Archive for ‘Literatuur’

1 januari 2015

Uuren, dagen, maanden, jaaren, vliegen als een schaduw heen – Over een nieuwjaarslied

door Jan Dirk Snel

[Donderdag 1 januari 2015] ‘Uren, dagen, maanden, jaren vliegen als een schaduw heen’. Het is zo’n gedachte die helemaal bij de weemoed van oudejaarsdag lijkt te passen en ook gisteren waren er diverse mensen die op Twitter de regels aanhaalden. Toch is daar bij nader inzien iets vreemds mee aan de hand. Het lied waaruit de regels komen, is namelijk helemaal niet voor oudejaarsdag geschreven, het is een nieuwjaarslied.

Evangelische gezangen
Men zal de geschiedenis in grote trekken kennen. In 1806 publiceerde de hervormde kerk, of beter: publiceerden de gezamenlijke hervormde synodes de bundel Evangelische gezangen en daarin was dit lied opgenomen. Het is wellicht handig de titelpagina even voluit te citeren, destijds vertelde die immers nog gewoon wat er in zo’n boek stond:

FeithPortret

Rhijnvis Feith (1753-1824) door Willem Bartel van der Kooi (1768-1836). Het portret is uit 1819. De dichter, die ooit als patriots stadsbestuurder begon – hij was een buurman van Joan Derk van der Cappellen tot den Pol – was in 1816 door koning Willem I benoemd tot Ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw.

Evangelische Gezangen, om nevens het Boek der Psalmen bij den openbaren godsdienst in de Nederlandsche Hervormde Gemeenten gebruikt te worden op uitdrukkelijke last van alle de synoden der voorgenoemde gemeenten bijeen verzameld en in orde gebragt in de jaren 1803, 1804 en 1805. Te Amsterdam, bij Johannes Allart, MDCCCVI.

In 1773 was er een nieuwe psalmberijming ingevoerd en nu voegde men daar een bundel met 192 gezangen aan toe. Goed dertig jaar eerder geschiedde zoiets op last van de Staten-Generaal, maar na de scheiding van staat en kerk onder het nieuwe bewind van het Bataafse Gemenebest – na enkele jaren had men het vreemde ‘Republiek’ fluks door een purisme vervangen, zoals men nu ook ‘hervormd’ schreef en niet meer ‘gereformeerd’ – konden de kerken zelfstandig handelen, zoals de titelpagina duidelijk aangaf: niet de overheid, maar de synodes waren thans de lastgever. Een nationale synode was er nog niet – na 1619 had de overheid die nooit meer toegestaan en ook na de revolutie van 1795 was men kennelijk nog niet zover gekomen – maar de particuliere, meestal provinciale synodes hadden de voorbije twee eeuwen een uitstekend systeem van samenwerking ontwikkeld en dat functioneerde kennelijk nog steeds soepel. Of nu zonder overheidsbemoeienis nog wel veel soepeler. (De scheiding van kerk en staat betekende immers vooral dat de overheid de voorheen officiële kerk niet langer koeioneerde.)

Samen benoemden die synodes een commissie onder voorzitterschap van de grote Ahasverus van den Berg (1733-1807), predikant en dichter te Arnhem, protocollair vanouds Nederlands eerste stad, die de nieuwe bundel moest samenstellen, en in goed overleg voerden ze de liederen uit die bundel ook per 1 januari 1807 in de eredienst in. Van den Berg was er trouwens in 1773 ook al bij, zoals iedereen nog steeds in hedendaagse uitgaven van de moderne en verlichte psalmberijming uit dat jaar kan constateren; hij stond toen nog in Barneveld. In 1806 mocht hij de nieuwe bundel aanbieden aan de nieuwe raadspensionaris, Rutger Jan Schimmelpenninck (1761-1825).

