Posts tagged ‘Amsterdam’

18 februari 2015

Rhienderen – Over een ontbrekende letter bij Simon Carmiggelt

door Jan Dirk Snel

[Woensdag 18 februari 2015] Al in de eerste zin gaat het mis. Maar dat weet ik niet. Ik ben alleen maar nieuwsgierig. Uit de kringloopwinkel heb ik voor een bedrag van exact één euro een boekje van S. Carmiggelt met illustraties van Peter van Straaten meegenomen. Het is vooral de titel die me verlokt: Met de neus in de boeken. Dat kreeg ik als kind ook vaak te horen, vooral als er in mijn bijzijn over mij werd gesproken: hij zit altijd met de neus in de boeken.

Eerste zin
In de winkel heb ik al gezien dat het gaat om een uitgebreide uitgave van het boekenweekgeschenk van 1979 dat Mooi kado heette. Of beter, dat was een inkorting van het originele manuscript, zo vertelt Simon Carmiggelt ons hoogstpersoonlijk op de achterzijde. En dit is dan weer een uitbreiding daarvan uit 1983, uitgegeven door de Arbeiderspers. Het staat trouwens ook in de ondertitel: Een Mooi Kado zoals het eigenlijk had moeten zijn. Thuis zoek ik dat originele boekenweekgeschenk, met als ondertitel Een boekje over boeken – datum voorin: 6 april 1979 – nog eens op. Dat oogt wat somber – hetgeen overigens uitstekend past bij auteur en tekenaar – en dit ziet er ook na ruim drie decennia nog steeds vrolijk, helder én kleurrijk uit. 224 bladzijden tegen 96 daarvoor – tellen boekenweekgeschenken (tenzij de auteur Salman Rushdie heet) niet steevast 96 pagina’s? – met een ruimere, aangenamere bladspiegel.

Neus in de boeken

Het origineel en het origineel. Maar welk van beide boeken links en in het midden is nu het meest oorspronkelijk?

Maar die eerste zin. Die luidt als volgt:

‘Mijn vader werd geboren in het Gelderse dorpje Rhieneren, als zoon van een vrouw die de bijnaam ‘mooie Leentje’ droeg en een man die het, timmerend in de bouwvakken, niet ver schopte.’

Geen slechte beginzin trouwens. Uiteraard, iemand als Gabriel García Márquez schreef wel eens een spannendere eerste zin, maar voor een boekje dat niet pretentieus oogt en dat kennelijk ook niet beoogt te zijn, kan ie er best mee door. De tegenstelling tussen de schoonheid van Leentje en het karige bestaan harer echtgenoot roept voldoende spanning op. Maar daar gaat het me dit keer niet om. Ik lees aanmerkelijk prozaïscher en ik stok dan ook al voor de zin uit is, aan het eind van de eerste regel. Rhieneren? Dat ken ik niet. Waar ligt dat?

Gelders dorpje
Tegenwoordig lees ik anders dan vroeger. Toen las je gewoon in onbekommerde onwetendheid door. Bijvoorbeeld zoals de zoon van de timmerman, de vader van de auteur, daar als jongetje in dat Gelderse dorpje las. Die ging, als ’s winters de olielamp uit zuinigheidsoverwegingen al vroeg uit moest en iedereen naar bed was, zo vertelt Carmiggelt even verderop, ‘met zijn boek vlak bij de asla van de kachel op de grond liggen en las, bij die vage gloed, dóór tot alle sintels waren gedoofd.’ Hetgeen de ouders allerminst waardeerden: ‘Wat mot je toch altijd met die neus in die smerige boeken?’

Maar dezer dagen gaat dat dus anders. Als je iets niet weet en het toch wilt weten, tik je het gewoon even in Google in. En die wist het meteen ook beter. Ik kreeg meteen de resultaten van Rhienderen, met een d erin dus, voorgeschoteld. Alleen als je de bekende aanhalingstekens er omheen zet, kom je uit bij de paar pagina’s waarop de naam zonder die d voorkomt en dan zie je ook al direct dat het om een verschrijving gaat. Of kom je dus, in Google Books, weer bij dit boekje terecht.

