20 februari 2012

Nieuws en het Gesprek van de Dag

.:.

Ritueel
Soms verandert nieuws ineens in een ritueel. Er gebeurt iets dat ons aller aandacht trekt en vervolgens gaat het bijna alleen daar nog over.

Gezin rond de tv, 1958

Dat is nu ook het geval nu het skiongeluk van een zoon van het staatshoofd veel aandacht trekt. Alle feiten die er sinds vrijdag toe doen, kun je waarschijnlijk in vijf minuten vertellen. En dan zijn ook werkelijk alle details van enig belang wel verteld. Toch heb ik de sterk de indruk dat nieuwsuitzendingen veel meer tijd uittrekken. Ook kranten vullen heel wat pagina’s. Ik moet toegeven dat ik dat allemaal niet zo volg en dat ik eigenlijk nooit naar Nederlands tv-nieuws kijk, maar ik volg wel weer genoeg radio om daar te horen dat er veel discussie is over de mate van aandacht en de vraag of het allemaal niet erg overdreven is. Wat hiervan te zeggen? Is de ruimte die in het nieuws ingeruimd wordt terecht?

-

Twee dingen
Ik zou daar twee dingen op willen zeggen. Ten eerste: nee, als er bijna geen nieuws is, moet je er in nieuwsuitzendingen ook niet veel ruimte voor uittrekken. Ten tweede: als iets veel aandacht trekt, als mensen erg bij een thema betrokken zijn, is het terecht daar ook veel aandacht aan te geven. De oplossing lijkt me simpel: scheid het gesprek van de dag van het nieuws.

Het is een gewoonte die in grote lijnen ook gevolgd wordt door de redacties van uitzendingen als tagesschau op de ARD en heute op het ZDF. Ook als er in Duitsland iets gebeurt, dat de hele natie beroert – ik denk aan de grote overstromingen van een paar jaar geleden – probeert men toch nog steeds een breed nieuwsaanbod te blijven bieden. Men last dan een extra uitzending na afloop van de gewone nieuwsuitzending in.

Dat zou in Nederland ook kunnen. Toen onlangs de Elfstedentocht werd afgelast – nou ja, groot woord voor de mededeling dat het er absoluut niet inzat -, was het begrijpelijk dat het begin van de persconferentie rechtstreeks werd uitgezonden. Voor veel mensen was het belangrijk nieuws, maar de essentie kon je op zich makkelijk in twee minuten vertellen. Het was dan ook volkomen onbegrijpelijk dat er daarna nog tientallen minuten op het onderwerp werd voortgeborduurd in de journaaluitzending. Na een aantal minuten had men terug moeten gaan naar de rest van het nieuws. Maar er was niets op tegen geweest als daarna een extra uitzending was ingelast voor mensen die nog niet genoeg van het onderwerp hadden en die graag de diepe gedachten van ene M. Smeets over het onderwerp wilden vernemen.

-

Het Gesprek Van De Dag
En dat zou ook nu de oplossing zijn. Het is volkomen begrijpelijk dat mensen met de koninklijke familie meeleven en allerlei dingen willen horen. Maar het gaat niet om nieuws, maar om een collectief, nationaal ritueel. Ook daar moet plaats voor zijn, maar geef dat een afzonderlijke plaats. Blijf in de reguliere uitzendingen de normale dingen doen en behandel het aandachttrekkende thema onder een andere naam. Het Gesprek Van De Dag lijkt me wel een geschikte naam. Het was de typering die hoofdredacteur Marcel Gelauff van het NOS Journaal vandaag in Stand.nl zelf terloops gebruikte. Maar men kan ook per thema een naam kiezen. Als het onderscheid met het reguliere nieuws maar helder is.

Het is een onderscheid dat met name voor een hybride medium als de tv geschikt is. Kranten zijn ook niet alleen op nieuws gericht, maar hebben dat wel als kern. Radio is meer gedifferentieerd naar zender. Radio1 bijvoorbeeld pretendeert een nieuwszender te zijn, maar combineert dat weer met sport, een verschijnsel dat eerder voor de Ewige Wiederkehr des Gleichen staat. Maar tv is een medium waarop van alles door elkaar loopt, van amusement tot nieuws. Op zo’n medium kun je dus gemakkelijk een categorie invoeren die voldoet aan de collectieve aandacht, maar niet pretendeert nieuws te zijn.

Het is maar een gedachte.

(58)

19 februari 2012

Religieuze uitzonderingen? Niet over de man zonder ID-kaart …

.:.

Er is tegenwoordig in Nederland bijna niets ergers, zo lijkt het soms, dan het maken van uitzonderingen. Dat kan echt niet, vinden veel mensen, ook mensen die ik van tijd tot tijd spreek. Zaterdag bracht De Telegraaf groot het nieuws dat de kantonrechter in Den Haag vrijdag een orthodox-joodse man van rechtsvervolging had ontslagen:

‘De man kon zich op zaterdag 8 oktober in Rijswijk niet identificeren, omdat hij op sabbat buiten de deur niets bij zich mag dragen. Dus ook geen ID-kaart. De man kreeg een boete van 150 euro opgelegd.’

Justitia (Foto: L30Nde)

De uitspraak is nog niet gepubliceerd, dus over de overwegingen valt nog helemaal niets te zeggen. De VVD heeft Kamervragen gesteld, kondigde het Kamerlid Ard van der Steur zaterdag aan. Het Kamerlid Tofik Dibi van GroenLinks heeft dat, anders dan Joop.nl nog steeds meldtniet - en hij herhaalde: niet - gedaan. Hij heeft slechts informatie opgevraagd, al dacht ik dat Kamervragen daar oorspronkelijk ook voor bedoeld waren.

Of persrechter Elkerbout correct formuleerde toen hij uitlegde dat de religieuze plicht zwaarder weegt ‘dan de plicht om te voldoen aan de wettelijke voorschriften in Nederland’, valt nog maar te bezien. (Raar woord trouwens: persrechter. Alsof er speciale rechters zijn die rechtspreken over de pers. Een bizarre term, de uiting van een ongelukkige praktijk: laat rechters zelf spreken of laat ze niet spreken.) Omdat het vonnis nog niet bekend is, ben ik ook niet van plan om daar iets over te zeggen. We zullen wel zien. Ik merk alleen nog op dat er volgens de wet geen draagplicht bestaat, in bepaalde gevallen is er wel een toonplicht.

Maar er zijn wel twee dingen die me opvallen: de huidige afkeer van uitzonderingen en het merkwaardige idee dat religieuze opvattingen anders behandeld zouden worden dan zogenaamde seculiere, en dat hier de grote scheidslijn zou liggen.

-

God?
Het meest absurde aan het bericht is de kop: ‘Wet wijkt voor God’. Grotere flauwekul is nauwelijks denkbaar. Ik ken het vonnis dus niet, maar als dat zou kloppen, dan zou de rechter dus zijn eigen opvattingen voorrang hebben gegeven boven de wet. Hij zou dan van mening geweest zijn dat God het niet goed zou vinden dat hij de boete voor deze man zou handhaven. Als dat zo was, had het wel in het krantenbericht gestaan.

Maar wat de rechter zelf over Gods wil denkt en welke levensovertuiging hij heeft, is hier totaal irrelevant. Het gaat om de levensovertuiging van de man die moest voorkomen. En we weten helemaal niet of die in God gelooft, althans niet zolang hem daar niet naar gevraagd is. Ja, in het bericht staat dat hij orthodox-joods is. Hij heeft dus een bepaalde overtuiging en het is niet ongewoon om die religieus te noemen. Het zit er natuurlijk dik in dat de man in God gelooft, maar zeker is dat niet en het is ook totaal irrelevant.

Ik herinner me een documentaire waarin een bekende joodse mevrouw bezig is met de voorbereidingen voor erev sjabbat. De dis wordt in orde gebracht. Ik noem haar naam nu alleen niet, omdat ik dit uit het hoofd opschrijf en het altijd mogelijk is dat het in werkelijkheid net iets anders ging dan ik me herinner, maar ook als ik me iets zou vergissen, blijft de strekking overeind. Op een gegeven moment vraagt de interviewer – die misschien zelf ook de camera bedient, weet ik niet zeker meer – of ze in God gelooft. Ze veert op, wacht even, kijkt hem indringend aan en zegt dan iets als: dit vind ik een onbehoorlijke vraag. Ze heeft groot gelijk. Waar het om gaat, is dat ze een bepaalde levenspraktijk volgt. Wat ze persoonlijk gelooft, is haar zaak. Ze weigert de vraag dan ook te beantwoorden. Natuurlijk was de vraag niet heel vreemd, maar ze had het volste recht er geen antwoord op te willen geven.

-

Morele praktijk
Dat geeft precies aan waar het om gaat en waarom, maar dit terloops, ook een huidige modieusheid als de Divine Command Theory, de goddelijkbevelstheorie dus (sommigen schrijven het zelfs met een spatie, zodat ze de theorie zelf per ongeluk tot goddelijk niveau verheffen) er zover naast zit. Het geeft vooral ook aan waarom Boris van der Ham de plank zo ongelooflijk missloeg toen hij twitterde:

“God boven de wet? Nee. Godsdienst is niets meer dan een van de vele meningen, en is begrensd door zelfde overheidswetten.”

Het spijt me, maar dan heb je er dus helemaal niets van begrepen. Het gaat niet om meninkjes en het gaat er ook niet om wat iemand van God vindt. Het gaat er om wat iemands diepgewortelde overtuigingen zijn, en dan is het totaal irrelevant of die godsdienstig genoemd kunnen worden of niet. Of iemand nu nooit vlees eet of op zaterdag nooit werkt, de vraag is niet waar die praktijk zich op beroept, maar of de drager geloofwaardig is. Deze man draagt op zaterdag geen voorwerpen. Als hij bijvoorbeeld de volgende week zaterdag gezien wordt, terwijl hij een boek terugbrengt naar de bibliotheek, is zijn beroep op zijn overtuiging ongeloofwaardig. De simplisten die de Divine Command Theory verzonnen hebben en die denken dat een ethiek volgens de aanhangers rechtstreeks op een goddelijk bevel terug gaat, zitten er dan ook totaal naast. Morele praktijken worden in gemeenschappen gevormd en in de levenspraktijk tot uitvoering gebracht. Uit de daadwerkelijke morele praxis leidden we de overtuiging af, niet omgekeerd. Met ‘meningen’ heeft dat niets, maar dan ook totaal niets te maken.

-

Seculiere overtuigingen
Op Twitter kom je tegenwoordig ook regelmatig havoklantjes tegen die kennelijk nog nooit een fatsoenlijk boek over filosofie, godsdienstwijsbegeerte of ethiek gelezen hebben en die steevast beginnen over het Vliegend Spaghettimonster. Die zou hun dit of dat vertellen. De zwakte van hun ‘denken’, of beter, het ontbreken van dat vermogen, is daarmee gewoonlijk meteen onthuld, want meestal voeren ze dan iets aan dat ze ter plekke verzinnen. Als die meneer in Rijswijk ter plaatse bedacht had dat hij geen identificatiekaart mocht dragen, omdat zijn God hem dat net de vorige dag had meegedeeld of ‘bevolen’ zoals de genoemde theoretici naïevelijk geloven, zou hij ook geen schijn van kans hebben gehad. Niet de bron van zijn overtuiging telt, maar de serieusheid, de geworteldheid ervan.

De Oostenrijker Niko Alm heeft het als zogenaamde pastafari gedaan gekregen dat hij met een vergiet op zijn hoofd op de pasfoto op zijn rijbewijs staat. Hij vond dat dat bij zijn lidmaatschap van de kerk van het Vliegende Spaghettimonster hoort. Op zich lijkt het me niet zo moeilijk: als de man altijd met een vergiet op zijn hoofd rondloopt, moeten we uit zijn gedrag opmaken dat het een serieuze zaak voor hem is. Wel kunnen we ons afvragen of ook anderen zo’n ding dragen. Moraal is net als taal – zie Wittgenstein – nooit een privézaak, maar altijd iets van gemeenschappen.

Kortom, wie denkt dat er een tegenstelling tussen religieuze en seculiere overtuigingen bestaat, zit er naast. Er bestaan heel veel verschillende overtuigingen en ook religieuze overtuigingen zijn niet met elkaar compatibel. Er bestaat ook niet één ‘seculiere’ ethiek. De enige vraag die telt, is in hoeverre en wanneer of een bepaalde morele praktijk serieus genomen moet worden, als daar een beroep gedaan wordt. Of ze transcendent of immanent gefundeerd wordt, is irrelevant. Het grondrecht van vrijheid van levensovertuiging gaat daar niet over.

-

Gelijkheidsdenken
Maar dan komt dus vaak de tegenwerping op tafel dat we geen uitzonderingen mogen maken. Veel mensen begrijpen op zich best wel dat bepaalde mensen koosjer, vegetarisch of hallal willen eten, maar kun je maar zo een uitzondering voor hen maken? Het kan best zijn dat die man in Rijswijk op zaterdag niets wilde dragen, zelfs geen simpel plastic kaartje, maar kun je daar rekening mee houden?

Het gelijkheidsdenken is vandaag de dag diepgeworteld. Wet is wet en de wet geldt voor iedereen. Het is een legalistische wijze van denken waar de protestgeneratie van ’68 nooit van had kunnen denken dat die tegenwoordig ook onder zogenaamde ‘linkse’ of ‘progressieve’ mensen zo wijdverbreid zou zijn. Het is erger dan het ouderwetse law and order (als is dat op zich trouwens een mooi begrip). Nee, de wet is gelukkig niet altijd de wet. We leven in een rechtsstaat. En recht is altijd meer dan de toepassing van één enkel wetje. Als dat zo was, zouden de Staten-Generaal op elk moment door een willekeurige wet aan te nemen alle fundamentele vrijheden overboord kunnen zetten. Ook al mogen wetten niet getoetst worden aan de Grondwet, natuurlijk geldt nog steeds de totaliteit van de wet en zal de rechter alle wetten, ook een verdrag als het EVRM, in zijn overwegingen moeten betrekken. Ook algemene rechtsbeginselen gelden. De rechter spreekt recht, zoals de uitdrukking terecht zegt, hij spreekt geen wet.

Tegenwoordig zit het beginsel uit onze Grondwet dat iedereen in gelijke gevallen gelijk behandeld wordt, er diep in. Het gaat hier vooral om een richtlijn voor het beleidsmatig overheidshandelen. (Tussen haakjes: de Grondwet gaat over het handelen van de staat, niet over dat van de burgers. Er staat niet dat burgers geen onderscheid mogen maken, al mogen ze dat op grond van andere wetten soms ook niet. En mogen ze dat in heel veel andere gevallen gelukkig wel.) Dat de rechter onpartijdig recht hoort te spreken, spreekt vanzelf. Maar de rechter zal dus ook met alle persoonlijke omstandigheden rekening moeten houden. Over dat speeltje van de jaren negentig, computerrechtspraak, hoor je terecht niet zoveel meer. Pas als je rekening houdt met het verschil tussen mensen, behandel je iedereen gelijk. Hoe dat in dit geval zit, weten we nog niet.

-

Wetgeving
Dit gaat over rechtspraak, over toepassing van de wet binnen het kader van het recht dus. Maar bij bijvoorbeeld de discussie over het verbod op onverdoofd slachten, gaat het om wetgeving. En het valt me op dat de meest redelijke personen dan maar zo roepen dat je echt geen uitzonderingen in de wet kunt toestaan. Je zou iedereen gelijk moeten behandelen. Ik geloof dat hun redenering op een ernstige denkfout berust.

