Archive for ‘Geschiedenis’

17 april 2016

De dominee die Hitler géén boef noemde – Enkele overwegingen bij een krantenknipsel

door Jan Dirk Snel

[Zondag 17 april 2016] Op Twitter circuleerde de afgelopen dagen een afbeelding van een krantenbericht dat van 25 mei 1939 zou zijn en dat als kop had: ‘Dominee zou Hitler beledigd hebben’. Waarom dat juist nu zo vaak doorgegeven wordt, laat zich raden. Iedereen denkt natuurlijk onmiddellijk aan het Duitse geval waarin een of andere komiek, Jan Böhmermann geheten, de Turkse president Recep Tayyip Erdoğan, onmiskenbaar een bevriend staatshoofd, beledigd zou hebben. (Of heeft, want dat hij de man beledigd heeft, lijkt me eigenlijk geen vraag. Wat we daarvan moeten vinden en of het misschien wel terecht was en vooral of de heer Erdogan daar zelf nu echt iets van zou moeten vinden, dat is dan weer een gans andere vraag.)

Argwaan
Maar er lijkt iets merkwaardigs aan de hand met dat plaatje over de Brabantse predikant die Hitler beledigd zou hebben (afbeelding 2). Het is bijvoorbeeld vreemd dat de datum er zo pontificaal midden boven staat. Dat komt echt zelden voor bij zo’n knipsel. Vaak staat de datum in kranten immers links- of rechtsboven, maar het zou natuurlijk om een krant kunnen gaan die de dag van uitgave midden boven een pagina placht af te drukken – ook dat kwam voor – en dan zou dit berichtje dus toevallig net midden boven aan de pagina in de middelste kolom geplaatst zijn. Het kan natuurlijk eens zo uitkomen, maar argwaan roept het zeker op.

Hitler boef -

Afbeelding 1. ‘Dominee zou Hitler beledigd hebben’. Bericht uit Het Volksdagblad (hoofdredacteur Paul de Groot) van donderdag 25 mei 1939, pagina 5.

Nog meer argwaan roept het op als we zien dat er ook een plaatje bestaat, waarin naast het Nederlandse bericht een Duitse versie is weergegeven (afbeelding 3), die niet alleen een rechtstreekse, zij het geen letterlijke vertaling bevat – in het Duits is de predikant al veroordeeld, terwijl hij in het Nederlands slechts vervolgd wordt (en een Gottesdienst is natuurlijk iets anders dan godsdienst) – maar er, ondanks het afwijkende lettertype, wel direct op gemodelleerd lijkt te zijn. Dat het Duitse knipsel authentiek zou zijn, lijkt vrijwel uitgesloten. Als het uit een Duitse krant afkomstig zou zijn, dan zou er immers zeker een plaats- of zelfs landsaanduiding bij gestaan hebben. Er zou op zijn minst uitgelegd zijn waar Voorschoten lag. (Ik denk ook dat men destijds niet in Den Haag, maar im Haag geschreven zou hebben, maar daarin kan ik me heel goed, of heel lelijk, vergissen.) En dan hebben we het nog niet over de tekstkeuze. Zou Hitler ook in die luttele zinnen niet één keer Führer genoemd zijn? Maar als de Duitse versie al onecht lijkt, dan roept dat nog meer vragen op omtrent het Nederlandse ‘origineel’ ernaast. Dat plaatje is zo immers zeker in elkaar gezet.

Het is dan ook niet vreemd dat sommigen zich afvroegen of het knipsel wel echt is, zoals bijvoorbeeld gebeurt op de weblog The world according to Minipluim. Het antwoord is dat het iets ingewikkelder lijkt te liggen. De woorden in het knipsel zijn op zich wel echt, maar het knipsel lijkt zelf op zijn beurt bij elkaar geknipt te zijn.

Hitler een boef?
Ik besloot gisteren even naar het originele bericht op zoek te gaan en dat liet zich zo in Delpher vinden (afbeelding 1). Ik postte het toen ook op Twitter, waar het veel aandacht kreeg – en waarop ik ook reacties kreeg waar ik voor het bovenstaande uit kon putten. Het bericht is dus op zich wel degelijk authentiek, maar het was langer. Het was afgedrukt op pagina 5 van de aflevering van donderdag 25 mei 1939 van Het Volksdagblad, waarvan de bekende communist Paul de Groot hoofdredacteur was. Dit is de tekst van het volledige bericht:

Dominee zou Hitler beledigd hebben
Teruggewezen naar vooronderzoek
Dinsdagmorgen moest de predikant A. M. B. uit de provincie Brabant voor den Haagsen politierechter terecht staan, wegens belediging van Hitler.
De verdachte zou n.l. in een vergadering te Voorschoten, bij de bespreking van godsdienstige vraagstukken, ten aanzien van Hitler het woord „boef” gebruikt hebben. De predikant werd daarom vervolgd wegens het beledigen van een bevriend staatshoofd.
De verdachte, voor de politie-rechter gehoord, zeide echter, dat hij wel is waar het woord boef had gebezigd, doch niet had beweerd, dat Hitler een boef was. Hij had n.l. in bedoelde vergadering gezegd, dat Hitler, al doet hij dit en dat, in het geheel nog niet een boef genoemd mag worden.
De veldwachter, die verbaal had opgemaakt, bevestigde dit.
„Waarom stuurt U me dan zo’n verbaal”, vroeg de officier. „U had eerst overleg met mij moeten plegen.”
„Ik heb het met den burgemeester besproken.”, antwoordde de getuige. „De burgemeester zei, dat ik het maar opschrijven moest.”
Daarop werd de zaak naar het vooronderzoek teruggewezen.

Hitler boef - Volgens Gerard de Boer

Afbeelding 2.’Dominee zou Hitler beledigd hebben’. Hetzelfde bericht, maar dan korter, volgens de weergave van Gerard de Boer (4 oktober 2015). Het heeft er alles van weg dat dit knipwerk uit afbeelding 1 hierboven betreft. Zelfs de ‘vervuiling’ rond de a van ‘donderdag’ is identiek aan die op bladzijde 5 van Het Volksdagblad in de weergave door Delpher.

Het verkorte bericht dat als afbeelding de ronde deed op Twitter, was afkomstig uit een stukje van 4 oktober 2015, getiteld ‘Over de bevriende staatshoofden Hitler en Johnson’, van de weblog van Gerard de Boer. We moeten natuurlijk voorzichtig zijn en het is bij voorbaat niet helemaal uitgesloten dat De Boer het bericht uit een andere krant heeft, die precies dezelfde letter gebruikte als Het Volksdagblad en waarbij de zetter de letters exact verdeelde als een collega van hem bij de communistische krant – die krant plaatste de datum trouwens wel midden boven, dus op dat punt was eventuele argwaan niet terecht – maar het heeft er op zijn minst alle schijn van dat De Boer wel het originele bericht heeft gebruikt, maar nogal aan het knutselen is geslagen. Dan heeft hij dus zelf de datum uit de krant boven het bericht geplaatst, de ondertitel weggeknipt en vooral ook de rest van het bericht weggelaten. De Boer schrijft dat de dominee Hitler een boef noemde, terwijl het bericht juist het tegendeel zegt. Het is bovendien merkwaardig dat hij er wel bij zet dat het bericht uit zijn eigen collectie afkomstig is, maar dat hij er niet even bij vertelt om welke krant het dan gaat. Waarom geen werkelijke bronvermelding? Maar enfin.

