Posts tagged ‘wijsbegeerte’

2 januari 2016

Waardensamenhang – Over waardenpluralisme, het goede, het ware en het schone

door Jan Dirk Snel

[Zaterdag 2 januari 2016] Het was op tweede kerstdag. In de toelichting door Max van Egmond bij cantate BWV 40 – van J.S. Bach natuurlijk, maar dat blijkt al uit de drieletterige aanduiding – die deel uitmaakte van de liturgie, las ik dit: ‘Het kwaad wordt uitgemaakt voor alles wat lelijk is.’

Esthetiek
Ik vond dat een opmerkelijke zin, een grappige vooral ook. Je verwacht nu eenmaal niet echt iets anders, in ieder geval niet dat er van het kwaad veel goeds gezegd zal worden. Daar kan alleen maar kwaad over gesproken worden. In die zin is de zin tautologisch. Maar bij nader inzien zit er nog een laag in. Het kwade is lelijk. Over het moreel afkeurenswaardige wordt hier, bijna zonder dat het opvalt, in esthetische termen gesproken. Het goede is schoon, het kwade is lelijk.

Thomaskirche

Op tweede kerstag 1723 werd de cantate ‘Darzu ist erschienen der Sohn Gottes’ (BWV 40) voor het eerst ten gehore gebracht in Leipzig, in de Thomaskirche, hier op de foto, en op dezelfde dag ook in de Nicolaikirche. (Foto: S-kay via Wikipedia)

Of de mededeling nu overigens erg trefzeker was, kun je je afvragen. Het ging over deze aria, gezongen door de bas, die voorafgaand aan de aangehaalde zin getypeerd wordt als ‘bijna agressief in zijn dramatiek’.

Höllische Schlange,
wird dir nicht bange?
Der dir den Kopf
als ein Sieger zerknickt,
ist nun geboren,
und die verloren,
werden mit ewigem
Frieden beglückt.

Ik zou zeggen dat over het kwaad als zodanig hier eigenlijk helemaal niets gezegd wordt, behalve dan dat het, in de gedaante van de ‘helse slang’, overwonnen is, de kop gebroken.

Goed, waar, schoon
Maar daar gaat het me nu even niet om. Het gaat me om die samenhang tussen het kwade en het lelijke als spiegelbeeld van het verband tussen het goede en het schone. We zijn daaraan gewend, aan die gedachte, bedoel ik. Het goede en het schone horen bij elkaar en vaak voegen we daar het ware nog aan toe: verum, bonum et pulchrum est unum. Het is dan gebruikelijk om naar Plato te verwijzen, of zelfs naar Socrates, maar ik geloof eigenlijk niet dat de drieslag zo ergens in het – in zekere zin gezamenlijke – werk van de Atheense wijsgeren te vinden is. Ik zou tenminste niet weten waar. Bij mijn weten duikt de drieslag pas bij middeleeuwse scholastici op.

Maar ook daar gaat het me nu niet om. Wel om de inhoud. We voelen direct aan dat er een verband is tussen dit drietal waarden, als ik ze tenminste zo mag noemen, hetgeen overigens nog maar zeer de vraag is. Het ware is ook mooi en goed. Het goede is ook waar en schoon. En het schone is ook goed en waar. Met drie begrippen kun je al zes eenvoudige prediceringen verrichten en negen als je de drie dubbele eraan toevoegt. Het gaat hier, zoals trouwens meestal, in die door ‘is’ aangeduide relaties immers niet om identiteit, maar om predicaties.

En ze zijn ook niet allemaal gelijk. Je kunt misschien net zeggen, zoals ik hierboven al deed, dat het goede waar is, maar de uitspraak dat het ware goed is, is duidelijk betekenisvoller. Van het ware en het schone kun je gemakkelijk zeggen dat ze goed zijn. En ook als is het goede in zekere zin ook wel waar of mooi, daarin gaat het om stellingen van duidelijk minder gehalte. Het goede is een hoger of universeler begrip. Dat had Plato al door. En daarom is het eeuwige gesteggel of morele uitspraken nu ook waar zijn, niet zo overdadig inzichtgevend. Waarheid is in het goede geworteld, niet omgekeerd. Feiten fungeren alleen binnen een moreel kader. Alleen een uit de hand gelopen ‘verwetenschappelijkte’ wijze van naar de wereld kijken – met de Wiener Kreis als vooral daarom herinnerd schrikbeeld – begint bij feiten en bij waarheid en stelt vervolgens de verkeerde vragen. De wereld is de omgeving waar we als morele wezens in leven. Met onze medemensen, de dieren en de dingen gaan we primair moreel, handelend om. Pas in latere instantie gaat het om iets dat we ook puur proberen waar te nemen. Dat de wereld dat is wat het geval is, is een abstractie.