Ja, de wet geldt voor iedereen, maar dat wil niet zeggen dat je in de wet geen uitzonderingen op een algemene regel kunt toestaan, want die uitzondering geldt ook voor iedereen. Het is mogelijk om voor bepaalde milieuvriendelijke auto’s gunstiger fiscale voorwaarden te scheppen. Als ik niet zo’n auto koop, heb ik niets aan die uitzondering, maar ik zou er gebruik van kunnen maken. Welnu, als de wet het toestaat om binnen bepaalde voorwaarden onverdoofd te slachten volgens de joodse of islamitische rite, kan iedereen dat vlees kopen. De wet kan bepaalde handelingen verbieden en bepaalde handelingen toestaan, de wet kan bepaalde voorwaarden stellen aan concrete producten die in de supermarkt liggen, en het is aan mij of ik die al dan niet aanschaf.

Het opnemen van uitzonderingen in de wet is juist een uiting van werkelijke gelijkheid. Als mensen werkelijk verschillen in hun diepgewortelde levensovertuigingen en hun praktijken, is het niet anders dan billijk om binnen de grenzen van het mogelijke en redelijke daar als wetgever rekening mee te houden. Dat is namelijk pas echte gelijkheid: dat je iedereen een gelijke kans geeft om het leven te leiden dat het zijne is.

-

Mensen rechtdoen
Ik vat samen. Het is gewoon niet waar dat religieuze opvattingen anders behandeld worden dan seculiere. Er bestaat namelijk niet één set godsdienstige overtuigingen en één verzameling seculiere opvattingen. Er zijn heel veel verschillende overtuigingen en morele praktijken en als we de overheid of de rechter vragen die te respecteren, is de enige vraag hoe serieus die overtuigingen zijn, niet hoe ze metafysisch gefundeerd zijn. En als je mensen werkelijk gelijk behandelt, houd je dus ook rekening met de verschillen tussen hen.

En verder is het altijd maatwerk. Tegenwoordig wint de overtuiging steeds meer veld dat recht om rechten gaat. Ja, rechten zijn belangrijk. Maar waar recht over gaat, is redelijkheid en billijkheid. Het is een middel om het samenleven van mensen vlotjes te doen verlopen en conflicten op te lossen. Dat geldt voor de rechter en de wetgever zou er verstandig aan doen daar ook voortdurend over na te denken: hoe je mensen ook in hun eigenheid recht kunt doen.

Als dat goed gebeurt, hoeven ze zich niet steeds op hun rechten te beroepen. Het is een betreurenswaardig effect van huidige antiliberale tendensen, waar werkelijk alle partijen van links tot rechts zich op hun beurt aan bezondigen, dat dat dezer dagen wel nodig is.

(57)

17 februari 2012

Niet naar De Balie

.:.

Nee, ik ga vanavond niet naar De Balie. En het lijkt me dat Kustaw Bessems en Joeri Albrecht heel wat uit te leggen hebben.

-

Prematuur
De antwoorden van minister Ivo Opstelten op Kamervragen over de komst van Haitham al-Haddad waren helder, helderder zelfs dan ik verwacht had. Ja, de man had alle verwerpelijke uitspraken gedaan die ze hem toeschreven. En nee, hij vormt geen gevaar voor de openbare orde en de openbare veiligheid en er is dus geen reden hem de toegang tot het land te weigeren. Dat konden de Kamerleden van tevoren raden en daarom was het stellen van de vragen dom. Als ze toch wat hadden willen doen, hadden ze zich tot de organisatoren of de Vrije Universiteit moeten wenden. Nu hebben ze alleen maar de verkeerde discussie aangezwengeld en de man in een gunstiger daglicht gesteld dan hij verdient.

Debatcentrum De Balie te Amsterdam (foto: mediateletipos)

Uit de antwoorden blijkt vooral hoe prematuur het initiatief van journalist Kustaw Bessems en directeur Joeri Albrecht van De Balie is om de man daar een podium te geven. De actie van de Kamerleden was onjuist en daar had Bessems gewoon een fel stuk tegen kunnen schrijven. Nu de vrijheid van meningsuiting daadwerkelijk op geen enkele wijze in het gevaar is gekomen, slaat zijn actie nergens op. Het enige dat er gebeurd is, is dat de VU de bijeenkomst bij nader inzien niet wil faciliteren en dat behoort volledig tot de vrijheid van die instelling. Als Bessems zo voor vrijheid is, dient hij ook die vrijheid hoog in het vaandel te hebben.

De VU heeft voor dit soort gevallen een protocol en hanteert een ‘vaste procedure bij zaalaanvragen waarbij religieuze of politieke kwesties aan de orde zijn’, zo bleek gisteren uit een reactie van Wim Haan op mijn weblog. Van belang was kennelijk dat el-Haddad niet als ‘opruiend’ bekend staat. En hij beschrijft hoe men iemand gevonden had

‘die in staat moest worden geacht het academische debat – met al-Haddad en met de aanwezige studenten – te voeren. Dat is vervolgens als een voorwaarde geformuleerd om de bijeenkomst(en) doorgang te laten vinden.’

Ik neem aan dat men met die persoon universitair docent Yasser Ellethy van het Centrum van Islamitische Theologie van de VU wordt bedoeld. Het wat zwakke was dat zijn optreden in het gepubliceerde programma van de Islamitische Studentenvereniging Amsterdam niet genoemd werd.

-

Twee dingen
Wat er nu gebeurt, zijn twee dingen. Ten eerste wordt het volledige programma verplaatst naar De Balie. Ten tweede komt er een debat tussen Haitman al-Haddad en Kamerlid Tofik Dibi van GroenLinks.

De studentenvereniging kondigt alleen het al geplande programma aan, maar vermeldt niet het debat met Dibi. Het grappige is dat ze schrijft dat locatie én tijden gewijzigd zijn, maar dat in werkelijkheid de tijden precies dezelfde blijven. Dat symposium lijkt me veel interessanter dan het extra debat en we mogen hopen dat de pers vooral dat gaat verslaan. Het zou interessant zijn om te vernemen of de uitnodiging aan Ellethy daarbij gehandhaafd wordt. En of er een gedachtewisseling ontstaat, die enigszins op een academisch debat lijkt. In allerlei nieuwsberichten wordt immers gesuggereerd dat het om een academische bijeenkomst gaat en dan is het aan de media om te controleren of het daar ook van komt.

De Balie daarentegen kondigt alleen het extra debat tussen al-Haddad en Tofik Dibi aan. Uit het programma blijkt dat Kustaw Bessems geen moeite heeft met nóg een extra rol en ook meepraat. Het symposium noemt men daarentegen nergens. Dat is uiterst merkwaardig, want men heeft zelf het initiatief genomen om de studentenvereniging uit te nodigen. Dan gaat het om meer dan een externe partij die een zaal huurt. Het is me nog steeds een raadsel waarom men dit initiatief genomen heeft.

-

Het echte debat
Wim Haan schreef dat de ISA bemensd wordt door ‘toppers’ van zijn universiteit, ‘genomineerden voor onderwijsprijzen, binnen en buiten de VU, uiterst actieve en betrokken studenten bij onderwijscommissies, onderzoeksprojecten en wat dies meer zij’, waarbij het dan wel curieus is dat ze hun namen nergens op de site van ISA vermelden. Die moeten toch zelf in staat zijn in het commerciële circuit of voor mijn part in een moskee een alternatieve locatie te vinden? De Balie is een gerenommeerd debatcentrum en geeft hiermee aan dat het symposium kennelijk een serieuze aangelegenheid is. Omdat de vrijheid van meningsuiting nu eenmaal niet in het geding is, zal men met toch met betere argumenten moeten komen.

Het debat tussen al-Haddad en Tofik Dibi lijkt me weinig interessant, al heb ik alle vertrouwen in Dibi. Maar wat zou er uit moeten komen? We weten toch wel ongeveer hoe salafisten als al-Haddad denken? Wat is daar interessant aan? Men had een debat tussen bijvoorbeeld Martijn van Dam en enkele bestuursleden van de ISA moeten organiseren. De vraag waar het om gaat, is waarom ze een man met dergelijke dubieuze ideeën uitnodigen.

Ik zie dus geen enkele aanleiding om vanavond naar De Balie te gaan. Het debat is trouwens al uitverkocht. Maar ik hoop wel dat er nog eens overtuigende antwoorden komen. En dat er daarna nog eens een echt debat komt over de vragen die ertoe doen.

(56)

16 februari 2012

De omstreden shariageleerde – wat hij zei en wat we willen weten

.:.

Alles begint altijd bij Aristoteles. Waar zouden we zijn zonder het onderscheid tussen vorm en materie? Maar eerlijk gezegd, het is zo’n fundamentele indeling dat we er anders vast ook wel op gekomen zouden zijn.

-

Hoofdgebouw van de Vrije Universiteit te Buitenveldert (Foto: MethoxyRoxy)

Aankondiging en afzegging
Ik heb natuurlijk over het aangekondigde, inmiddels afgelaste en toch nog steeds aangekondigde optreden van de Britse islamitische geleerde dr Haitham al-Haddad op een symposium dat komende vrijdag en zaterdag in het hoofdgebouw van de Vrije Universiteit zou worden gehouden. Als ik het goed zie, had de universiteit op zich met het optreden niets te doen. Ze had alleen een kille zaal op de vierde verdieping verhuurd of ter beschikking gesteld aan de Islamitische Studentenvereniging Amsterdam. Die kondigde de bijeenkomst op haar site aan als een ‘mooie activiteit’. Ze kondigt de bijeenkomst overigens nog steeds aan. Nog gisteravond werd op de facebooksite opnieuw een bericht geplaatst dat de inschrijfprocedure ‘nog steeds lopende’ is. We moeten dus nog maar afwachten of het symposium op een andere plek doorgang zal vinden. Het lijkt me waarschijnlijk.

De VU heeft conform haar reputatie ondertussen een nogal onhandige persverklaring uitgegeven:

‘Over dit symposium is zowel in de media als in de politiek grote ophef ontstaan omdat één van de sprekers is beschuldigd van antisemitische uitlatingen. Het beoogde debat over de positie van de moslim academicus in het Westen schiet daarmee voorbij aan de bedoelingen van de organisatie. Dit alles heeft ertoe geleid dat de universiteit heeft besloten dit debat niet te faciliteren. Uiteraard biedt de VU geen podium voor antireligieuze uitingen, de VU staat juist de dialoog over en tussen religies voor. De VU zal met ISA in overleg treden om het beoogde symposium op een andere manier vorm te geven, een vorm waarin wetenschappelijke kwaliteit, het academische debat en wederzijds respect voorop staan.’

Dat is groteske flauwekul. Nou, niet volledig, maar wel deels. Natuurlijk ging het niet om een ‘debat over de positie van de moslim academicus in het Westen’. Kom nou, wie de uitnodiging leest en iets van salafisten afweet, zal onmiddellijk beseffen dat hier een leraar aan een publiek dat begerig aan zijn lippen zal hangen, komt vertellen hoe het moet. Lees het programma:

‘Gezien de vele vragen die er leven onder moslim-academici over het leven, participeren, studeren en werken als moslim in Nederland, heeft ISA besloten een gehele dag te wijden aan dit thema. Aan het einde volgt een Q&A-sessie hierover. Shaykh Haitam al-Haddad is geautoriseerd om antwoord te geven op religieuze vraagstukken. Vragen aan de Shaykh kunnen tot woensdag 15 februari (bij voorkeur in het Engels) gemaild worden naar info@sv-isa.nl.’

Het toontje zegt alles: het gaat hier niet om open, kritisch debat, maar om het eerbiedig opdoen van de wijsheid van iemand die gezag heeft, die ‘geautoriseerd’ is, zoals het heet. De vragen kun je van tevoren indienen. In een bericht van Radio Nederland Wereldomroep wordt nu ineens gemeld dat al-Haddad vrijdag ‘in debat’ zou gaan met ‘universitair docent Yasser Ellethy van het Centrum van Islamitische Theologie van de Vrije Universiteit’, maar nergens was er iets aangekondigd dat op een werkelijke discussie leek.

En op zich is daar trouwens niets op tegen. Waarom zou een studentenvereniging niet mogen proberen om haar leden geestelijke leiding te bieden? Maar doe dan niet schijnheilig alsof het om ‘wetenschappelijke kwaliteit, het academische debat en wederzijds respect’ gaat. Daar heeft de universiteit ook niets mee te maken, als ze een zaal ter beschikking stelt. De enige vraag die ze zich dient te stellen of ze dat wil of niet. Met de inhoud heeft ze zich verder niet te bemoeien.

Helemaal schaterlachen moest ik trouwens om de bewering dat de VU ‘geen podium voor antireligieuze uitingen’ biedt: ‘de VU staat juist de dialoog over en tussen religies voor’. Dat is wel een heel radicale en plotselinge koerswijziging. Of ik moet natuurlijk verschrikkelijk in de war zijn als ik me verbeeld dat ik de afgelopen drie decennia naast godsdienstige uitingen toch ook wel eens antigodsdienstige uitlatingen opgevangen heb binnen de muren van de Buitenveldertse universiteit. Flauwekul dus, al is het voor het thema hier verder niet relevant. Iemand die kennelijk meent dat antisemitisme een antireligieuze mening is en daarom niet getolereerd kan worden, heeft in ieder geval weinig op een universiteit te zoeken.

-

Uitspraken
Laten we het eerst maar over de inhoud hebben. Het opvallende is dat de affaire zo laat begon. Vrijdag zou de man al komen, pas enkele dagen ervoor ontstond de commotie. Als ik het goed zie, begon het allemaal met een bericht van Carel Brendel dat hij maandag op zijn weblog plaatste en dat u beslist even moet lezenSjeik als extremist geweerd in Londen, als spreker welkom in Amsterdam. Pas daarna kwamen anderen in het geweer. Het CIDI riep de Vrije Universiteit en de Islamitische studentenvereniging bijvoorbeeld op om ‘geen podium’ te bieden aan de ‘extremistische shariageleerde’. De rest hoef ik hier niet te noemen. U zoekt zelf maar met Google. Alle gegevens, alle citaten die aan de man worden toegeschreven, gaan, voor zover ik kan zien, steeds terug op het bericht van Brendel.

De vraag is dan of dat klopt. Ik werd klassiek kantiaans uit mijn sluimer gewekt door twee tweets van Maarten Jan Hijmans, die ik nu samenvoeg:

‘Tijd voor Kamervragen naar betrouwbaarheid van de bronnen waaruit CIDI en Voordewind putten bij hun pogingen Haitham al-Haddad te weren. Ik kom alleen rechtse pro-Israel sites met onbetrouwbare weergave van preken tegen die elkaar allemaal napraten.’

Zijn scepsis kwam me niet vreemd voor. Haitham al-Haddad is geboren in Saoedi-Arabië en groeide daar ook op, maar hij heeft een Palestijnse achtergrond. En ik ken het verschijnsel dat zich dan soms of misschien wel vaak voordoet: uitspraken tegen Israël of tegen joden kun je vaak alleen in bronnen vinden van degenen waar ze zich tegen zouden richten. Allerlei vertekeningen komen voor. Zou dat ook hier het geval zijn?

Twee veelvuldig aangehaalde zinnetjes kwamen me verdacht voor. Ten eerste de bewering dat joden ‘the enemies of God, and the descendants of apes and pigs‘, of in het Nederlands ‘de vijanden van God en de afstammelingen van apen en varkens‘ zijn. En ten tweede de uitspraak: ‘They are one of the armies of the devil‘, die in het Nederlands concreet wordt ingevuld: ‘Joden zijn een van de legers van de duivel‘. Onder de twee uitspraken in de Engelse en Nederlandse weergave heb ik meteen maar een Googlelink gestopt. En ja hoor: het gaat steeds over onze imam en vaak gaat het inderdaad om bronnen die zichzelf als joods aanduiden. Maar dat zegt uiteraard nog niets over de vraag of ze kloppen.

