Posts tagged ‘zijn’

1 april 2015

Theodicee uit verlegenheid

door Jan Dirk Snel

[Woensdag 1 april 2015] Tot dusverre was het allemaal nogal saai geweest, maar de eerste vraag uit het publiek veranderde dat. Het was dinsdagavond 31 maart 2015 en de plaats van handeling was de zaal waar op 23 januari 1579 de Unie van Utrecht werd gesloten. De spreker vroeg nog of het een kerk was, hij vond het in ieder geval een mooie zaal. Net niet dus, wat nu fungeert als de aula van de Universiteit Utrecht was ooit de kapittelzaal van de Dom. Kortom, wel kerkelijk, geen kerk.

 –

Waardigheid
Die spreker was de Zwitserse filosoof Peter Bieri te Berlijn, bij sommigen beter bekend als de romancier Pascal Mercier. Inderdaad, die van de Nachtzug nach Lissabon. De man was naar Nederland gehaald om de vertaling van zijn boek over de menselijke waardigheid, Eine Art zu Leben. Über die Vielfalt menschlicher Würde (uit 2013) aan de man en de vrouw te brengen. Zo gaat dat. Een Nederlandse auteur krijgt een boekpresentatie met vrienden en bekenden, een auteur wiens werk uit een andere taal overgezet wordt, krijgt een tournee. En als het even lukt, een menigte kranteninterviews, want daar gaat het uiteindelijk om. Het merkwaardigste was overigens dat de man in het Engels sprak. Zal hem wel gevraagd zijn. Steeds vaker wordt het ons van kindsbeen vertrouwde Duits in Nederland vervangen door de vreemde taal die Engels heet.

BieriUtrechtHet was allemaal van een verpletterende braafheid. Bieri legde netjes uit waar zijn boek over ging. Dat menselijke waardigheid iets met zelfstandigheid of autonomie te maken had – Selbständigkeit staat er in de titel van het eerste hoofdstuk – maar dat het ook iets met ontmoeting te maken had. En met respect voor intimiteit, met het erkennen van de grenzen van de ander. En met nog wel meer. Het was keurig, maar ook verstoken van enigerlei inspanning om spannende vragen op te werpen. Ik bedoel maar, alleen al de verhouding tussen zelfstandigheid en ontmoeting zou allerlei dilemma’s op kunnen roepen. Maar het gebeurde niet.

Ik zat ondertussen vooral te bedenken dat filosofie zoveel beter moet kunnen. Dat aan wijsbegeerte doen niet per se uit hoeft te lopen op zelfbevestiging, op nog eens uitvoerig, analytisch en literair, uit de doeken doen van wat we met zijn allen toch al vinden, maar dat je ook zou kunnen proberen vraagtekens te zetten bij het inmiddels vanzelfsprekende. Maar misschien is het boek gewoon beter. Ik heb daar toevallig een zekere private geschiedenis mee, die ik nu niet uit de doeken zal doen, maar die komt er in ieder geval op neer dat ik het tot dusverre nog niet in handen heb gehad, dit laatste boek dan.

Lijden
Maar nadat ook het gesprek met Joep Dohmen – u weet wel, de man van de ‘levenskunst’ (volgens mij is filosoferen juist een teken dat men de kunst van het leven niet beheerst, maar dit terzijde) – even kabbelend was verlopen, zette de eerste vragensteller de boel op scherp. Terwijl het toch om een hele rare vraag ging. Omdat het om een hele rare vraag ging. Hij vroeg Bieri wat hij zou kiezen als hij twee opties had: de wereld zoals die nu is, scheppen of helemaal niets tot stand laten komen. Bieri reageerde wat ongemakkelijk. Hier was hij niet op voorbereid. Hij vond het ook een absurde vraag. Maar, dat was het aardige, hij maakte er zich vervolgens niet gemakkelijk vanaf. Hij wist niet wat hij moest antwoorden, maar enigszins stamelend – in materiële zin dan – probeerde hij met de vragensteller in gesprek te gaan. Kortom, hij ontweek de vraag niet, maar liet die op zich inwerken. Toch een echte filosoof.