Waardenpluralisme
De hoogste waarden, om die verdachte, van oorsprong nogal nihilistische term toch nog maar even te gebruiken, hangen duidelijk samen. Dat hebben mensen altijd geweten en niet voor niets. Toch lijkt dit oude inzicht tegenwoordig in diskrediet geraakt te zijn, met name door het waardenpluralisme dat iemand als Isaiah Berlin onvermoeibaar uiteenzette en, sterker, uitdroeg. Er zijn verschillende waarden, ze kunnen met elkaar in conflict komen en dan zul je moeten kiezen, dat is zo ongeveer de gedachte. Berlin benadrukte daarbij altijd dat er misschien wel veel waarden zijn of in ieder geval een groot aantal, maar dat dat aantal uiteindelijk ook weer begrensd is, ook al kon hij niet alle waarden opsommen. Communicatie tussen mensen, groepen en culturen is mogelijk, zei Berlin in gesprek met Ramin Jahanbegloo ‘because the values of men are not infinitely many; they belong to a common horizon – the objective, often incompatible values of mankind – between which it is necessary, often painfully, to choose.’ En in zijn allerlaatste essay, enkele maanden na zijn dood in 1997 gepubliceerd, schreef Berlin nog: ‘the number of human values, of values that I can pursue while maintaining my human semblance, my human character, is finite — let us say 74, or perhaps 122, or 26, but finite, whatever it may be.’

Een bekend voorbeeld, dat in de politieke theorie en trouwens ook wel de politieke praktijk altijd weer naar voren gebracht wordt, betreft de spanning tussen vrijheid en gelijkheid. Het zijn allebei waarden die dezer dagen hoog genoteerd staan. Vaak gaan ze ook wel samen. Je hebt zelfs auteurs die een mogelijke tegenstelling zoveel mogelijk ontkennen. In zijn drie dikke delen over de Radicale Verlichting – dus niet primair over de hoofdstroom van de Verlichting, waar hij niet veel van moet hebben – neigt Jonathan Israel er bijvoorbeeld toe om vooral de compatibiliteit te benadrukken. Dat komt door zijn nogal mathematisch aandoende opvatting van de rede die eigenlijk altijd maar één ding kan zeggen. En als die verondersteld spinozistische rede ons zowel naar de vrijheid als naar de gelijkheid leidt, dan kunnen beide elkaar eigenlijk alleen maar aanvullen.

Maar dat is toch niet hoe de meesten, denk ik, deze begrippen – en trouwens ook de rede – zien. Natuurlijk, op allerlei wijzen kunnen maatschappelijke vrijheid en sociale gelijkheid elkaar bevorderen en aanvullen, maar als het specifieker wordt, dan zal er vaak toch gekozen moeten worden, is de gedachte. Politieke denkers onderscheiden daarbij vaak een meer republikeinse en een meer liberale oriëntatie. De eerste traditie legt vooral de nadruk op vrijheid in het economisch handelen en de noodzaak van een zekere hiërarchie. Gelijkheid is eerder een uitgangspunt dan een doel. De tweede traditie hecht meer waarde aan maatschappelijke gelijkheid en zal bij vrijheid vooral de nadruk op geestelijke waarden leggen. Gelijkheid is hier eerder een zeker doel. (Tussen haakjes: de VVD past meer bij de republikeinse traditie, maar het Nederlandse liberalisme wijkt nu eenmaal sterk af van wat daar internationaal onder verstaan wordt. Maar ik voeg eraan toe dat het, vooral in wat langeretermijnperspectief, kennelijk ook mogelijk is om de beide richtingen precies omgekeerd aan te duiden.)