Een neutraal land
Maar nu nog even het bericht zelf. Hoe moeten we dat lezen? Ik denk zo. Die dominee is natuurlijk wel degelijk erg kritisch geweest over Hitler. Waarom zou de veldwachter anders aanwezig geweest zijn bij een ‘bespreking van godsdienstige vraagstukken’? Dat ‘dit en dat’ van de dominee zal vast en zeker niet vriendelijk geweest zijn over het staatshoofd van het grote naburige land. Hij zal Hitlers euveldaden ongetwijfeld vrij concreet benoemd hebben. Maar de Brabantse dominee zal ook beseft hebben dat hij op zijn hoede moest zijn. Dus zal hij in zijn beschrijving van Hitlers daden duidelijk genoeg geweest zijn en daar bepaald geen gunstig beeld van gegeven hebben. Maar hij zal ook geweten hebben dat Hitler een boef noemen problemen op kon leveren.

Wat men daarbij steeds bedenken moet, is dit. Nederland was sinds een eeuw – de Londense conferentie waarop de afscheiding van België geregeld werd – een neutraal land, dat er alles aan deed om conflicten met een machtig buurland te voorkomen. Het wilde geen aanleiding tot ruzie geven. Nou zou één belediging door een brave burger nog geen casus belli opgeleverd hebben, maar men wilde wel voorkomen dat er – zoals dat nu in Duitsland het geval is – aanleiding voor diplomatieke klachten zouden zijn. Een opstapeling van voor de machtige Duitse buur ongunstige gevallen wilde men zeker voor zijn. Kortom, het doet nu heel vreemd aan dat men Hitler niet gewoon kon noemen wat hij was, namelijk een enorme misdadiger – dat boef klinkt nu eerder verharmlosend (‘Wat een boefje toch, die Adolf’) – maar gezien de precaire plaats van Nederland in de toenmalige internationale verhoudingen was het niet zo onbegrijpelijk.

Hitler boef - Nederlands en Duits

Afbeelding 3. ‘Pfarrer soll Hitler beleidigt haben’. Een Duitse krant zou het bericht niet alleen letterlijk overgenomen hebben, maar ook nog eens vrijwel dezelfde opmaak gebruikt hebben, op het lettertype na. Die Duitse krant zou het bovendien niet nodig gevonden hebben de lezer uit te leggen waar Voorschoten ligt.

Dus zei die dominee: Hitler is geen boef, maar… Het woord is dan toch gevallen en de hoorders weten wel beter. De dominee heeft ze ondanks zijn ontkenning wel op een idee gebracht. Let ook op zijn formulering voor de politierechter: ‘dat Hitler, al doet hij dit en dat, in het geheel nog niet een boef genoemd mag worden.’ Het mocht niet! En dat zei de dominee, die kennelijk niet op zijn achterhoofd gevallen was, dus. Die veldwachter en burgemeester hadden de strekking waarschijnlijk best begrepen. Maar de officier van justitie, en de politierechter, mag men aannemen, wilden terecht een nauwkeurig proces-verbaal. En waren waarschijnlijk zeer tevreden dat ze zich zo met een formeel argument van de zaak konden afmaken.

De burgemeester
Dat is natuurlijk een reconstructie, die weliswaar alleszins redelijk en voor de hand liggend lijkt, maar die bij nader historisch onderzoek altijd weerlegd zou kunnen worden. Of aangevuld of gepreciseerd. Wie de predikant was, weet ik niet. Me dunkt, het moet niet al te moeilijk zijn dat uit te vinden, nu we de initialen al kennen. Bij mijn weten waren er in Voorschoten destijds aan protestantse zijde alleen hervormde en gereformeerde kerken en de kans is dus groot dat het om een hervormde of gereformeerde predikant ging. En daarvan waren er in Noord-Brabant nu ook weer niet overdreven veel. Wie even naar de bibliotheek gaat en daar Van Alphen’s Nieuw Kerkelijk Handboek voor 1939 opvraagt, is er na enig bladeren waarschijnlijk zo uit. Maar daarvoor ontbreekt mij nu helaas de tijd. (Ik wacht nu maar op de gedienstige geest, die zijn nieuwsgierigheid niet kan bedwingen en een dezer dagen toch in een UB moet zijn.)

Wie de burgemeester was, kunnen we wel zo uitvinden. Dat was M.F. Berkhout en die stond ook in de oorlog kennelijk niet als heldhaftig bekend. ‘Hij heeft altijd alles gedaan wat de bezetter vroeg’, oordeelde een lokale historicus. Want dat is natuurlijk wel een punt – de houding van de burgervader. Dat de Nederlandse wetgeving belediging van een bevriend staatshoofd niet toestond, dat was niet zo vreemd. Dat was kennelijk internationaal gebruikelijk. Men bedenke wel dat in voorgaande eeuwen niet landen handelden, maar vorsten. Vorsten voerden oorlog met elkaar, niet staten. Nog steeds stonden staatshoofden symbool voor de gehele natie en representeerden ze de staat. Dat men Hitler en Duitsland geen aanleiding voor ongenoegen wilde geven, valt vanuit de neutraliteitspolitiek wel te begrijpen.

Maar hoe men daarmee omging, dat maakte natuurlijk wel uit. Wie had er belang bij zo’n kerkelijke of godsdienstige vergadering? Waarom stuurde de burgemeester de veldwachter? Waarom wilde hij liever niet niets weten? Dat zijn wel vragen die iets over zijn houding zeggen.

Ds. Anton Marinus Brouwer? – Naschrift (19.40 uur, lichtelijk aangepast om 21.45 uur)
En al heel snel kwam er een uitstekende suggestie binnen omtrent de mogelijke identiteit van ds. A.M. B. Binnen drie kwartier twitterde Coen Wessel: ‘Mijn gok is Anton Marinus Brouwer (1903-1982). Of hij in Brabant stond in 1939 heb ik nog niet kunnen vinden.’ En een daarop volgende tweet schreef hij: ‘Maar hij stond er wel later. In 1943 stond hij in Vledder waar hij meerdere malen verhoord is (Touw, Verzet NHK, II p.334).’ Dat later, dat klopt. Ds. A.M. Brouwer, een zoon van de bekende hoogleraar Annéus Marinus Brouwer (1875-1948), stond vanaf 1949 in Berlicum en Rosmalen – in 1954 kwam Dinther daarbij – alwaar hij tot zijn emeritaat in 1969 bleef (waarna hij er kennelijk nog enkele jaren actief bleef). Tussen Vledder en Berlicum in was hij ook nog legerpredikant in Indonesië (Nederlands-Indië) geweest. Maar hij stond ook al eerder in Noord-Brabant, zo blijkt na enig verder speuren. Van 1938 tot 1940 was Brouwer predikant in het Brabantse Engelen, vanwaar hij in 1940 naar het Drentse Vledder vertrok. Op 23 mei 1939, toen ds. A.M. B. voor de Haagse politierechter moest verschijnen, was hij dus een predikant ‘uit de provincie Brabant’, zoals het communistische dagblad hem omschreef.