Rhienderen dus. Het blijkt een buurtschap in de gemeente Brummen te zijn en al heel lang te bestaan, al schreef men in 796 nog Hrenheri, ook zonder d trouwens. In de negentiende eeuw schreef men ook wel Reenderen, zag ik, met d dus, maar zonder die aanstellerige h. Maar toen schreef men wel vaker simpel wat wij nu ingewikkeld antiquarisch spellen. (Cuijk was toen bijvoorbeeld ook wel Kuik.) De website van de gemeente Brummen geeft Carmiggelt overigens gelijk. Het was meer dan zomaar een buurtschap en schijnt dat eigenlijk nog te zijn:

‘Voor de bouw van de Brummense woonwijken Enken en Elzenbos waren Brummen en Rhienderen twee gescheiden dorpen, met hun eigen winkels, feesten en jaarmarkt. Voor een groot deel is dat nog steeds zo. Rhienderen is dus meer een dorp dan een buurtschap, ook al ligt het voornamelijk in de bebouwde kom van Brummen.’

Van Rhienderen naar Den Haag
Ik wist dat niet. Ik hoefde het ook niet te weten, zie ik nu. In de eerste maand van het jaar 2000 had ik de biografie door Henk van Gelder, Carmiggelt. Het levensverhaal (Amsterdam 1999) – je bent echt groot als je voornaam in zo’n titel rustig weggelaten kan worden – weliswaar gelezen en, naar ik me vagelijk meen te herinneren, zelfs gerecenseerd, maar die noemt de geboorteplaats van Carmiggelts grootvader van vaderszijde niet. Wat hij wel schreef, was typerend genoeg:

‘Herman Carmiggelt was een zwijgzame, introverte melancholicus uit een Gelders arbeidersgeslacht, die kranten las alsof zijn leven ervan afhing en toch had moeten aanvaarden dat hij niet als intellectueel in zijn levensonderhoud kon voorzien.’

HermanCarmiggelt

De jonge Herman Carmiggelt (1873-1943) lezend bij de asla van de kachel in Rhienderen, in de verbeelding van Peter van Straaten.

Van Gelder verhaalt vervolgens hoe hij een baantje kreeg als vertegenwoordiger bij Stegeman & Co Vleeschwarenfabriek te Deventer en in die hoedanigheid dagelijks per fiets bezoeken aflegde aan slagerswinkels in Den Haag en omstreken – ‘Let op het loodje’. En daar, in ‘s-Gravenhage, werd Simon Johannes Carmiggelt dan ook in 1913 geboren – zo hij iets was, was hij een Amsterdammer van Haagse komaf – en trouwens vernoemd naar zijn grootvader van moederszijde, Simon Johannes Bik, zij het wat betreft die tweede naam misschien meteen een beetje naar zijn grootvader van vaderszijde. Zijn oudste broer Jan (1910-1943), voluit Johannes Simon, was immers ook al naar beide opa’s genoemd. Die grootvader in Rhienderen, gemeente Brummen, geboren in 1837, heette nu eenmaal Johannes Carmiggelt.

Die heeft Simon Carmiggelt overigens nooit gekend, want hij overleed al in 1903. Maar wie ‘mooie Leentje’ was, dat moet hij zich toen hij over haar schreef, nog wel herinnerd hebben. Ze heette voluit Leentje Busser en ze werd oud. Ze was geboren in 1838 en overleed pas in 1929. Ze werd 90 jaar. En ze woonde kennelijk haar hele leven in de gemeente Brummen.

Schotse Brigade
Dat van dat oude Gelderse – en naar we inmiddels weten: Veluwse – arbeidersgeslacht lijkt ook te kloppen. Dat is ook het aardige van de huidige mogelijkheden. Met een beetje geluk tref je zo een complete stamboom aan op het web en dat is nu ook het geval. Je kunt de lijn terug zo volgen. Simon Johannes Carmiggelt (1913-1987) was de zoon van de lezende Herman Carmiggelt (1873-1943) en die was, zoals reeds verhaald, de zoon van de timmerende Johannes Carmiggelt (1837-1903) uit Rhienderen. Aan hem gingen vooraf Harmen Carmiggelt (1806-1873), metselaar, en de ook al metselende Joost Carmiggelt (1776-1860), die zowel in Brummen geboren werden als daar overleden.