Redeneringen
Waardenpluralisme houdt niet alleen in dat er vele waarden zijn en van velerlei aard, maar ook dat ze niet noodzakelijkerwijs met elkaar in harmonie zijn. Dat kan soms, maar ze kunnen ook botsen. En dan zal er gekozen moeten worden.

RIMG0479

De twee in mijn stuk aangehaalde boeken, alsmede de nieuwe en de oude uitgave van het werk waarin Berlins beroemdste essay is opgenomen.

De vraag is dan natuurlijk: hoe? Willekeurig? Of ligt er aan een keuze ook een redenering ten grondslag? Ik zou zeggen: ja. Iemand die uitlegt waarom hij de vrijheid van ondernemers een groot goed – hè, nu komt die morele term zo maar binnenvallen, ook al lijkt het in de gedaante van een handelswaar – acht, kan gemeenlijk ook wel zo ongeveer uitleggen waarom hij dat vindt. Hij kan bijvoorbeeld uitleggen dat mensen pas dan echt tot hun recht kunnen komen. Of dat een dergelijke vrijheid uiteindelijk voor meer welvaart zorgt. Enzovoorts. Hoe het ook zij, hij zal redeneringen beschikbaar hebben. En hetzelfde geldt natuurlijk voor iemand die hecht aan een zekere maatschappelijke gelijkheid. Die zal er mogelijk op wijzen dat alle mensen van waarde zijn, een eigen waardigheid bezitten en dat de een zich niet boven de ander behoort te verheffen. Of dat juist een zekere maatschappelijke gelijkheid de beste ontplooiingskansen voor zoveel mogelijk mensen biedt. En dat juist zo’n gelijkheid vrijheid betekent – de klassieke liberale gedachtegang. Zoiets. Hoe het ook zij, duidelijk lijkt me dat het niet om willekeurige keuzen gaat, maar om voorkeuren die meer of minder adequaat, afhankelijk van wie je spreekt, nader gefundeerd kunnen worden.

Kortom, waarden zijn geen vrij rondvliegende monaden die willekeurig uit de lucht geplukt kunnen worden. Ze zijn onderdeel van redeneringen, van vertogen, voor het geval u die term graag nog eens hoort. Ze verwijzen naar andere waarden. In het hier gegeven voorbeeld naar opvattingen over menselijke waardigheid, menselijke bloei en zo meer. Naar de vraag ook wat goed is voor mensen. Goed, schreef ik.

Waardenmonisme
En daarbij zijn we van het waardenpluralisme weer bij het eerste punt van dit stukje beland. Het lijkt me daarom niet juist om waardenpluralisme tegenover waardenmonisme te stellen. Waarden zijn onderling verbonden en waarschijnlijk in een zekere hiërarchie. Vrijheid en gelijkheid – nogmaals, hier slechts als voorbeeld gebruikt – zijn slechts relatieve waarden. Het zijn zeker geen ultieme waarden. Wat hebben we aan vrijheid? Op zich niet veel, zou je zeggen. Je hebt eigenlijk alleen wat aan vrijheid als je er iets mee kunt doen. Je kunt natuurlijk zeggen: gevrijwaard te zijn van dwang is ook al iets. Dat is natuurlijk zo. Maar die dwang houdt dan kennelijk in dat je iets moet doen wat je niet wilt. Of niet kunt doen wat je wel wilt. Je wilt je vrijheid om dingen te doen die jij wilt. Die dingen, daar gaat het om. En bij gelijkheid is het al niet anders. Dat is geen waarde op zichzelf, maar eerder een voorwaarde voor iets anders. Waarbij dit voorbeeld naar mijn idee trouwens al aangeeft dat het een waarde van net iets lager allooi – of om hetzelfde nog eens anders te zeggen: van net iets fundamentelere aard – is dan vrijheid: gelijkheid kan bijvoorbeeld dienen om vrijheid te verwezenlijken.

We zoeken vrijheid om dingen te doen die goed zijn. Waardenpluralisme bestaat als feitelijkheid: er zijn meerdere waarden en ze kunnen soms een keuze, een beredeneerde keuze, vergen. Waardenpluralisme dus niet als nastrevenswaardig ideaal, maar als factische waardenpluraliteit. Maar het lijkt me niet verstandig om daarin een irrationele keuze voor onberedeneerbare waarden te zien. En het is al helemaal niet verstandig om de oude opvatting, die we toch maar platoons zullen noemen, daar als waardenmonisme tegenover te stellen. Juist op dat punt is er immers geen echte tegenstelling tussen de veelheid, de pluraliteit aan waarden, en het besef dat ultieme waarden een zekere samenhang vertonen.

