaasd. Zoiets merkwaardigs had ik nog nooit meegemaakt. Ik ben teruggelopen naar het loket beneden en heb mijn beklag gedaan. De lokettist was het met eens: een trein die te vroeg vertrok, dat deugde niet. Of er verder nog iets met mijn klacht gedaan is, weet ik niet meer. Het was vooral de uiting van onbetrouwbaarheid die me trof.

Het zal duidelijk zijn: dit is een verhaal van even geleden. Zo’n tien jaren zou ik denken, 2006 of 2005, maar het kunnen er ook best een paar meer geweest zijn. Het moet in ieder geval voor 10 december 2006 geweest zijn, de dag waarop de dienstregeling 2007 inging. Want vanaf dat moment begon de NS zelf verwarring te zaaien.

Smet
Ineens maakte het spoorbedrijf een curieus onderscheid tussen instaptijd en vertrektijd. Wat op de borden staat, ging voortaan door voor de vertrektijd, het moment dat de trein zich ook daadwerkelijk in beweging zet. De instaptijd zou zo’n kwart minuut daarvoor liggen. De Volkskrant schreef destijds:

‘Een kleine smet op de nieuwe dienstregeling is de gewijzigde procedure bij het instappen van een trein. Waar reizigers voorheen nog tot op het moment van vertrek konden instappen, sluiten de treindeuren nu vijftien seconden voor de beoogde vertrektijd. Deze nieuwe instapprocedure is bedoeld om treinen exact op tijd te laten vertrekken; een lovenswaardig streven. Aangezien de NS verzuimd heeft deze nieuwe instapmethode aan zijn reizigers te vertellen, staan vele reizigers dagelijks voor een dichte deur. Naast irritatie kan dat leiden tot gevaarlijke situaties op het perron. Hoogste tijd dat de NS zijn reizigers waarschuwt dat de treinen zich iets eerder klaar maken voor vertrek.’

Die smet heeft de NS bijna tien jaar laten voortbestaan. Nooit heeft ze de reizigers goed geïnformeerd over het merkwaardige onderscheid. Welbewust heeft ze daarmee al bijna een decennium chaos gecreëerd en onzekerheid bij reizigers veroorzaakt. Het onderscheid slaat ook nergens op. Natuurlijk hoort bij het vertrek van een trein ook dat de deuren gesloten worden.

Willekeur
De NS weigert aldus consequent om vanuit het gezichtspunt van de reiziger te denken. Die wil weten wanneer hij nog op tijd is en wanneer niet. Die gaat er dus vanuit dat hij tot het tijdstip dat op de borden staat, in alle rust kan instappen. En dat als hij daarna komt, hij hooguit geluk heeft als de deuren nog niet dicht zijn. Maar nu zijn reizigers nog steeds verbaasd als twintig seconden voor de aangegeven tijd de conducteur ineens fluit. Ze voelen zich overvallen en proberen dus nog snel in te stappen. Het vervelendste is bovendien dat ze niet meer weten wanneer ze wel of niet op tijd zijn. Er wordt nu op allerlei tijdstippen gefloten. Ook soms een minuut voor vertrektijd. Volstrekte willekeur heerst.

Instaptijd

Eindelijk maakt de NS duidelijk dat de tijden die de reiziger op de borden voorgeschoteld krijgt, er eigenlijk totaal niet toe doen.

Sinds een aantal weken voert de NS een nieuwe campagne: ‘Fluiten = niet meer instappen’. Die is dus vooral hypocriet. De NS weet heel goed dat zij het zelf is die de chaos creëert. Maar nu moet de reiziger ineens opgevoed worden. Die krijgt dus zogenaamd geinige filmpjes voorgeschoteld, die echt niets verhelderen. De boodschap is hooguit dat je wat harder moet lopen of rare capriolen moet uithalen. De NS bestaat het zelfs om een soort prijsvraag uit te schrijven: ‘Heeft u de gouden tip voor medereizigers hoe u ervoor zorgt dat u de trein haalt?’ Het antwoord lijkt me wel duidelijk: als de NS nu eerst eens zorgt dat de reiziger weet dat hij tot de aangegeven tijd kan instappen? En die zelf op tijd komt?