CoenWessel - A.M. Brouwer

.

Ook heb ik meteen maar even nagekeken wat H.C. Touw in zijn bekende werk Het Verzet der Hervormde Kerk. II. Documenten van het Kerkelijk Verzet (‘s-Gravenhage 1946) op de vermelde bladzijde over Brouwer meldt. Hij komt daarin voor in een overzicht van predikanten die wel verhoord werden, maar waarop geen arrestatie volgde. Daar lezen we dat A.M. Brouwer te Vledder in het najaar van 1943, in december 1944 én in het voorjaar van 1945 in zijn woonplaats Vledder verhoord werd door de burgemeester, een NSB’er, zo staat er bij – G.W. Boelems heette dit jonge broekje van 25 jaar overigens, die van 1942 tot 1945 burgemeester van Vledder was. En de aanleiding tot en het onderwerp van het verhoor wordt voor de eerste keer, in 1943 dus, zo omschreven: ‘motiveering in openbare vergadering van weigering meedoen aan Volksdienst’. Bij het tweede verhoor staat er: ‘plaatsen kinderen van I.K.B in bewuste tegenwerking van den Volksdienst’. IKB moet daarbij staan voor het Interkerkelijk Bureau voor Noodvoedselvoorziening en Kinderuitzending’. Kortom, ds. A.M. Brouwer was kennelijk een man die over het nazisme en daarna de Duitse bezetter geen blad voor de mond nam. En ook nog wel eens wat deed.

Hij zou het dus heel goed geweest kunnen zijn. Al zouden we, om volledig te zijn, eerst alle predikanten die begin 1939 in Noord-Brabant stonden, na moeten trekken. Waren er meerdere dominees met dezelfde initialen? Helemaal zeker kunnen we dus nog niet zijn – dat zijn we pas als we alle andere eventuele opties uit kunnen sluiten – maar de kans dat Coen Wessel de juiste persoon identificeerde, lijkt me toch behoorlijk groot. En Brouwer mag, gezien zijn houding, dus zeker wel eens genoemd worden.

En overigens, na plaatsing van mijn stuk om 17 uur had ik er nog enkele kleine verbeteringen in aangebracht. Maar dit terzijde.

Ja, het moet ds. Anton Marinus Brouwer geweest zijn – Tweede naschrift (woensdag 20 april 2016, 21.00 uur)
Vandaag was ik in de gelegenheid om bij de UB langs te gaan. De UB, dat is voor mij altijd de universiteitsbibliotheek van de Universiteit van Amsterdam aan het Singel. Daar lagen twee delen van Van Alphen op me te wachten, zoals dat in de wandeling heet. Of om vollediger te zijn: van Van Alphen’s nieuw kerkelijk handboek. Tevens compleet predikantenboek omvattende alle Protestantse kerken en gemeenten in Nederland, de Indische kerken, de Hollandse gemeenten in het buitenland, de Hollands-Afrikaanse en de Hollands-Amerikaanse kerken. Met bijlagen betreffende emeriti predikanten, candidaten t.d.h.d., godsdienstonderwijzers, studiebeurzen, pensioenen, onderwijs, bijbel- en zendingsgenootschappen, verenigingen, stichtingen, etc. Met voorkennis van het Departement van Financiën uit officiële bronnen verzameld door de Bond van Nederlandse Predikanten (Uitgave N.V. Drukkerij v/h Koch & Knuttel, Gouda). Waarbij, merk ik maar op, het altijd een kwestie van interpretatie is waar men onderscheidingen – door middel van toegevoegde interpunctie – aanbrengt en waar men al dan niet hoofdletters gebruikt; op de titelpagina staat alles immers in kapitalen. En die interpretatie hangt dan weer alleszins samen met het tijdsgewricht waarin de beschrijver leeft. Na enig aarzelen heb ik nu bijvoorbeeld maar t.d.h.d. geschreven en dat betekent tot de heilige dienst, maar enkele decennia geleden zou men de laatste woorden ongetwijfeld van hoofdletters voorzien hebben en dat zou waarschijnlijk in de afkorting zijn doorgezet.

RIMG0728

Van Alphen’s Nieuw Kerkelijk Jaarboek, jaargang 1940. De gegevens werden in 1939 verzameld. Op bladzijde 322 de informatie betreffende Engelen en de plaatstelijke predikant, ds. A.M. Brouwer.

De twee exemplaren die voor me klaarlagen, waren van 1935 en 1940. In het stuk hierboven had ik het over de uitgave van 1939 gehad, maar dat bleek de UBA – zoals de instelling zichzelf tegenwoordig wel noemt – niet in huis te hebben. Maar dat gaf niet. Alleen met de jaargang 1940 kwam ik al uit. Het voorwoord was trouwens ondertekend op ‘St. Nicolaas 1939’. De gegevens moeten dus van niet al te lang daarvoor geweest zijn. Dat is dicht genoeg bij dinsdag 23 mei 1939, de dag waarop de Brabantse predikant A.M.B. voor de Haagse politierechter moest verschijnen. Ik heb dat deel van Van Alphen op diverse wijzen doorgenomen en de conclusie moet zijn dat A.M.B. geen ander kan zijn dan ds. Anton Marinus Brouwer te Engelen. Het grappige is zelfs dat hij de eerste Brabantse predikant is die gerangschikt onder een gemeente in het boekwerk verschijnt. Op pagina 322 begint de beschrijving van de gemeenten van de Nederlandse Hervormde Kerk in de Provincie Noord-Brabant met Limburg bij de classis ‘s-Hertogenbosch – dat schreef men destijds stijlvaster zonder dat lelijke en overbodige streepje van nu – en daaronder weer bij de Ring ‘s-Hertogenbosch en dan is Engelen die eerste gemeente die beschreven wordt:

ENGELEN (Empel en Crevecoeur) (85) Stemgerechtigden, Eig. Beh.; – autobus op ’s Bosch; – consulent 1 Vlijmen, 2 ’s Hertogenbosch 1.
Pred. tract. f 1700 (R.T. f 850, van de Synode f 450) met pastorie; Em. pens. f 1500 (R.p. f 1190, Hpf. f 170, Aanv. f 140); Rijkswed. pens. f 140.
A.M. Brouwer, geb. 1903, Cand. in Geldl. 1935, hulppred. te Nijehaske, pred. te Engelen 9 Jan. 1938.

