De plechtige verklaring van Kamerleden bij de inhuldiging van de Koning is nooit geschrapt

door Jan Dirk Snel

Er is de laatste week het een en ander te doen geweest over de plechtige verklaring die leden van de Steden-Generaal tijdens de inhuldiging van koning Willem-Alexander tijdens de Verenigde Vergadering in de Nieuwe Kerk in Amsterdam geacht worden uit te beëdigen of te bevestigen.

Het gaat dan om deze woorden uit artikel 2 van de Wet beëdiging en inhuldiging van de Koning:

‘Wij ontvangen en huldigen, in naam van de volkeren van het Koninkrijk en krachtens het Statuut voor het Koninkrijk en de Grondwet, U als Koning; Wij zweren (beloven) dat wij Uw onschendbaarheid en de rechten van Uw Koningschap zullen handhaven. Wij zweren (beloven) alles te zullen doen wat goede en getrouwe Staten-Generaal, Staten van Aruba, Staten van Curaçao en Staten van Sint Maarten schuldig zijn te doen.’

In de Volkskrant van zaterdag 16 februari 2013 noemt Wim Voermans, hoogleraar staatsrecht aan de Universiteit Leiden, dat ‘een rare vertoning, waarmee de oude eed, die in 1983 uit de Grondwet werd geschrapt, langs een achterdeur via een vergeten wetje uit 1992 weer is teruggebracht’. En nog diverse malen herhaalt Voermans deze bewering. De bepaling die in de Grondwet van 1972 nog als artikel 54 voorkwam, zou bij de grondwetsherziening van 1983 bewust geschrapt zijn ‘om de zelfstandige positie van leden van de Staten-Generaal in het staatsbestel te benadrukken’ en om ‘een eind’ te maken ‘aan het zweren van persoonlijke eden van parlementariërs aan de Koning’. Maar ‘via een achterdeur’ zou er in 1992 ‘toch weer een eed van trouw aan de Koning in gefietst’ zijn.

WaayWilhelmina

Nicolaas van der Waay, Inhuldiging van koningin Wilhelmina in 1898. 140 van de 150 leden van de Staten-Generaal waren aanwezig

Dat nu is evident onjuist. De plechtige verklaring die voorheen in de Grondwet stond, is nooit geschrapt. Ze kwam weliswaar niet meer voor in de eigenlijke tekst van herziene Grondwet van 1983, maar ze bleef toen nog wel degelijk van kracht via het additionele artikel XI, dat de tekst van artikel 54 uit de Grondwet van 1972 handhaafde, ‘totdat daarvoor bij de wet een regeling is getroffen’. Dat wetsvoorstel nu werd in 1989 ingediend en 1991 plenair besproken en zonder stemming door de Tweede Kamer aangenomen, waarna de Eerste Kamer volgde. In 1992 werd ze van kracht. Op een enkele kleine redactionele wijziging na – ‘kroon’ werd bijvoorbeeld ‘Koningschap’ – werd de traditionele tekst gehandhaafd.

Anders dan Voermans stelt, vloeit de wet dus wel degelijk voort uit artikel 32 van de (huidige) Grondwet. Dat zegt immers dat de wet nadere regels omtrent de inhuldiging stelt en de plechtige verklaring was daar naar het oordeel van regering en parlement een onderdeel van.

Op 10 april 1991 werd het wetsvoorstel door minister Ien Dales (PvdA) in de Tweede Kamer verdedigd. Daarbij kwam ook de vraag aan de orde wat nu de precies status van de plechtige verklaring is. Daar was de regering al een jaar eerder, in een nota van 15 maart 1990, op ingegaan:

‘Wij antwoorden dat de inhuldiging, die wij als een waardevolle traditie zien, op plechtige wijze de verbondenheid van de volksvertegenwoordigingen van de landen en Koning met het Statuut en de Grondwet tot uitdrukking brengt. Aan de inhuldigingsverklaring komt, zoals ook door de regering bij de algehele grondwetsherziening naar voren is gebracht, geen zelfstandige juridisch-constitutionele betekenis toe. De plechtige verklaring heeft derhalve niet het karakter van een eed.’