Ik zal het maar direct verklappen: volgens mij kloppen de citaten. En ik zeg er direct bij dat alle gegevens in de blog van Carel Brendel naar mijn bevindingen feitelijk juist zijn. Alle links heb ik nagetrokken. Hier beperk ik me tot de twee genoemde zinnetjes. Ze komen uit een toespraak of een preek die Jawad al-Haitham al-Haddad op 24 safar 1422, 18 mei 2001 dus, in Londen hield. Brendel gaf die bron op Al Minbar al in het Arabisch. Hij gaf alleen niet de beste link naar de vertaling. Op dezelfde site waar hij naar linkte, werd op 4 februari van dit jaar een gedeelte vertaald. Ik citeer dat stuk:

‘[W]e must reflect on the reality of the conflict between us and the Jews, the enemies of God, and the descendants of apes and pigs.

O brothers! The conflict between us and the Jews is religious, historic, civilizational, and infinitely complex; it is not bounded by time or place, and it has more than one dimension.

Yes, o brothers, this is the nature of the conflict. It is not a military conflict for a limited period on the land of Palestine. The battle in Palestine, such as that underway at the moment and that which took place in the past, is but one small part of this conflict.

There is no better example of this, o brothers, than our recognition based on an investigation of reality, that although the Jews do not occupy all our land in Palestine, in time they will take over parts of the Arab countries indirectly in a manner perhaps worse than the military occupation. For example: political and economic control, and all their efforts to gain cultural control, as well as their hard work towards normalisation [of relations]. This is only part of their management of this battle, of which realise its importance and our ignorance.

We know that the Jews are using all that they can to end this conflict in their favour. They are doomed and will lose. They are one of the armies of the devil, of which Allah the Almighty said: And incite [to senselessness] whoever you can among them with your voice and assault them with your horses and foot soldiers and become a partner in their wealth and their children and promise them. But Satan does not promise them except delusion. [17:64]

Did Allah not commands us to seek refuge from the devils of mankind and the jinn? Indeed, the devils of mankind are perfectly represented by these Jews. Do their Protocols [of the Elders of Zion] not say: “We must seduce the world with women and wine, through gambling and recreation, and if this is not sufficient then their reality will testify to this.”

O brothers: their weapons in this battle are like the weapons of Satan: all kinds of desires, money, women, alcohol, games, media, so-called sports and art. All of these are amongst their weapons.”

O brothers: their weapons in this battle are like the weapons of Satan: all kinds of desires, money, women, alcohol, games, media, so-called sports and art. All of these are amongst their weapons.’

Het gaat om een klein stuk van de totale toespraak, niet meer dan een tiende deel. Dit gedeelte begint op ongeveer een kwart of een derde van de tekst. Nee, ik kan geen Arabisch, maar ik heb de gehele tekst in Google Translate gegooid en daaruit kon ik duidelijk opmaken dat het vertaalde fragment aaneengesloten is en de vertaling lijkt me ook tamelijk accuraat. U moet het anders zelf ook maar eens proberen. En mensen die Arabisch lezen, kunnen uiteraard het hele verhaal controleren.

Het gaat om een toespraak uit 2001 toen de Tweede Intifadah gaande was en de sjeikh geeft grafische beschrijvingen van het onheil en het leed dat Palestijnen treft. De joden in zijn toespraak zijn natuurlijk in de eerste plaats de joden die in Israël wonen. Laat ik dit zeggen: het is niet altijd onbegrijpelijk dat mensen in het Midden-Oosten soms over ‘joden’ in plaats van over ‘Israëli’s’ spreken. De meeste soldaten van dat land zijn nu eenmaal joden en het gaat om een staat die zichzelf als joods verstaat. Je hoeft niet op alle slakken zout te leggen. Maar ook al valt de tekst tegen de achtergrond van de persoonlijke levensgeschiedenis van de sjeich misschien wel enigszins te begrijpen, hij doet de uitspraken toch maar. En het gaat om meer dan een felle positiekeuze in een concrete strijd, het gaat wel degelijk om een algemeen wereldbeeld waarin zeer generaliserend en in vijandige termen over joden wordt gesproken. En het lijkt me dat je hem daar op aan mag spreken. Dit is wat wij antisemitisme plegen te noemen.

Voor het NOS Journaal ontkende al-Haddad gisteravond laat dat hij de aangehaalde uitspraken over de joden had gedaan. Arjen van der Horst hield hem elke uitspraak afzonderlijk voor. Het lijkt me dat al-Haddad niet de waarheid sprak, maar dat wil niet zeggen dat hij keihard loog. Het zit er dik in dat hij niet meer wist dat hij dit ruim tien jaar geleden gezegd had en dat zijn woorden gepubliceerd zijn. Anders had hij waarschijnlijk wel een slimmere uitweg gekozen. Botweg ontkennen is niet slim als je beter weet. Hij zal vast niet elke dag zulke dingen zeggen. In de samenvattingen worden verspreide uitspraken uiteraard verdikt. Maar waar het naar mijn idee op aankomt: er is ook niets verzonnen. De man heeft uitspraken gedaan die uiterst twijfelachtig zijn. En het gaat niet om wat losse flodders die helemaal uit de context gelicht zijn. Het gaat hier wel degelijk om uitwassen van een zeer merkwaardig en polemisch wereldbeeld. Het lijkt me niet verstandig om de dubieuze denkwereld van deze man te negeren.

-

Reacties
Dat was het materiële deel, nu het formele. Wat te zeggen van de reacties? Volgens een NOS-bericht probeerde een Kamermeerderheid woensdag om de man uit Nederland te weren. Dat lijkt misschien wat overdreven geformuleerd. Plenair is er met geen woord over de man gesproken. Het enige dat er gebeurd is, is dat Joel Voordewind (CU), gesteund door Kamerleden uit vier andere partijen, vragen aan twee ministers heeft gesteld. Maar hij presenteerde ze wel degelijk als een poging de man buiten de Nederlandse grenzen te houden. En samen vertegenwoordigen de vragenstellers inderdaad een Kamermeerderheid. Dit is het kwartet:

1. Heeft u kennis genomen van het artikel ‘VU moet extremistische shariageleerde weren’?
2. Is het juist dat sjeik Haitham al-Haddad bekend staat om antisemitische uitspraken als ‘Joden zijn een van de legers van de duivel’, dat joden ‘de vijanden van God, en de afstammelingen van apen en varkens’ zijn, dat het ‘noodzakelijk is om joden en christenen te haten’, dat hij gepleit heeft voor steniging en handen afhakken en dat hij van mening is dat het getuigenis van een vrouw slechts de helft waard is als een getuigenis van een man?
3. Bent u bereid om sjeik Haitham al-Haddad de toegang tot Nederland te ontzeggen? Zo nee, waarom niet?
4. Bent u bereid deze vragen zo spoedig mogelijk te beantwoorden daar sjeik al-Haddad aanstaande vrijdag te gast is op een islamitisch symposium op de Vrije Universiteit in Amsterdam?

De antwoorden zijn tamelijk voorspelbaar. Op de eerste vraag luidt die altijd ja. Op de tweede vraag zullen ze deels bevestigend zijn en deels waarschijnlijk ietwat nuancerend. Het is me bijvoorbeeld niet helemaal duidelijk of de fatwa’s op de site van Islamic Sharia Council werkelijk van de hand al-Haddad zijn – Brendel beweert dat ook niet – en of de antwoorden niet net iets gecompliceerder zijn: islamitische wetsuitleggers moeten immers vaak wat manoevreren tussen de onfeilbaarheid van de tekst of de overlevering en de maatschappelijke werkelijkheid waar ze mee te maken hebben. Maar de eerste, antisemitische toeschrijvingen lijken me toch juist – als toeschrijvingen dan, haast ik me toe te voegen, niet inhoudelijk natuurlijk. Op de derde vraag zal het antwoord wel ontkennend zijn. De man is Brits staatsburger en een gevaar voor de nationale veiligheid lijkt hij nu niet direct. Er is waarschijnlijk geen enkele reden om de man niet het land binnen te laten. Of het antwoord op vraag vier bevestigend zal zijn, zullen we in de loop van de dag wel zien. Ik vermoed van wel.

Je kunt natuurlijk betogen dat vragen vrij staat, maar toch vind ik deze vragen niet verstandig. De suggestie die erin ligt opgesloten, is wel degelijk die die NOS erin las. Politici moeten niet te snel de indruk wekken dat ze iemand, hoe onsympathiek ook, met behulp van het staatsgezag de mond willen snoeren. Het was nu ook weer niet waarschijnlijk dat de man vrijdag en zaterdag gaat oproepen tot geweld. En bovendien, mocht hij de wet toch overtreden, dan kun je alsnog ingrijpen.

Veel verstandiger was naar mijn idee de reactie van het Kamerlid Martijn van Dam (PvdA). Die schreef een Open brief aan de Islamitische Studentenvereniging Amsterdam, waarhij hij de studenten vroeg om de uitnodiging in te trekken en hun naar hun verhouding tot gedeelde kernwaarden vroeg. Je kunt je natuurlijk afvragen of een dergelijk moreel appel primair een taak voor een politicus is, maar je ziet dat onze Kamerleden zich momenteel met allerlei morele kwesties bemoeien en dan is dit optreden heel normaal. Van Dam sprak in ieder geval de juiste mensen aan: niet de minister, niet de universiteit, maar de organisatoren.

De houding van de VU lijkt me – afgezien van de onhandige formuleringen – juist. Natuurlijk weet zo’n universiteit niet wat mensen die een zaal reserveren, allemaal doen. Maar ze heeft alle recht om geen medewerking te verlenen aan een bijeenkomst met een dergelijke man. Met wetenschap heeft het in ieder geval niets te doen, al babbelde Al-Haddad in het NOS-interview nog wat over academische principes. Het gaat om een initiatief van een groep studenten die het volste recht hebben om een religieus getinte bijeenkomst te organiseren, maar er is geen reden waarom de universiteit faciliteiten zou moeten verlenen. De studentenvereniging moet maar een ander zaaltje zoeken.

Buitensporig en ronduit verward was de reactie van de journalist Kustaw Bessems, die meestal zo nuchter analyseert en die ook wel weet wat voor een vlees hij in de kuip heeft. Dat hij pogingen van politici om het optreden van de sjeich te verijdelen, principieel kritiseert, dat kan ik goed begrijpen. Op dat punt ben ik het met hem eens. Maar politici hebben tot dusverre helemaal niets verhinderd en dat kunnen ze ook niet. Ze kunnen alleen voor ‘ophef’ zorgen en dat hebben ze ook effectief gedaan.

De beslissing van de VU was daar een eigen reactie op en die heeft met censuur niets te maken. Zoals maatschappelijke actoren als de studentenvereniging de vrijheid hebben om bijeenkomsten te organiseren, hebben andere maatschappelijke actoren als de universiteit het volste recht om hun medewerking te weigeren. Maar Bessems had, vertelde hij bij Pauw en Witteman, contact gezocht met directeur Joeri Albrecht van De Balie om de bijeenkomst daar door te laten gaan. Voor een journalist is dat wel een heel merkwaardige vorm van activisme. Het is ook nogal bevoogdend. Kunnen de bestuursleden van de Islamitische Studentenvereniging Amsterdam zichzelf niet redden? Kunnen zij niet zelf een alternatieve locatie zoeken? Kom nou. Bessems is de kluts flink kwijt.

-

Evenwicht: materieel en formeel
Het is altijd lastig om de verhouding tussen het formele en het materiële in evenwicht te houden. Op dat punt gaat er in hedendaagse maatschappelijke discussies dan ook voortdurend van alles mis.

Theoretisch is het niet zo moeilijk om iemands woorden materieel te veroordelen en tegelijk formeel voor zijn recht ze te uiten op te komen. Het is de kern van het bekende dictum dat altijd aan Voltaire wordt toegeschreven, maar dat in werkelijkheid in 1907 door Evelyn Beatrice Hall geformuleerd werd. Maar in de praktijk blijkt dat dat spreken met twee woorden vaak heel lastig is. De nadruk ligt al gauw op het ene of het andere. Je kunt zo snel de nadruk leggen op formele rechten dat je de materiële inhoud helemaal vergeet. Of omgekeerd. En als het om de islam gaat, valt bij een deel van zich progressief wanend Nederland de nadruk al gauw op de verdediging van de vrije ruimte.

Het is niet moeilijk om te begrijpen hoe dat zo gekomen is. Maar het is in feite ook heel bevoogdend. Katholieken en refo’s worden vandaag de dag niet gespaard, maar moslims neemt men graag in bescherming. Het is een uiting van ouderwets paternalisme, die nogal van minachting getuigt. Het doet de grote meerderheid van moslims bovendien onrecht.

Er is nog iets. Eind vorig jaar maakte ik me nogal druk – te druk, zullen velen waarschijnlijk terecht zeggen – over een blunderende NOS-reportage over de gebeurtenissen in een Egyptisch dorpje. Toen ik op een gegeven moment moest beschrijven hoe salafisten in Egypte de reportage van Lex Runderkamp voor hun eigen doeleinden gebruikten, kwam ik daarbij ook ene Sjeich Muhammad Al Zogbhy tegen, de geestelijk leidsman van het salafistische tv-station waar het om ging. Per mail had ik vanuit Egypte, uit islamitische bron overigens, wat informatie over de man gekregen, maar toen ik mijn stukje schreef, zocht ik of ik even een linkje naar bijvoorbeeld een Wikipedia-stukje kon vinden. In de gauwigheid stuitte ik vooral op rabiate sites als Frontpage Magazine van David Horowitz en Jihad Watch van Robert Spencer. En ik had even geen zin om daarnaar te linken.

Ik had ook geen tijd om de informatie die ik tegenkwam, te controleren. Ik had dus wel een excuus om niet te linken. En toch vond ik het van mezelf wat vreemd. Het was best mogelijk dat de informatie die ik over die radicale sjeich tegenkwam, wel degelijk klopte, al stond die op sites met een merkwaardig wereldbeeld. Maar waarom kon ik die dan niet elders vinden? Hier stuiten we volgens mij op een echt probleem.

-

Blinde vlek
Eigenlijk is niemand echt geïnteresseerd in radicale vormen van de islam. En hetzelfde – ik besef dat de verbinding riskant is – geldt ook voor uitingen van organisaties als Al Kaida. Je hebt tegenstanders die ijverig alles verzamelen en vertalen. Maar ze presenteren het in zo’n overtrokken kader dat geen zinnig mens ze serieus neemt. En, dat is me vaak opgevallen, ze zijn zelf in het algemeen ook niet werkelijk geïnteresseerd in al het materiaal dat ze verzamelen. Het dient alleen maar ter nadere bevestiging van een bestaand wereldbeeld. Maar anderen verdiepen zich ook niet in de zaak. Radicale moslims schrijven uitvoerig op wat ze denken, maar wie wil het weten? Alleen fervente aanhangers en rabiate tegenstanders, de rest negeert de informatie.

Ook hier gebeurt weer zoiets. Twee reacties overheersen en ze ontnemen het zicht op de zaak. De politici die willen verbieden, zijn dom bezig. Het is natuurlijk flauwekul dat zo’n man aan de lopende band tot geweld oproept. En het is zeer onwaarschijnlijk dat hij een gevaar voor de openbare veiligheid vormt. Het kan vervelend zijn dat jongeren radicaliseren, juist het vinden van een eigen niche kan een zekere waarborg tegen verdergaand extremisme bieden. Maar juist de verbodsneiging roept bij anderen dan weer de neiging op allleen maar over de rechten te beginnen en te vergeten dat het toch om wel heel ongure denkbeelden gaat.