Natuurlijk heb ik verder gebladerd. Maar er komt simpelweg geen andere dienstdoende predikant in het boekwerk voor, die de initialen A.M.B. droeg en in Noord-Brabant stond. Eerst heb ik uiteraard de hervormden bekeken (inclusief de Walen) en daarna de gereformeerden, omdat er in Voorschoten, de plaats aan de Vliet waar de Brabantse dominee er door de veldwachter bij werd gelapt, slechts een hervormde gemeente en een gereformeerde kerk waren en het enigszins voor de hand ligt dat een spreker aansluit bij de plaatselijke denominaties. Maar daarna heb ik ook de opgaven aangaande alle andere in het boek opgenomen kerkgenootschappen doorgenomen en nergens kwam ik een andere dominee A.M.B. tegen die in Noord-Brabant resideerde. In het register van dienstdoende predikanten kwamen nog wel twee A.M.B.’s voor, maar de een, A.M. Berkhoff, was (op dat moment) vrij-evangelisch predikant te Groningen en de ander, A.M. Boeijenga, was gereformeerd predikant te Haarlem. Onder de emeriti, opgenomen in afzonderlijke lijsten, kwam ik bij de hervormden uiteraard nog wel een A.M. Brouwer tegen, maar dat was de vader van ds Brouwer, hoogleraar te Utrecht en woonachtig te Zeist. Uiteraard is het riskant om te beweren dat ik helemaal niets – of in dit geval: niemand – over het hoofd heb gezien, maar ik meen toch wel te mogen stellen dat het zo goed als zeker is dat de A.M.B. uit het krantenbericht niemand anders dan ds. Anton Marinus Brouwer te Engelen, destijds nog net 36 jaar oud, kon zijn. De jaargang 1939 hoef ik ook niet meer te controleren, want niemand anders in het boek met de genoemde initialen kan in mei 1939 wel in Noord-Brabant predikant geweest zijn.

Anton Marinus Brouwer (1903-1982)

Ds Anton Marinus Brouwer (1903-1982) in 1944. Hij was toen inmiddels predikant in het Drentse Vledder. En kwam daar herhaaldelijk in conflict met de NSB-burgemeester.

Kortom, Coen Wessel had met zijn snelle aanzet tot identificatie gelijk. Het was heel slim om (kennelijk) te bedenken dat een predikant die in 1939 zijn mond niet kon houden over Hitler, in de oorlog waarschijnlijk ook niet al te gedwee zou zijn. Die gedachte klopte. A.M. Brouwer figureerde dus inderdaad in een lijst in Het Verzet der Hervormde Kerk. Maar zolang we niet uit konden sluiten dat er nog een A.M.B. in Noord-Brabant dominee was, konden we niet al te stellig zijn. Toen ik maandag dan ook door Radio EenVandaag werd uitgenodigd om op Radio 1 iets over mijn volstrekt onpretentieuze stukje hierboven te komen vertellen, moest ik dan ook nog een slag om de arm houden. Het bericht in het communistische dagblad leek wel over Brouwer te gaan, maar helemaal zeker konden we nog niet zijn. Maar dat kunnen we nu wel zijn, of althans bijna zijn.

En verder viel het me vanmorgen op hoe stil het op de UB is geworden. Ik bedacht dat ik daar nu zo’n veertig jaar kom. Vanmorgen raadpleegde ik Van Alphen aan een tafeltje in wat zo’n vier decennia geleden de centrale uitleenhal was. Waar ik nu zat, was toen zo ongeveer de uitleenbalie. Het boek dat je wilde hebben, zocht je op in een kaartenbak in grote kasten die een aanzienlijk deel van de hal vulden. Je leverde een geel briefje met doordrukmogelijkheden in en wachtte tot ongeveer een half uur later je naam werd omgeroepen. Ik werd trouwens soms al eerder op het matje geroepen, omdat ik te onduidelijk zou hebben geschreven. Maar het was er altijd een drukte van jewelste. Mensen liepen onrustig tussen de kasten heen en weer, anderen zaten aan de kant te wachten, lazen ondertussen een (eigen) meegebracht boek, of kletsen wat met elkaar. En steeds was er de wel luidruchtige, maar vaak ook onduidelijke omroepinstallatie. En het aan en aflopen van de boekenophalers die ook nog wel eens ongezouten commentaar gaven – op boeken of derzelver leners. Hoe anders is het nu. Een en al serene rust, een zaal vol met beeldschermen. Maar heel weinig mensen die kennelijk boeken komen ophalen, die nu trouwens iets verder in bakken klaarliggen in een rode ruimte en die je zelf, zonder enige zichtbare menselijke hulp, met je pasje kunt registreren en meenemen of inzien. De ervaring was trouwens niet nieuw voor me, want ik kom er vaker. Maar ik moet toegeven dat ook er veel minder frequent kom dan pakweg twintig jaar geleden, simpelweg omdat ik veel dingen ook thuis wel achter het scherm kan vinden. Maar niet alles gelukkig.

Maar goed, dat is een ander verhaal.

(207)

Van Alphen’s Nieuw Kerkelijk Handboek voor

30 december 2015

Drijfzand – Het betoog van Gerard Spong over de parlementaire onderzoekscommissie naar het ‘lek’ in de CIVD

door Jan Dirk Snel

[Woensdag 30 december 2015] Gerard Spong moet ergens een klok hebben horen luiden, maar waar hij überhaupt de klepel zou moeten zoeken, daarvan heeft hij geen idee. Dat is wel de conclusie die we kunnen trekken na lezing van zijn merkwaardige opiniestuk dat vandaag onder het opschrift ‘Bescherm het lek van de commissie-Stiekem tegen politiek proces‘ in NRC Handelsblad verscheen. Het gaat over de parlementaire onderzoekscommissie naar het veronderstelde ‘lek’ in de Commissie op de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten (CIVD). Gisteren verscheen het trouwens onder de kop ‘Kamerleden, pas op voor politiek proces Stiekem-lek‘ al op de website van de krant. Vanmorgen verscheen daar een geredigeerde en licht ingekorte versie met als kop ‘Pas op voor politiek proces Stiekem-lek’, die nu ingeruild lijkt tegen de derde versie die ook in de krant staat. Die kennelijk definitieve versie lijkt trouwens weer sterk op de eerste. Werd er in de eerste versie bij minister Pels Rijcken vermeld dat hij dat van marine was, in de tweede was dat weggelaten, maar nu staat het toch zo in de krant.

NRCpagina

.

Geen beroep
Niet alle wijzigingen in terugwaartse richting zijn overigens winst. Niet alleen Spong is slordig, de redactie heeft ook niet veel aan feitencontrole – in goed Nederlands ook wel fact checking geheten – gedaan. Neem nou deze zin over de gevluchte Rotterdamse havenbaron en fraudeur senator Lodewijk Pincoffs: ‘Lang heeft hij niet van zijn gefraudeerde geld kunnen genieten, want op 50-jarige leeftijd stierf hij naar verluidt in Afrika.’ Iedereen weet natuurlijk dat Pincoffs niet naar Afrika – daar handelde hij op met de Afrikaansche Handelsvereeniging – maar naar de Verenigde Staten van Amerika gevlucht was. In de tweede versie was dat ‘in Afrika’ keurig geschrapt, maar nu staat het toch weer fout in de krant. Bovendien, Pincoffs, geboren op 7 juni 1827, was tijdens zijn vlucht in mei 1879 al 51 en toen zijn proces aanving, was hij inmiddels jarig geweest. Hij was toen al boven de 50 en hij stierf op 27 september 1911 in New York op de gezegende leeftijd van 84 jaar. Hij werd dus 34 jaar ouder dan Spong hem toedicht. Het is niet zo verschrikkelijk ingewikkeld om dat even na te kijken. In mijn vorige stukje moest ik opbiechten hoe onvoorzichtig ik kon zijn, maar deze slordigheid is toch wel erg opzichtig. Ik had er de redactie bovendien gisteren al op gewezen, maar kennelijk zonder resultaat.