Het enige goede van de campagne zou je nog kunnen noemen dat het verzuim van tien jaar geleden eindelijk hersteld wordt. Maar veel handiger zou het natuurlijk zijn om dat rare onderscheid tussen instaptijd en vertrektijd op te heffen. Voor de reiziger is dat verschil totaal niet van belang. En de NS zou toch echt in staat moeten zijn om de seconden tussen het moment dat de deuren dichtgaan en de trein daadwerkelijk in beweging komt, in de dienstregeling te verwerken. Het geeft geen pas om de eigen interne problemen op de miljoen dagelijkse reizigers af te schuiven.

Onbetrouwbaar
De campagne is vooral inhoudsloos. Wat ze vooral benadrukt, is dat de NS zich onbetrouwbaar opstelt en het vertikt om de reiziger duidelijkheid te verschaffen. Want wanneer de conducteur op dat fluitje gaat blazen, dat kun je niet weten.

(208)

 

17 april 2016

De dominee die Hitler géén boef noemde – Enkele overwegingen bij een krantenknipsel

door Jan Dirk Snel

[Zondag 17 april 2016] Op Twitter circuleerde de afgelopen dagen een afbeelding van een krantenbericht dat van 25 mei 1939 zou zijn en dat als kop had: ‘Dominee zou Hitler beledigd hebben’. Waarom dat juist nu zo vaak doorgegeven wordt, laat zich raden. Iedereen denkt natuurlijk onmiddellijk aan het Duitse geval waarin een of andere komiek, Jan Böhmermann geheten, de Turkse president Recep Tayyip Erdoğan, onmiskenbaar een bevriend staatshoofd, beledigd zou hebben. (Of heeft, want dat hij de man beledigd heeft, lijkt me eigenlijk geen vraag. Wat we daarvan moeten vinden en of het misschien wel terecht was en vooral of de heer Erdogan daar zelf nu echt iets van zou moeten vinden, dat is dan weer een gans andere vraag.)

Argwaan
Maar er lijkt iets merkwaardigs aan de hand met dat plaatje over de Brabantse predikant die Hitler beledigd zou hebben (afbeelding 2). Het is bijvoorbeeld vreemd dat de datum er zo pontificaal midden boven staat. Dat komt echt zelden voor bij zo’n knipsel. Vaak staat de datum in kranten immers links- of rechtsboven, maar het zou natuurlijk om een krant kunnen gaan die de dag van uitgave midden boven een pagina placht af te drukken – ook dat kwam voor – en dan zou dit berichtje dus toevallig net midden boven aan de pagina in de middelste kolom geplaatst zijn. Het kan natuurlijk eens zo uitkomen, maar argwaan roept het zeker op.

Hitler boef -

Afbeelding 1. ‘Dominee zou Hitler beledigd hebben’. Bericht uit Het Volksdagblad (hoofdredacteur Paul de Groot) van donderdag 25 mei 1939, pagina 5.

Nog meer argwaan roept het op als we zien dat er ook een plaatje bestaat, waarin naast het Nederlandse bericht een Duitse versie is weergegeven (afbeelding 3), die niet alleen een rechtstreekse, zij het geen letterlijke vertaling bevat – in het Duits is de predikant al veroordeeld, terwijl hij in het Nederlands slechts vervolgd wordt (en een Gottesdienst is natuurlijk iets anders dan godsdienst) – maar er, ondanks het afwijkende lettertype, wel direct op gemodelleerd lijkt te zijn. Dat het Duitse knipsel authentiek zou zijn, lijkt vrijwel uitgesloten. Als het uit een Duitse krant afkomstig zou zijn, dan zou er immers zeker een plaats- of zelfs landsaanduiding bij gestaan hebben. Er zou op zijn minst uitgelegd zijn waar Voorschoten lag. (Ik denk ook dat men destijds niet in Den Haag, maar im Haag geschreven zou hebben, maar daarin kan ik me heel goed, of heel lelijk, vergissen.) En dan hebben we het nog niet over de tekstkeuze. Zou Hitler ook in die luttele zinnen niet één keer Führer genoemd zijn? Maar als de Duitse versie al onecht lijkt, dan roept dat nog meer vragen op omtrent het Nederlandse ‘origineel’ ernaast. Dat plaatje is zo immers zeker in elkaar gezet.