En aan die lijn hield Ien Dales vast. Ze stelde nog eens duidelijk dat de verklaring ‘geen zelfstandig juridisch karakter heeft’. En daar waren alle sprekers het ook over eens. Hoewel aan de verklaring volgens minister Dales ‘geen zelfstandige constitutionele betekenis’ toekwam, vond ze ook dat het ‘om meer dan een traditie’ ging. Enkele Kamerleden constateerden terecht dat de bewering dat het niet om een eed gaat, niet helemaal vol te houden viel. De verklaring heeft immers wel degelijk de vorm van een eed. Maar iets anders dan een uiting van verbondenheid wordt er niet mee uitgedrukt.

Wie de tekst bekijkt, ziet ook dat de plechtige verklaring ook geen nieuw element toevoegt. De onschendbaarheid van de Koning staat immers ook al in de Grondwet en daar hebben Kamerleden al een eed of belofte op afgelegd en de rechten van de Koning gaan ook niet verder dan die op dat ogenblik door de Grondwet of de wet aan hem worden toegekend. Kamerleden binden zich niet aan de persoon van de Koning, maar beloven slechts de bestaande constitutie, zolang die geldt, op dit punt te zullen eerbiedigen.

De verklaring verhindert Kamerleden niet om voor te stellen de Grondwet te wijzigingen. Ook Kamerleden die principieel tegen de monarchie zijn, binden zich door de verklaring af te leggen aan niets meer dan waar ze als leden van de Staten-Generaal toch al mee ingestemd hebben.

Maar het staat Kamerleden ook vrij om niet deel te nemen aan de vergadering. De verklaring hoort bij de inhuldiging, maar kan later niet worden ‘ingehaald’ en dat is ook niet nodig. Ook dat kwam in 1991 expliciet ter sprake.

Bij de inhuldiging van koningin Wilhelmina in 1898 bleven 10 leden (van de toen 150 leden) om verschillende redenen weg. Sommigen waren ziek, maar de antirevolutionair Abraham Kuyper, die drie jaar later een eigen kabinet zou gaan leiden, liet een reis naar de Verenigde Staten voorgaan, terwijl de sociaaldemocraten Pieter Jelles Troelstra en Henri van Kol zonder kennisgeving verstek lieten gaan. Bij de inhuldiging van koningin Juliana in 1948 ontbraken vijf leden, allen communisten, al was het merendeel van de CPN’ers wel aanwezig. En bij de inhuldiging van koningin Beatrix in 1980 ontbraken vijftien van de inmiddels 225 leden. Vijf ervan lieten weten dat ze om ‘principiële redenen’ niet kwamen opdagen: twee PvdA’ers, twee PSP’ers en één D66’er. De vier CPN-ers in beide Kamers waren toen allen present.

De inhulding van een nieuwe Koning heeft op zich verder geen constitutieve waarde. De Koning is namelijk al Koning. Kamerleden kunnen aan de plechtigheid deelnemen, maar het staat hen ook vrij weg te blijven, al is dat misschien niet zo chic. En missen ze een plechtig en feestelijk moment.

Naschrift (maandag 8 april 2013)
Dit stuk stond op vrijdag 22 februari 2013 in de Volkskrant (pagina 26) onder de titel ‘Inhuldigingsverklaring levert geen extra verplichtingen op’. Ik had het op enkele kleine onderdelen iets herschreven. Ik zie nu pas dat ik vergeten had die plaatsing hier te vermelden. Daarom nu alsnog. Het stuk in de krant werd trouwens nog aangehaald in vragen van twee leden van de Eerste Kamer aan de minister-president.

(83)

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers op de volgende wijze: