Archive for november, 2015

16 november 2015

De daders hebben het gedaan

door Jan Dirk Snel

[Maandag 16 november 2015] Het enige zinnige dat je over aanslagen als in Beiroet of Parijs kunt zeggen, is dat de daders het gedaan hebben. En je kunt natuurlijk ook nog opmerken dat het erg is voor de onschuldige slachtoffers, maar dat spreekt vanzelf.

Verdediging
Niet voor de daders overigens. Die menen gemeenlijk dat hun slachtoffers bepaald niet onschuldig zijn. In een democratische politieke orde beslissen alle burgers immers mee, is de gedachte in kringen van gewelddadige politiek salafisten, en dus zijn ook zij, mannen en vrouwen, mede verantwoordelijk voor de daden van hun politieke leiders. Als die dus oorlog voeren tegen IS (of in de ogen dezer lieden ongetwijfeld de ware oemma), dan hebben ze alle recht zich tegen hun aanvallers, onder wie ook deze schijnbaar zo onschuldige burgers, te verdedigen.

Parijs - Politieautos bij theater Bataclan

Politieauto’s bij theater Bataclan te Parijs – de dag na de aanslagen (Foto: Maya-Anaïs Yataghène)

Ja, verdedigen, want de terrorist – onze terechte omschrijving – ziet zichzelf veelal als een soldaat die terugvecht. Terrorisme vergt een morele rechtvaardiging. Mensen doden niet zo gemakkelijk. Ze moeten een goede reden hebben. Misschien dat bij de daders pure woede, over wat hun mensen allemaal is aangedaan, overheerst, bij degenen die hen sturen of inspireren, zal de redenering meestal uitgebreider zijn. We weten dat de aanslag op de Twin Towers op 9/11 in de ogen van radicale islamisten een daad van zelfverdediging was nadat Amerika het heilige Saoedische grondgebied door militaire presentie had bezoedeld.

Redenen
De daders hebben het gedaan en we weten ongeveer waarom. Maar juist daar kunnen we slecht mee leven. Mensen zijn hermeneutische wezens die behoefte hebben aan duiding, aan verklaring en betekenis. De vaststelling dat een aantal lieden besloten heeft een bloedbad aan te richten, bevredigt ons niet. Er moet meer aan de hand zijn. En al gauw komen dan de meest brede verklaringen op tafel. Komt dit niet voort uit de islam? Of misschien is het wel de schuld van de religie als zodanig? Of vanuit weer een andere denkwijze: is dit niet het gevolg van westers imperialisme? De verklaringen kunnen niet breed of vergezocht genoeg zijn, altijd komt er wel iemand mee aanzetten.

Het probleem is niet dat er soms niet iets in zou kunnen zitten, het probleem is wel dat ze aan de verkeerde kant beginnen. Elke analyse moet beginnen bij de daders. Zíj hebben het gedaan en niemand anders. Maar als alle mensen zijn zij met anderen verbonden: mensen die hen steunen, mensen die hen inspireren. Dat is de kring van geestverwanten. En daaromheen heb je een bredere kring die hun terreurdaden misschien niet direct ondersteunt, maar er wel enig begrip voor heeft.

Daar houdt het op. Tenminste als het om het niveau van redengeving gaat. Terroristen handelen niet in het luchtledige. Hoe meer mensen hun gedachtegang delen, ook al is het maar voor een klein deel, hoe meer ze zich ingebed voelen. Natuurlijk steunden de meeste marxisten in de jaren zeventig de ‘stadsguerrilla’ van de RAF niet, maar de leden van die terreurgroep konden denken dat zij alleen maar radicaler doorvoerden wat anderen ook vonden. Zo kunnen islamitische terroristen nu ook denken dat zij alleen maar consequent uitvoeren wat radicale salafisten betogen.

Daarom is het heuglijk als mensen die iets met hen delen, bijvoorbeeld hun religie, hun daden veroordelen. De allerradicaalsten raken erdoor geïsoleerd. Het gaat niet aan om iedereen die ook maar iets met terroristen gemeenschappelijk heeft, te vragen ‘afstand’ te nemen, alsof die er al niet zou zijn, maar het is goed als mensen die afstand ook duidelijk tot uitdrukking brengen.

Oorzaken
Na de redenen volgen de oorzaken, die gedrag deels zouden kunnen verklaren, en de bredere kaders waarbinnen dat valt. Als een terrorist ‘Allahoe akbar’ roept, heeft zijn daad uiteraard iets met de islam, religie, of zelfs taal, te maken, maar wie die factoren als verklaring opvoert, kiest eenvoudigweg een te brede categorie, die als zodanig niets verheldert.