Het is dan ook niet vreemd dat sommigen zich afvroegen of het knipsel wel echt is, zoals bijvoorbeeld gebeurt op de weblog The world according to Minipluim. Het antwoord is dat het iets ingewikkelder lijkt te liggen. De woorden in het knipsel zijn op zich wel echt, maar het knipsel lijkt zelf op zijn beurt bij elkaar geknipt te zijn.

Hitler een boef?
Ik besloot gisteren even naar het originele bericht op zoek te gaan en dat liet zich zo in Delpher vinden (afbeelding 1). Ik postte het toen ook op Twitter, waar het veel aandacht kreeg – en waarop ik ook reacties kreeg waar ik voor het bovenstaande uit kon putten. Het bericht is dus op zich wel degelijk authentiek, maar het was langer. Het was afgedrukt op pagina 5 van de aflevering van donderdag 25 mei 1939 van Het Volksdagblad, waarvan de bekende communist Paul de Groot hoofdredacteur was. Dit is de tekst van het volledige bericht:

Dominee zou Hitler beledigd hebben
Teruggewezen naar vooronderzoek
Dinsdagmorgen moest de predikant A. M. B. uit de provincie Brabant voor den Haagsen politierechter terecht staan, wegens belediging van Hitler.
De verdachte zou n.l. in een vergadering te Voorschoten, bij de bespreking van godsdienstige vraagstukken, ten aanzien van Hitler het woord „boef” gebruikt hebben. De predikant werd daarom vervolgd wegens het beledigen van een bevriend staatshoofd.
De verdachte, voor de politie-rechter gehoord, zeide echter, dat hij wel is waar het woord boef had gebezigd, doch niet had beweerd, dat Hitler een boef was. Hij had n.l. in bedoelde vergadering gezegd, dat Hitler, al doet hij dit en dat, in het geheel nog niet een boef genoemd mag worden.
De veldwachter, die verbaal had opgemaakt, bevestigde dit.
„Waarom stuurt U me dan zo’n verbaal”, vroeg de officier. „U had eerst overleg met mij moeten plegen.”
„Ik heb het met den burgemeester besproken.”, antwoordde de getuige. „De burgemeester zei, dat ik het maar opschrijven moest.”
Daarop werd de zaak naar het vooronderzoek teruggewezen.

Hitler boef - Volgens Gerard de Boer

Afbeelding 2.’Dominee zou Hitler beledigd hebben’. Hetzelfde bericht, maar dan korter, volgens de weergave van Gerard de Boer (4 oktober 2015). Het heeft er alles van weg dat dit knipwerk uit afbeelding 1 hierboven betreft. Zelfs de ‘vervuiling’ rond de a van ‘donderdag’ is identiek aan die op bladzijde 5 van Het Volksdagblad in de weergave door Delpher.