Het ging de vragensteller natuurlijk om alle ellende in de wereld. Wie deze wereld zoals die nu is, verkiest boven het niets, die kiest ook voor het ondraaglijke lijden van onnoembaar veel mensen. De vragensteller noemde die keuze ‘politiek incorrect’ – een inmiddels staande uitdrukking waarin het adverbium in ieder geval niets met staatkunde te maken heeft. Hij had in zijn omgeving een kleine, onwetenschappelijke steekproef gedaan en daarin koos zeventig procent voor de wereld zoals die nu is. Ook Bieri deed dat. Het alternatief was simpelweg ‘niet interessant’, zei hij bijna schouderophalend. Dat lijkt me het juiste antwoord. We weten eigenlijk niet wat het niets is. Als beperkte mensen kunnen we ook niet echt voor het niets kiezen.

De gedachte dat de keuze voor het niets moreel uitgaat boven die van het zijn met alle lijden vandien, is overigens nogal omineus. Wij mensen kunnen de wereld niet scheppen, maar wij kunnen de wereld wel vernietigen. Althans dat denken we. Er is ons altijd verteld dat de bestaande nucleaire wapens in staat zijn de gehele wereld te verwoesten en soms wordt er aan toegevoegd dat dat zelfs meerdere malen zou kunnen. Hoe het ook zij, technisch moet het in ieder geval mogelijk zijn. Ook zo’n vernietiging zou uiteraard veel lijden met zich meebrengen, maar als de mensheid echt collectief suïcide zou willen plegen, zou dat technisch zonder al te veel leed toe te voegen, vast en zeker te doen moeten zijn. Ik hoop niet dat iemand er een serieuze optie in ziet. (Dat we de komende eeuw nog een grote nucleaire ramp tegemoet kunnen zien, lijkt me helder. Alles wat mis kan gaan, gaat ooit een keer mis.) Maar iemand die zegt dat het niets moreel te verkiezen valt boven het zijn, inclusief alle lijden, komt in feite wel bij deze mogelijkheid uit.

 –

Niets
Het gaat hier over opties of keuzes die ons handelen te boven gaan. Maar dan gaan ze in feite ook ons denken te boven. We kunnen ons afvragen waarom er iets is en niet niets, maar in die vraag bekennen we onze beperktheid. We kunnen niet zinvol vragen of we het zijn of het niets verkiezen. Of beter: we kunnen de vraag wel opwerpen, maar we weten ook dat het daarbij blijft. De vraag, dat zal duidelijk zijn, stelt ons op de plaats van God.

Het is inderdaad, zoals Bieri opmerkte, een absurde vraag, maar dan wel vraag die ons op onze menselijke grenzen wijst. Ik denk ook dat Bieri’s aarzelende, tastende antwoord, dat het niets niet interessant is, uiteindelijk zeer raak is. Maar dan is met dat antwoord uit verlegenheid meteen een antwoord gegeven op de vraag naar de theodicee. (In vroeger eeuwen stelde men wat gedurfdere vragen dan vandaag de dag: de vraag naar de rechtvaardiging van God is natuurlijk veel brutaler dan de platte of hij misschien wel bestaat.)

Het niets, zou je er nog aan toe kunnen voegen, laat ook geen ruimte voor menselijke waardigheid. Aangezien het niets niets is, kan het ook niet moreel beter zijn. Natuurlijk, je kunt zeggen dat het dilemma kunstmatig is. Dat het niet gaat om de vraag naar lijden of niets, maar naar de vraag of het niet zonder lijden had gekund. Of met minder misschien. Maar je zou ook kunnen zeggen dat het dilemma de vraag naar het zijn juist in alle scherpte stelt.

 –

Loos
En dat ze scherp laat zien hoe het opwerpen van het lijden als iets dat tegen God zou pleiten, in feite volkomen loos is.

Naschrift (maandag 13 april 2015, 8.15 uur)
Het was niet de eerste, maar de op een na laatste vragensteller, die de vraag naar de opwierp zonder dat woord te gebruiken, vertelt een goede vriend me. Hij zat die avond naast me en hij heeft vast en zeker beter opgelet.

(187)

22 december 2011

Vergankelijkheden en scheppingen

door Jan Dirk Snel

.:.

Zijn en zijnden
Je hebt het zijn en de zijnden. Althans zo zeggen sommige filosofen dat.