We zoeken een zekere gelijkheid omdat die recht doet aan de menselijke waardigheid. We zoeken vrijheid omdat zo mensen tot ontplooiing kunnen komen. Politiek bakenen we zo voor mensen een eigen gebied af: negatieve vrijheid. Maar waar is die voor? Voor positieve vrijheid: opdat mensen die vrijheid voor goede doelen kunnen invullen. In die zin is Berlins klassieke tegenstelling tussen negatieve en positieve vrijheid er vooral een tussen het publieke terrein en de private sfeer.

Eenheid
Al die verschillende waarden beoordelen we uiteindelijk toch op de vraag wat ze bijdragen aan een goed leven. Dat geldt ook voor het ware en het schone. Het ware draagt bij aan het goede en wordt ook vandaaruit beoordeeld. Daarom is puur feitelijke waarheid ook geen waarde op zich. Het bekende kantiaanse dilemma of je tegen iemand die erop uit is om een persoon die jij in je woning verstopt hebt, te vermoorden, mag zeggen dat die er helemaal niet is, of je dus zogenaamd mag ‘liegen’, is bij nader inzien helemaal geen dilemma en in feite zelfs geen serieuze vraag. Kant verloor in zijn rigorisme even de verhoudingen uit het oog. De bescherming van een medemens gaat voorop. Op dat criterium moet ook hier de vraag naar de waarheid en haar plaats beoordeeld worden. Waarheid als feitelijkheid staat in dienst van het goede, niet omgekeerd.

En zo belanden we dan bij de vraag wat goed is of wat het goede is. Is dat wel een waarde? Kan een criterium een waarde zijn? Is het goede wel een criterium? Of is het weer een generieke aanduiding voor andere waarden die elke keer weer ingevuld dienen te worden? Het goede is natuurlijk ook steeds dat wat van dingen geprediceerd wordt. Het is niet één ding, het geeft de samenhang tussen een veelheid aan realisaties en waarderingen aan. Vrijheid kan goed zijn, gelijkheid kan goed zijn, maar in sommige omstandigheden misschien ook niet. Wat ik hier maar wilde betogen, is dat waardenpluralisme niet tegenover de oude gedachte hoeft te staan dat hogere waarden een zekere eenheid vormen. En eenheid is dan iets dan anders dan identiteit. Het is een kwestie van samenhang en misschien van hiërarchie.

Het is in feite ook wat Berlin probeert te betogen als hij opmerkt dat er zonder een begrensd aantal waarden geen communicatie, want begrip, tussen mensen en culturen mogelijk zou zjin. Maar ook tussen die waarden is er dus, anders dan hij benadrukt, wel degelijk samenhang – onderlinge communicatie, zou men kunnen zeggen. En omdat ze niet zo afzonderlijk onderscheiden kunnen worden als hij denkt, wijl ze immers geen zelfstandig monadisch bestaan leiden, zijn ze ook niet zo telbaar als Berlin doet voorkomen. Als er werkelijk maar zo’n 74, of misschien 122 or 26, waarden zouden zijn, zou je weliswaar misschien geen uitputtend, maar toch wel een redelijk volledig lijstje kunnen opstellen. En dat lukt natuurlijk in geen jaren. Hooguit kunnen socialewetenschappers, van het type Geert Hofstede of de Tilburgse en Nijmeegse waardenonderzoekers, een poging doen een redelijke adequate beschrijving op hoofdlijnen te bieden, maar het blijft altijd gaan om hun pragmatische indeling die zij aan de sociaal-morele werkelijkheid opleggen. Als er al een geschil is tussen de platoonse en de berliniaanse wijze van kijken, dan gaat die in feite niet over de eenheid of veelheid aan waarden, maar over de aard van de menselijke rede: leidt die tot één enkele slotsom of laat die meerdere redeneringen toe?