Kortom, debatten als dit versterken naar mijn indruk de blinde vlekken alleen maar. Als maatschappij kunnen we echt wel leven met een kleine groep mensen die er zeer afwijkende denkbeelden op nahoudt. Maar in een maatschappij die zich steeds meer tot één nationale communicatiegemeenschap ontwikkelt, is het ook vreemd om aan zulke opvattingen voorbij te gaan. Het denken in verboden en rechten leidt alleen maar af. Laten we eens vragen wat de leden van die islamitische studentenvereniging nu eigenlijk beweegt. Waarom vinden ze zo’n man boeiend? Wat zoeken ze? Dat zijn de vragen waar het om gaat.

De houding van Joël Voordewind en Kustaw Bessems leidt ons op dwaalwegen. Die van Martijn van Dam wijst op zijn minst het begin van de weg die we moeten gaan.

Eerste naschrift (donderdag 16 februari, rond 10.15 uur)
Aan dit stuk had ik oorspronkelijk een kort naschrift toegevoegd waarin ik aankondigde dat ik het in de loop van de dag waarschijnlijk nog zou verbeteren. Het was grotendeels in nacht geschreven. En de pagina van WordPress liep vast, zodat ik een groot deel opnieuw moest schrijven. Daardoor werd het wel erg laat. Ik was bang dat ik veel zou moeten veranderen. Maar nu ik het stuk overlees, laat ik het maar zo staan. Ik heb er een paar foutjes uitgehaald en als ik nog meer foutjes zie, zal ik die er waarschijnlijk ook uithalen.

Wat de sjeich betreft, ben ik er niet helemaal uit, maar dat blijkt ook uit het stuk. Het lijkt me vooral zaak om de dialoog aan te gaan en dan doel ik niet op slappe praatjes. Het gaat er juist om uit te zoeken hoe de man werkelijk denkt en wat hij werkelijk leert. Het is goed mogelijk dat zijn denkbeelden in de populaire weergave nu al te simpel worden weergegeven. Of de verbinding met geweld, die nu gelegd wordt, bijvoorbeeld juist is, vraag ik me af.  Men moet dat soort dingen zorgvuldig uitzoeken en ik heb me in het bovenstaande tot enkele uitspraken beperkt. Maar er is alle reden om kritische vraagtekens te zetten bij de opvattingen van Haitham al-Haddad en dat is wat er moet gebeuren en dan zien we wel wat de antwoorden zijn. 

Morele paniek en verbodszucht zijn nergens voor nodig, maar alleen in de rechtenkramp schieten en aan de ideeën voorbijgaan is ook geen verstandige houding. Maar in feite staat dat ook in het stukje. En als ik meer te zeggen heb, schrijf ik wel een nieuw stukje of een extra naschrift.

Tweede naschrift (donderdag 16 februari, rond 18.25 uur)
Dit is ingewikkelde materie. Het is altijd moeilijk om tot een afgewogen oordeel te komen. De lezer heeft dat hopelijk ook uit mijn stuk opgemaakt: het gaat ook om een zoektocht waarbij ik op het moment dat ik begin te schrijven, nog niet weet waar ik precies uitkom. Ik probeer steeds deelvragen te stellen en daar antwoorden op te vinden.

De hoofdlijn lijkt me wel duidelijk: geen inzetten op onverheidsgrijpen, wel op maatschappelijk debat, juist ook als dat lastig lijkt. Waarbij elke actor zijn eigen initiatieven mag nemen en dus iets mag organiseren, maar ook medewerking mag weigeren.

Ik wijs nu nog even op drie heel verschillende stukken zonder nader commentaar te geven. Ook op de laatste reacties hieronder geef ik nog even geen commentaar.  Een van de reactie noem ik hier als vierde, omdat die afkomstig is van een betrokkene van de VU en daarom een iets ander karakter heeft dan een gemiddelde mening (waarbij ik uiteraard andere reacties niet achter wil stellen).

Ik heb nog geen definitief oordeel, maar een praktisch aspect is belangrijker: ik moet ook aandacht aan andere dingen geven. Misschien dat ik later nog wel wel een kort vervolgstukje kom.

1. Carel Brendel schreef gisteren een vervolgblog VU-bestuur overrompeld door rumoer rond shariageleerde Haitham al-Haddad

2. Marten Jan Hijmans publiceerde vanmiddag een blog Een omstreden sheikh en een uitnodiging die ten onrechte weer werd ingetrokken

3. Het CIDI publiceerde een rapport: Overzicht van de haatzaaiende uitspraken van sjeik Al-Haddad

4. Verder wijs ik op de reactie van Wim Haan van de VU hier beneden, die betrokken is bij de procedure voor zaalaanvragen en nadere achtergrondinformatie biedt.

Neem kennis van alles en oordeelt u vooral zelf.

(55)

[Gepubliceerd: donderdag 16 februari 2012, 7.29 uur. Naschrift gewijzigd op donderdag 16 februari, ongeveer 10.15 uur.]

15 februari 2012

De minister-president en de belletjestrekker

.:.

Rood vlees
Op zich had minister-president Mark Rutte gisteren best gelijk. Tijdens het zogenaamde vragenuur in de Tweede Kamer van de Staten-Generaal – in de wandeling liefkozend verkleind tot vragenuurtje – zei hij naar aanleiding van een interventie van Arie Slob:

‘Ik heb al eerder gezegd dat ik het onverstandig vind om, als er belletje wordt getrokken en stukken rood vlees naar beneden worden gegooid, daar meteen met zijn allen bovenop te springen. Het is echt mijn opvatting dat u dat met zijn allen aan het doen bent.’

Geografisch middelpunt van Europa in Litouwen. Midden-Europa ligt ten zuidwesten hiervan. (Afbeelding: Wikipedia)

Over de gecombineerde beeldspraak, belletjestrekkers die met stukken vlees gooien, moet je misschien maar niet te lang nadenken. En over dat springen al helemaal niet, zou ik zeggen. Rutte had daarvoor al opgemerkt dat de PVV regelmatig stukken rood vlees in de arena gooit. Ik ben toch bang dat als ik de volgende keer de trein naar Utrecht neem, ik daar net voor station Amsterdam Bijlmer Arena even aan zal moeten denken. Maar goed, het ging over het zogenaamde Meldpunt Midden en Oost Europeanen dat de genoemde ‘partij’ had opgericht. (Wat de naam betreft: zorgvuldige omgang met de Nederlandse taal schijnt in PVV-kringen geen prioriteit te hebben.) En Rutte heeft natuurlijk groot gelijk. Veel stelt die website met dat zogenaamde meldpunt niet voor. Het is vooral een kwestie van aandachttrekkerij, een tamelijk machteloze poging ook.

-

Problemen signaleren
Gisteren werd er op gewezen dat de SP al in 2005 een soortgelijk meldpunt geopend zou hebben. Die partij bood althans de mogelijkheid om ‘gevallen van concurrentievervalsing op de arbeidsmarkt die wordt veroorzaakt door de toestroom van Polen en andere Oost-Europeanen’ te melden. Dat gebeurde trouwens onder het kopje ‘enquête’. De journalist Kustaw Bessems formuleerde het verschil treffend:

‘Verschil tussen SP-meldpunt en dat van de PVV is precies het verschil tussen reële problemen aanpakken en hetze voeren om het hetze voeren.’

Zo is het. Bij het SP-onderzoek ging het om zakelijke problemen, op het PVV-meldpunt gaat het eerst over overlast in het algemeen en over specifieke vormen als geluidsoverlast, parkeeroverlast, dronkenschap en verloedering. En pas daarna kun je dan ook nog aangeven of er sprake is van baanverlies.

Mogen zaken als overlast dan niet genoemd worden? Natuurlijk wel. Maar die problemen zijn allang bekend en worden ook gesignaleerd. Juist de krantenkoppen die de website laat zien, tonen dat al aan. En wat nog veel belangrijker is: vorig jaar heeft de Tweede Kamer al onderzoek gedaan. Een Tijdelijke commissie Lessen uit recente arbeidsmigratie onder leiding van Ger Koopmans (CDA) presenteerde op 29 september 2011 het eindrapport Arbeidsmigratie in goede banen. (Zie hier een tv-reportage over de aanbieding.) Dat rapport vormt de basis voor de verdere politieke discussie rond arbeidsmigratie. En dat rapport schuwt echt geen enkel onderwerp. Alle concrete vormen van overlast die de PVV-meldpuntsite noemt, worden er openlijk in besproken.

PVV-woordvoerder Ino van den Besselaar was lid van die commissie. Voorzitter Ger Koopmans (CDA) wees daar gisteren in een interview nog eens op. Kortom, de PVV vraagt naar dingen die men al weet. In Trouw van vandaag beweert Ino van den Besselaar dat er twee dingen ontbreken: ‘de overlast die arbeidsmigranten veroorzaken en verdringing op de Nederlandse arbeidsmarkt’. Wie even met de zoekfunctie door het rapport gaat, zal zien dat dat niet waar is. Alleen het woord overlast komt 34 voor, verdringing 41 keer en verdringen 2 keer. En die woorden worden echt niet gebruikt om te zeggen dat er helemaal niets aan de hand is. Kortom, het gaat bij het meldpunt niet om een serieus onderzoek naar zaken waar nog niets over bekend is. Het gaat puur om aandachttrekkerij, waarbij het persoonlijke en niet het zakelijke aspect voorop wordt gesteld. En men is nogal laat.

-

Ruttes gelijk
Kortom, Rutte heeft met zijn typering groot gelijk. Geert Wilders, Ino van den Besselaar en de PVV zijn inderdaad belletjestrekkers. Het is een houding die Rutte vrij consistent tentoonspreidt. Ik herinner me een uitzending van Pauw en Witteman – bijna een jaar geleden inmiddels, op 28 februari 2011 – waarin de minister-president Wilders zakelijk gesproken ook als een quantité negligeable afdeed. Veel uitingen van Wilders en de PVV neemt hij overduidelijk niet serieus.

Rutte heeft gelijk. Je kunt de PVV minimalistisch of maximalistisch benaderen. Je kunt de meest gekke uitingen op een rij zetten, inclusief het fantasieën over schieten op knieschijven of het deporteren van meer moslims uit Europa dan er in de EU wonen – die formulering is bewust zo gekozen, meld ik er maar bij -, je kunt ook meer minimaal beperken tot officiële en doordachte uitingen zoals het verkiezingsprogramma. Ik heb altijd aan de laatste optie de voorkeur gegegeven. Het is dan volstrekt helder dat de gezindheid van de PVV antirechtsstatelijk is, maar tegelijk kun je ook vaststellen dat de ‘partij’ weinig pogingen doet om haar programma door te voeren. Heeft ze bijvoorbeeld ooit een wetsvoorstel ingediend om een belasting op hoofddoeken in te voeren? Nee, het is vooral loos geroep.

Je zou aan zo’n club inderdaad niet veel aandacht moeten besteden en aan zo’n meldpunt, dat niets voorstelt, al helemaal niet. Het is inderdaad niet de moeite waard. Maar waarom is die aandacht er toch? Ja juist, omdat Rutte welbewust met deze ‘partij’ in zee is gegaan. Zijn kabinet steunt via het Gedoogakkoord deels op de fractie van de belletjestrekker. En uit vrije wil heeft hij anderhalf jaar geleden een zogenaamde gedoogverklaring getekend waarin de drie deelnemende partijen spreken over ‘acceptatie van elkaars verschillen van mening en het volledig aan elkaar gunnen van de vrijheid van meningsuiting over bestaande verschillen van inzicht’.

Het is een zotte formulering die tekenend is voor het gebrek aan niveau van de drie ondertekenaren: vrijheid van meningsuiting is door de Grondwet gewaarborgd en die kun je elkaar in feite niet eens ‘gunnen’. Die hebben mensen namelijk al. Maar wie samenwerkt, bindt zich meestal aan afspraken, ook over wat hij wel of niet zegt. En met een grondrecht heeft dat niets te maken. Logisch betekent de afspraak overigens dat Rutte zich nu wel degelijk zou kunnen uitspreken. De afspraak geeft ook hem immers dat recht. Maar hij doet het niet.

-

Buitenland
En daarin vergist Rutte zich. Niet omdat de website zelf de aandacht waard zou zijn, maar omdat het hier om een initiatief gaat van een ‘partij’ die wel degelijk met het kabinet-Rutte wordt geïdentificeerd, en dat vooral in het buitenland. ‘Voor Brussel behoort PVV wel tot de regering’, luidt de kop van een uitstekend artikel van Leonoor Kuijk vanuit Brussel. Het aardige is overigens dat het artikel laat zien dat juist de veranderingen die Nederland op instigatie van de PVV wil, bijvoorbeeld inzake strengere regels voor gezinsherenigingen, nu nog minder kans maken. Het toont tevens aan dat de PVV totaal niet op resultaten gericht is.

Het buitenland heeft natuurlijk al heel lang met verbazing naar Nederland zitten kijken. Overal heeft Uri Rosenthal rare praatjes moeten verkopen over een onzinthema. En nu is het moment aangebroken dat de maat een keer vol is. De brief van zeven ambassadeurs en drie zaakgelastigden van tien landen uit het midden en oosten van Europa die zich vroeger aan de andere kant van het IJzeren Gordijn bevonden – Wenen ligt heel wat oostelijker dan Praag, maar Oostenrijk past toch (nog) niet in dit rijtje – is een belangrijk teken. Het is een brief die aan de hele Nederlandse samenleving en haar politieke leiders is gericht. Ik citeer uit een vertaling:

‘Decennialang hebben Nederland en de Nederlandse maatschappij in onze landen als voorbeelden van vrijheid en tolerantie gegolden. Wij geloven dat Nederland dit positieve imago zou moeten vasthouden en, om deze reden, nodigen wij de Nederlandse samenleving en haar politieke leiders uit om zich te distantiëren van het verwerpelijke initiatief.’

Terecht trekken Nederlanders zich dat schrijven dan aan. Vandaag opent het onvolprezen Eurotopics met de kop ‘Wilders’ Osteuropa-Hetze bringt EU auf’. Het kan best zijn dat actie van Wilders in het buitenland inhoudelijk overschat wordt, maar het is niet onbegrijpelijk dat Oost-Europeanen zich vernederd voelen. Het is Rutte geweest die door zijn passieve houding deze reactie veroorzaakt heeft. Het is Henk Kamp die zich als minister van sociale zaken de waardigheid van zijn ambt niet bewust lijkt te zijn door geen afstand te nemen van dit initiatief: hij had er op kunnen wijzen dat hij door het rapport van de commissie-Koopmans al voldoende op de hoogte is. Zou hij nu echt zitten te wachten op de aanbieding van de resultaten door de PVV?

Als mensen opmerken dat het om een hype gaat, lijken ze inhoudelijk gelijk te hebben en toch hebben ze dat politiek niet. De aanleiding is op zich vrij onschuldig, maar het is de druppel die de emmer doet overlopen. Het is de zoveelste schoffering van hele groepen door Wilders en de PVV. Maar het is ook een uiting van zwakte. Het momentum voor Wilders is voorbij. Het CDA heeft inmiddels wel ingezien dat het een ernstige blunder van Maxime Verhagen, de eeuwige drammer, is geweest om met Wilders in zee te gaan. Uiteindelijk bereikt Wilders in dit kabinet heel weinig en nooit zal hij de kans krijgen om nog bij de vorming van een volgend kabinet betrokken te raken. De neergang van de PVV is ingezet.

-

Belletjestrekker
Inhoudelijk zouden we aan de PVV en de gektes van die partij inderdaad geen aandacht moeten besteden. Het is ook de reden waarom ik de laatste maanden er bijna nooit meer over geschreven heb en me er zelfs op Twitter zelden over uitgelaten heb. De PVV deugt niet, maar dat weten we onderhand wel en soms werd ik van lieden die dat voor de zevenduizendzeshondervijfenveertigste keer meenden te moeten melden, net zo iebel. Doodzwijgen zou het beste zijn. Maar het lukt niet omdat de PVV nu eenmaal door Mark Rutte en Maxime Verhagen doelbewust in het middelpunt is gesteld en bij de macht is betrokken.

Ondertussen heeft de minister-president de samenleving een grote dienst bewezen door zo openlijk uit te spreken dat de PVV zich schuldig maakt aan belletjestrekkerij. Al te grote woorden helpen niet, niet omdat het gebruik op zich ontactisch zou zijn, maar omdat ze zakelijk niet kloppen en dan dus een uiting van overkill zijn. Precies zeggen wat Wilders en de PVV zijn, werkt wel: belletjestrekkers – vervelende kwajongens die je niet serieus moet nemen.

Alexander Pechtold nam zelfs in een boektitel het frame van de PVV over. Dat moet je niet doen, zoals ook zijn verwijzing gisteren naar het eerste artikel van de Grondwet gisteren over the top was: het gaat hier niet om de overheid, waar die bepaling betrekking op heeft. Maar minister-president Mark Rutte heeft de perfecte aanduiding voor de opstelling van Wilders en de PVV aangeleverd. Laten we die voortaan dan ook gebruiken.

En laten we het verder vooral maar over andere dingen hebben.

(54)

11 januari 2012

Bij de mogelijke teloorgang van Selexyx. (2) Boeken zoeken

.:.

Waar ging het ook alweer over? O ja, over de opgang en neergang van Selexyz, waarvan we momenteel nog niet weten of het een definitieve teloorgang wordt.

 -

Zoeken
Over de oorzaken ga ik niet veel zeggen. Achteraf weten we dat we, net als het het geval is met de kranten, in onze levensdagen het hoogtepunt hebben meegemaakt. Zoals dagbladen de afgelopen decennia steeds dikker en vooral steeds mooier werden – maar lelijker dan vooral vele regionale dagbladen in de jaren zeventig waren, kon waarschijnlijk ook niet -, gold dat ook voor boekhandels. Je kunt zeggen wat je wilt en ook al kom je misschien liever bij zaken als Athenaeum of Kirchner, boekhandels van de omvang van Donner in Rotterdam of Scheltema in Amsterdam hadden we voordien nooit. Maar misschien werden ze te groot. En juist ten opzichte van de omvang begon de verschraling een aantal jaren geleden al op te vallen.

Toch zit er in die klacht iets merkwaardigs. Hoeveel boeken kopen we nu eigenlijk per jaar? Enkele tientallen? Enkele honderden? Dan houdt het voor de meesten van ons wel op, schat ik zo. Er is meer dan genoeg te lezen. Bijna alles van de laatste eeuwen is er immers nog – op juist veel verspreid gebruiksdrukwerk na vaak. En als het klassiek werd, kun je het voor bijna niks als pocket kopen en gratis op internet lezen, en anders kun je altijd nog in de grote academische bibliotheken terecht. En er komt elkaar jaar weer onnoemelijk veel bij. We hebben nu veel meer tot onze beschikking dan in 1972 of 1992.

Maar het punt is dat je boeken enerzijds gericht zoekt, en ik schat dat van veel boeken die ik pleeg te kopen of in het algemeen wil lezen, de oplage onder de duizend zal liggen – bij bestsellers van het type Dick Swaab, de man die dus identiek is aan zijn brein en in dit geval wat mij betreft ook aan zijn boek, wacht ik wel tot ik het boek een keer in een kringloopwinkel of een bak voor een antikwariaat aantref – en dat je anderzijds wilt grasduinen om iets specifieks te vinden. En dat gerichte zoeken is steeds meer overgegaan naar internet. Als je weet wat je zoekt, heb je daar direct resultaat.

Slavoj Žižek zei in een interview in de Berliner Zeitung onlangs dit en de cursivering is van mij:

‘Die schönen Buchhandlungen, in denen man stöbert und etwas findet, sterben aus. In ganz New York gibt es nur noch eine richtige Buchhandlung. Ich kenne die Situation hier in Frankfurt nicht. Aber in Berlin gibt es zum Beispiel in Charlottenburg die kleine, großartige Buchhandlung Knesebeck 11. Da finden Sie, wonach Sie nie gesucht haben. Bei Amazon können Sie nicht suchen. Da können Sie nur einen Titel bestellen, den Sie schon kennen. Das ist auch der Unterschied zwischen einer Tageszeitung und dem Netz. Das Netz ist so groß, dass sie dort nur finden, wonach sie suchen. In einer Zeitung dagegen werden sie auf Sachen gestoßen, von denen sie nichts wussten. In einer guten Zeitung, wohlgemerkt. Das klingt verrückt. Ich weiß. Aber es ist so.’

-

Grasduinen
Žižek heeft dit keer aardig wat gelijk, maar ook niet helemaal. Juist op internet word ik ook onverwacht van het ene thema naar het andere geleid. En ook daar heb je overzichtspagina’s met onderwerpen waar je zelf nooit opgekomen zou zijn.

Er is één ding dat me aan grote boekhandels als die van Selexyx verwonderd heeft: dat men de combinatie van grasduinen en zoeken niet beter ontwikkeld heeft. Ik zoek thuis een titel op en ga dan meestal naar de boekhandel, maar als je hem daar niet vindt en het boek bestellen wilt, kijken ze je steeds vreemder aan. Wie doet dat nou nog? En dat is het punt waar naar mijn idee de boekhandel de boot gemist heeft.

Men kan wel stellen dat boekwinkels eerder present hadden moeten zijn geweest op internet, maar zou dat geholpen hebben? Zien we niet dat juist internet versimpelt en enkele groten in de zoekresultaten automatisch boven doet komen drijven? Een soort ruimtelijke tendens tot monopolievorming, zou je misschien kunnen zeggen, ondanks de veronderstelde doorzichtigheid van de internetmarkt. Als mensen niet gericht eerst naar de site van een specifieke boekhandel gaan, maar zo een titel invoeren, komen toch al gauw de bekende verkoopsites bovenaan op je scherm te staan. Ik denk dat men het had moeten zoeken in het bieden van meer zoekmogelijkheden in de winkels.

-

Beeldschermen
Vanaf de jaren tachtig, vermoed ik, verschenen de computerschermen in de bibliotheken. Na de kaartenbakken met papieren fiches herinner ik me trouwens nog een tussenstadium waarin de hele bibliotheek op een soort microfiches stond, die in één map pasten en die je in een speciale lezer, een apparaat bedoel ik daar nu mee, moest stoppen. Althans de VU-bibliotheek heeft een tijdje zo gewerkt. Ik kan me niet herinneren dat de UB aan het Singel zoiets uitgeprobeerd heeft. Maar daarna verschenen dus de beeldschermen. Eerst kon je slechts een deel van de titels, met name de nieuwere, zo vinden, maar langzaam breidden de mogelijkheden zich uit en kon je ook in de NCC, de Nederlandse Centrale Catalogus, kijken en hoefde je voor een poging alle relevante literatuur te vinden niet meer naar de KB in Den Haag te reizen. En nog weer wat later kon je dus thuis achter je eigen computer boeken in catalogi over de hele wereld zoeken.

Maar wat ik nooit begrepen heb, is waarom zulke beeldschermen niet ook in winkels verschenen. Natuurlijk, je hebt vriendelijke boekverkopers die graag iets voor je opzoeken. Maar ze tikken dan iets voor jou in, terwijl je dat zelf ook best zou kunnen. Dat is raar. En je valt ze alleen maar lastig als je echt gericht naar iets op zoek bent. Waarom staan er al niet minstens tien jaar schermen waarop je zelf kunt zoeken en via dewelke, mocht een werk niet op de plank staan, je het direct, uiteraard via die boekhandel, kunt bestellen? Je kunt het dan misschien heel snel daar ophalen of het boek kan je thuis toegezonden worden. Maar voor veel mensen die bijvoorbeeld op universiteiten of op kantoren in binnensteden werken, is het gedoe met pakjes die thuisbezorgd worden – en dan tegenwoordig via buren afgeleverd worden (steeds vaker belt de pakjesbezorger bij mij aan vanwege andermans spullen) – helemaal niet handiger dan een dag of een paar dagen later weer langs gaan.

-

Voorbij?
Selexyz zette wel van die gele plastic stoelen in de winkels, die niet echt uitnodigden tot een gezellige en langdurige zit. Bij Barnes & Noble in New York waren tien jaar geleden al werkelijk comfortabele zetels neergezet en stonden er ook tafels waaraan studenten de hele dag hele boeken uit de kasten, die er dan zeer gebruikt uit begonnen te zien, zaten te bestuderen, onderwijl druk notities makend. Daar heeft Selexyz nooit voor gekozen: van de boekhandels werkelijk centra van studie, gedachtewisseling en gezelligheid maken, waar je zowel gericht naar boeken kunt zoeken als kunt grasduinen. En met een slimmere combinatie met zelf zoeken in de winkels en op internet had men van de planken ook meer een openbaar magazijn kunnen maken. Het is waar dat veel titels niet snel verkocht worden, maar als je boeken van de planken ook in je verzendsysteem opneemt, wordt het al anders (en geef dan desnoods wat korting voor ‘lichte beschadiging’).

Maar misschien loopt dit hele verhaal wel enorm achter en is het einde van het fysieke boek nabij en daarmee ook de functie van de klassieke boekhandel, waarmee ook mijn idee van een ideale zoekboekhandel spoedig geen nut meer heeft. Ik heb echt geen idee. Steeds meer mensen stappen over op e-readers en als die echt fijner lezen, dan weegt het verlies toch niet op tegen de winst? Ik ben nog niet zover, maar ook ik haal het grootste deel van mijn dagelijkse informatie van het scherm. Sommige dingen lees ik liever op de computer, andere liever op papier. Atlassen, mooie geillustreerde werken blijven op papier voorlopig veel indrukwekkender, lijkt mij. Misschien komt er een soort automatische, vanzelfsprekende verdeling, we zullen zien.

-

Sensatie
Ik zou het echt niet weten. En toch, neem nou dat eenvoudige boekje over de Amsterdamse boekhandels uit 1984. Dat soort informatie kun je tegenwoordig echt veel beter op internet vinden. Maar zelfs het ter hand nemen van dat onpretentieuze werkje boekje geeft al een kleine, in dit geval bijna vanzelfsprekende historische sensatie, die je op internet mist. De ervaring hoe een boek dat ooit fris en nieuw was, ineens, voordat je het doorhebt, een beetje oud blijkt te zijn. Op de een of andere manier verschaft dat ding als fysiek exemplaar informatie die het scherm nooit prijs zou geven.

Maar goed, dat is er allemaal en dat blijft er ook wel. Ik ben eigenlijk vooral benieuwd hoe het verder gaat. En hoe dat ook zal zijn, de meeste mensen zullen dat waarschijnlijk als vooruitgang ervaren. Misschien ook wel zonder de wat onhandige verspreidingscentra die boekhandels nu eenmaal vormden voor de honderdduizenden of miljoenen boeken die op de markt zijn.

(53)

10 januari 2012

Bij de mogelijke teloorgang van Selexyz. (1) Herinneringen

.:.

Onlangs stormde ik bij Scheltema Selexyz in Amsterdam – aan die officiële kleine lettertjes ga ik maar eens niet meedoen – nietsvermoedend de laatste trap naar boven op. Ik bleek ineens in een soort galerie te staan. Vast ook mooi, maar ik kwam voor boeken.

-

Op het Spui
Vroeger kwam ik vaak helemaal bovenin, omdat de ramsjafdeling daar toen zat. Dat was in de tijd dat de winkel nog kleiner was en alleen het voorste pand aan het Koningsplein besloeg. Ik beschouw dat trouwens altijd nog als de nieuwe locatie, omdat Scheltema Holkema Vermeulen naar mijn idee eigenlijk op of in dit geval eerder aan het Spui hoort te zitten en nog niet zo lang geleden naar het Koningsplein verhuisd is. Daar, waar nu de kleertjes van Esprit verkocht worden, zat de boekwinkel toen ik in Amsterdam kwam wonen. De dingen horen nu eenmaal te zijn zoals ze waren toen je ze voor het eerst aantrof.

Hoewel ik echt de plattegrond van de verschillende verdiepingen niet meer zou kunnen uittekenen, schieten me soms nog wel beelden te binnen, die vaak verbonden zijn aan concrete boektitels of namen: een nieuwe roman van Vonne van der Meer tussen alle andere, waarvan ik nu pas ontdek dat die helemaal niet van haar was (maar ik ga u lekker niet verklappen hoe het wel zit), de foto van de jonge debuterende Thomas Rosenboom en exemplaren van De mensen thuis (1983) in een vitrine in de Rozenboomsteeg, ja hoor, achter de winkel, die de verbinding tussen Spui en Kalverstraat vormt. Hoe ik in die winkel ooit Personal Impressions en Concepts and Categories van Isaiah Berlin voor een habbekrats uit een bak haalde. Maar ook hoe ik Joan en Gerrit Corver. De politieke macht van Amsterdam (1702-1748), het proefschrift van Antonio Porta uit 1975, voor een spotprijs op de stapel bij de ingang liet liggen. Voorbij, voor immer voorbij.

-

Naar het Koningsplein
Maar de dingen veranderen en niets illustreert dat beter dan mijn pogingen om mijn herinneringen te checken. Om te controleren of de boekhandel destijds echt zo heette als ik meende, pakte eerst het boekje De boekhandels van Amsterdam van Clara Hillen uit 1984 erbij. Ik viel met mijn neus in de boter, want het gaf niet alleen de naam en de adresgegevens van het pand dat ik kende, maar vermeldde dat de boekhandel per 1 januari 1985 zou verhuizen naar het Koningsplein, ‘waardoor de boekhandel een wat overzichtelijker karakter zal kunnen krijgen. Daar zullen ook schilderijen verkocht worden.’ Met die galerie is dat alsnog uitgekomen, al heb ik even vergeten te kijken wat er nu te zien was. De laatste zin wil ik u niet onthouden: ‘Het personeel bij Scheltema is vriendelijk en bekwaam.’

Maar ik had dezelfde gegevens misschien net zo goed direct op dit scherm kunnen opzoeken. Zelfs Wikipedia verandert mijn perceptie al onmiddellijk, want het laat me onmiddellijk zien dat de winkel slechts tien jaar heeft gezeten op de plek die voor mij zo klassiek was. Pas in 1975 betrok de winkel het zogenaamde Afrikahuis, al was dat niet het moderne parochiegebouwtje in de Pijp waar de online-encyclopedie naar linkt, maar het heel wat imposantere en misschien inmiddels zelfs wel monumentale pand waar tussen 1929 en 1969 de Holland-West-Afrika Lijn (H.W.A.L.) kantoor hield. Kortom, de winkel was een stukje verderop aan het plein waar Athenaeum toen al zat, neergestreken. Van de een liep je altijd even naar de ander, zoals je nu van Athenaeum naar ABC (The American Book Center) en soms misschien nog naar Waterstone’s gaat.