Proeve
In de eerste druk van de bundel komt de gevierde dichter Rhijnvis Feith (1753-1824), ‘Oud Ouderling te Zwolle’, alleen voor als afgevaardigde van de Overijsselse synode in de commissie die de nieuwe liederenbundel samenstelde en zijn naam prijkt dan ook onder de verklaring die het gezangenboek vergezelt, namelijk dat er niets in voorkomt dat ‘eenigzins strijdig’ zou zijn ‘met de aangenomene leer der Nederlandsche Hervormde Kerk’ zoals die in de zogenaamde ‘Formulieren van eenigheid’ verwoord is. Maar Feiths rol was, net als die van vele zijner medecommissieleden, veel groter: hij had op verzoek van twee organisatorisch actieve leden, de Noord-Hollandse predikanten Engelbertus Matthias Engelberts (1731-1807) te Hoorn en Abraham Rutgers (1751-1809) te Haarlem, heel wat van de gezangen zelf geschreven. En in de voorgaande jaren, in 1804 en 1805, had hij de liederen die hij gedicht had, zelf alvast gepubliceerd in een eigen bundel, toepasselijk Proeve van eenige gezangen voor den openbaaren godsdienst geheten, die in ‘twee stukken’ uitkwam, bij dezelfde Johannes Allart overigens waar even later ook de kerkelijke bundel zou verschijnen. Maar Allart was al twintig jaar Feiths vaste uitgever. Ook zijn befaamde Het graf (1792) en de drie delen van de Oden en gedichten (1796-1798) – later zouden er nog meer volgen – waren bij deze Amsterdamse grootheid in het uitgeverswezen – Allart was toch een beetje de Mai Spijkers van zijn dagen – uitgekomen.

Beide delen van de Proeve droegen trouwens 1804 als jaar van uitgave, maar de data binnenin vertellen meer en aangaande het tweede stukje iets anders. Het voorbericht van het eerste deel, dat 24 bladzijden telt, is gedateerd op 2 maart 1804. Dat van het tweede stuk, dat ook al 24 pagina’s beslaat, is ondertekend op 20 mei 1805. Feith liet de bundels approberen door de theologische faculteit in Leiden en in het eerste geval ging decaan Sebald Fulco Johannes Rau daar op op 26 juli 1804 toe over, terwijl zijn opvolger Joannes van Voorst het tweede stukje op 10 september 1805 van officiële goedkeuring voorzag. Dat zijn dus de data waarna de boeken verschenen zijn. Het tweede deel kwam dus pas uit nadat de synodale commissie op 6 september 1805 de inhoud van de Evangelische gezangen definitief had vastgesteld. Maar ik ga nu niet precies uitzoeken hoeveel van de liederen de bundel wel of niet haalden – Feith zegt in het voorwoord van het tweede deel dat die er nu eenmaal toch niet allemaal in passen – en dat zal in de literatuur ook vast al wel eens gedaan zijn. Ik merk alleen nog op dat de eerste bundel 32 liederen (op 137 bladzijden) telde en de tweede 28 (op 122 bladzijden), waarbij ik de twee cantates dan meetel.

Het is trouwens aardig de beide voorwoorden eens door te lezen. Feith combineert daarin drie dingen: het sentimentalisme waarmee hij een belangrijke en gewaardeerde plaats als vernieuwer in onze literaire geschiedenis heeft verworven, zijn hang naar een verlicht en redelijk christendom en zijn betuigingen van rechtzinnigheid. In zijn beleving ging dat allemaal samen. Zijn orthodoxie betuigt Feith met name door steeds naar het voorbeeld van de reformierte kerk in Bremen te verwijzen: hij is niet maar zo een wildebras, hij voegt zich in een elders reeds gevestigde traditie! Zijn romantische of sentimentele neigingen – vat dit niet negatief op: Feith wilde het gevoel of het sentiment doordacht een belangrijke plaats geven – blijken met name uit in zijn poëticale opvattingen (en uit de liederen zelf uiteraard). Gezangen horen minder ‘hoog’ te zijn dan oden – die had hij juist in enkele delen gepubliceerd – maar een zekere dichterlijkheid behoren ze te behouden. In aansluiting bij Christian Fürchtegott Gellert (1715-1769) hanteert Feith een onderscheid tussen leerliederen en liederen voor het hart. Hij vindt dat er voor beide plaats moet zijn, hij is in het algemeen trouwens voor variatie, maar het is duidelijk dat het bij het lied waar ik het vandaag over heb, gaat om een gevoelslied en dat daar zijn hart naar uitging