Dit is natuurlijk slechts een detail, maar het zou wel eens kenmerkend kunnen zijn voor de gehele aanpak. Maar laat ik positiever beginnen bij de hoofdpunten van Spongs betoog, want daar lijkt nog wel iets goeds over te zeggen zijn. Hij lijkt in feite twee waarschuwingen te willen geven: 1. een proces zonder de mogelijkheid van beroep is in feite niet eerlijk, en 2. dit wordt al gauw een politiek proces.

Eerst – hoe kan het anders? – dat eerste punt. Het klopt dat het gaat om een rechtsgang met maar één instantie. Beroep is bij dit forum privilegiatum niet mogelijk. Dat lijkt inderdaad wat dubieus. Spong zegt dat dit ‘in strijd’ is met het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBP). Daarin staat inderdaad dat iedereen recht heeft op hoger beroep. Artikel 14 lid 5 is helder: ‘Everyone convicted of a crime shall have the right to his conviction and sentence being reviewed by a higher tribunal according to law.’ Maar Spong vertelt daarmee tevens weinig nieuws, want in elk goed commentaar bij artikel 119 van de Grondwet, dat handelt over ambtsmisdrijven door leden van de Staten-Generaal, ministers en staatssecretarissen, wordt dat ook direct opgemerkt. Zo schrijft C.J. Bax op Nederland Rechtsstaat (in een commentaar dat ook al in de tweede druk van het boek De Grondwet onder redactie van A.K. Koekkoek uit 2000 afgedrukt was) over dat genoemde lid 5 van artikel 14 van het IVBP: ‘Nederland heeft ten aanzien van het dit artikellid een voorbehoud gemaakt, om de bestaande regeling te kunnen handhaven.’ En hij geeft er keurig een verwijzing bij (die weer verwijst naar de parlementaire goedkeuringsbehandeling van het IVBP). Bax voegt er nog aan toe dat artikel 6 EVRM, ‘waarin het beginsel van ‘fair trial’ is neergelegd’, niet het recht op hoger beroep waarborgt. Kortom, we moeten nog maar zien of Spongs ferme uitspraak – ‘het parlement handelt onrechtmatig indien zij voormeld verdrag niet naleeft en de Hoge Raad om vervolging vraagt’ – standhoudt. Bovendien, het wettelijk vereiste aantal van tien raadsleden moet al een waarborg bieden dat er extra zorgvuldig afgewogen wordt. Het beroep zit in feite al in de eerste en enige instantie ingebakken, zou je met wat goede wil kunnen betogen. Maar een beetje vreemd is het naar hedendaagse maatstaven misschien allemaal wel, daarin heeft Spong gelijk.

Politiek proces
Dan het tweede punt. Loopt een vervolging van een lid der Staten-Generaal, een minister of staatssecretaris uit op een politiek proces? Of is het dat in feite per definitie? Tegen het eind van zijn stuk gebruikt Spong die typering zonder omwegen. Ja, in zekere zin is het per definitie een politiek proces, omdat de ‘opdracht tot vervolging’ wegens een ambtsmisdrijf in deze gevallen volgens de Grondwet alleen maar bij koninklijk besluit of bij een besluit van de Tweede Kamer kan worden gegeven. En volgens het derde lid van artikel 483 van het Wetboek van Strafvordering is de procureur-generaal bij de Hoge Raad ook ‘verplicht aan den ontvangen last tot vervolging onmiddellijk gevolg te geven’. Zugzwang dus. Er valt niet aan te ontkomen: aan elke opdracht tot vervolging zit hier een politiek luchtje. Maar is het proces daarmee zelf politiek? Je mag toch aannemen dat de procureur-generaal en de tien raadsheren in de Hoge Raad verder wel in staat zijn om zakelijk en rechtvaardig te oordelen. Kortom, de politiek komt aan de vervolging per definitie te pas, maar dat lijkt me nog geen reden om het proces als zodanig zomaar plompverloren een ‘politiek proces’ te noemen. Bovendien, je mag aannemen dat ook de Tweede Kamer of de regering in zo’n geval wel even goed kijken of er een harde zakelijke grond is voor eventuele vervolging. (Maar aan dat oordeel van de Tweede Kamer kan men dezer dagen sowieso al twijfelen – daarover morgen meer.) Overigens is deze weg natuurlijk gekozen om een zekere balans tussen de machten te behouden. Het is zo niet gemakkelijk om Kamerleden of bewindslieden wegens ambtsmisdrijven te vervolgen. Dát is de bedoeling: niet om zomaar een politiek proces te beginnen, maar om dat door de zware eisen juist heel lastig te maken.

Maar tot zover valt er voor Spongs betoog nog wel te iets zeggen. Hij is wat al te stellig, maar zijn kanttekeningen en waarschuwingen zijn niet gans onnuttig. Een rechtsgang zonder de mogelijkheid van beroep is dubieus en voor politieke invloed op de rechtsgang moet men ook op de hoede zijn. De wijze waarop hij zijn betoog historisch onderbouwt, is echter ronduit ongelukkig. Er klopt, kort gezegd, helemaal niets van.

Spong voert twee gevallen op: de veroordeling van minister van marine G.Ch.C. Pels Rijcken in 1868 en het arrest bij verstek tegen Eerste Kamerlid Lodewijk Pincoffs in 1880. De minister werd op woensdag 8 januari 1868, zijn 58e verjaardag, veroordeeld tot een geldboete van 10 gulden of bij wanbetaling subsidiair tot een gevangenisstraf van één dag. Dat omdat hij, terwijl de veetyfus heerste, zijn hond had laten loslopen. De senator werd op 6 maart 1880 tot acht jaar tuchthuisstraf en nog het een ander veroordeeld – men zie mijn vorige stukje – omdat hij zich aan ernstige fraude had schuldig gemaakt. Beide gevallen zijn de laatste weken vaak aangehaald. Maar kan men eruit concluderen wat Spong doet? Namelijk dat het erbij halen van de Hoge Raad ‘voor zo’n bagatel delict’ door een minister aantoont ‘dat zo’n parlementair geïnitieerde vervolging het resultaat kan zijn van politieke koehandel’? Of dat het gegeven dat samen met de senator ook een andere verdachte, diens mededirecteur van de Afrikaansche Handelsvereniging Henry Kerdijk, werd veroordeeld, laat zien dat ook nu nog medeverdachten, zoals de betrokken NRC-journalist, in een en het zelfde proces voor de Hoge Raad gebracht zouden kunnen worden?

PelsRijcken

Gerhard Christiaan Coenraad Pels Rijcken (1810-1889), minister van marine (1866-1868)

Alle misdrijven
Nou nee, bepaald niet. Het eerste dat iedereen die naar de twee zaken kijkt, direct al zal opvallen, is dat het eigenlijk niet om ambtsmisdrijven kan gaan. Een minister van het natte zilt, die zijn hond niet aanlijnt, kan die zich dan werkelijk schuldig maken aan een ambtsmisdrijf? En een senator die knoeit in zaken, begaat die een misdrijf dat uit zijn politieke ambt voortkomt? Nee, natuurlijk niet. De oplossing is dan ook simpel, zij het vrij lastig te achterhalen. Destijds golden eenvoudigweg nog geheel andere wettelijke bepalingen. Pels Rijcken en Pincoffs werden niet volgens een politieke opdracht vervolgd, maar gewoon door de procureur-generaal bij de Hoge Raad op eigen gezag – en niet wegens ambtsmisdrijven, maar vanwege andere wettelijke bepalingen.