Voordat het pand aan het Koningsplein betrokken werd, werd daar op de benedenverdieping tijdens de verbouwing enige tijd ramsj verkocht. Ook daar herinner ik me sommige titels van. Hoe tien jaar in één band gefotokopieerde Intermediair-artikelen van Rinus van Schendelen voor bijna niks te krijgen waren en ik ze toch niet meenam. Veel exemplaren lagen er bijvoorbeeld ook van een Suhrkamp-boekje van Dolf Sternberger en toen ik een bekende maar niet overmatig veel publicerende hoogleraar geschiedenis even later met enig aplomb in een toespraak het een en ander over enkele alom bekende ideeën van deze Duitse politicoloog hoorde verkondigen, dacht ik: die heeft daar ook zo’n boekje voor twee gulden of een rijksdaalder uit een bak gevist.

-

Nog groter
Het tweede pand, waar ik gezien mijn vermelding van het voorste pand al op zinspeelde, werd, lees ik nu, in 1999 bij de winkel getrokken. Het staat er in feite aan de Herengracht naast, maar gezien de plaats van de ingang ligt het achter het oorspronkelijke. (Eigenlijk bestaat het deel direct aan het Koningsplein trouwens uit twee panden, vandaar ook hoogteverschillen.) De ramsjafdeling zit al vrij lang op wat tegenwoordig waarschijnlijk de tweede verdieping heet, maar in feite gewoon de eerste verdieping op de hoek van Koningsplein en Herengracht is. Ik let trouwens nooit op die aanduidingen, omdat ik de indeling van de winkel zo wel ken. Zo af en toe werd er eens wat geschoven. Zaten filosofie en geschiedenis bijvoorbeeld een tijd op wat wel de derde zal heten, aan de voorkant, op een gegeven moment werden ze naar het achterste pand verplaatst. Met de benedenverdieping werd ook wel eens geëxperimenteerd: vol, nogal leeg, weer tamelijk vol, dat soort dingen.

Helemaal bovenin kwam ik niet zo vaak meer, maar soms wel even om bij rechten te kijken. Je moest dan helemaal naar boven en dan links iets naar beneden in het tweede pand. Het is niet mijn vak, maar het leuke van een boekhandel is dat je oppervlakkig wat ontwikkelingen kunt bijhouden. Maar de laatste jaren viel het al niet mee. Een beetje overzicht van de goede recente rechtsfilosofische of staatsrechtelijke literatuur kreeg je nauwelijks meer. Per afdeling stonden er slechts weinig titels. Ik heb geen idee waar juristen hun boeken dan wel kopen in Amsterdam. Of kopen juristen geen boeken? (Een van de grote raadsels van onze tijd is ook al dat zelfs zeer toegankelijke juridische literatuur nauwelijks in de kranten besproken wordt.)

-

Triest
Een paar dagen geleden was de aanblik helemaal treurig. Op de geschiedenisafdeling en elders waren de kasten slecht gevuld. Grote delen van de planken waren leeg en ook verder maakt de winkel een erg lege indruk, op de her en der verspreide dozen met uitverkoop na dan. Het zag er zo zielig uit dat ik ook geen zin meer kreeg om de nog wel aanwezige boeken te bekijken. Ik ben de winkel zo snel mogelijk ontvlucht: te akelig om aan te zien.

Het verbaasde me dan ook niet dat Trouw maandag meldde dat het slecht gaat met Selexyx. Of daar iets aan te doen was geweest, weet ik niet, maar op één ideetje ga ik morgen verder in.

(52)

6 januari 2012

Coleridge bij de waterval

.:.

Verheven of aardig
Toen ik hier gisteren een stukje over hedendaags subjectivisme en de aanspraak op geldigheid die besloten ligt in waardeoordelen, schreef, had ik aanvankelijk het plan om ook iets aan te halen van wat C.S. Lewis (1898-1963) in zijn boekje The Abolition of Man (1943 of 1944, de opgaven verschillen [zie reacties van Arend Smilde hieronder]) schrijft. Het was dan ook treffend dat Evert te Winkel in een reactie direct op dat boekje wees. Maar ook omdat ik me voorgenomen had te proberen de lengte van mijn stukjes niet nodeloos uit te breiden, had ik besloten om het te houden bij wat ik geschreven had.

Jacob More, The Falls of Clyde (Corra Linn), waarschijnlijk 1771 (National Galleries of Schotland)

Maar het is misschien wel aardig om afzonderlijk terug te komen op wat men het verhaal van Coleridge en de waterval zou kunnen noemen. Lewis begint zijn boek met een verwijzing naar een klein leerboek voor ‘boys and girls in the upper forms of schools’, waar hij inhoudelijk niet veel goede woorden voor over heeft. Lewis schrijft: ‘I do not want to pillory two modest practising schoolmasters who were doing the best they knew: but I cannot be silent about what I think the actual tendency of their work.’

Hij verborg dus de namen van de twee auteurs achter de aanduidingen Gaius and Titius en duidde hun boek aan als The Green Book. Dat was nog voor internet. Nu kun je gewoon op Wikipedia lezen dat het ging om The Control of Language. A Critical Approach to Reading and Writing (1939) van de hand van Alex King and Martin Ketley. Dit is hoe Lewis hun boek als uitgangspunt voor nadere eigen beschouwingen neemt:

‘In their second chapter Gaius and Titius quote the well-known story of Coleridge at the waterfall. You remember that there were two tourists present: that one called it ‘sublime’ and the other ‘pretty’; and that Coleridge mentally endorsed the first judgement and rejected the second with disgust. Gaius and Titius comment as follows: ‘When the man said This is sublime, he appeared to be making a remark about the waterfall … Actually … he was not making a remark about the waterfall, but a remark about his own feelings. What he was saying was really I have feelings associated in my mind with the word “Sublime”, or shortly, I have sublime feelings‘. Here are a good many deep questions settled in a pretty summary fashion. But the authors are not yet finished. They add: ‘This confusion is continually present in language as we use it. We appear to be saying something very important about something: and actually we are only saying something about our own feelings.’

-

Gevoelens
Deze manier van denken hing in die dagen in de lucht. Denk aan de wijze waarop A.J. Ayer (1910-1989) in zijn spraakmakende Language, Truth and Logic (1936) betoogde dat als hij tegen iemand zei dat die verkeerd handelde door geld te stelen, hij niet meer beweerde dan wanneer hij eenvoudigweg had gezegd ‘jij stal dat geld’. Ayer vervolgde onder meer (p. 110-111 in de gelinkte editie, p. 142-143 in de Penguin-uitgaven na 1946 met een lange, nieuwe inleiding):

‘If now I generalize my previous statement and say, “Stealing money is wrong,” I produce a sentence which has no factual meaning. It is clear that there is nothing said here which can be true or false. Another man may disagree with me about the wrongness of stealing, in the sense that he may not have the same feelings about stealing as I have, and he may quarrel with me on account of my moral sentiments. But he cannot, strictly speaking, contradict me. For in saying that a certain type of action is right or wrong, I am not making any factual statement. I am merely expressing certain moral sentiments. And the man who is ostensibly contradicting me is merely expressing his moral sentiments. So that there is plainly no sense in asking which of us is in the right. For neither of us is asserting a genuine proposition.’

Tja, ik geloof dat hier weinig commentaar bij nodig is. Alsof waar en onwaar de enige oordelen zijn die er toe doen, en goed of slecht niet zeker zo relevant kunnen zijn. Alsof feitelijke mededelingen alleen zo interessant zijn. Ik zou zeggen dat het onze waardering is die feiten boeiend maken, waarbij die waardering dus geen puur subjectieve toevoeging is, maar door die feiten opgeroepen wordt. En het is natuurlijk niet waar dat het bij morele oordelen alleen om individuele gevoelens gaat, juist bij een morele aanspraak verwachten we dat anderen die niet zonder reden (in meer of mindere mate) delen. Het lijkt me overigens dat het werkwoord stelen al genoeg zegt: waarom zouden we dat nodig hebben naast bijvoorbeeld meenemen, als waardeoordelen geen objectieve, gedeelde functie hadden? Of dacht Ayer alleen maar dat dat nu eenmaal de objectief door de wet gegeven definitie was en daarom eerder feitelijk dan evaluatief?

Maar terug naar C.S. Lewis. Die maakt allerlei kanttekeningen die u zelf maar eens moet nalezen. Hij merkt onder meer op dat omzetting van ‘dit is subliem’ in ‘ik heb sublieme gevoelens’ nogal ondoordacht is. Als het over de corresponderende gevoelens gaat, moet het zijn ‘I have humble feelings’. Sommige grote dingen roepen een gevoel kleinheid of misschien verering bij je op. Dan zijn de hedendaagse maardatvindjij-ers nog net iets slimmer. Maar de kern zal iedereen, denk ik zo wel zien. Iemand die bij een niet al te kleine waterval opmerkt dat hij onder de indruk is, lijkt gepaster te reageren dan iemand die langs zijn neus weg opmerkt dat hij het wel een aardig dingetje vindt. Er is een scala aan reacties mogelijk, maar niet alle reacties zijn even geëigend of zelfs redelijk.

-

Coleridge en Wordsworth
Maar nu dit. Tegenwoordig hebben we Google en niet alleen vind je dan dus direct de werkelijke namen van Gaius en Titius, maar als je Coleridge en waterfall invult, stuit je ook al gauw op een fragment uit Recollections of a Tour Made in Scotland A.D. 1803, pas in 1874 postuum gepubliceerd, waarin Dorothy Wordsworth (1771-1855) in dagboekaantekeningen beschreef hoe zij samen met haar broer William Wordsworth (1870-1850) en zijn al even dichterlijke vriend Samuel Taylor Coleridge (1772-1834) op zondag 21 augustus 1803 de waterval Cora Linn bezocht.

‘A lady and gentleman, more expeditious tourists than ourselves, came to the spot; they left us at the seat, and we found them again at another station above the Falls. Coleridge, who is always good-natured enough to enter into conversation with anybody whom he meets in his way, began to talk with the gentleman, who observed that it was a majestic waterfall. Coleridge was delighted with the accuracy of the epithet, particularly as he had been settling in his own mind the precise meaning of the words grand, majestic, sublime, etc., and had discussed the subject with William at some length the day before. “Yes, sir,” says Coleridge, “it is a majestic waterfall.” “Sublime and beautiful,” replied his friend. Poor Coleridge could make no answer, and, not very desirous to continue the conversation, came to us and related the story, laughing heartily.’

Dit moet het fragment zijn dat Lewis en vooral de beide door hem bekritiseerde leraren in hun hoofd hadden, maar dat hen dan ook niet accuraat voor de geest stond, dacht ik direct. In zo’n geval hoef je alleen maar even op de site Lewisiana van Arend Smilde, die alles van C.S. Lewis weet, te kijken en ja hoor, hij had dit allang gezien. Hij merkt op dat niemand de watervall ‘pretty’ noemt

‘and there does not appear to be any violent disagreement or disgust. If this is the only source for the story – i.e. if this is the story (??) – Lewis clearly failed to check both Gaius & Titius and his own memory.’

-

Majestueus of subliem
Voor de inhoud van het betoog lijkt me dat niet napluizen van de aanhaling overigens geen ramp. Ik weet alleen niet goed hoe ik de woorden van William Wordsworth [toevoeging: helemaal fout, zie naschrift] nu precies moet interpreteren. Coleridge zegt dat de waterval majestueus is. Als zijn vriend Wordsworth daarop zegt dat die verheven en mooi, is op welke wijze zinspeelt hij dan precies op de opvattingen van Coleridge? Met andere woorden zou die de termen op zich passend vinden of net niet? Het lijkt erop dat Dorothy Wordsworth wil zeggen dat Coleridge de in zijn eigen ogen meest geschikte typering gaf – accuracy en precise meaning zijn de woorden die vallen - en dat zijn vriend William Wordworth een grapje maakt door opzettelijk verwante of naburige, maar hier net iets minder passende termen te noemen.

De ironie zou dan dus willen dat het door Lewis op het schild geheven sublime door Coleridge in deze specifieke situatie juist licht afgekeurd zou zijn, al zal niemand ontkennen dat het tegen pretty altijd nog aangenaam afsteekt. Het komt mij wel voor dat majestic een betere term is, maar dat komt ook omdat ik met subliem of verheven nooit goed raad heb geweten. Ik heb heel wat uren op de afdeling Zeldzame en Kostbare Werken doorgebracht, gebogen over achttiende-eeuwse teksten, en het begrip van het verhevene kom je dan regelmatig tegen, omdat het destijds een modieus intellectueel onderwerp was, maar dat geeft meteen ook aan wat mijn probleem ermee is. Heel vaak lijkt het meer een theoretische constructie dan een werkelijk geleefd begrip.

-

Herinneringen
En dit zou vast en zeker verder uitgezocht kunnen worden, maar daar ga ik nu niet aan beginnen. Het lijkt mij dat de beide schooldocenten zoiets onthouden moeten hebben: dat de ene uitdrukking volgens Coleridge meer gepast was dan de ander. En dat zij vervolgens niet goed begrepen waarom dat nu zo was. Maar ik laat het hierbij. Meer dan even iets constateren wilde ik eigenlijk niet. Ook dit geval laat opnieuw zien welke fantastische mogelijkheden internet biedt.

Maar om op het idee te komen om iets op te zoeken, moet je natuurlijk ooit wel eens iets gelezen hebben waar je herinneringen aan hebt die je aanleiding geven tot verdere naspeuringen.

Naschrift (zaterdag 7 januari 2012, rond 11.35 uur)
Lezen is een kunst en dankzij de reactie van Sam Schulman hier beneden, waarvoor veel dank, besef ik dat ik één aanduiding verkeerd opvatte. Ik dacht dat met ‘his friend’ William Wordsworth werd bedoeld, maar ik zie nu dat dat niet kan kloppen en dat daarmee de vreemdeling werd aangeduid met wie Coleridge een praatje aanknoopte. Dorothy Wordsworth schrijft dat Coleridge na het gesprek weer bij hen kwam – ‘came to us’ – en aangezien het gezelschap uit slechts drie personen bestond, betekent dat dat William Wordsworth niet deelnam aan de conversatie, maar bij zijn zus bleef en dus ook niet de vriend kan zijn geweest aan wie ik de woorden toeschreef.

Het was dus inderdaad, zoals Sam Schulman schrijft, de gentleman die eerst de volgens Coleridge rake typering majestic gebruikte en de goede indruk die hij daarmee op de dichter maakte, vervolgens verknoeide door daar de niet bij elkaar passende woorden sublime and beautiful aan toe te voegen. Schulmans verwijzing naar het befaamde essay van Edmund Burke uit 1757 is zeer behulpzaam. En de tegenstelling tussen het verhevene of sublieme, dat een combinatie van afstoting en aantrekking, van vrees en bewondering aanduidt, en het schone of mooie, dat slechts het aangename aspect beschrijft, bepaalt dan wat de heren achteraf zo grappig vonden: dat de man dus argeloos begrippen combineerde, die volgens hun verfijnde opvattingen absoluut niet samengingen. Of zoals Sam Schulman hieronder opmerkt: ‘it sounded to their ears like someone saying, yes, the water in the waterfall is indeed extremely hot and icy cold…’

We kunnen ons dan nog wel afvragen hoe in Coleridges opvatting majestic zich dan verhield tot termen als grand, sublime en beautiful. Ik vermoed dat majestic met sublime wel het overweldigende deelt, maar minder het huiveringwekkende aspect benadrukt. In die zin zou het een uitvergroting van beautiful zijn in omstandigheden waar dat woord tekort schiet, maar zou de waterval weer te aangenaam aandoen en te weinig vrees inboezemen om die verheven of subliem te noemen. Waarschijnlijk zou dit wel degelijk uit te zoeken zijn, maar daar ga ik nu niet aan beginnen. En ik zou er best weer naast kunnen zitten.