Verlicht
En zijn verlichte opvattingen komen met name uit in zijn beschouwing over de psalmen. Hij wil ze niet weglaten en dat kan hij ook helemaal niet, maar veel psalmen acht hij wel ongeschikt om in de eredienst te gebruiken.

FeithProeve

.

‘Het zijn Liederen, oorspronglijk ten dienste van een bijzonder Volk vervaardigd, dat toenmaals, om wijze en heilige redenen, door God, den grooten Opvoeder van het Menschdom, van alle de Volkeren des Aardbodems afgezonderd gehouden werd; dat Jehovah voor zijn’ Landsgod hield, Hem bepaald als den God der Jooden of van Israël vereerde, en in het vreedzaam bezit van Kanaän, en de overwinning en verlossing van alle zijne Vijanden, Gods besten zegen en zijne eigen grootste gelukzaligheid vond. Het natuurlijk gevolg hier van moest zijn, dat in deeze Liederen God altijd als den bijzonderen God van één Volk bezongen wierd, en overal de overwinning en verdelging van vijanden (meest met zinspeling op de verlossing uit Egijpten en de in bezitneming van Kanaän de twee groote Nationaale gebeurtenissen van dat Volk, daar deszelfs geheele Dichtkunde betrekking op heeft, en als ’t waare op rond draait) als een’ zegen van den Beschermgod van Israël wierd afgesmeekt.

Maar nu gevoele men zelf, hoe weinig geschikt deeze Liederen over ’t algemeen voor de Kerk van ’t Nieuwe Testament zijn, en hoe zeer zij tegen den echten geest van Jezus Leer inloopen. Jezus maakt ons God toch bekend als den God van alle Volkeren, den algemeenen Vader der menschen, en ’t is er zo ver van daan, dat zijne Leer den Overwinnaar in de hand zou werken, of de zucht naar verdelging van vijanden zou bevorderen, dat zij veeleer slellig eischt, dat wij van onze zijde geene vijanden hebben zullen, den meest gehaaten vreemdeling (dat waren de Samaritaanen voor de Jooden) als onzen naasten zullen aanzien, en, zo er dan nog menschen gevonden worden, die zich vijandig tegen ons gedraagen, omtrent hen dit godlijk gebod zullen betrachten: Hebt uwe vijanden lief, zegent ze die u vervloeken, doet wel den geenen die u haten, en bid voor de geene die u geweld doen en die u vervolgen. Op dat gij moogt kinderen zijn uwes Vaders, die in de hemelen is. Want hij doet zijne zon opgaan over boozen en goeden, en regent over rechtveerdigen en onrechtveerdïgen [een noot verwijst hier naar Mattheüs 5:44, 45].

En onder deeze volmaakte Wetgeving, onder deeze aanbidding in geest en in waarheid, zullen wij, terwijl wij daardoor werkelijk reeds het bevel van Jezus overtreden, in onzen openbaaren Godsdienst geduurig zingende bidden: “Heere! verdelgt mijne vijanden! Dat wij over hen zegevieren!” Elk voelt hier het ongerijmde van.’