Het verkorte bericht dat als afbeelding de ronde deed op Twitter, was afkomstig uit een stukje van 4 oktober 2015, getiteld ‘Over de bevriende staatshoofden Hitler en Johnson’, van de weblog van Gerard de Boer. We moeten natuurlijk voorzichtig zijn en het is bij voorbaat niet helemaal uitgesloten dat De Boer het bericht uit een andere krant heeft, die precies dezelfde letter gebruikte als Het Volksdagblad en waarbij de zetter de letters exact verdeelde als een collega van hem bij de communistische krant – die krant plaatste de datum trouwens wel midden boven, dus op dat punt was eventuele argwaan niet terecht – maar het heeft er op zijn minst alle schijn van dat De Boer wel het originele bericht heeft gebruikt, maar nogal aan het knutselen is geslagen. Dan heeft hij dus zelf de datum uit de krant boven het bericht geplaatst, de ondertitel weggeknipt en vooral ook de rest van het bericht weggelaten. De Boer schrijft dat de dominee Hitler een boef noemde, terwijl het bericht juist het tegendeel zegt. Het is bovendien merkwaardig dat hij er wel bij zet dat het bericht uit zijn eigen collectie afkomstig is, maar dat hij er niet even bij vertelt om welke krant het dan gaat. Waarom geen werkelijke bronvermelding? Maar enfin.

Een neutraal land
Maar nu nog even het bericht zelf. Hoe moeten we dat lezen? Ik denk zo. Die dominee is natuurlijk wel degelijk erg kritisch geweest over Hitler. Waarom zou de veldwachter anders aanwezig geweest zijn bij een ‘bespreking van godsdienstige vraagstukken’? Dat ‘dit en dat’ van de dominee zal vast en zeker niet vriendelijk geweest zijn over het staatshoofd van het grote naburige land. Hij zal Hitlers euveldaden ongetwijfeld vrij concreet benoemd hebben. Maar de Brabantse dominee zal ook beseft hebben dat hij op zijn hoede moest zijn. Dus zal hij in zijn beschrijving van Hitlers daden duidelijk genoeg geweest zijn en daar bepaald geen gunstig beeld van gegeven hebben. Maar hij zal ook geweten hebben dat Hitler een boef noemen problemen op kon leveren.

Wat men daarbij steeds bedenken moet, is dit. Nederland was sinds een eeuw – de Londense conferentie waarop de afscheiding van België geregeld werd – een neutraal land, dat er alles aan deed om conflicten met een machtig buurland te voorkomen. Het wilde geen aanleiding tot ruzie geven. Nou zou één belediging door een brave burger nog geen casus belli opgeleverd hebben, maar men wilde wel voorkomen dat er – zoals dat nu in Duitsland het geval is – aanleiding voor diplomatieke klachten zouden zijn. Een opstapeling van voor de machtige Duitse buur ongunstige gevallen wilde men zeker voor zijn. Kortom, het doet nu heel vreemd aan dat men Hitler niet gewoon kon noemen wat hij was, namelijk een enorme misdadiger – dat boef klinkt nu eerder verharmlosend (‘Wat een boefje toch, die Adolf’) – maar gezien de precaire plaats van Nederland in de toenmalige internationale verhoudingen was het niet zo onbegrijpelijk.

Hitler boef - Nederlands en Duits

Afbeelding 3. ‘Pfarrer soll Hitler beleidigt haben’. Een Duitse krant zou het bericht niet alleen letterlijk overgenomen hebben, maar ook nog eens vrijwel dezelfde opmaak gebruikt hebben, op het lettertype na. Die Duitse krant zou het bovendien niet nodig gevonden hebben de lezer uit te leggen waar Voorschoten ligt.

Dus zei die dominee: Hitler is geen boef, maar… Het woord is dan toch gevallen en de hoorders weten wel beter. De dominee heeft ze ondanks zijn ontkenning wel op een idee gebracht. Let ook op zijn formulering voor de politierechter: ‘dat Hitler, al doet hij dit en dat, in het geheel nog niet een boef genoemd mag worden.’ Het mocht niet! En dat zei de dominee, die kennelijk niet op zijn achterhoofd gevallen was, dus. Die veldwachter en burgemeester hadden de strekking waarschijnlijk best begrepen. Maar de officier van justitie, en de politierechter, mag men aannemen, wilden terecht een nauwkeurig proces-verbaal. En waren waarschijnlijk zeer tevreden dat ze zich zo met een formeel argument van de zaak konden afmaken.