Maar het moet de tegenstelling tussen het sublieme en het schone zijn geweest die men heeft onthouden, en vervolgens aan twee verschillende toeristen heeft toegeschreven, waarbij beautiful in de herinnering dan het gemeenzamere pretty werd.

Nogmaals veel dank aan Sam Schulman. Als ik beter gelezen had, had ik direct gezien dat de vreemdeling hier als vriend werd aangeduid en had ik ook beseft dat (in de toenmalige opvatting) het verhevene nooit argeloos tegelijk mooi kon worden genoemd.

Naschrift (maandag 9 januari 2012, rond 11.35 uur)
Naar aanleiding van dit stukje en vooral de commentaren heeft Arend Smilde op zijn pagina over Quotations and Allusions in C. S. Lewis, The Abolition of Man de passage over Coleridge en de waterval aangepast en uitgebreid. Het citaat dat ik hierboven aanhaalde, is nu vervangen, maar ik laat het hier staan, omdat het op het moment dat ik dit stukje schreef, wel klopte.

(51)

5 januari 2012

Ik vind… Over hedendaags subjectivisme

 .:.

Er is een klein misverstand in omloop. Dit: dat waardeoordelen puur subjectief zouden zijn. Of anders gezegd: dat uitspraken over de kwaliteit van iets alleen maar het allerpersoonlijkste standpunt van de spreker zouden uitdrukken.

-

Jij-bak
Je zou het de filosofische jij-bak kunnen noemen en die is erg populair vandaag de dag. Als iemand zegt dat iets zus of zo is en daar zit moreel of esthetisch of anderszins een waardeoordeel in, dan wil de reactie nog wel eens zijn: ‘ja, dat vind jij!’ Als iemand argeloos opmerkt dat het optreden van een zekere cabaretier rond Oud en Nieuw weer helemaal niks was – laat ik even voor de helderheid toevoegen dat ik weer eens van niets wist en alleen bij het onverwacht zien van een zekere Youp verveeld weggezapt ben – kun je er donder op zeggen dat iemand anders antwoordt met: ‘ja, dat zeg jij!’

Rijksmuseum in de negentiende eeuw. Koning Willem III weigerde de opening van dit 'klooster' of 'bisschoppelijk paleis' bij te wonen (Collectie Nederlands Architectuurinstituut)

Die jij-bak is op zich wel grappig. Het is immers nogal helder dat de spreker, de als jij aangesprokene, het zegt en niemand anders. Dat wist die figuur zelf ook wel. Maar de bedoeling is natuurlijk: dat is een uitspraak die alleen voor jouw rekening komt en die niet door mij zal worden overgenomen. Het is een andere manier van spreken voor: jij vindt dat wel, maar ik denk daar heel anders over.

Soms kom je zelfs wel eens mensen tegen die in alle ernst betogen dat je dus nooit mag zeggen dat iets mooi of goed of wat dan ook is, maar dat je dat altijd moet zeggen in de vorm van ‘ik vind dat mooi’ of ‘ik vind dat goed’. Ik vrees dat ze er zich zelf niet aanhouden. Ik wed toch dat als iemand hun een fraai cadeau geeft, ze spontaan uitroepen: ‘O, wat fantastisch, wat een prachtig geschenk!’ Of dat als ze net een indrukwekkende opvoering hebben meegemaakt, na afloop tegen hun metgezellen zeggen: ‘Wat was dat aangrijpend!’ en niet omslachtig gaan formuleren: ‘Ik persoonlijk vond dit een aangrijpende voorstelling.’

-

Geldigheid
Dat is namelijk het hele punt. Iemand die een waardeoordeel uit en zegt dat iets goed, mooi, waar, nuttig, prachtig, fantastisch, heerlijk, fijn, leerzaam, informatief, beschamend, tweeslachtig, sprankelend, opzienbarend, ongemakkelijk, faciel, bot of eminent was, en je kunt zo nog met honderden of duizenden adjectieven verder gaan, die beoogt niet alleen maar iets over zijn allerintiemste gemoedsbewegingen te zeggen, maar die spreekt wel degelijk een oordeel uit dat een zekere aanspraak op geldigheid of juistheid maakt.

De mate van die aanspraak kan variëren. Als ik in een verhaal over mijn fietstocht van De Ysbreeker naar De Balie veronderstel dat het Amstelhotel bij de Hogesluis staat, kijk ik gek op als iemand mijn vertelling onderbreekt en vertelt dat dat niet helemaal waar is. Als ik opmerk dat Youp van ’t Hek nu al jaren dezelfde boodschap brengt, verwacht ik ook niet veel tegenspraak, maar het is goed denkbaar dat iemand anders overtuigend kan betogen dat hij zich in dat en dat opzicht werkelijk vernieuwd heeft. Als ik zeg dat Barack Obama teleurstelt als president, weet ik dat ik allerlei reacties kan verwachten, van mensen die me bijvallen, tot mensen die opmerken dat dat veel te zwak is uitgedrukt, tot lieden die met kracht van argumenten komen bewijzen dat hij toch werkelijk wel het een en ander voor elkaar gekregen heeft. Maar ook dan zal ik de antwoorden wegen en kijken of ik mijn stelling in redelijkheid kan handhaven of toch moet bijstellen.

-

Voorkeuren en waardeoordelen
We moeten twee dingen onderscheiden: het verschil in voorkeuren en de geldigheid van waardeoordelen. De eersten zijn veel persoonlijker en subjectiever dan de tweede, al is er uiteraard vaak een zekere samenhang.

Iemand kan niet zo van Bach of Mahler houden en liever naar rockmuziek luisteren. Het is alleszins redelijk als iemand zegt dat hij liever naar de Stones of de Beatles dan naar een uitvoering onder leiding van Ton Koopman luistert. Maar daarmee is nog niet gezegd dat de Stones nu echt beter zijn dan Bach. Het is ook de vraag of je beiden moet of kunt vergelijken. Maar het is heel iets anders om niet van Bach te houden dan om te beweren dat de Hohe Messe een werkje van niks is of dat Mahlers Eerste Symfonie wel een paar aardige deuntjes bevat. Dan kun je wel zeggen dat je het liever niet aanhoort, maar niet in ernst dat het werk niet om aan te horen is (tenzij je het over een hele slechte uitvoering hebt).

Esthethische oordelen zijn niet willekeurig en dat geldt eigenlijk voor alle waardeoordelen, waarbij de inhoud van het oordeel de mogelijkheid in variatie bepaalt. Het ene boek is rijker van inhoud dan het andere en dan kunnen verschillende oordelen nog wel uit elkaar lopen, het is nu ook weer niet toevallig dat bepaalde auteurs klassiek worden, al is het best mogelijk dat anderen ten onrechte vergeten of overgeslagen worden. Je kunt niet zo van de stijl van Pierre Cuypers houden, maar je kunt ook weer niet beweren dat het Rijksmuseum, de Vondelkerk of het Centraal Station onopvallende gebouwen zijn. Maar niemand zal beweren dat een willekeurige aflevering van GTST hoogstaander is dan een opvoering van de Gijsbrecht, al kun je er misschien weer andere oordelen over vellen die positief voor de soapserie zijn. Ik kan me voorstellen dat iemand betoogt dat sommige scholieren van bepaalde comedy’s meer opsteken dan van kwalitatief hoogstaande toneelregistraties waar ze tegen heug en meug naar kijken.

-

Breed
Maar al die waardeoordelen zijn betrokken op het object waar ze over gaan. In die zin zijn ze niet willekeurig. En ze beogen daar iets over te zeggen. Wie opmerkt dat een schilderij prachtig is, hoopt dat anderen daar ook mee instemmen en zal het onaangenaam vinden als een metgezel vervolgens antwoordt dat het een knullig ding is, maar er waarschijnlijk weer niet gek van opkijken als die opmerkt dat hij het portret ernaast toch nog net iets aansprekender vindt. Waardeoordelen beogen niet absoluut te zijn, maar maken wel degelijk aanspraak op een zekere geldigheid. Wie beweert dat Gestel het mooiste dorp van Noord-Brabant is en dan op Sint-Michielsgestel doelt, heeft evident ongelijk, want welke maatstaf je ook aanlegt, er zijn zeker mooiere dorpen, maar wie beweert dat het het gezelligste dorp is of het fijnste dorp om te wonen, gezien alle omstandigheden, doet een bewering die veel persoonlijker is en zich daarom minder voor weerlegging leent, tenzij je dus gezamenlijk alle ondersteunende feiten gaat uitpluizen en analyseren.

In dit stukje heb ik het begrip waardeoordeel nogal breed opgevat. Wie erover schrijft, begint meestal bij ethische en esthetische oordelen en in de literatuur, pak het oeuvre van Roger Scruton er maar bij, worden vaak ook de parallellen uitgewerkt. Iedereen zal immers beseffen dat morele oordelen lang niet altijd willekeurig zijn en zo zijn ook esthetische dat zeker niet altijd. Maar ik heb nu veel meer genoemd, niet alleen nut, maar ook waarheid. Dat laatste wordt vaak als afzonderlijk epistemisch oordeel gezien. Bij waarheid zou het immers om standen van zaken gaan en feiten zou je van waardeoordelen kunnen onderscheiden. Het is een journalistiek basisprincipe.

Dat klopt denk ik ook wel, maar waarheid, dat uitlatingen kloppen, wordt verondersteld. Het is een gegeven. Op een moment dat iemand de vraag naar waarheid opwerpt door op te merken dat iets niet waar is, gaat het wel om een oordeel of een waardering, waar je soms op een vergelijkbare wijze als over morele of esthetische waardering redelijk over kunt debatteren. (In de formele logica wordt zelfs over (twee) waarheidswaarden gesproken, al is dat een nogal wereldvreemd systeem, dat men slechts spaarzaam op het alledaagse spreken kan toepassen.)

-

Object
Elk object vraagt om bepaalde oordelen. Bij esthetische oordelen bijvoorbeeld is een enorme variatie mogelijk maar dat wil nog niet zeggen dat alles redelijk mogelijk is. Het oordeel moet wel in verhouding tot het object staan. Hoge bergen, watervallen, weidse ruimtes, onmetelijke oceanen vereisen een zeker ontzag, wat in de achttiende eeuw wel gethematiseerd werd in het thema van het sublieme. Doordachte romans of technisch knappe schilderijen kun je niet afdoen als dingen van niks, al kun je er nog altijd heel veel verschillende oordelen over vellen en kun je tegelijk bijvoorbeeld best zeggen dat ze jou niet zo veel zeggen, omdat je het dan in feite niet over een waardeoordeel maar over een persoonlijke voorkeur hebt. En gaat het verder.

Het is niet zo dat elk waardeoordeel als jij-bak afgedaan kan worden. Waardeoordelen zijn uitnodigingen tot nadere discussie en bezinning. Ze vragen om instemming of om tegenspraak.

(50)

4 januari 2012

Van niets iets maken. Over een frivoliteit van Alvin Plantinga

.:.

Laat ik u direct maar even waarschuwen: in dit stukje gaat het flink regenen en sneeuwen, want ik ga het over proposities hebben en als logici proberen uit te leggen wat dat zijn – ik ga daar zo op in – dan weten ze meestal weinig anders dan sneeuw en regen te verzinnen. Het is dus niet het sombere januariweer, maar de logica die tot een overmaat aan neerslag leidt.

-

Alvin Plantinga
Ik wilde het maar eens hebben over Alvin Plantinga (1932), een bekend Amerikaans filosoof, jarenlang de John A. ‘O Brien Professor of Philosophy aan de University of Notre Dame, die de laatste tijd steeds weer overal opduikt, althans op sommige pagina’s die ik op internet pleeg te bezoeken, en wiens opvattingen met name via de facebookgroep Geloof en wetenschap, waar iemand mij om raadselachtige maar wat mij betreft niet onwelkome redenen aan toegevoegd heeft, nogal eens besproken worden. Ik heb dat lang niet allemaal gevolgd. Maar onlangs las ik een uitgebreid en op zich heel aardig interview met hem in of op Philosophy News, naar aanleiding de publicatie van zijn recente boek Where the Conflict Really Lies. Science, Religion, and Naturalism (New York, Oxford University Press, 2011). Jan Riemersma schreef er een mooie beschouwing over en ik geloof dat lezing daarvan genoeg is om te besluiten het boek niet te gaan lezen.

Sneeuw op bergtoppen in Californië (foto: Mindful One - Kathryn Harper)

Ik moet trouwens bekennen, maar dat is een bekentenis die me niet zwaar valt, dat ik maar heel weinig van Plantinga gelezen heb. Wat Jan Riemersma fraai typeert als een boekendrietal dat ‘in de smalle gangen van de academie bekend staat als de ‘warrant’-triologie’ – Warrant and Proper Function (1993), Warrant: The Current Debate (1993), Warranted Christian Belief (2000), allemaal ook uitgegeven door Oxford University Press in New York – heb ik ook al niet gelezen en ook dat was ik voorlopig niet van plan. Ooit heb wel een boek over zijn wijsbegeerte en die van Nicholas Wolterstorff, die ik wel graag lees – hij wil het nog wel eens over zoiets als Justice: Rights and Wrongs hebben - en George Mavrodes, beroemd van de vraag of God een steen kan scheppen die hij niet kan optillen, onder redactie van Linda Zagbzebski, een filosofe die door Jan-Jaap van Peperstraten in zijn dissertatie Literary Intelligence naar verluidt uitvoerig en met waardering wordt aangehaald, Rational Faith. Catholic Responses to Reformed Epistemology (Notre Dame, University of Notre Dame Press, 1993) opgepikt en dat lijkt me vooralsnog wel voldoende. Ik heb namelijk wel één boek van Alvin Plantinga, Essays in the Methaphysics of Modality, verzameld door Matthew Davidson (New York, Oxford University Press, 2003), en daar heb ik me al voldoende aan geërgerd.

Nu wil ik me beperken tot enkele zinsneden uit het laatste, gelukkig erg korte stuk daarin, dat ‘Why Propositions Cannot Be Concrete’ heet en dat, ik ontdekte dat nu pas, afkomstig is uit het eerste Warrant-boek uit 1993. De tekst is op diverse plaatsen op internet beschikbaar, zodat u me kunt controleren. Allereerst is er de oorspronkelijke tekst in de vorm van de Gifford Lectures van 1987-88. Het gaat dan om de laatste twee paragrafen, ‘V. Why Propositions Cannot Be Concrete’ en ‘VI Back to the Causal Requirement’, van de zesde lezing over ‘A Priori Knowledge‘. Het boek uit 1993 is deels raadpleegbaar via Google Books en de essaybundel waar ik het over had, is op Scribd.com beschikbaar in twee uitgaven van 2003, eentje die ik hier fysiek bij de hand heb, en eentje met een andere, fraaiere omslag. Ik geloof dat er tussen al de teksten niet veel verschil is. In de versie van 2003 ontdekte ik alleen nog een voetnoot, de eerste, die in de Gifford Lectures nog ontbrak.

-

Proposities
Ik beperk me als aangekondigd nu tot het uit het boekbetoog gelichte afzonderlijke essay. Dat begint met een stelling over proposities:

‘I should next like to offer an argument for the conclusion that propositions (the things, whatever their nature, that can be believed or disbelieved, are true or false, and stand in logical relations) cannot be concrete objects of any sort—at any rate, they can’t be concrete objects that do not exist necessarily.