Ja, het is een lang citaat (en ik heb het terwille van de leesbaarheid even in alinea’s opgeknipt), maar het komt allemaal nog verrassend bekend voor. Ook al staat onze huidige cultuur vaak mijlenver af van de vroomheid die zo kenmerkend was voor de Verlichting, deze wijze van denken is nog springlevend. Of weer: het verband tussen (particularistische) religie en gewelddadigheid dat Feith hier legt, lijkt immers vooral een heruitvinding van het laatste anderhalve decennium te zijn. Feith zoekt naar een ‘waare en verlichte stichting’:

‘De Godsdienst van Jezus is toch een redelijke Godsdienst; hij vordert dus eene verstandige, geene redenlooze, verlichting’.

Je kunt je als gezangendichter nu eenmaal beter maar niet op het ‘afgelegenste en onverlichtste Dorp’ richten, want dan bereik je nooit iets.

Nieuwjaarslied
Maar nu het lied waar het over gaat. Dat werd dus bekend omdat het in 1806 in de bundel Evangelische gezangen verscheen en daarna ook in allerlei andere bundels, soms trouwens verkort, werd opgenomen. Eigenlijk iedereen kent het nog wel, althans ten dele, al schijnt het in 1973 niet meer in het Liedboek voor de kerken te zijn opgenomen. Maar ik hoor dat het in veel kerkelijke gemeenten, ook van ‘reformatorische’ richting, waar men gezangen tegenwoordig niet zingt, maar wel op het orgel ten gehore brengt, nog steeds gangbaar is. Maar Feith had het in 1805 dus al gepubliceerd in het tweede deel van zijn Proeve en daarin was het het tweede gezang, na een ‘Lied in de winter’. Ik citeer het daaruit:

NIEUWJAARS-LIED.
OP DE WIJZE: God zal mij zijn aanzicht tonen.
Uit SCHUTTE.

Uuren, dagen, maanden, jaaren,
‍Vliegen als een schaduw heên.
Ach! wij vinden, waar wij staaren,
Niets bestendigs hier beneên!
Op den weg, dien wij betreden,
Staat geen voetstap, die beklijft:
‍Al het heden wordt voorleden,
Schoon ’t ons’ toegerekend blijft!

Voorgeslachten kwijnden heenen,
En wij bloeien op hun graf;
Ras zal ’t nakroost ons beweenen.
’t Menschdom valt als blaadren af.
’t Stof, door eeuwen saamgelezen ,
Houdt het zelfde graf bewaard.
Buiten U, ô eeuwig Wezen!
Ach! wat was de mensch op aard!

Maar door U aan ’t niet onttoogen,
Liet uw gunst hem niet alleen.
Godlijk Licht omscheen zijne oogen,
En zijn nietigheid verdween.
Onder uw Genadeleiding
Wordt hem deeze levensbaan
Slechts ontwikkling, voorbereiding
Tot een eindeloos bestaan.

Dat de tijd hier ’t al verover’,
Aan geen tijdperk hangt mijn lot.
Gij, Gij blijft mij altijd over,
Gij blijft eindeloos mijn God.
Welk een ramp mij hier ook nader,
‘k Vind ln U mijn rustpunt weêr.
Gij blijft in uw’ Zoon mijn Vader,
Wat verander’, wat verkeer’.

Vader, onder al mijn nooden,
Vader, onder heil en straf,
Vader, ook in ’t rijk der dooden,
Vader, ook in ’t zwijgend graf.
Waar ik ooit verandring schouwe,
Gij , ó God ! houdt eeuwig stand.
Ook mijn stof rust op uw trouwe,
Sluimert in uw vaderhand!

Snelt dan, jaaren, snelt vrij heenen
Met uw blijdschap en verdriet.
Welk een ramp ik moog beweenen,
God, mijn God, verandert niet.
Blijft mij alles hier begeven;
Voortgeleid door zijne hand,
Schouw ik uit dit nietig leven
In mijn eeuwig Vaderland.