Goed
Het goede, het ware en het schone vormen een eenheid, vooral omdat het ware en het schone goed genoemd mogen worden. Identiek zijn ze niet. Er bestaat een pluraliteit aan waarden, maar we kunnen ook steeds vragen hoe ze bijdragen aan het goede. We zullen niet allemaal hetzelfde kiezen, maar onberedeneerd hoeven onze voorkeuren bepaald niet te zijn.

(198)

1 januari 2016

Wittgenstein literair – Over het onheldere van de Tractatus logico-philosophicus

door Jan Dirk Snel

[Vrijdag 1 januari 2016] Als er één werk onontkoombaar aan de Eerste Wereldoorlog doet denken, dan is dat wel de Tractatus logico-philosophicusLudwig Wittgenstein (1889-1951) voltooide het werk in augustus 1918 tijdens een verlof in Wenen – en vooral op de Hochreith, het jachthuis van de familie – kort voor hij het einde van de oorlog in Italiaanse krijsgevangenschap zou beleven. Tijdens de oorlogsjaren, waarin hij als Oostenrijks soldaat in het keizerlijke en koninklijke leger dienst deed aan het oostfront, soms op de gevaarlijkste posities, werkte hij er voortdurend aan. Maar het woord ‘oorlog’ komt er niet in voor. Er gebeurt sowieso vrij weinig in dat boek. Het geeft blijk van een nogal statische kijk op de wereld. In 1921 verscheen de Logisch-philosophische Abhandlung, zoals de oorspronkelijke titel luidt, voor het eerst, in een gebrekkige editie in de door Nobelprijslaureaat Wilhelm Ostwald uitgegeven Annalen der Naturphilosophie. Een jaar later verscheen een betere editie, vergezeld van een Engelse vertaling, bij Kegan Paul Trench Trubner & Co in Londen.

WittgensteinLuitenant01

Ludwig Wittgenstein als Oostenrijks luitenant in het keizerlijke en koninklijke leger. Foto op zijn militaire identiteitskaart.

De wereld
Het is trouwens het gemakkelijkste boek om samen te vatten. Dit is in het kort de inhoud:

Die Welt ist alles, was der Fall ist. Was der Fall ist, die Tatsache, ist das Bestehen von Sachverhalten. Das logische Bild der Tatsachen ist der Gedanke. Der Gedanke ist der sinnvolle Satz. Der Satz ist eine Wahrheitsfunktion der Elementarsätze. (Der Elementarsatz ist eine Wahrheitsfunktion seiner selbst.) Die allgemeine Form der Wahrheitsfunktion ist: [pξN(ξ)]. Dies ist die allgemeine Form des Satzes. Wovon man nicht sprechen kann, darüber muß man schweigen.

Het zijn de zeven hoofdstellingen van het boek. Alleen heb ik nu de nummers eens weggelaten. Het is een tekst die men zo maar langs de kant van de weg kan aantreffen (om geen copyright te schenden neem ik die foto hier niet over, maar klik even). Men ziet hoe de opeenvolgende zinnen steeds door één term met elkaar verbonden zijn: Fall – Tatsache(n) – Gedanke – Satz – Wahrheitsfunktion – en tenslotte nog: allgemeine Form. Wittgenstein smokkelt een beetje door bij de vijfde stelling een toelichting of een toevoeging tussen haakjes op te nemen en bij de zesde stelling ineens twee zinnen op elkaar te laten volgen (Daarom aarzel ik ook een beetje of die algemene vorm wel in het verbindende kernrijtje thuishoort.) Hoe het ook zij: de zevende propositie – Satz is Wittgensteins eigen term – staat in ieder geval nogal opvallend op zichzelf – in dit rijtje althans.

Duidelijk toch? Of, nou nee, eigenlijk niet. Zelfs het simpele woordje ‘ist’ is hier niet altijd helder. Betekent het elke keer wel hetzelfde? Wordt het iedere keer op dezelfde wijze gebruikt? Drukt het een identiteit uit en in welke zin dan? (Juist van dat punt, wat identiteit is, of misschien wel niet kan zijn, maakt Wittgenstein nogal een punt (pun intended), verklap ik maar.) Hoe verhouden die Sachverhalte zich nu precies tot het feit, de Tatsache? Dat je kunt lezen ‘Was der Fall ist, ist das Bestehen von Sachverhalten’, lijkt duidelijk. Maar kun je ook lezen ‘Die Tatsache ist das Bestehen von Sachverhalten’? Die Tatsache? Eén feit maar? Of moeten we hier toch aan feiten, Tatsachen, in het algemeen denken? Maar is het nu een feit dat er Sachverhalte bestaan? Of moeten we lezen dat feiten uit Sachverhalte bestaan?