Het was de vader van de laatstgenoemde, Willem Cobussen Carmichel (1736-1793), die de gang van Utrecht naar (een buurtschap in) Brummen gemaakt moet hebben. Hij trouwde daar namelijk in 1764 een vrouw en dat is altijd een goede reden om te verhuizen. De meeste Carmiggelts lijken er ook nu nog in de buurt te wonen. In 1947 woonden van de 128 Nederlanders met de achternaam Carmiggelt er 90 in de provincie Gelderland. En van de 138 die er veertig jaar later, in 2007, geteld konden worden – dit keer dus eens niet zo bar veel meer – lijken de meesten nog steeds in het voormalige hertogdom domicilie te houden, al heeft men zich inmiddels wel wat meer over het land verspreid. (De meeste mensen blijven nog immer hangen in de omgeving waar ze opgroeiden, dat is een algemene regel.)

De voorgaande drie voorvaderen in de mannelijke lijn terug woonden allen in Utrecht, Jacobus Carmichel, wiens achternaam kennelijk ook wel eens als Kermigge werd geschreven, werd er geboren in 1697 en stierf er in 1755. Diens vader, Wilhelmus Carmiggelt (maar kennelijk ook wel eens Karmichel) was er geboren in 1668. Wanneer hij overleed, is klaarblijkelijk niet bekend. En dan zijn we er. Zijn vader was Willem Carmicael, wiens naam in het Nederlands ook wel als Carmiggelt werd geschreven, en de man was kennelijk als soldaat onder ene kolonel John Kirkpatrick, als lid van een Schots regiment, onderdeel van de befaamde Schotse Brigade, naar het Sticht gekomen. De geboortedatum van stamvader Willem Carmicael, alias Carmiggelt, kennen we niet, zijn datum van overlijden trouwens ook niet, maar een gegeven dat wel bekend is, is dat hij in 1642 in Utrecht huwde met Lijsbeth Wakker, die kennelijk ook wel eens de achternaam Sanders voerde. Al deze gegevens zijn, zoals de wakkere, dezer dagen dus klikkende, lezer al opgemerkt zal hebben, dan ook afkomstig van een website over Schots-Nederlandse genealogie.

Carmiggelt De Steeg

Simon en Tiny Carmiggelt op een bankje in de Steeg. (Foto: Wikipedia)

Beeld
Hebben we hier iets aan? Dunkt me niet. Dit is volstrekt nutteloze kennis. Maar om de een of andere wijze is het ook wel weer aardig om te weten. Als ik voortaan aan Simon Carmiggelt denk, zal ik niet meer alleen aan dat wat treurige, scheve hoofd op de tv denken, en ook niet alleen aan Amsterdam en Den Haag, maar ook aan Rhienderen en Brummen en aan die ene Schotse soldaat, Willem Carmicael, die nog ten tijde van de Tachtigjarige Oorlog in krijgsdienst naar de hoofdstad van het Sticht kwam en daar een echtgenote vond en een gezin stichtte. Hij zal in zijn jonge jaren wel als William of iets dat daar in het Schots op lijkt, aangesproken zijn. Het zijn associaties die de schrijver zelf mogelijk nooit gekend heeft.

Overigens staat er in De Steeg, een eindje ten zuiden van Brummen, een bronzen beeld van Simon Carmiggelt en zijn echtgenote Tiny (1912-1990), voluit Hubertina Wilhelmina Joanna de Goeij, knus op een bankje, en zo kneuterig dat het weer vertederend is. Het echtpaar kon het zich namelijk veroorloven om zich daar regelmatig terug te trekken en van de natuur te genieten, in de streek dus die Simons vader ooit verlaten had. De schrijver leest trouwens. De cirkel was rond.

Naschrift (15.10 uur)
Ik heb inmiddels enkele kleine aanvullingen gepleegd en vooral enkele overbodige woorden geschrapt.

(183)

3 januari 2012

Tweede van der Helst

door Jan Dirk Snel
.:.