Toekomst
Het opschrift is toch duidelijk, zou je zeggen. In de bundel Evangelische gezangen, waarin het als nummer 160 verscheen, was het het tweede van de vier liederen die het opschrift ‘Op het nieuwe jaar’ meekregen. Als je het vanuit die wetenschap leest, zie je ook dat het lied over de toekomst gaat. Het zijn de uren, dagen, maanden en jaren die voor ons liggen, die als een schaduw heen zullen vliegen. Het gaat niet primair over het verleden, nee het heden, dat wordt verleden. Natuurlijk, er wordt wel even teruggeblikt – ‘voorgeslachten kwijnden heenen’ – maar alleen maar om te bedenken hoe wij nu ‘bloeien op hun graf’. Het lied gaat over onze toekomst: het zal niet lang meer duren of het nakroost zal ook ons bewenen. Rampen zullen ons treffen en de toekomst zou duister zijn, als God er niet was: ‘Aan geen tijdperk hangt mijn lot. Gij, Gij blijft mij altijd over, Gij blijft eindeloos mijn God.’ De jaren die komen, zo zegt vanuit die wetenschap het laatste couplet, die mogen rustig voorbijsnellen, want God verandert niet: de dichter ziet vanuit dit nietig leven uit naar het eeuwig Vaderland.

Rhijnvis_Feith_Graf

Het graf van Rhijnvis Feith op de algemene begraafplaats aan de Meppelerstraatweg te Zwolle. De begraafplaats werd geopend op 1 oktober 1824. Feith overleed op 8 februari in datzelfde jaar, een dag na zijn 71e verjaardag. Hij werd eerst in de Grote Kerk begraven, maar in 1825 werd zijn stoffelijk overschot overgebracht naar de nieuwe begraafplaats. Feith was een groot voorstander van de nieuwe wijze van begraven. (Foto: Wikipedia)

Maar als het opschrift zo duidelijk is en de tekst zo helder, hoe kan het dan toch dat dit lied met oudejaarsdag geassocieerd is geraakt? Ik vermoed dat er een heel praktische reden is. Toen de gezangenbundel in 1805 voltooid werd, bestond het fenomeen van de kerkdienst op oudejaarsavond nog niet. Die werd pas in 1817 door de synode – sinds de overheid in 1816 een kerkorde had opgelegd, wel een nationaal bestuursorgaan – ingesteld. Men vond het een geschikt moment voor nadere bezinning. Diensten op nieuwjaar werden, zoals Maarten Aalders uitlegt, al langer gehouden, omdat dat de dag van Jezus’ besnijdenis en naamgeving was. Maar zoals we kunnen zien, legde Feith daar in zijn lied geen verband meer mee. Maar voor oudjaar had men dus geen specifieke gezangen en kennelijk vond men zijn lied ook voor die gelegenheid wel geschikt. Een noodgreep die doorwerkte, kennelijk.

Toen men, zo meldt Coen Wessel, in 1847 ging nadenken over een mogelijke aanvulling, noemde men gezangen die ‘in den bestaanden bundel of te weinig’ of ‘in het geheel niet zijn in aanmerking genomen’. En daarbij dacht men aan ‘de aanneming van lidmaten, de doop van bejaarden, de voorbereiding des Avondmaals, de huwelijks-inzegening, de bevestiging, de intrede, het afscheid en het overlijden van eenen Leeraar, de bevestiging van Kerkeraadsleden, de Kerkhervorming, de oudejaarsdag’. In de Vervolgbundel op de evangelische gezangendie uiteindelijk in 1869 verscheen, stonden dan ook drie liederen met het kopje ‘Oudejaarsavond’ en openingen als ”t Jaar heeft haast zijn loop volbracht, ’t Afscheid klinkt ons tegen’ (nummer 251, een vertaling door Roelof Bennink Janssonius van een tekst van Samuel Gottlieb Bürde) en ‘Een jaar zinkt in der tijden nacht; Zijn laatste stond, o Vader! Heeft hier uw kind’ren saamgebracht, Zij treden dankend nader’ (nummer 253, van Samuel Johannes van den Bergh) zinspelen onmiskenbaar wel op de laatste dag van het jaar, maar zo populair als het lied van Rhijnvis Feith zijn ze toch niet geworden.