De burgemeester
Dat is natuurlijk een reconstructie, die weliswaar alleszins redelijk en voor de hand liggend lijkt, maar die bij nader historisch onderzoek altijd weerlegd zou kunnen worden. Of aangevuld of gepreciseerd. Wie de predikant was, weet ik niet. Me dunkt, het moet niet al te moeilijk zijn dat uit te vinden, nu we de initialen al kennen. Bij mijn weten waren er in Voorschoten destijds aan protestantse zijde alleen hervormde en gereformeerde kerken en de kans is dus groot dat het om een hervormde of gereformeerde predikant ging. En daarvan waren er in Noord-Brabant nu ook weer niet overdreven veel. Wie even naar de bibliotheek gaat en daar Van Alphen’s Nieuw Kerkelijk Handboek voor 1939 opvraagt, is er na enig bladeren waarschijnlijk zo uit. Maar daarvoor ontbreekt mij nu helaas de tijd. (Ik wacht nu maar op de gedienstige geest, die zijn nieuwsgierigheid niet kan bedwingen en een dezer dagen toch in een UB moet zijn.)

Wie de burgemeester was, kunnen we wel zo uitvinden. Dat was M.F. Berkhout en die stond ook in de oorlog kennelijk niet als heldhaftig bekend. ‘Hij heeft altijd alles gedaan wat de bezetter vroeg’, oordeelde een lokale historicus. Want dat is natuurlijk wel een punt – de houding van de burgervader. Dat de Nederlandse wetgeving belediging van een bevriend staatshoofd niet toestond, dat was niet zo vreemd. Dat was kennelijk internationaal gebruikelijk. Men bedenke wel dat in voorgaande eeuwen niet landen handelden, maar vorsten. Vorsten voerden oorlog met elkaar, niet staten. Nog steeds stonden staatshoofden symbool voor de gehele natie en representeerden ze de staat. Dat men Hitler en Duitsland geen aanleiding voor ongenoegen wilde geven, valt vanuit de neutraliteitspolitiek wel te begrijpen.

Maar hoe men daarmee omging, dat maakte natuurlijk wel uit. Wie had er belang bij zo’n kerkelijke of godsdienstige vergadering? Waarom stuurde de burgemeester de veldwachter? Waarom wilde hij liever niet niets weten? Dat zijn wel vragen die iets over zijn houding zeggen.

Ds. Anton Marinus Brouwer? – Naschrift (19.40 uur, lichtelijk aangepast om 21.45 uur)
En al heel snel kwam er een uitstekende suggestie binnen omtrent de mogelijke identiteit van ds. A.M. B. Binnen drie kwartier twitterde Coen Wessel: ‘Mijn gok is Anton Marinus Brouwer (1903-1982). Of hij in Brabant stond in 1939 heb ik nog niet kunnen vinden.’ En een daarop volgende tweet schreef hij: ‘Maar hij stond er wel later. In 1943 stond hij in Vledder waar hij meerdere malen verhoord is (Touw, Verzet NHK, II p.334).’ Dat later, dat klopt. Ds. A.M. Brouwer, een zoon van de bekende hoogleraar Annéus Marinus Brouwer (1875-1948), stond vanaf 1949 in Berlicum en Rosmalen – in 1954 kwam Dinther daarbij – alwaar hij tot zijn emeritaat in 1969 bleef (waarna hij er kennelijk nog enkele jaren actief bleef). Tussen Vledder en Berlicum in was hij ook nog legerpredikant in Indonesië (Nederlands-Indië) geweest. Maar hij stond ook al eerder in Noord-Brabant, zo blijkt na enig verder speuren. Van 1938 tot 1940 was Brouwer predikant in het Brabantse Engelen, vanwaar hij in 1940 naar het Drentse Vledder vertrok. Op 23 mei 1939, toen ds. A.M. B. voor de Haagse politierechter moest verschijnen, was hij dus een predikant ‘uit de provincie Brabant’, zoals het communistische dagblad hem omschreef.