Het zijn – of het Zijn – is dan de meest omvattende term voor alles wat er is. Er zijn andere termen voor wat alles omvat. Het woord wereld wordt wel losjes zo gebruikt en dan gaat het niet om de aarde, maar om een aanduiding voor ons gehele bestaan, op zich ook al een mogelijke kandidaat. Sommigen menen dat het begrip natuur ook als zodanig kan functioneren en gebruiken het ook zo. Anderen letten liever meer op het tijdsaspect en opteren voor geschiedenis. En overigens, alles is in omschrijving al twee keer voorbij gekomen.

De geest mag dan meer zijn dan het lichaam, tegelijk valt er veel te zeggen voor de stelling dat het lichaam werkelijker is dan de geest.

Als het Zijn het meest omvattende is, worden de dingen die er zijn, vaak de zijnden genoemd. En entiteit fungeert dan soms als synoniem: iets dat er is. In de omschrijving gebruikte ik net al, bijna onbewust, de term dingen en dat woord wordt dus ook wel gebruikt. Het geeft meteen al aan waar een kleine moeilijkheid zit. Bij een ding denken we in de eerste plaats aan een fysiek object dat in ruimte en tijd bestaat. Sommige mensen houden er erg van om allerlei ‘dingetjes’ om zich heen te hebben. Maar in de meer algemene zin van de dingen die er zijn, wordt het woord breder gebruikt. Je kunt ook zeggen dat je vandaag nog veel dingen moet doen: nog naar de bibliotheek, de winkel, met je dochter naar het verjaardagsfeest van een vriendinnetje van haar, en zo verder, en ondanks de drukte kunnen dat toch hele leuke dingen zijn.

Ook bij zijnden of entiteiten hebben we waarschijnlijk de neiging om het eerst aan concrete objecten en mensen te denken. Dat is niet toevallig, omdat ons eigen bestaan in de wereld een fysiek gegeven is. Wij mensen hebben een lichaam en ons bestaan is lichamelijk. Ik snap best wat er wordt bedoeld met de uitspraak dat de geest meer dan het lichaam is, maar in zekere zin is ons lichaam toch werkelijk echter en werkelijker dan onze geest (en dat ik twee keer hetzelfde woord gebruik is opzettelijk). Abstracte taal is doordesemd van ruimtelijke en lichamelijke metaforen. De dag ligt voor ons, de moeilijkheden van gisteren liggen achter ons. Een term omvat iets. Je problemen kunnen groot zijn, de rapportcijfers van je kinderen kunnen hoog zijn, maar ook zwaar tegenvallen. De wereld van de geest is in de wereld van de ruimte, van de dingen – letterlijk – en de lichamen geworteld (ook al zo’n metafoor, zij het misschien niet de beste).

*

Natuurlijk kun je zeggen dat een zijnde ‘iets dat bestaat’ is. Maar wat je daarbij nooit over het hoofd moeten zien, zijn twee dingen (hè, dat woord duikt ook overal op en ook hier is het vanzelfsprekend in meer metaforische zin bedoeld). Ten eerste dat veel dingen, en nu weer in de zo algemene zin dat ook mensen eronder vallen in onze wereld, slechts tijdelijk bestaan. En ten tweede dat wat bestaat, een voortdurende schepping van ons menselijke geest is.

Vergankelijkheden
De dingen ontstaan, bestaan en verdwijnen weer: πάντα ῥεῖ, zoals dat op allerlei huizen staat. De bewoners beseffen dat hun aanwezigheid daar tijdelijk en onzeker is, zoiets zullen ze wel willen zeggen. Alles verandert voortdurend. Mensen worden geboren, leven en sterven. Dat geldt voor dieren ook. Onze spullen, van onze woningen tot onze kleren, hebben een beperkt bestaan. Mijn horloge draag ik al 43 jaar, maar dat vind ik dan ook bijzonder. En als men het tegenwoordig over duurzaamheid heeft, dan gaat het er, geloof ik, meer om dat we verstandig met natuurlijke hulpmiddelen en energie en met de leefomgeving omgaan, dan dat we zolang met onze spullen moeten doen. (Volgens mij komt het er in de praktijk meestal op neer dat je je oude dingen snel weg moet gooien en moet vervangen door nieuwe duurzame goederen.) Het gaat ook over hergebruik. Ik meen me te herinneren dat op twee van de schilderijen van Rembrandt dezelfde persoon voorkomt en dat deskundigen vaststelden dat hij na vele decennia, vier meen ik, nog steeds – of opnieuw: voor de speciale gelegenheid – dezelfde jas droeg. Dat vinden wij nu opmerkelijk: veertig jaar met dezelfde jas doen!