Omgekeerd
Met Schutte doelde Feith uiteraard op Rutger Schutte (1708-1784), in zijn dagen zo bekend, dat je verder niets meer uit hoefde te leggen. Schutte had onder meer vier delen Stichtelijke gezangen (1761-1787) uitgegeven. En dit nieuwe nieuwsjaarslied van Feith kon men zingen op de kennelijk bekende wijs van ‘God zal my zyn aanzigt toonen‘. Schuttes eerste deel, voluit Stichtelijke gezangen, op de beste Italiaansche, en eenige in dien smaak nieuwgemaakte zangwyzen; by verscheidene gelegenheden gedicht (Amsterdam, Johannes Covens junior, 1762), gaf hierbij trouwens weer twee verschillende melodieën op, maar inmiddels zal een ervan wel dominant zijn geweest – ik ga dat nu niet verder uitzoeken.

Misschien zegt de verschuiving van het lied van nieuwjaar naar oudjaar nog wel meer over de cultuur van de laatste twee eeuwen. Rhijnvis Feith was onbetwijfelbaar een realist. Ik herinner me hoe de overigens zeer gedegen lerares Nederlands op mijn middelbare school in Feiths Zwolle de neiging had een beetje de draak te steken met ’s mans sensibiliteit, ik heb daarentegen altijd het idee gehad dat Feiths gevoeligheid volkomen rationeel was. Het oude jaar, dat hebben we overleefd, maar het komende jaar of de komende jaren leiden ons onmiskenbaar naar het graf. Het zou dan ook logisch zijn om op oudjaar dankbaar terug te blikken en op nieuwjaar bezorgd of in het geloofsvertrouwen van Feith naar de toekomst te kijken. Maar wij doen het precies andersom. De dood, die mag wel even aan de orde komen, maar de volgende dag, of dezelfde avond, doen we tegen beter in alweer geforceerd vrolijk met onze wensen aangaande ‘veel heil en zegen’ of een ‘gelukkig’ nieuwjaar.

Rhijvis Feith deed het beter.

(177)

24 juni 2014

De overzijde – Kees Fens en W.E.G. Louw kijken uit over de stad

door Jan Dirk Snel

[Dinsdag 24 juni 2014] Aan de overkant sterven mensen. Niet dat ik dat elke dag scherp besef, maar zo af en toe sta ik er ineens bij stil.

Ruyschstraat

Ruysschtraat, mei 2013 De straten en het plein die het ziekenhuiscomplex omringen, zijn deels genoemd naar befaamde natuurwetenschappers uit de Nederlandse geschiedenis: de anatoom en zoöloog Frederik Ruysch (1638- 1731), de mathematicus en fysicus Willem Jacob ’s Gravesande (1688-1742), de arts en anatoom Petrus Camper (1722-1789).

Fens
Zes jaar geleden was dat het geval. Op zaterdag 14 juni 2008 overleed Kees Fens in het Onze Lieve Vrouwe Gasthuis. In de overlijdensberichten van bekende mensen lees je vaker dat ze in het OLVG gestorven zijn en nu ik ten behoeve van dit stukje wat dingen nakeek, zag ik dat Wikipedia in het lemma over dat ziekenhuis zelfs een curieus, maar waarschijnlijk weinig volledig rubriekje met aldaar overledenen heeft. Ook Jos Brink, Hans van Mierlo en Gerrit Komrij bliezen er hun laatste adem uit. Het speelt zich allemaal af op zo’n honderd tot honderdvijftig meter – ik heb dat zelfs nog even afgepast – van waar ik dit schrijf. Maar dit is een concreetheid die abstract blijft. Daar aan de overkant is het een andere wereld.