CoenWessel - A.M. Brouwer

.

Ook heb ik meteen maar even nagekeken wat H.C. Touw in zijn bekende werk Het Verzet der Hervormde Kerk. II. Documenten van het Kerkelijk Verzet (‘s-Gravenhage 1946) op de vermelde bladzijde over Brouwer meldt. Hij komt daarin voor in een overzicht van predikanten die wel verhoord werden, maar waarop geen arrestatie volgde. Daar lezen we dat A.M. Brouwer te Vledder in het najaar van 1943, in december 1944 én in het voorjaar van 1945 in zijn woonplaats Vledder verhoord werd door de burgemeester, een NSB’er, zo staat er bij – G.W. Boelems heette dit jonge broekje van 25 jaar overigens, die van 1942 tot 1945 burgemeester van Vledder was. En de aanleiding tot en het onderwerp van het verhoor wordt voor de eerste keer, in 1943 dus, zo omschreven: ‘motiveering in openbare vergadering van weigering meedoen aan Volksdienst’. Bij het tweede verhoor staat er: ‘plaatsen kinderen van I.K.B in bewuste tegenwerking van den Volksdienst’. IKB moet daarbij staan voor het Interkerkelijk Bureau voor Noodvoedselvoorziening en Kinderuitzending’. Kortom, ds. A.M. Brouwer was kennelijk een man die over het nazisme en daarna de Duitse bezetter geen blad voor de mond nam. En ook nog wel eens wat deed.

Hij zou het dus heel goed geweest kunnen zijn. Al zouden we, om volledig te zijn, eerst alle predikanten die begin 1939 in Noord-Brabant stonden, na moeten trekken. Waren er meerdere dominees met dezelfde initialen? Helemaal zeker kunnen we dus nog niet zijn – dat zijn we pas als we alle andere eventuele opties uit kunnen sluiten – maar de kans dat Coen Wessel de juiste persoon identificeerde, lijkt me toch behoorlijk groot. En Brouwer mag, gezien zijn houding, dus zeker wel eens genoemd worden.

En overigens, na plaatsing van mijn stuk om 17 uur had ik er nog enkele kleine verbeteringen in aangebracht. Maar dit terzijde.

Ja, het moet ds. Anton Marinus Brouwer geweest zijn – Tweede naschrift (woensdag 20 april 2016, 21.00 uur)
Vandaag was ik in de gelegenheid om bij de UB langs te gaan. De UB, dat is voor mij altijd de universiteitsbibliotheek van de Universiteit van Amsterdam aan het Singel. Daar lagen twee delen van Van Alphen op me te wachten, zoals dat in de wandeling heet. Of om vollediger te zijn: van Van Alphen’s nieuw kerkelijk handboek. Tevens compleet predikantenboek omvattende alle Protestantse kerken en gemeenten in Nederland, de Indische kerken, de Hollandse gemeenten in het buitenland, de Hollands-Afrikaanse en de Hollands-Amerikaanse kerken. Met bijlagen betreffende emeriti predikanten, candidaten t.d.h.d., godsdienstonderwijzers, studiebeurzen, pensioenen, onderwijs, bijbel- en zendingsgenootschappen, verenigingen, stichtingen, etc. Met voorkennis van het Departement van Financiën uit officiële bronnen verzameld door de Bond van Nederlandse Predikanten (Uitgave N.V. Drukkerij v/h Koch & Knuttel, Gouda). Waarbij, merk ik maar op, het altijd een kwestie van interpretatie is waar men onderscheidingen – door middel van toegevoegde interpunctie – aanbrengt en waar men al dan niet hoofdletters gebruikt; op de titelpagina staat alles immers in kapitalen. En die interpretatie hangt dan weer alleszins samen met het tijdsgewricht waarin de beschrijver leeft. Na enig aarzelen heb ik nu bijvoorbeeld maar t.d.h.d. geschreven en dat betekent tot de heilige dienst, maar enkele decennia geleden zou men de laatste woorden ongetwijfeld van hoofdletters voorzien hebben en dat zou waarschijnlijk in de afkorting zijn doorgezet.