De Grondwet van 1815 (artikel 177) en 1840 (artikel 175) zei dit:

‘De leden van de Staten-Generaal, de Hoofden der Departementen van Algemeen Bestuur, de leden van den Raad van State, de Commissarissen van den Koning in de Provinciën, staan te regt voor den Hoogen Raad, wegens alle misdrijven, gedurende den tijd hunner functiën begaan.
Wegens misdrijven in het uitoefenen van derzelver functiën begaan, worden zij nimmer in regten betrokken, dan nadat door de vergadering der Staten-Generaal daartoe uitdrukkelijk verlof is verleend.’

De cursiveringen zijn van mij. De tweede zin gaat over ambtsmisdrijven. En dan moest de Staten-Generaal toestemming voor vervolging geven. Maar de eerste zin gaat over ‘alle misdrijven’ door de genoemden, waaronder Kamerleden en ministers, tijdens hun ambtstijd begaan. Die kwamen wel voor de Hoge Raad, maar die kon de procureur-generaal kennelijk zo vervolgen.

Dit artikel werd uitgewerkt in de Wet op de Regterlijke Organisatie van 1827. En die zei in het toenmalige artikel 92:

‘De hooge raad neemt, met inachtneming van art. 159 van de grondwet, in het eerste en laatste ressort kennis:
1°. Van alle misdrijven (de overtredingen, waartegen geene straf van gevangenis is bedreigd, niet daaronder begrepen), gedurende den tijd hunner functiën begaan:
Door de leden der Staten-Generaal:
De hoofden der departementen van algemeen bestuur:
De leden van den Raad van State:
De commissarissen van den Koning in de provinciën;’

Daarop volgde nog een tweede lid, dat gelijkluidend als het eerste begon en vervolgens nog veel meer lieden – dragers van ambten, of in de toenmalige terminologie: ‘functiën’ – opsomde die er ook onder vielen. De cursivering is wederom van mij. Deze formulering was overigens niet van 1827, maar van iets later, maar wel van voor 1848 en in 1868 en 1880 gold ze nog onverkort. We zien ook dat overtredingen destijds terminologisch nog onder misdrijven vielen. Het huidige onderscheid is dus van later datum. En wat er staat, is helder: alle misdrijven en alle overtredingen waar gevangenisstraf op stond, door de genoemden ten tijde van hun functies begaan, kwamen voor de Hoge Raad. Dus ook de simpele politieovertreding die het niet aanlijnen van zijn hond door minister Pels Rijcken was. Er stond immers gevangenisstraf op, blijkt uit het vonnis. En in het geval van Pincoffs was dat al helemaal duidelijk. Met hun ambt had het als zodanig niets te maken. Het ging puur om het moment waarop ze een overtreding of misdrijf begingen waarvoor een ander voor de gewone rechter zou komen.

Alleen ambtsmisdrijven
Ondertussen was, gelijk bekend, de Grondwet in 1848 voor de tweede keer gewijzigd. Het bewuste artikel, dat het nummer 159 kreeg, zei vanaf toen dit:

‘De leden der Staten-Generaal, de hoofden der ministeriële departementen, de gouverneurs-generaal of de hooge ambtenaren onder een anderen naam met gelijke magt bekleed in de koloniën of bezittingen des Rijks in andere werelddeelen, de leden van den Raad van State en de commissarissen des Konings in de provinciën staan, wegens ambtsmisdrijven, ter vervolging hetzij van Koningswege, hetzij van wege de Tweede Kamer, te regt voor den Hogen Raad.’

Men ziet het: voortaan zouden alleen nog maar ambtsmisdrijven – opnieuw bracht ik de cursivering aan – door de genoemde ambtsdragers rechtstreeks voor de Hoge Raad gebracht worden. De andere misdrijven en overtredingen waren eruit. Maar waarom, zal men dan vragen, toch nog die curieuze vervolging van een minister in 1868 en een senator in 1879/80? Ook dit antwoord is simpel: omdat de wetstekst nog steeds niet aangepast was. En op grond van het derde additionele artikel bij de Grondwet van 1848 bleef de oude wetstekst tot die tijd gewoon gelden.

Pas in 1884, een paar jaar na de veroordeling van Pincoffs vanwege een ‘gewoon’ misdrijf door de Hoge Raad in eerste en enige instantie, slaagde minister van justitie M.W. baron du Tour van Bellinchave een nieuwe versie van de Wet op de Regterlijke Organisatie door de Staten-Generaal te krijgen. Toen sloot de wet eindelijk aan bij de herziene Grondwet. En vanaf toen stond er zo ongeveer in wat er nu nog in staat, namelijk dat de Hoge Raad ‘in eerste instantie, tevens in hoogste ressort’, kennis neemt van de ‘ambtsmisdrijven en ambtsovertredingen begaan door de leden van de Staten-Generaal, de ministers en de staatssecretarissen’. Let wel: de wet bleef dus ruimer dan de Grondwet: het gaat ook nu nog steeds niet alleen om de in de Grondwet genoemde ambtsmisdrijven, maar ook om ambtsovertredingen. Die kan de procureur-generaal dus nog steeds op eigen gezag rechtstreeks voor de Hoge Raad brengen.

Pincoffs

Lodewijk Pincoffs (1827-1911), Eerste Kamerlid (1872-1879)

Medeverdachten
Spong gebruikt het geval-Pincoffs met name om te betogen dat uit diens zaak volgens hem ‘blijkt’ – let op dat woord – dat de Hoge Raad niet alleen belast is met de ‘vervolging van parlementariërs en bewindspersonen, maar ook met vervolging van medeverdachten’ – waarna hij een uitvoerige opsomming geeft. En hij suggereert vervolgens dat ook de betrokken NRC-journalist als gewone burger ‘direct door de Hoge Raad berecht’ zou kunnen worden. Het lijkt mij sterk. In ieder geval kan ik nergens een wetsbepaling vinden die dit mogelijk maakt. En het ‘blijkt’ al helemaal niet uit deze zaak. Bij Pincoffs en zijn medeverdachte Kerdijk ging het om iets anders, niet om een ambtsmisdrijf, maar om een gewone strafzaak, die echter vanwege het Eerste Kamerlidmaatschap van Pincoffs – destijds, tot aan 1884 dus – voor de Hoge Raad gebracht moest worden. Beiden waren directeuren van dezelfde vennootschap. In feite hadden ze zich aan hetzelfde misdrijf – zeg maar fraude – schuldig gemaakt en het lag dus voor de hand dat de rechter hun relatieve rol in samenhang moest uitzoeken. We zagen – zie mijn vorige stukje – dat Pincoffs een tuchthuisstraf kreeg van acht jaar (en hogere boetes) en Kerdijk twee jaar eenzame opsluiting, die hij trouwens niet helemaal uitzat. Kortom, de Hoge Raad zag Pincoffs als de leidende man bij de fraude en zijn mededirecteur Kerdijk vooral als iemand die zijn machinaties al te volgzaam geslikt had. In dat geval was de gezamenlijke behandeling in feite een bescherming van Kerdijk.