En het verhaal loopt uit op deze slotwoorden:

‘And in my event, the view in question—that propositions, sets, properties, and their like are outside space and time and cannot stand in causal relations—is only one view among others. Theists, for example, may find attractive a view popular among medieval philosophers from Augustine on: the view that abstract objects are really divine thoughts. More exactly, propositions are divine thoughts, properties divine concepts, and sets divine collections. But then these objects can enter into the sort of causal relation that holds between a thought and a thinker, and we can enter into causal relation with them by virtue of our causal relation to God. It is therefore quite possible to think of abstract objects as capable of standing in causal relations, and in causal relations with us; hence the causal objection to a priori knowledge can be easily sidestepped.’

Als ik het goed begrijp, neemt Plantinga de aan Augustinus toegeschreven opvatting dat proposities goddelijke gedachten zijn, dat eigenschappen goddelijke begrippen zijn en dat wiskundige verzamelingen goddelijke verzamelingen zijn, daar over.

Aan de bespreking van Jan Riemersma ontleen ik dit citaat uit het nieuwste boek:

‘The sense in which the laws of nature are necessary, therefore, is that they are propositions that God has established or decreed, and no creature (…) has the power to act against these propositions, that is, to bring about that they are false.’

Dat lijkt me in dezelfde lijn te liggen. Maar laat ik het eenvoudig houden: wat verstaat Plantinga nu eigenlijk onder proposities? Hij omschrijft ze als ‘the things, whatever their nature, that can be believed or disbelieved, are true or false, and stand in logical relations’. Maar is dat een bevredigende omschrijving? En wat doet hij er vervolgens mee?

-

Woordenboeken
Ik sla er maar eens een paar hedendaagse filosofische woordenboeken op na. The Penguin Dictionary of Philosophy (1996, in Penguin vanaf 1997, mijn herziene editie is van 2000) van Thomas Mautner zegt dit:

‘Different sentences are said to express the same proposition: for instance, the French “il pleut” and the German “as regnet” express the same proposition as the English “it is raining”. Propositions are commonly said to be bearers of truth and falsity. Sentences used to express commands, questions, etc. do not express propositions. When we say that a person knows that p, denies that p, etc. the letter p stands for a proposition.’

Dat is het bekende werk en ik had u al voorspeld dat het zou gaan regenen. Volgens mij staat hier niet veel meer dan dat proposities de inhoud, misschien de zakelijke inhoud, van beweringen vormen en dat die waar of onwaar kunnen zijn. Het is de gangbare omschrijving.

The Oxford Companion to Philosophy (Second Edition, 2005) onder redactie van Ted Honderich begint zo:

‘The precise formulation varies, but a proposition, or propositional content, is customarily defined in modern logic as ‘what is asserted’ when a sentence (an indicative, or declarative, sentence) is used to say something true of false, or as ‘what is expressed by’ such a sentence.’

Het stuk gaat nog verder, maar de kern lijkt me hetzelfde: het gaat om de inhoud van zinnen, afgezien van de exacte, variërende formulering.

The Shorter Routledge Encyclopedia of Philosophy (2005 en ondanks de titel toch altijd nog 1077 bladzijden) onder redactie van Edward Craig kent alleen een lemma over ‘propositional attitudes’ en zet zo in:

‘Examples of propositional attitudes include the belief that snow is white, the hope that Mt Rosea is twelve miles high, the desire that there should be snow at Christmas, the intention to go to the snow tomorrow, and the fear that one shall be killed in an avalanche.’

Ook dat voorspelde ik al: hele bergen sneeuw. Logica is bij uitstek geschikt voor de wintersportvakantie. En vervolgens wordt nog uitgelegd dat men houdingen – overtuiging, verlangen, intentie, vrees en zo meer – kan onderscheiden van de inhoud ervan – dat sneeuw wit is en zo verder, ik ga dat niet herhalen. De term propositional attitude, wordt nog toegevoegd, is van Betrand Russell en ook dat is bekend. Opnieuw gaat het om de inhoud.

The Stanford Encyclopaedia of Philosophy tenslotte zegt bondig en helder:

‘Propositions, we shall say, are the sharable objects of the attitudes and the primary bearers of truth and falsity.’

-

Alledaagse waarheid
Kortom, hetzelfde verhaal. Een enkele opmerking nog. Proposities staan dus voor de harde inhoud van beweringen, die qua formulering iets kunnen verschillen, en ze kunnen waar of onwaar zijn. Zoals ik eerder in mijn stukje over Historische waarheid en tijdelijkheid (zie met name het stuk onder het kopje ‘Waarheid’) al opmerkte, wijkt de concentratie op proposities als dingen die waar of onwaar kunnen zijn, enigszins af van onze alledaagse omgang met waarheid en vooral het gebruik van het bijvoeglijk naamwoord waar als een van de vele adjectieven die we als typering kunnen gebruiken.

In het dagelijks leven gaat het bij waarheid primair om de overeenkomst of verbinding tussen taal en werkelijkheid (van welke aard die ook is). Het gaat dan niet alleen om de vraag of de inhoud van beweringen waar is, maar ook om de vraag of iets het geval is of was. Die twee staan dan niet los van elkaar. Als je wilt weten of iemand werkelijk ergens was, gaat het niet alleen om de vraag of de opmerking daarover waar was, maar of die persoon daar ook echt aanwezig was. Dat is wat je wilt weten: het gaat niet om de taal, maar wat er met behulp van zinnen en woorden of soms gebaren (een knikje) gezegd wordt over de wereld. Dat verstaan we in het dagelijks leven onder waarheid. De eenzijdige concentratie op de bewering en derzelver inhoud is dan meer een grensgeval of een variant. En er zijn in het dagelijks leven geen twee waarheidwaarden, maar vele op een gevarieerde schaal. Iets kan een halve waarheid zijn of net niet waar zijn of grotendeels waar en nog veel meer.

Deze logische opvatting is een puur theoretische exercitie. Voor hetzelfde geld zou je een tabel kunnen maken van zogenaamde klappels die flip of flop kunnen zijn. Heeft evenveel met onze dagelijkse omgang te maken: niets namelijk. Het gaat om een puur formeel systeem en dat benadrukte Alfred Tarski (1901-1983), de belangrijkste bedenker, ook zelf. Het is nogal verwarrend en misleidend dat dit filosofisch-logische systeem tegenwoordig zomaar onkritisch op ons gewone doen en laten en vooral ons dagelijkse en ook wel eens wat minder alledaagse spreken wordt toegepast. Alleen in bepaalde gevallen kan het enig nut hebben, verder niet.

-

Geen mensen
Maar nu Plantinga’s vervolg. Hij gaat een zelfverzonnen concretist, nog een vrouw ook, een uiting van Amerikaanse ‘correctheid’, waarbij mannen en vrouwen in teksten zorgvuldig afgewisseld worden, maar in dit geval een beetje onsympathiek, weerleggen omdat ze volgens hem ongelijk heeft. Die mevrouw denkt dit:

‘For definiteness, suppose propositions are human mental acts or perhaps brain inscriptions. ‘’

Dit is ineens een heel andere definitie. De beginomschrijving sloot nog wel bij de gangbare omschrijvingen aan, maar hier zijn proposities ineens ‘human mental acts or perhaps brain inscriptions’. Dat is flauw, natuurlijk zijn er mensen die denken wat ze zeggen en dat zal ook wel in hun hersenen opgeslagen liggen of eruit voortkomen, maar waar we het over kunnen hebben, is wat ze zeggen: de inhoud van hun beweringen of houdingen, die we eerst maar eens moeten vernemen voor we er iets over kunnen zeggen. Bij propositional attitudes, we zagen het net nog, is het juist de gewoonte om een onderscheid te maken tussen de houdingen – en dus wat mij betreft ook tussen de human mental acts en wat er zich in hun hersenpan afspeelt – en hun mededeelbare inhoud. Plantinga laat zijn zelfverzonnen tegenstandster alles direct door elkaar halen. En hij gaat verder:

‘It follows that if there had been no human beings, then there would have been no propositions. But doesn’t that seem wrong? If there had been no human beings, one thinks, then it would have been true that there are no human beings—that is, that there are no human beings would have been true—in which case there would have been at least one truth (and thus one proposition): that there are no human beings.’

Het spijt me, maar ik kan hier niet anders dan sofisterij in zien. Als er geen mensen geweest waren, was dus de bewering dat er geen mensen zijn, nog wel waar geweest en dan zou er dus op zijn minst één waarheid, een ware propositie dus, bestaan hebben. Het is flauwekul. Over wat er niet is, kun je niets zeggen, omdat het er niet is. Je kunt dan ook wel zeggen dat er dan geen auto’s of huizen geweest waren geweest en nog veel meer: nog veel meer ware proposities in een mensenloze wereld dus. Maar proposities bestaan niet los van mensen en menselijke uitingen (die ook op kleitabletten of USB-sticks vastgelegd kunnen zijn, die dan wel ooit weer door mensen ontcijferd moeten worden). Het eenvoudige punt is dat we over die situatie helemaal niets kunnen zeggen. Wat er niet is, kennen we niet. En als we wel zeggen dat iets niet bestaat, dan hebben we al een voorstelling geschapen, die als zodanig, als voorstelling bestaat. Maar over datgene waar we ons geen voorstelling van kunnen maken, kunnen we niets zeggen.

-

Van niets iets maken
Als er geen mensen geweest waren, waren er geen zinnen en waren er geen beweringen, die een inhoud hebben. Het is gewoon onzin om te zeggen dat dan de inhoud van de bewering dat er geen mensen zijn, nog waar is, want er is niemand om die bewering in te brengen. Beweringen en proposities zijn ‘dingen’ – dat nogal massieve woord, dat op zich best bruikbaar is als losse aanduiding, kan ons al misleiden, als we het te serieus als werkelijk op zichzelf staande dingen gaan opvatten -, die door mensen in hun omgang met de wereld geschapen worden en alleen daar kunnen we nu als mensen iets over zeggen.

Het niets is ondenkbaar. We kunnen ons wel een wereld voorstellen waarin er geen mensen meer zijn. Denk aan een boek als The Fate of the Earth (1982) van Jonathan Schell. Maar daar kunnen we ons nu iets over voorstellen. Als het eenmaal zover zou komen, is er niemand meer die nog iets zou kunnen opmerken. En het is volkomen nonsens om dan toch nog over proposities die waar of onwaar zouden kunnen zijn, te gaan fantaseren. Zonder mensen en taal is het onzin. Proposities worden nu telkens geschapen en ze zijn in het verleden gecreëerd en soms aan ons overgeleverd op schrift of in de herinnering en alleen over wat zich concreet aandient, kunnen we discussiëren.

En natuurlijk kunnen we wel iets zeggen over dingen uit het verleden die er ooit waren, maar die er nu niet meer zijn. Dinosaurussen bijvoorbeeld bestaan nu niet, maar bestonden ooit en dat weten we omdat ze sporen hebben nagelaten en we kunnen ze reconstrueren. En van de dodo kennen we afbeeldingen. Dat zijn dieren die niet bestaan, niet meer bestaan, maar ooit bestonden. En omdat we daar weet van hebben, kunnen we over die ooit bestaande, maar niet nu meer bestaande wezens iets zeggen.

Maar als er geen mensen meer zijn, kunnen mensen daar ook niets meer over zeggen en is de bewering dat de propositie er dan geen mensen meer zijn, dan waar zou zijn, dan zinloos. Niemand zal het erover hebben. Alleen nu kunnen we er met het oog over de toekomst over praten. Wat Plantinga doet, is van niets via een trucje toch weer iets maken. Ik kan ook wel zeggen dat er geen kalumanikels bestaan, maar zolang ik niet weet wat dat zijn, zegt dat niets. En zodra ik ze omschrijf, praten we over een verzinsel dat ik nu bedenk. Maar over het niets, het echte niets zal ik maar eens enigszins paradoxaal zeggen, kunnen we helemaal niets zeggen. Dat ligt buiten onze voorstellingswereld, zoals we ook niet buiten de grenzen van de tijd – wat was er, oude kantiaanse vraag, vóór de tijd en de Big Bang of de schepping? – kunnen treden. Het is filosofische hubris toch te doen alsof dat wel kan. Plantinga verliest zich in onzinnigheden.

-

Verzinsels
Binnen zijn onzinnige, grensoverschrijdende kader laat Plantinga de concretist nog een tijdje verder redeneren en zich verstrikken in tegenspraken. En zijn redenering loopt hier opuit:

‘The conclusion, I think, is that propositions can’t be concrete, contingently existing objects such as human mental acts, or brain inscriptions or other arrays of neural material, or sentence tokens, or anything else of that sort.’

Tja, als je eenmaal een valse start maakt, is de rest ook onzin. Het is geredeneer in het luchtledige, waar je je hersens wel op kunt pijnigen, maar dat nergens toe leidt. Al het volgende geredeneer over contingentie en noodzakelijkheid slaat gezien het absurde uitgangspunt nergens op. Wat ook onsympathiek is, Plantinga gaat niet in op voorliggende, controleerbare beweringen van andere filosofen, maar verzint zelf een tegenstandster die hij vervolgens vloert. Zo kan ik het ook. Maar met werkelijk debat of de uitwisseling van argumenten heeft het opzetten van absurde stropopredeneringen niets te maken. Maar je ziet dat vaker bij zogenaamde analytische filosofen: ze boksen in de lucht. Dan kun je nog beter luchtgitaar gaan spelen.

Plantinga maakt in zijn eigen alternatieve gedachtengang waar het essay op uitloopt, proposities helemaal los van de concrete, tijdelijke, eindige menselijke ervaring, dat is de makke. Ik denk niet dat we zo’n filosoof, hoe spitsvondig en humoristisch misschien ook, verder nog serieus hoeven te nemen. Natuurlijk kan het wel zinvol zijn om over God of eeuwigheid, begrippen die boven of buiten onze menselijke ervaring staan, verder te denken. Maar dan niet op zijn manier die de alledaagse redelijkheid tart. Ik kan in die hele redenering die van niets toch weer iets maakt, namelijk één ware propositie, zonder dat er mensen zijn die die ter discussie stellen, niets anders dan een frivoliteit zien.

-

Bergen
In het interview dat ik al noemde, vertelt de op dat moment nog 78-jarige Plantinga overigens, het is algemeen bekend, dat hij erg van bergbeklimmen houdt. Hij ging de afgelopen zomer in Californië klimmen met zijn vrienden Ric Otte - ken ik niet, maar ik weet veel niet - en Bas van Fraassen. Tijdens het interview was dat nog toekomst, maar ik neem maar aan dat de plannen gerealiseerd zijn.

De laatstgenoemde, Bas van Frassen, is toevallig in een bepaalde kringen wereldberoemde filosoof, die ik ooit op een feestje ontmoette. We waren al een kwartier of misschien wel een half uur aan de praat, over van alles en nog wat en met name over de merkwaardige Nederlandse uitvinding van de ‘allochtoon’, herinner ik me, toen we besloten ons maar eens voor te stellen. Ik was aangenaam verrast, al moet ik bekennen dat het heel lang geleden is dat ik me een ietsiepietsie in zijn werk verdiept heb. Ook daar weet ik dus niets (meer) van. Maar het was een leuke vent, zoals Alvin Plantinga dat kennelijk ook is. Juist daarom verbijstert zijn frivole wijze van filosoferen me zo.

Ik hoop dat de heren in de ijle hoogten van bergen vooral genoten en genieten van het fraais dat onze wereld, die we ook wel schepping noemen – we hebben de wereld immers niet zelf bedacht, maar treffen die aan, zoals we onszelf in die wereld aantreffen – te bieden heeft.

Ik denk dat je vanuit die concrete ervaringen een stuk verder komt dan met wat logische spitsvondigheden, die in strijd met wat we in het leven van alledag onder logica verstaan, verre van redelijk zijn.

(49)

Follow

Get every new post delivered to your Inbox.

Join 1.373 other followers