RIMG0728

Van Alphen’s Nieuw Kerkelijk Jaarboek, jaargang 1940. De gegevens werden in 1939 verzameld. Op bladzijde 322 de informatie betreffende Engelen en de plaatstelijke predikant, ds. A.M. Brouwer.

De twee exemplaren die voor me klaarlagen, waren van 1935 en 1940. In het stuk hierboven had ik het over de uitgave van 1939 gehad, maar dat bleek de UBA – zoals de instelling zichzelf tegenwoordig wel noemt – niet in huis te hebben. Maar dat gaf niet. Alleen met de jaargang 1940 kwam ik al uit. Het voorwoord was trouwens ondertekend op ‘St. Nicolaas 1939’. De gegevens moeten dus van niet al te lang daarvoor geweest zijn. Dat is dicht genoeg bij dinsdag 23 mei 1939, de dag waarop de Brabantse predikant A.M.B. voor de Haagse politierechter moest verschijnen. Ik heb dat deel van Van Alphen op diverse wijzen doorgenomen en de conclusie moet zijn dat A.M.B. geen ander kan zijn dan ds. Anton Marinus Brouwer te Engelen. Het grappige is zelfs dat hij de eerste Brabantse predikant is die gerangschikt onder een gemeente in het boekwerk verschijnt. Op pagina 322 begint de beschrijving van de gemeenten van de Nederlandse Hervormde Kerk in de Provincie Noord-Brabant met Limburg bij de classis ‘s-Hertogenbosch – dat schreef men destijds stijlvaster zonder dat lelijke en overbodige streepje van nu – en daaronder weer bij de Ring ‘s-Hertogenbosch en dan is Engelen die eerste gemeente die beschreven wordt:

ENGELEN (Empel en Crevecoeur) (85) Stemgerechtigden, Eig. Beh.; – autobus op ’s Bosch; – consulent 1 Vlijmen, 2 ’s Hertogenbosch 1.
Pred. tract. f 1700 (R.T. f 850, van de Synode f 450) met pastorie; Em. pens. f 1500 (R.p. f 1190, Hpf. f 170, Aanv. f 140); Rijkswed. pens. f 140.
A.M. Brouwer, geb. 1903, Cand. in Geldl. 1935, hulppred. te Nijehaske, pred. te Engelen 9 Jan. 1938.

Natuurlijk heb ik verder gebladerd. Maar er komt simpelweg geen andere dienstdoende predikant in het boekwerk voor, die de initialen A.M.B. droeg en in Noord-Brabant stond. Eerst heb ik uiteraard de hervormden bekeken (inclusief de Walen) en daarna de gereformeerden, omdat er in Voorschoten, de plaats aan de Vliet waar de Brabantse dominee er door de veldwachter bij werd gelapt, slechts een hervormde gemeente en een gereformeerde kerk waren en het enigszins voor de hand ligt dat een spreker aansluit bij de plaatselijke denominaties. Maar daarna heb ik ook de opgaven aangaande alle andere in het boek opgenomen kerkgenootschappen doorgenomen en nergens kwam ik een andere dominee A.M.B. tegen die in Noord-Brabant resideerde. In het register van dienstdoende predikanten kwamen nog wel twee A.M.B.’s voor, maar de een, A.M. Berkhoff, was (op dat moment) vrij-evangelisch predikant te Groningen en de ander, A.M. Boeijenga, was gereformeerd predikant te Haarlem. Onder de emeriti, opgenomen in afzonderlijke lijsten, kwam ik bij de hervormden uiteraard nog wel een A.M. Brouwer tegen, maar dat was de vader van ds Brouwer, hoogleraar te Utrecht en woonachtig te Zeist. Uiteraard is het riskant om te beweren dat ik helemaal niets – of in dit geval: niemand – over het hoofd heb gezien, maar ik meen toch wel te mogen stellen dat het zo goed als zeker is dat de A.M.B. uit het krantenbericht niemand anders dan ds. Anton Marinus Brouwer te Engelen, destijds nog net 36 jaar oud, kon zijn. De jaargang 1939 hoef ik ook niet meer te controleren, want niemand anders in het boek met de genoemde initialen kan in mei 1939 wel in Noord-Brabant predikant geweest zijn.