Maar zoiets zal nu nooit aan de orde zijn. Een bewindspersoon of Kamerlid kan een ambtsmisdrijf als in de grondwet genoemd begaan, een journalist kan dat al helemaal niet. Kortom, deze mogelijkheid dienen we te schrappen. Hooguit zou het denkbaar zijn dat, niet in dit geval, maar een ander, een ambtenaar een keer zozeer betrokken is bij een ambtsmisdrijf dat door een bewindspersoon of Kamerlid begaan is, dat de berechting wel in samenhang moet geschieden. Maar ik moet dat nog zien. Het lijkt me in deze tijd niet snel meer denkbaar, vooral ook omdat de omvang van het zogenaamde forum privilegiatum inmiddels enorm is afgenomen. Viel er in de negentiende eeuw nog een enorme waslijst onder – ook ambassadeurs, griffiers en allerlei leden van de rechterlijke macht, de lijst is lang – nu is die beperkt tot ministers, staatssecretarissen en leden van de Staten-Generaal. Er is kortom niet veel meer van over. En de wet houdt er zeker niet expliciet rekening mee. (Toen trouwens ook niet voor zover ik kon zien, maar de logica van de gezamenlijke behandeling was tenminste evident.)

Besluit
We kunnen afsluiten. Het hele betoog van Gerard Spong is op drijfzand gebouwd. Hij heeft zijn voorbeelden slecht onderzocht en trekt daarom voorbarige conclusies. Hij heeft op zich gelijk dat zo’n rechtsgang zonder mogelijkheid van beroep wat vreemd is, maar of die gezien het door de Nederlandse staat gemaakte voorbehoud ‘onrechtmatig’ is, valt nog maar te bezien. Laten we niet vergeten dat we dit vanouds een forum privilegiatum noemen, een kwestie van bevoorrechting dus. Het is grappig dat dat in hedendaags perspectief ineens als achterstelling wordt gezien, maar er zit iets in. Maar of zo’n zorgvuldig samengesteld uitvoerig rechterlijke college geen eerlijk proces zou bieden, in bijvoorbeeld de ogen van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, moet eerst nog maar eens afgewacht worden. En dan kunnen we waarschijnlijk tot sint-juttemis wachten, want ik voorspel dat er voorlopig van een veroordeling geen sprake zal zijn.

Ook heeft Spong gelijk als hij waarschuwt voor een politiek proces – als je daar in het algemeen voor waarschuwt, heb je altijd gelijk – maar hij gebruikt die term nu veel te gemakkelijk. Deze procedure moet juist vervolging van politici wegens ambtsmisdrijven bemoeilijken en dat lijkt ook het geval te zijn. Geenzins is gezegd dat een proces ook inhoudelijk politiek zou zijn. Voor gewone strafzaken komen politici voor de gewone rechter – Geert Wilders komt dit jaar eens weer aan de beurt – en ook dan klinkt al gauw de waarschuwing dat je moet oppassen voor een politiek proces. Er lijkt me weinig reden om bij de Hoge Raad daarvoor beduchter te zijn dan bij een gewone rechtbank. En de opdracht tot vervolging kan grondwettelijk nu eenmaal alleen door de Tweede Kamer of de regering – in geval van een koninklijk besluit – worden gegeven. Spong roept dus heel flink dat je aan de Grondwet houden ‘onrechtmatig’ is. Zou het echt?

Maar de historische voorbeelden waar Spong zijn betoog op bouwt, dragen daar niets aan bij. Ze komen uit een situatie waarin geheel andere wettelijke bepalingen golden. De onbeduidende veroordeling van minister Pels Rijcken had niets met ‘politieke koehandel’ te maken, maar alles met het in de negentiende eeuw gevestigde besef dat ook een minister gelijk voor de wet was, al kwam hij dan voor een specifieke rechter. En de grote veroordeling van Pincoffs draaide om een gewone misdaad, die nu voor de gewone rechter zou komen, maar toen nog net niet, en bewijst geenszins dat andere betrokkenen bij een ambtsmisdrijf nu ook maar zo als medeverdachte voor de Hoge Raad belanden. Kortom, van dat hele verhaal van Gerard Spong blijft niet zo bar veel over. Slecht gerechercheerd. Voorbarig geredeneerd.

Drijfzand.

Naschrift (donderdag 31 december 2015)
Enigszins in aansluiting hierbij heb ik ook vandaag nog weer een stukje gewijd aan dit thema: Geen wettelijke grondslag voor de parlementaire onderzoekscommissie-CIVD-lek, zoals het hieraan voorgaande, De veroordeling van Lodewijk Pincoffs – een rectificatie, er ook verband meehield. Een overzicht van mijn in totaal zes stukjes over de zaak geef ik onder de bijdrage van vandaag.

Tweede naschrift (donderdag 7 januari 2016, 16 uur)
Vandaag plaatste NRC Handelsblad een ingezonden brief van mij, alsmede een antwoord van Gerard Spong. Dat lijkt mij een mooie afronding. De redactie heeft mijn brief van oorspronkelijk 241 woorden met 14 woorden ingekort, maar zonder noemenswaard verlies aan inhoud. De enige minieme opmerking die ik heb, is dat er nu staat dat voor 1884 ‘alle misdrijven en overtredingen’ tijdens ambtsuitoefening begaan tot 1884 rechtstreeks voor de Hoge Raad kwamen. Ik had geschreven over ‘alle misdrijven en vele overtredingen’. Alleen overtredingen waar een gevangenisstraf op stond, kwamen immers voor de Hoge Raad. Dat was bij de loslopende hond van minister Pels Rijcken het geval, want als hij de geldstraf van 10 gulden niet betaald had, had hij een dag moeten zitten. Maar een kniesoor die hierop let. Ook de veel kortere brief van Spong was, vertelde men mij, trouwens iets ingekort.

Gerard Spong legt volkomen terecht de nadruk op waar we het over eens zijn, namelijk dat een rechtsgang zonder mogelijkheid van beroep, gebaseerd op artikel 119 van de Grondwet, achterhaald is. De bedoeling was uiteraard om zware barrières op te werpen voor de berechting van politici en dat lijkt me ook belangrijk, maar dat zou nu op een andere wijze geregeld moeten worden.

Eens
Met Spong ben ik het trouwens nog veel meer eens dan hij vermoedt. Hij heeft volkomen gelijk dat ‘een lid van de Staten-Generaal, een minister en een staatssecretaris, die gebruik maakt van macht met betrekking tot ieder strafbaar feit in eerste aanleg vervolgbaar bij de Hoge Raad.’ Dat klopt helemaal, in ieder geval voor Kamerleden en daartoe beperk ik me nu even. Artikel 44 van het Wetboek van Strafrecht zegt dat indien ‘een ambtenaar door het begaan van een strafbaar feit een bijzondere ambtsplicht schendt of bij het begaan van een strafbaar feit gebruik maakt van macht, gelegenheid of middel hem door zijn ambt geschonken, kan de op het feit gestelde straf, met uitzondering van geldboete, met een derde worden verhoogd.’ (De cursiveringen hiervoor zijn uiteraard van mij.) En in artikel 84 van hetzelfde wetboek worden ‘leden van algemeen vertegenwoordigende lichamen’, dus ook de Staten-Generaal, gelijkgesteld aan ambtenaren. Kortom, met een beetje kwade wil kan men een (verondersteld) misdrijf van een Kamerlid al snel optuigen tot ambtsmisdrijf en hem dan voor de Hoge Raad brengen. Ambtsmisdrijven staan dus niet alleen onder dat hoofdje in het wetboek, van elk misdrijf kan, als er maar gebruik van ambtsmacht gemaakt is, een ambtsmisdrijf gemaakt worden. Overigens maakt de wet ook nog melding van ambtsovertredingen. Die kunnen door de procureur-generaal kennelijk zelf vervolgd worden.