Bij het overlijden van Kees Fens was dat anders. Dat kwam doordat hij twee dagen ervoor, op donderdag 12 juni, nog een beschouwing in de Volkskrant geschreven had, waarin hij als het ware een teken van leven van de overzijde gaf. Hij meldde zich en het was voor de goede lezer, die een goede verstaander is, duidelijk waar hij zich bevond. Het stuk staat nog steeds op internet en wordt daarmee tegenwoordige tijd. De lezer blijkt luisteraar geworden. Al drie weken luistert hij dagelijks naar de nationale nieuws- en actualiteitenzender. En daar hoort hij over boeken praten. Die hij waarschijnlijk niet zou willen lezen. Maar die wel steeds genoemd worden.

‘Wie een jaar luistert (liefst met uitkijk op de dode stad) kan een magistraal werk schrijven over een land waar niets gebeurt, niets wil gebeuren omdat het geen enkel probleem wil oplossen. De enige oplossing in dit land is een nieuw probleem. En een nieuwe reeks discussies.’

Stadsdeel
En al luisterend tijdens zijn laatste levensdagen keek Kees Fens dus uit over ‘het stadsdeel’, waarin ook mijn woning zich bevindt: ‘Al drie weken ligt een stadsdeel onbewogen voor mij. Er gebeurt niets. Soms rijdt er een auto, de laatste bewoners vertrekken….’ Stadsdeel, het is een prachtige, vervreemdend ironische term in dat stukje. Het ging natuurlijk over Amsterdam-Oost, maar dat schreef Fens niet met zoveel woorden, hij abstraheerde. Stadsdeel fungeert allereerst als een zakelijke, administratieve term. Amsterdam was en is, ook na de afschaffing van de stadsdeelraden, de vergane schepping van Wolter Lemstra, opgedeeld in een aantal stadsdelen. Het kan ook om een geografische aanduiding gaan. Het is niet zo vreemd om iemand te vragen in welk stadsdeel hij woont. En tegelijk blijft het toch een ietwat kunstmatige term. Wie vanuit de hogere verdiepingen van het OLVG uitkijkt over de omgeving, zal het eerder over de wijk – dat is de oude term – of vagelijk en algemener de stad hebben. Of over de huizen. Maar niet over het stadsdeel.

Kees Fens dus wel. Hij gebruikte een ongepast, althans niet helemaal passend of voor de hand liggend woord en juist daarin lag de kracht van zijn stukje. Want over vervreemding, over afstand nemen ging het. En daarom is het me ook bijgebleven. Het stadsdeel werd een metafoor voor Nederland en de tijd, de wijze waarop Nederlanders de tijd vullen, namelijk door steeds nieuwe, onopgeloste en onoplosbare problemen op te werpen en er geen op te lossen. ‘Regeren is hier stenen op de weg leggen en dan praten over wie ze moet weghalen.’ Het stadsdeel werd het zinnebeeld van een ‘land waar niets gebeurt, waar alles uniform is, waar de schijn van voldaanheid wordt opgehouden’.

Daar van bovenaf, van de hogere verdiepingen van het OLVG moest het stadsdeel dat ik vooral vanuit de straten ken, levendig, gevuld met mensen, er heel anders uitzien. Voor mij is de straat hierbeneden altijd vol leven en altijd kom ik wel bekenden tegen, mensen dus die je alleen uit de straat kent, maar daar van bovenaf zag het er voor Kees Fens dus heel anders uit: verstild, doods. Ik begreep dat vorig jaar toen ik een keer wel aan de overzijde in het ziekenhuis was. Met vrienden en vriendinnen zaten en stonden we om het bed van een vriendin die het bewustzijn al verloren leek te hebben, maar van wie we hoopten dat ze onze stem toch nog net zou horen. Drieënveertig jaar was ze nog maar toen ze de volgende dag stierf. Maar toen ik vanuit die kamer naar buiten keek zag ik hetzelfde als Kees Fens had gezien: daken, huizen, straten, verstilling.