Stand van zaken
Dat laatste kennelijk, maar direct duidelijk is het allemaal niet. En dan heb ik de vraag wat een Sachverhalt nu eigenlijk is, gemakshalve nog maar even laten rusten. De Nederlandse vertaler, de voormalige lector fysische geografie te Groningen W.F. Hermans, maakte er, althans in de tweede, herziene druk zijner overzetting uit 1976, een connectie van. (Wat hij in de nogmaals herziene, maar sindsdien niet meer gewijzigde derde druk uit 1977 deed, weet ik niet.) Dat lijkt, althans in eerste instantie, nog niet eens zo heel erg vreemd. Op de introductie van het begrip volgt in Satz 2.01 immers direct deze uitleg: ‘Der Sachverhalt ist eine Verbindung von Gegenständen. (Sachen, Dingen.)’ Ja, een connectie is een verbinding – en omgekeerd. En toch knaagt er iets, want meestal denk je bij dit woord, Sachverhalt, niet primair aan de betrekking tussen twee (of meer) dingen. Ja, ik besef dat Sachverhalt wellicht net een tikkie dynamischer of interactioneler klinkt dan Sachlage, maar de gewone betekenis lijkt toch eerder toedracht of stand van zaken te zijn. Natuurlijk, tussen de zaken die samen een (statische) stand of een bepaalde toedracht vormen, bestaan relaties, maar die zijn eerder een onderdeel van het gehele beeld dat opgeroepen wordt, zou je zeggen.

Dat laatste is dan ook wat de tweede Engelse vertaling, die van David Pears en Brian McGuinness uit 1961, ervan maakt. Een Sachverhalt is een state of affairs. Of de hele zin: ‘What is the case – a fact – is the existence of states of affairs.’ (Merk trouwens op hoe die Tatsache, bepaald, in het Engels a fact, onbepaald, wordt, maar dat kan natuurlijk als die Tatsache, zoals de auteur hier kennelijk bedoelt, algemeen en niet specifiek is – waarmee ik meteen een hiervoor opgeroepen vraag beantwoord.) Maar de eerste Engelse vertaling, die van C.K. Ogden (met de niet onbelangrijke of zelfs overheersende hulp van Frank P. Ramsey) uit 1922, waar Wittgenstein zelf, zij het op grote fysieke afstand, bij betrokken was, geeft Sachverhalt weer als een atomic fact. ‘What is the case, the fact, is the existence of atomic facts.’ (Opnieuw terloops: hier is dat feit dus wel bepaald gebleven.) Dat is een vertaling waar je op grond van het woordenboek niet snel op zou komen. Die is dus óf gebaseerd op een interpretatie van de verdere tekst door de vertalers, óf de auteur heeft hen iets ingefluisterd – en dat laatste was uiteraard het geval, om de uitdrukking uit de eerste Satz nu maar eens op bescheidener schaal te gebruiken. Het is in ieder geval in lijn met wat Bertrand Russell in de inleiding uitlegt:

‘What is complex in the world is a fact. Facts which are not compounded of other facts are what Mr. Wittgenstein calls Sachverhalte, whereas a fact which may consist of two or more facts is a Tatsache: thus, for example “Socrates is wise” is a Sachverhalt, as well as a Tatsache, whereas “Socrates is wise and Plato is his pupil” is a Tatsache but not a Sachverhalt.’