De daders hebben het gedaan. En degenen die hen op hun gedachten brengen en hen steunen, zijn ook schuldig. Vervolgens kan men een breed en soms zinvol net aan verbanden opzetten, maar dan gaat het om achterliggende verklaringen, niet om redenen. De meest inzichtvolle analyse begint niet met een brede vlucht, maar blijft dicht bij de feiten. Dat is de ware intellectuele kunst.

(192)

13 november 2015

Verklaring OM zet geloofwaardigheid fractievoorzitters op het spel

door Jan Dirk Snel

[Vrijdag 13 november 2015] Het Openbaar Ministerie heeft flink olie op het politieke vuur gegooid. Anders valt het persbericht dat het woensdag 11 november 2015 deed uitgaan over het mogelijk lekken van informatie uit de Commissie voor de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten (CIVD) van de Tweede Kamer niet te interpreteren.

Misdrijf
Het OM stelt dat een lid van de Tweede Kamer mogelijk een ambtsmisdrijf begaan heeft. Dat is een zware beschuldiging, die in feite uit twee afzonderlijke elementen bestaat. Ten eerste dat er mogelijk van een misdrijf sprake is. Ten tweede dat dat mogelijk door een Tweede Kamerlid gepleegd is. Het vreemde is echter dat het OM wel verwijst naar artikel 119 van de Grondwet dat impliceert dat leden van de Staten-Generaal ambtsmisdrijven kunnen begaan, maar op geen enkele wijze aanduidt welke wettelijke bepalingen in dit geval dan overtreden zouden zijn. We moeten maar raden.

NRC20140218

Het stuk dat NRC Handelsblad op dinsdag 18 februari 2014 publiceerde, leidde tot de huidige affaire.

Het enige dat we weten, is dat het OM onderzoek heeft laten doen naar aanleiding van een publicatie in NRC Handelsblad van 18 februari 2014, op grond waarvan het vermoeden ontstond dat een journalist ‘letterlijk had geciteerd’ uit de geheime notulen van twee CIVD-vergaderingen, van 12 december 2013 en 5 februari 2014. We kunnen daaruit opmaken dat de informatie in het NRC-artikel kennelijk juist is. Als de journalist maar wat uit zijn duim had gezogen, zou een dergelijk onderzoek immers onnodig zijn geweest.

Over geheimhouding ten aanzien van de gedachtewisseling in besloten commissievergaderingen handelt allereerst het Reglement van Orde van de Tweede Kamer. Dat zegt dat bij schending van de geheimhouding het presidium kan voorstellen om een lid ‘voor ten hoogste één maand uit te sluiten van alle vergaderingen van één of meer commissies’ of om een lid ‘voor ten hoogste de verdere duur van de zitting uit te sluiten van de kennisneming van vertrouwelijke stukken’, waarna de Kamer moet beslissen.

Geheim
Kennelijk vond men deze zaak echter veel ernstiger. De commissievoorzitter deed immers aangifte en het OM liet onderzoek doen. Maar wat werd er nu eigenlijk onthuld? Uit het NRC-artikel bleek dat minister van Defensie Jeanine Hennis-Plasschaert op 12 december 2013 aan de CIVD gemeld had dat 1,8 miljoen metadata, waarvan haar collega Ronald Plasterk van Binnenlandse Zaken eerder beweerd had dat die door de Amerikaanse afluisterdienst NSA verzameld waren, in werkelijkheid door Nederlandse inlichtingendiensten aan de Amerikanen geleverd waren. Dat hadden beide ministers inmiddels in een brief op 4 februari 2014 openbaar gemaakt.

Het eigenlijke ‘geheim’ kon dus niet meer onthuld worden. Het enige dat daaraan toegevoegd werd, was dat de fractieleiders, die lid zijn van de CIVD, dit dus al sinds december wisten. En dat ze vervolgens op 5 februari minister Plasterk het recht ontzegden te vertellen dat zij het al wisten. Kortom, het ging niet meer om het ‘wat’, maar om het ‘dat’: niet wat er gezegd was, maar dat het gezegd was.

Het is dan ook de vraag of zo’n tamelijk onschuldige onthulling, waarbij werkelijk geen grote staatsgeheimen verklapt werden, aangifte en onderzoek rechtvaardigt. Het Wetboek van Strafrecht kent een reeks specifieke ‘ambtsmisdrijven’, maar die hebben slechts betrekking op het handelen van ministers (‘hoofden van ministeriële departementen’), de bevelhebber van de gewapende macht, ambtenaren en rechters, niet op leden van de Staten-Generaal. Ook artikel 98 waarin het gaat over inlichtingen ‘waarvan de geheimhouding door het belang van de staat of van zijn bondgenoten wordt geboden’, kan hier niet van toepassing zijn. Mogelijk denkt het OM aan artikel 272 over een ‘geheim’ waarvan men ‘weet of redelijkerwijs moet vermoeden’ dat men dat ‘uit hoofde van ambt, beroep of wettelijk voorschrift dan wel van vroeger ambt of beroep verplicht is het te bewaren’. We weten het gewoon niet.