LouwVGLouw
Ruim zeventig jaar eerder eerder dan Kees Fens keek er ook iemand uit over de huizen, vanaf een wat lager standpunt, niet dat vanaf de hoge verdieping van een modern ziekenhuis dat zich ver boven de omringende huizen verheft, maar vanuit een gewone Amsterdamse woning.

Stadsgesig

Hier voor my venster strek die kalm blou
in klare koepeling oor de huise uit:
strak gewels en dakke ry aan ry
tot waar in vlak wei die lyn vergrou.

So stil strek hierdie lewe voor my uit,
so onomstootbaar lê die dae voor,
die dade wat my hand nog sal verrig
totdat my hart in volle vlug sal stuit.

William Evart Gladstone Louw, Gladstone voor bekenden, W.E.G. op zijn bundels, was drieëntwintig of vierentwintig toen hij deze regels in 1937 in Amsterdam schreef, die in 1940 in zijn bundel Terugtog gepubliceerd werden. Eind 1935 was hij vanuit Kaapstad naar Nederland gekomen om aan de Universiteit van Amsterdam, toen vaak de GU, de Gemeentelijke Universiteit genoemd, Nederlands en kunstgeschiedenis te studeren. Toen de oorlog al begonnen was, maar gelukkig Nederland nog niet bereikt had, in november 1939, keerde hij naar zijn vaderland terug, waar hij in 1942 promoveerde op Die invloed van Gorter op Leopold. ’n Bydrae tot die studie van die sensitivisme. Samen met zijn broer N.P. van Wyk Louw en Elisabeth Eybers wordt W.E.G. Louw tot de vernieuwende ‘Digters van Dertig’ gerekend.

De gelijkenis én het contrast trof me. Terwijl Kees Fens twee dagen voor zijn dood over het stadsdeel uitkeek, eindigde hij met de raadselachtige woorden: ‘Ik vrees dat als ik morgen wakker word, het stadsdeel er niet meer staat.’ Alsof hij het waarschijnlijke, dat het omgekeerde was, wilde bezweren. Toen W.E.G. Louw als jongeling, wiens handen nog veel zouden verrichten, over de Amsterdamse huizen uitkeek, dacht hij al aan zijn eigen dood. Die kwam iets meer dan vier decennia later, op 24 april 1980 in Stellenbosch, zoals beschreven. Oud was hij toen nog niet, als we bedenken dat de Versamelde gedigte, waarin ik tijdens slapeloze nachten soms lees en waaruit ik het vers hierboven citeerde, in 1988, op 31 mei, bij Tafelberg in Kaapstad verschenen ‘ter herdenking van die digter se geboorte 75 jaar gelede’ .

Op de voorgaande dag, woensdag 23 april, zo schrijft zijn geliefde Rosa in het nawoord bij de uitgave die al haar ’s mans bundels omvat,

‘het my man my vertel dat hy besig was met ’n idee vir ’n reeks nieuwe verse. Dit was tydens een van ons wandelinge op een van die roo gruispaadjes deur die Maraispark. Maar hy het ook daarby gesê: “Ons Louws lewe niet lank nie, dit weet jy mos.”

Versnipperd
Het poëtische prozastukje van de oude Kees Fens twee dagen voor zijn dood deed mij denken aan het gedicht waarin de jonge Gladstone Louw uitkeek over dezelfde stad. Of misschien eerder omgekeerd: bij de lectuur van Louw dacht ik weer aan Kees Fens. Maar of er verband is? Misschien verbind ik alleen maar twee toevallige snippers met elkaar. Vanavond presenteert Wiel Kusters zijn biografie van Kees Fens, Mijn versnipperd bestaan, niet zoals oorspronkelijk gepland in het zuiden van de middeleeuwse stad, aan het Spui,  maar ten noorden daarvan,  in de Amsterdamse openbare bibliotheek, op een in de negentiende eeuw in het IJ opgeworpen eiland.

Naschrift (10.55 uur)
Citaat met de eerste regels uit het stukje van Kees Fens toegevoegd. Die had ik direct moeten opnemen.

(151)