Anton Marinus Brouwer (1903-1982)

Ds Anton Marinus Brouwer (1903-1982) in 1944. Hij was toen inmiddels predikant in het Drentse Vledder. En kwam daar herhaaldelijk in conflict met de NSB-burgemeester.

Kortom, Coen Wessel had met zijn snelle aanzet tot identificatie gelijk. Het was heel slim om (kennelijk) te bedenken dat een predikant die in 1939 zijn mond niet kon houden over Hitler, in de oorlog waarschijnlijk ook niet al te gedwee zou zijn. Die gedachte klopte. A.M. Brouwer figureerde dus inderdaad in een lijst in Het Verzet der Hervormde Kerk. Maar zolang we niet uit konden sluiten dat er nog een A.M.B. in Noord-Brabant dominee was, konden we niet al te stellig zijn. Toen ik maandag dan ook door Radio EenVandaag werd uitgenodigd om op Radio 1 iets over mijn volstrekt onpretentieuze stukje hierboven te komen vertellen, moest ik dan ook nog een slag om de arm houden. Het bericht in het communistische dagblad leek wel over Brouwer te gaan, maar helemaal zeker konden we nog niet zijn. Maar dat kunnen we nu wel zijn, of althans bijna zijn.

En verder viel het me vanmorgen op hoe stil het op de UB is geworden. Ik bedacht dat ik daar nu zo’n veertig jaar kom. Vanmorgen raadpleegde ik Van Alphen aan een tafeltje in wat zo’n vier decennia geleden de centrale uitleenhal was. Waar ik nu zat, was toen zo ongeveer de uitleenbalie. Het boek dat je wilde hebben, zocht je op in een kaartenbak in grote kasten die een aanzienlijk deel van de hal vulden. Je leverde een geel briefje met doordrukmogelijkheden in en wachtte tot ongeveer een half uur later je naam werd omgeroepen. Ik werd trouwens soms al eerder op het matje geroepen, omdat ik te onduidelijk zou hebben geschreven. Maar het was er altijd een drukte van jewelste. Mensen liepen onrustig tussen de kasten heen en weer, anderen zaten aan de kant te wachten, lazen ondertussen een (eigen) meegebracht boek, of kletsen wat met elkaar. En steeds was er de wel luidruchtige, maar vaak ook onduidelijke omroepinstallatie. En het aan en aflopen van de boekenophalers die ook nog wel eens ongezouten commentaar gaven – op boeken of derzelver leners. Hoe anders is het nu. Een en al serene rust, een zaal vol met beeldschermen. Maar heel weinig mensen die kennelijk boeken komen ophalen, die nu trouwens iets verder in bakken klaarliggen in een rode ruimte en die je zelf, zonder enige zichtbare menselijke hulp, met je pasje kunt registreren en meenemen of inzien. De ervaring was trouwens niet nieuw voor me, want ik kom er vaker. Maar ik moet toegeven dat ook er veel minder frequent kom dan pakweg twintig jaar geleden, simpelweg omdat ik veel dingen ook thuis wel achter het scherm kan vinden. Maar niet alles gelukkig.

Maar goed, dat is een ander verhaal.

(207)

Van Alphen’s Nieuw Kerkelijk Handboek voor