Tweede straten
Toen ik eergisteren na een even verfrissende als mijmerende zondagse nieuwjaarswandeling in het nabije Oosterpark – het Amsterdamse, vertel ik er maar even bij, want de naam roept ook onmiddellijk reminiscenties op aan de aanmerkelijk zuidelijker aandoende stad Groningen – naar aanleiding van een op de korte terugweg van daaruit opgedane en in meerdere opzichten herhaalde observatie mijn stukje over het ietwat detonerende witte, maar juist ook niet meer in alle opzichten volledig eenduidig gekleurde deurtje in de nok van een voormalig, honderdtien jaar geleden opgetrokken schoolgebouw voor lager onderwijs aan het nabije Amsterdamse’s-Gravesandeplein en de daaraan afleesbare eerste tekenen van verval en vergankelijkheid schreef, dat ik hier gistermiddag openbaar maakte en waarin ik naar aanleiding van de door het naar de arts en filantroop Samuel Sarphati (1813-1866) genoemde park in de naburige wijk De Pijp en de daarnaar vernoemde aanpalende straten van elkaar gescheiden Eerste en Tweede Jan Steenstraat, waar ik trouwens regelmatig door fiets zonder gemeenlijk op de straatnaamaanduidingen te letten, bijna terloops, althans tussen haakjes, aan wijlen Jan Blokker (1927-2010) de vraag toeschreef wie toch wel die Tweede van der Helst was, had ik echt wel even gezocht of ik die toeschrijving op die naam op internet kon vinden.

Gerard Andriesz Bicker, heer van Engelenburg (1622-1666), door Bartholomeus van der Helst (1613-1670) (foto: Rijksmuseum)

Maar dat lukte niet. (Waarbij, maar dat tussen haakjes, zoals u ziet, het ook altijd aardig is om een zin van exact tweehonderd woorden, die zonder veel moeite langer gemaakt had kunnen worden, af te wisselen door eentje van welgeteld vier woorden, maar dit terzijde.) Ik dacht: dan maar uit het hoofd. Lang niet al alles wat de befaamde columnist ooit schreef, staat op het wereldomspannende web. En het ging me in mijn aanvullende tussen haakjes opgetekende aanhaling van een vraag meer om de anekdote an sich dan om het al dan niet ondersteunende feit als zodanig en door mijn werkwoordskeuze (‘schijnt’) had ik me niet zonder opzet alvast ingedekt.

Ik moest trouwens eerst ook al nadenken over welke straat het nu alweer ging. Om de een of andere reden had ik aanvankelijk de Tweede Jan van der Heijdenstraat in mijn hoofd, maar dat kon niet kloppen, want er mocht geen voornaam in de naam van de straat voorkomen, zodat dat Tweede als zodanig opgevat kon worden. En zo kwam ik na enige peinzen alsnog uit op de Tweede van der Helststraat. Ook de twee naar Bartholomeus van der Helst genoemde straten, die in elkaars verlengde liggen, maar dan in noord-zuidrichting, worden overigens van elkaar gescheiden door de straatnaam Sarphatipark, die in dat geval de huizen aan de westzijde aanduidt.

Gerard Revestraat
Ik had het fout. Op Twitter meldde F. Zwaan dat hij zich het citaat herinnerde als zijnde afkomstig van Reve en dat Google hem gelijk leek te geven. Reve, dat besef je meteen, is in dit geval Gerard Kornelis (1923-2006), de Tweede van het Reve dus, en niet de Eerste van het Reve, de oudere geleerde broer Karel (1921-1999), die bovendien over een wat subtielere humor beschikte. Zwaan drukte zich erg bescheiden uit, want hij leverde de goede zin erbij. Hij wist het dus in feite wel zeker. Vreemd kwam de toeschrijving mij nu ook niet voor, want de passage is op zich vrij bekend en ik moet die zonder meer eerder en waarschijnlijk meer dan eens onder ogen gehad hebben. Ze komt uit een interview door Tom Rooduijn uit 1982, dat een jaar later gebundeld werd in het boek In gesprek. Interviews (Baarn 1983). Het ging over het voortleven van het literaire werk en Reve zei er dit over:

‘Wat blijft er uiteindelijk van over? Na mijn dood word ik op de scholen tien jaar vrijwillig gelezen en daarna nog eens tien jaar verplicht. Dan noemen ze een straat naar me. En dan ben ik helemaal vergeten. Niemand weet toch meer wie Tweede van der Helst was?’