Misleiding
En het is nog maar de vraag of dit of een dergelijk artikel hier werkelijk van toepassing is. Mocht men nadat het eigenlijke ‘geheim’ al lang en breed bekend was, werkelijk niet zeggen dat het al ter sprake was gekomen?

Nu we weten dat het OM het NRC-artikel als een serieuze onthulling beschouwt, weten we immers ook dat de acht fractievoorzitters (Pechtold, Roemer, Van Ojik, Thieme, Van Haersma Buma, Klein, Wilders en Bontes) die tijdens het debat van 11 op 12 februari 2014 een motie van wantrouwen tegen minister Plasterk indienden, daarin op zijn minst langs de grens van de waarheid scheerden. Ze stelden immers dat de minister de Kamer niet had geïnformeerd ‘nadat voor hem duidelijk was geworden dat de informatie die hij eerder naar buiten had gebracht onjuist en onvolledig was’. Dat had hij inderdaad niet direct gedaan nadat hij die informatie op 22 november verkreeg, maar de fractievoorzitters wisten ook dat die informatie op 12 december wel met hen gedeeld was. Gezien de context van het debat, waarin de mogelijkheid de CIVD vertrouwelijk te informeren besproken werd, kozen ze daarmee bewust een misleidende formulering. Ze hadden gemakkelijk een behoedzamere formulering kunnen kiezen, die zich tot het openbare aspect beperkte.

Bovendien weten we nu dat de verklaring die de CIVD naar aanleiding van het NRC-stuk op 18 februari 2014 deed uitgaan, namelijk dat ze zich ‘niet geïnformeerd’ achtte ‘over de rol en werkwijze van de Nederlandse inlichtingen- en veiligheidsdiensten bij de verzameling van de 1,8 miljoen metadata’, al even misleidend was.

Gevolgen
We mogen aannemen dat het OM beseft heeft dat het persbericht van woensdag ernstige politieke gevolgen kan hebben. De geloofwaardigheid van een groot aantal fractieleiders staat nu immers op het spel. Ook het OM had gemakkelijk voor een terughoudendere, conditionele verklaring kunnen kiezen. Bijvoorbeeld dat het buiten de Kamer geen lek had gevonden en dat als de Kamer van oordeel was dat een lid een ambtsmisdrijf had begaan, ze dan zelf de opdracht tot vervolging zou moeten geven.

Nu stelt het OM weliswaar niet met zekerheid dat een Kamerlid een ambtsmisdrijf heeft gepleegd, maar de formulering acht die mogelijkheid duidelijk meer dan hypothetisch. Dat is een zware aantijging, waarbij het feitelijke element mogelijk klopt – er is kennelijk iets verteld – maar waarvan nog maar te bezien valt of ze juridisch standhoudt. Waarom mogen fractievoorzitters impliciet wel onjuiste informatie over het besprokene verspreiden, maar mag daar geen correctie op volgen? Hoe verhouden het juridische en het politieke element zich hier tot elkaar? Het wonderlijkste blijft echter dat het OM niet zegt op welke rechtsgrond het zijn vermoeden baseert.

Naschift (donderdag 19 november 2015, 9,45 uur)
Als een soort vervolg hierop heb ik een artikel geschreven dat zich meer op het onderzoek van de Tweede Kamer concentreert. Het verscheen op woensdag 18 november in het Reformatorisch Dagblad onder de kop Onderzoek naar lek schaadt aanzien Kamer.

Tweede naschrift (donderdag 31 december 2015, 15.15 uur)
Nu ik vandaag het stukje hierboven nog eens overlas, nadat ik de afgelopen maand en vooral de afgelopen dagen nieuwe stukjes over het onderzoek naar het zogenaamde CIVD-lek geschreven had – een overzicht vindt men hier – viel me één omissie op. Ik had moeten verwijzen naar artikel 84 van het Wetboek van Strafrecht. Daarin staat: ‘Onder ambtenaren worden begrepen leden van algemeen vertegenwoordigende organen.’ Dat wil dus zeggen dat overal waar het Wetboek van Strafrecht over ambtenaren schrijft, men ook aan leden van de Staten-Generaal moet denken. Dat maakt de mogelijkheid om een Kamerlid op een ambtsmisdrijf of ambtsovertreding te pakken uiteraard veel groter. Ik geloof niet dat het verder voor het bovenstaand heel veel uitmaakt, maar dit moet er toch wel nadrukkelijk bij.

(191)