En Spong heeft ook gelijk als hij ook wijst op de gevolgen voor ‘medeverdachten, zelfs al hebben die niet dezelfde status’. Dat geval van Pincoffs en Kerdijk was een ander, maar aan de algemeen geldende procesrechtelijke regels had ik in het bovenstaande te weinig aandacht geschonken. Dat dat ene geval nogal anders was, zegt uiteraard niet dat die samenhang er bij een vervolging wegens een ambtsmisdrijf in een wat dubieze rechtsgang zonder beroep niet zou zijn. Terecht dat hij daar wel op wijst.

GrondwetAmbtsmisdrijf

Een deel van de historische ontwikkeling van het huidige artikel 119 van de Grondwet zoals de site De Nederlandse Grondwet die nu nog weergeeft. Op grond hiervan denkt men al snel dat de tekst van het bewuste artikel in 1815 gelijk bleef aan die van 1814 en pas in 1848 gewijzigd werd. Dat was niet zo. De verandering van 1815 was fors. Dit is wat men nu nog te zien krijgt, maar men mag aannemen dat deze fout binnenkort wel hersteld wordt.

Of ik dat voorbehoud van bij art. 14 lid 5 van het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten (IVBP of ook wel IVBPR) ‘belangrijker vindt dan het recht op een eerlijk proces’, valt overigens nog maar te bezien. Ik zou gewoon nog eens willen zien wat het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EVRM) daarover zou zeggen. Kortom, de vraag lijkt me nog open, al zijn Spongs verwijzingen en kanttekeningen zeker terecht. Maar goed, ik denk dat het voorlopig allemaal imaginair zal blijven, omdat ik het in dit geval nog niet van een proces en, als de Tweede Kamer zo dwaas zou zijn wel een ‘opdracht tot vervolging’ te geven, nog helemaal niet van een veroordeling zie komen. Maar dat is een kwestie van nog even geduld hebben.

Te streng
Wel wil ik nog opmerken dat ik in mijn stuk hierboven misschien toch ook wel te streng was. Voor mijn column in CDV had ik begin december eens goed uitgezocht hoe het nu precies zat met de twee historische veroordelingen van minister Pels Rijcken en van senator Pincoffs en diens medeverdachte Kerdijk, maar ik moet ook opmerken dat het veel werk was dat goed uit te zoeken. En dat ook gezaghebbende sites een mens gemakkelijk met een kluitje in het riet sturen. Het kostte mij althans enig werk om erachter te komen dat tot 1884 de Wet op de Regterlijke Organisatie op dit punt nog anders geformuleerd was en dat de bepalingen daarin gebaseerd waren op de oude Grondwet van 1815 (en dus 1840). Ook een op zich voortreffelijke site als De Nederlandse Grondwet gaat uitgerekend op dit punt in de fout. Als je de geschiedenis van het huidige artikel 119 aanklikt, krijg je nu nog wat op het bijgaande plaatje afgebeeld is. Je krijgt dus de indruk dat de tekst in de nieuwe Grondwet van 1815 (en in 1840) identiek bleef aan die van 1814, terwijl dat geenszins het geval blijkt te zijn. Maar voordat je op het idee komt, om die teksten toch maar eens afzonderlijk aan te klikken…

GrondwetAmtsmisdrijfToelichting

De toelichting bij hetzelfde artikel als hierboven. Nu nog verwijst die naar de Grondwet van 1814. Men mag aannemen dat dat binnenkort wel verbeterd wordt door naar de tekst van 1815 en de daarop gebaseerde wet te verwijzen.

Ook de toelichting sluit daar op dit moment nog opaan en gaat uit van de tekst van de Grondwet van 1814, terwijl die naar de geheel andere tekst van de Grondwet van 1815 zou moeten verwijzen. In 1814 stond er:

‘De leden van de vergadering der Staten Generaal, de Hoofden der ministeriële departementen, de leden van den Raad van State, de Commissarissen van den Souvereinen Vorst in de Provinciën of Landschappen staan te regt voor den Hoogen Raad, wegens alle misdrijven in de waarneming hunner functiën begaan. Zij mogen echter deswege nimmer in regten betrokken worden, dan na dat door de vergadering van de Staten Generaal daartoe uitdrukkelijk verlof verleend zal zijn.’

In 1815 en 1840 daarentegen stond er – en net als hierboven is de cursivering uiteraard weer van mij:

‘De leden van de Staten-Generaal, de Hoofden der Departementen van Algemeen Bestuur, de leden van den Raad van State, de Commissarissen van den Koning in de Provinciën, staan te regt voor den Hoogen Raad, wegens alle misdrijven, gedurende den tijd hunner functiën begaan. Wegens misdrijven in het uitoefenen van derzelver functiën begaan, worden zij nimmer in regten betrokken, dan nadat door de vergadering der Staten-Generaal daartoe uitdrukkelijk verlof is verleend.’

Dat is nogal een verschil: ‘alle misdrijven in de waarneming hunner functiën begaan’ in 1814 versus ‘alle misdrijven, gedurende den tijd hunner functiën begaan’ in 1815. Al was ook in de tekst van 1815 alleen voor vervolging van ‘misdrijven in het uitoefenen van derzelver functiën begaan’ het verlof van de Staten-Generaal nodig. Maar in die tijd, van 1815 tot 1884, toen de wet eindelijk aan de nieuwe grondwetstekst van 1848 werd aangepast, kon de procureur-generaal dus vrij veel op eigen initiatief vervolgen. Voor zover we nu weten, heeft hij dat nauwelijks gedaan.

Maar nogmaals, als zelfs zo’n uitstekende site je op dwaalwegen stuurt, is het wel erg lastig om uit te vinden hoe het wel zit. Ik heb de beheerders begin december hiervan overigens op de hoogte gesteld en ik neem aan dat de teksten en de functies de komende tijd wel aangepast zullen worden. Vandaar dat ik nu ook afbeeldingen van screenshots gebruikt heb. Over een tijdje zal men bij klikken iets anders te zien krijgen, neem ik aan.

Nadruk
Wat betreft de lengte van dit tweede naschrift had ik hier gemakkelijk een nieuw weblogstukje kunnen maken, maar het lijkt me dat ik de zaak dan toch te veel nadruk zou hebben gegeven. De conclusie die Gerard Spong in de krant trok, over alles waar we het wel over eens zijn, is juist. Daar hoort de nadruk dan ook op te liggen. En dat mag dus ook deze plek gezegd zijn.

(195)