Een Sachverhalt zou dus een simpel feitje zijn, ‘a fact which has no parts’, zoals Russell het later nog eens formuleert. (Je zou trouwens zeggen dat een Verbinding, want dat is een Sachverhalt volgens Wittengestein, altijd uit minstens twee delen bestaat, maar de gedachte moet zijn dat dát gegeven zelf niet meer opgesplitst kan worden en dus één elementair feit vormt.) Kortom, elke Sachverhalt, elke stand van zaken, zou een Tatsache, een feit zijn, maar niet elk feit, elke Tatsache, zou een stand van zaken, een Sachverhalt zijn. Tja. Als Russell het zegt…

Maar toch schuurt er iets. Al was het maar omdat dit taalgebruik gekunsteld aandoet. Bij een stand van zaken, een state of affairs, denk je zeker niet alleen aan hele kleine, onsamengestelde feitjes. Dat is ook wat Hermans in de verantwoording van zijn mij in tweede instantie overigens niet overtuigende vertaalkeuze voor connectie terecht opmerkt: dat ‘in het dagelijks taalgebruik met “stand van zaken” juist zeer ingewikkelde feiten plegen te worden aangeduid.’ Wie vraagt wat de stand van zaken is, verwacht meestal een heel verhaal. En dat geldt ook voor de politiecommissaris in Tatort die wil weten hoe de zaken ervoor staan, kortom wat de Sachverhalt is. Kortom, bij een Sachverhalt denk je eerder aan de werkelijkheid als zodanig, bij een feit, een Tatsache, aan de verbinding van die werkelijkheid met de talige beschrijving ervan, aan de juiste omschrijving van de stand van zaken dus. (Je kunt – net aan – zinvol spreken over de ware toedracht of zelfs de ware stand van zaken, niet over de ware feiten, behalve dan op de paradoxale wijze waarop ik dat nu doe, omdat die feiten per definitie reeds waar zijn.) Wittgenstein verafschuwde die inleiding door Russell overigens, maar in dit geval lijken we er toch wel op af te kunnen gaan. Kennelijk gebruikte hij die term Sachverhalt op een nogal eigenzinnige – of vriendelijker gezegd: technische – wijze, omdat hij geen beter woord voor een elementair feit tot zijn beschikking had (wat volgens mij in de lijn van de latere Wittgenstein al een reden, of op zijn minst een aanleiding, zou kunnen zijn om te twijfelen aan het nut dezer constructie).

Onhelder
En zo zouden we nog wel even door kunnen gaan. Wat moeten we eigenlijk onder een logisches Bild verstaan? Je zou denken dat logica juist op het formele betrekking heeft en geen beeld kan vormen, zelfs niet in beeldspraak, waarin dat beeld dus niet meer dan een metafoor is. Wat is een waarheidsfunctie? En wat betekent [pξN(ξ)]? Dat is zonder nadere toelichting allemaal niet direct duidelijk. Kortom, mijn gemakzuchtige samenvatting is misschien toch niet helemaal geslaagd. Of ligt dat ook aan de auteur? Russell beweert bijvoorbeeld dat Wittgenstein in de tekst niet goed uitlegt waar [pξN(ξ)] voor staat, zodat Russell die lacune in de inleiding in alle goedheid nog maar even opvult. Toen Wittgenstein in 1929 op dit werk promoveerde, bleef de tekst ongewijzigd. In normale omstandigheden zou de promotor dan tegen de promovendus gezegd hebben: joh, verbeter dat nog even. Maar in dit geval weet ik nog niet zo zeker of Russell wel gelijk heeft. Het lijkt me dat Wittgenstein in het voorafgaande vijfde deel – als we de met een 5 genummerde proposities zo mogen noemen – de betekenis wel degelijk uitlegt, of althans het verstaan ervan voorbereidt. Alleen kun je dat in deze samenvattting natuurlijk niet direct zien.

En tot die gans simpele observatie wil ik me nu beperken. Namelijk dat Wittgensteins tekst, zelfs al op de allereerste blik, niet direct erg helder is. En dat wordt er niet veel beter op als je stug doorleest. Niet alleen wordt de betekenis van bepaalde termen niet erg duidelijk, de samenhang tussen de opeenvolgende zinnen is ook niet altijd helder. Het is simpelweg geen betoog. Je zou bijna zeggen dat het de tekst aan logica ontbeert, als je niet wist dat die juist over logica gaat. En als je niet gezien had dat de auteur bij de eerste propositie in een voetnoot als toelichting geeft:

Die Decimalzahlen als Nummern der einzelnen Sätze deuten das logische Gewicht der Sätze an, den Nachdruck, der auf ihnen in meiner Darstellung liegt.’