Reve is nu bijna bijna zes jaar dood. Of zijn werk op de scholen momenteel nog driftig gelezen wordt, zou ik niet weten. Maar die straat, die is er, eerder dan hij zelf destijds verwachtte, al wel. In Haarlem nog wel.

Dat is opvallend, want aan befaamde Haarlemmers als Lodewijk van Deyssel (1864-1952), die wel een straat in Amsterdam en een laan in Driehuis kreeg, Godfried Bomans (1913-1971), naar wie in Almere, Culemborg, Heerhugowaard, Landgraaf en Nijverdal straten en in Heemstede, Kloetinge en Vogelenzang lanen werden vernoemd, en Louis Ferron (1942-2005), die het nog helemaal zonder moet doen, lijkt de Haarlemse straatnamencommissie nog geen resultatieve aandacht te hebben besteed. Harry Mulisch (1927-2010) kreeg trouwens wel weer een eigen straat, in Haarlem-Noord.

Harry en Bartholomeus
En over hem moet ik het nog even hebben. Want als op zijn minst één werk van Tweede van der Helst op ieders netvlies gebrand staat, dan is het wel door zijn toedoen. De goede man heette overigens Bartholomeus, een mooie naam, en het is op zich jammer dat die in 1872, toen het eerste stukje straat in de nieuwe buurt YY naar hem werd vernoemd, niet werd meegenomen, al was dit weblogstukje er dan nooit gekomen. Bartholomeus van der Helst leefde van 1613 tot 1670. Hij werd dus zes jaar na Rembrandt geboren en stierf, jonger dus, op 57-jarige leeftijd een jaar na hem. En net als Rembrandt, die ook trouwens ook wel eens wat anders deed, schilderde hij schutters- en regentenstukken.

Het was Harry Mulisch die Van der Helsts portret van Gerard Andriesz Bicker, heer van Engelenburg, uit ongeveer 1640 tot 1642 liet opnemen op de omslag van zijn Bericht aan de rattenkoning, dat hij in augustus 1966 tijdens een naar eigen zeggen ‘drie weken durende woede- en lachaanval’ schreef over de recente provocaties en omwentelingen in zijn woonplaats Amsterdam. Zo kent dus menigeen zonder dat altijd te beseffen op zijn minst één werk van Tweede van der Helst, dat menig bezoeker van het Rijksmuseum dan ook bekend zal zijn voorgekomen. Maar tevens zal menigeen dan vaag beseft hebben dat er iets niet klopte: de afbeelding op de boekomslag is in spiegelbeeld. Op het schilderij kijkt de jonge, hooguit twintigjarige toekomstige drost van Muiden, die de befaamde Pieter Cornelisz Hooft (1581-1647) in 1649 in die functie opvolgde, naar links, op het boek richt hij de blik naar rechts. Hij werd trouwens niet oud: op zijn 44ste stierf hij in 1666.

Ook wat Bartholomeus van der Helst betreft laat Haarlem het afweten. Judith van Gent, die op 11 februari 2011 op de schilder promoveerde, merkt op dat er in Amsterdam behalve de twee straten ook nog een naar de man vernoemd plein is, dat overigens de Tweede van der Helst met een verbreding onderbreekt, en dat er in Nederland drie steden zijn die een Bartholomeus van der Helststraat kennen, en er verder nog eens tien Van der Helststraten bestaan, maar dat ’s mans geboorteplaats, en ja daar heb je het alweer, Haarlem dus, geen enkele naar de beroemde zoon vernoemde ‘straat, laan, plein of steeg’ telt.

Jan Frederik en Willem Frederik
En over genummerde straten gesproken: Willem Frederik Hermans (1921-1995) groeide op in een straat die naar Jan Frederik Helmers (1767-1813) was genoemd. Die schrijver was zo groot dat hij wel drie evenwijdige straten toegewezen kreeg. Een plaquette markeert de woning waar Hermans zijn eerste verhalen schreef. Het is op nummer 208 in de Eerste Helmersstraat.

Niet de derde of de tweede, de eerste.

Naschrift. Rond 12 .50 uur is de alinea over het ontbreken van een naar Bartholomeus van der Helst genoemde straat in Haarlem toegevoegd. Met opnieuw dank aan Jaap de Vries.

(48)