De termen zijnde en entiteit zeggen slechts dat iets er is. En als je van iets kunt zeggen dat het er is, kun je het een zijnde of een entiteit noemen. Maar toch denk je dan niet zo snel aan een gebeurtenis, een handeling of een proces. Of niet eerst. Je begint bij de fysieke objecten en bij planten, dieren en mensen. Waren of zijn de middeleeuwen een zijnde? Was het in de rij staan voor de disco van je dochter vorige week vrijdagavond een entiteit en was het feit dat ze na twintig minuten ongeduldig werd weer een andere entiteit? Was de oversteek van Julius Caesar over de Rubicon een zijnde? Het taalgebruik wringt hier wat. Tuurlijk kun je alles wat je kunt benoemen als bestaand, per definitie, stipulatief, een zijnde of entiteit noemen, maar vanuit die begrippen stel je je het een eerder voor dan het ander.

In feite zou je niet over zijnden maar over vergankelijkheden moeten spreken. Want een groot deel van de zogenaamde entiteiten bestaat maar kort. Wij leven in de tijd. Wij zijn zelf aan de tijd onderworpen – ook al weer zo’n ruimtelijke metafoor overigens – en ons eigen bestaan is tijdelijk: wij zijn sterfelijke wezens. Ik bedoel dit meer als aandachtspunt. Het zou nog heel wat werk kosten om van alle zijnden uit te maken of ze al dan niet vergankelijk zijn. Alles wat tot de wereld van de menselijke arbeid valt, behoort er in ieder geval toe en ook onze aarde is vergankelijk. Ook onze abstracta zijn in die zin vergankelijk. Als er geen mensen meer zijn, zal er geen wiskunde meer zijn, want het gaat om een uitvinding van de menselijke geest, die uiteraard geworteld is in de ruimtelijke, natuurlijke wereld die we aantreffen.

Zijnden zijn in het algemeen vergankelijke zijnden, met een kort bestaan. Natuurlijk kun je dan nog steeds zeggen dat het zijn al die vergankelijke zijnden omvat, maar of het veel zin heeft om over de eenheid van alle zijnden of al het zijnde te bespreken, weet ik niet. Wat zeg je dan eigenlijk?

Scheppingen: woorden
Wat er bestaat, is niet alleen aan voortdurende verandering onderhevig, wij weten eigenlijk niet eens wat er allemaal bestaat. De menselijke geest schept voortdurend nieuwe dingen en vergeet vroegere scheppingen of annuleert die.

Je hebt bijvoorbeeld natuurlijke personen en rechtspersonen. De laatsten zijn scheppingen van het recht. Of beter gezegd: dat recht, en ook dat is zelf alweer een vinding – zij het mogelijk in de kern een noodzakelijke (denk aan de idee van het natuurrecht!) – van de menselijke geest, maakt het mogelijk een stichting of een vereniging op te richten. Rechtspersonen kunnen vaak allerlei dingen die natuurlijke personen ook kunnen en ze kunnen allerlei rechtshandelingen verrichten. Ze kunnen bijvoorbeeld bezit of eigendom hebben of onrechtmatige daden plegen. Maar het blijft om een metafoor gaan. Een natuurlijk persoon kan plotseling sterven en dat heeft ook juridische gevolgen. Een rechtspersoon kan dat niet. Die kan wel opgeheven of ontbonden worden. Rechtspersonen kunnen trouwens ook ouder worden dan mensen van vlees en bloed.

Maar het hoeft niet eens om rechtspersonen te gaan. Mensen kunnen elk weekend met elkaar gaan hardlopen of elke woensdagavond met elkaar een biertje gaan drinken en dan vormen ze een renclubje of een vriendenclubje en het kan zijn dat ze daar na een tijdje een al dan niet grappige naam aangeven: de Reeuwijkse Renners bijvoorbeeld of de Vijf Keizers, als bevriende bierdrinkers bijvoorbeeld gewend zijn altijd ergens in een schenkgelegenheid aan de Keizersgracht bijeen te komen. Zoiets kan langzaam groeien, maar na tien jaar zal iemand misschien zeggen: de Vijf Keizers bestaat nu tien jaar, zullen we dat niet eens vieren? En dan kan het best zijn dat de naam pas in de loop van het derde seizoen opkwam en dat niemand dat meer weet te dateren. Toch bestond de nu aldus genaamde vriendenkring daarvoor al, zoals allerlei geleerden in de de zestiende eeuw ook niet wisten dat ze tot de stroming van het humanisme behoorden.