Wat is een logisch gewicht nu weer? Je zou eigenlijk denken dat een zekere logica, hoe ook opgevat – en dit gebruik moet wel erg ver af staan van de in de wijsgerige logica gebruikelijke – juist impliciet in de tekst hoort te zitten. En er dus niet zo kunstmatig van buitenaf met dat trucje van die decimalen aan toegevoegd hoort te worden. Natuurlijk, de retorica – dat is de logica waar het hier om moet gaan – kent vanouds voorschriften over de opbouw van een tekst. Een zekere indeling mag ook aan de lezer of hoorder gepresenteerd worden. Maar een auteur die een tekst van nog geen negentienduizend woorden zo in een ingewikkeld schema met 545 stellingen opdeelt, lijkt in ieder geval niet erg handig.

WittgensteinHochreith-2

Nog jaren na de Eerste Wereldoorlog bleef Wittgenstein zijn uniform dragen. Hier zien we hem in de zomer van 1920 op het familiebuiten de Hochreith tussen zijn zuster Helene Salzer en zjn vriend Arvid Sjögren.

Klar sagen
Dat zou misschien nog niet zo erg zijn, als de auteur juist van helderheid geen bijzondere deugd maakte. Tot de bekendste uitspraken uit de Tractatus behoort wel deze (4.116):

‘Alles was überhaupt gedacht werden kann, kann klar gedacht werden. Alles, was sich aussprechen läßt, läßt sich klar aussprechen.’

En al direct in het voorwoord zegt hij:

‘Man könnte den ganzen Sinn des Buches etwa in die Worte fassen: Was sich überhaupt sagen läßt, läßt sich klar sagen; und wovon man nicht reden kann, darüber muss man schweigen.’

We kunnen moeilijk stellen dat Wittgenstein erin geslaagd is om datgene waarover hij meende wel iets te kunnen zeggen, duidelijk uit te drukken. En in de allereerste zin van datzelfde voorwoord blijkt hij dat ook al te beseffen:

‘Dieses Buch wird vielleicht nur der verstehen, der die Gedanken, die darin ausgedrückt sind – oder doch ähnliche Gedanken – schon selbst einmal gedacht hat. – Es ist also kein Lehrbuch. – Sein Zweck wäre erreicht, wenn es Einem, der es mit Verständnis liest Vergnügen bereitete.’

Het blijft paradoxaal. Terwijl Kant in de geërgerde openingszin van zijn Prolegomena ook zegt dat zijn boek niet voor leerlingen is bedoeld, dus geen studieboek is, heeft hij op zich minst de illusie dat hij leraren nog iets aan het verstand kan peuteren. Maar Wittgenstein geeft het eigenlijk al bij voorbaat op. Enige logische of retorische overtuigingskracht kent hij zijn verhandeling in feite niet toe. Al kun je natuurlijk ook lezen dat hij het overgrote deel zijner lezers voor te dom houdt. Wie hier zelf niet opkomt, zal het nooit begrijpen. Dat is in feite mystiek.

Literair
En dat is het ook. Alleen een mysticus kan zo lang aan zo’n duistere tekst met zo weinig kans op overreding schaven. Zelf weet hij dat hij alle problemen in essentie definitief opgelost heeft, hij beseft ook maar al te goed dat de wereld dat niet zal begrijpen. Auch das ist der Fall.

Wat is nu het eigenaardige? Dat de eerste Engelse vertaler, Charles Kay Ogden, die duisterheid in feite ook met zoveel woorden aankondigt in de aantekening die hij aan zijn vertaling vooraf laat gaan:

‘In rendering Mr Wittgenstein’s Tractatus Logico-Philosophicus available for English readers, the somewhat unusual course has been adopted of printing the original side by side with the translation. Such a method of presentation seemed desirable both on account of the obvious difficulties raised by the vocabulary and in view of the peculiar literary character of the whole. As a result, a certain latitude has been possible in passages to which objection might otherwise be taken as over-literal.’

De woordenschat roept niet alleen overduidelijk moeilijkheden op, het gehele werk heeft ook een eigenaardig literair karakter, een peculiar literary character. Nota bene! De filosoof kondigt aan dat ‘de waarheid van de hier meegedeelde gedachten onaantastbaar en definitief’ is. En dat hij alle problemen in essentie voorgoed opgelost heeft. En de vertaler zegt doodleuk: dit is een literair werkje.

Maar misschien doet zich daar helemaal geen tegenstelling voor.

(197)