Door woorden en handelingen creëren mensen steeds nieuwe werkelijkheden en je kunt daarom ook nooit exact zeggen wat er bestaat of wat al dan niet een zijnde is. Op Twitter vroeg iemand onlangs of zijn volgers ook een net woord voor ‘afzeiken’ wisten. En ook nadat allerlei suggesties voor alternatieven waren gedaan, bleef hij, terecht denk ik, ontevreden. Er zijn vele uitdrukkingen die ongeveer hetzelfde fenomeen aanduiden, maar de betekenis en vooral de gevoelswaarde zijn net iets anders. Er zal ook wel geen ‘net woord’ voor bestaan, want het fenomeen is dat niet zo erg en het woord geeft ook uitdrukking aan het minder fraaie aspect van het beschreven verschijnsel. Het gaat niet voor niets, ook hier, om een metafoor. ‘Afzeiken’ is een woord dat tamelijk recent algemener is geworden en dat waarschijnlijk uit studentikoze kringen afkomstig is en dan misschien zo’n ruime kwart eeuw, misschien ook wel langer of zelfs veel langer, bestaat. Maar het woord is natuurlijk in omloop gekomen omdat het een eigen realiteit omschrijft, en zo verdwijnen er met het in onbruik raken van woorden ook weer werkelijkheden, al kunnen we die deels met behulp van oude geschriften en woordenboeken weer oproepen. Maar niet alle woorden die ooit gebezigd zijn, zijn vastgelegd.

Scheppingen: ook zonder woorden
Maar je hoeft zelfs geen woord te zeggen om toch een nieuwe geestelijke werkelijkheid in het leven te roepen. Als Anja even drie biertjes aan de bar haalt en, terwijl het gesprek over politiek druk voort gaat, er eentje aan Willem en Rebecca toeschuift, heeft ze daarmee nieuwe bezits- of eigendomsverhoudingen gecreëerd. Als iemand even later aan Rebecca vraagt, ‘is dit glas nu van jou of van mij’, kan Rebbeca zeggen: ‘nee, dit is het mijne, dat daar, dat moet van jou zijn’. Die eigendomsverhouding of die aanspraak bestaat. (Het gaat dan om de inhoud, want het glas als voorwerp blijft ondertussen van de uitbater, dat ook nog.) Maar het is niet de moeite waard het erover te hebben. Als ze het café verlaten, is het glas leeg en de aanspraak verdwenen en nooit zal iemand er nog aan denken. Maar heeft het dan zin om de eenheid van dit ontegenzeggelijke kortstondige zijnde met andere zijnden te gaan zoeken, zoals wijsgeren doen die over de eenheid van al het zijnde of van alle zijnden spreken?

Als er in een buurt een samenscholingsverbod is afgekondigd en dertig mensen op een plein worden aangehouden vanwege overtreding van het verbod, is hun samenscholing dan net zo reëel als hun eigen bestaan? Dat die dertig mensen bestaan, daaraan zal niemand twijfelen. Maar de officier van justitie zal eerst nog maar eens moeten bewijzen dat er een samenscholing bestond. Het is mogelijk dat die mannen beweren dat ze daar allemaal of deels om hun moverende redenen waren, dat ze elkaar niet kenden en ook geen gemeenschappelijk doel hadden en dat het wel leek of ze een zekere eenheid vormden, maar dat het echt een toevallige samenloop van omstandigheden was dat diverse groepjes, die op zich uit zo weinig leden bestonden dat ze niet onder het verbod vielen, daar net op het zelfde moment zich bevonden en dicht bij elkaar in de buurt liepen. Het is maar de vraag of het ooit duidelijk was of er sprake was van een samenscholing.

En deze benoeming is een duidelijke menselijke daad. Dertig mensen op een plein kunnen ook samen een feest vieren. Of een uiting van hangouderenproblematiek vormen. En ook die uiting of die problematiek bestaat dan – en die kun je dus volgens de definitie een zijnde of een entiteit noemen – en kan in de gemeenteraad besproken worden. Bestaat de Hofstadgroep? De leden wisten niet dat ze lid waren van een aldus genaamde organisatie en de ene rechter zegt dat ie wel bestond, terwijl de andere hem niet kan ontdekken of althans de contouren te zwak vindt om eenduidig te kunnen zeggen dat deze club werkelijk bestond. Of iets bestaat, is niet altijd duidelijk.

Van sommige dingen is het kortstondig bestaan onomstreden. Mensen bestaan en allerlei fysieke dingen bestaan ook. Sommige gedachten en ideeën bestaan ook. Je kunt zo even nazoeken wat historisch materialisme ook al weer was en welke verschillende opvattingen erover de ronde deden en doen. Maar elke dag ontstaan er nieuwe dingen en wat er bestaat, is grotendeels een gevolg van de menselijke omgang met de wereld: door hetzelfde anders te benoemen bestaat het ook anders. Iemand kan werken. Hij kan ook een zogenaamd instituut oprichten en zeggen dat het instituut, waarvan hij de enige deelnemer, die dag dat en dat gedaan heeft.

Vergankelijke scheppingen
Bestaan is niet eenduidig. De zijnden zijn vooral vergankelijkheden, zij het mogelijk niet alle. En wat er is, hangt af van hoe mensen de dingen benoemen en van wat ze elke dag weer aan nieuwe scheppingen in de wereld zetten.

We weten niet wat er bestaat. Van sommige dingen weten we het, van andere dingen weten het niet en soms weten we het niet zeker. En steeds scheppen mensen weer nieuwe dingen die vergankelijk zijn.

.:.

Leeuwen van Tawheed (de eenheid Gods) of PolderMujahideen. Was dit het logo van de Hofstadgroep en bestond die nu wel of niet?

Naschrift
Dit is voor mijn doen een tamelijk kort stukje. De polemiek in mijn twee vorige stukjes beviel me achteraf niet erg. Ik was veel te veel woorden kwijt aan het uitleggen van wat er naar mijn idee niet klopte. In het stukje van maandag – Over vliegende roze olifantjes, zijn en niet zijn. En of bestaan univook is – nam ik stelling in betrekking tot een uitgangspunt dat op zich niet helder was, althans niet in mijn ogen, en in het stukje van gisteren – Historische waarheid en tijdelijkheid – ging het over een gedachte die op zich al verward was.

Ik had gewoon even kunnen uitleggen dat zinnen waar zijn, omdat de inhoud waar blijkt te zijn, en dat het begrip waarheidsmaker niets anders is dan de verdubbelde omschrijving voor dat wat de waarheid van een zin bepaalt, en dat zinnen over iets in het heden iets over iets in het heden zeggen en dat uitspraken over iets uit het verleden iets over het verleden zeggen en dat in het laatste geval alleen nog bepaalde bewijzen omtrent het voorbije gebeuren waar je iets over zegt, nodig zijn om de waarheid te bewijzen. Waarbij het bewijs dan uiteraard niet de waarheid is, maar die juist bewijst.

Er moet iets uit het verleden overgeleverd zijn waardoor het überhaupt mogelijk is om iets over een gebeuren uit het verleden te zeggen. Er moet nog iets bestaan. Het kan om herinneringen gaan, om een dikwijls overgeschreven tekst of om beelden, documenten of voorwerpen: het gebouw van het Rijksmuseum staat er al sinds 1885 en de Amsterdamse Oude Kerk al sinds de middeleeuwen. Ik heb regelmatig zand uit de achttiende eeuw, dat uit gerechtsboeken viel, in het niet meer bestaande gebouw van het gemeentearchief aan de Amstel van tafel geveegd.

Het hele idee van een waarheidsmaker is volstrekt overbodig en leidt alleen maar tot verwarring. Je moet gewoon kijken wat er in een zin staat en als die waar is, bepaalt de inhoud van die zin en waar die betrekking op heeft, dat ie waar is en het maakt dan niet uit of de zin al dan niet naar een nu bestaande fysieke realiteit verwijst. Het gaat er maar net om waar de zin over gaat. Dat kan over van alles en nog wat zijn en lang niet alle beweringen gaan, gelukkig maar, over een externe realiteit. Er is nog wel wat meer in het leven. Er bestaat nog wel wat meer.

Maar goed, deze afsluitende polemische opmerkingen om te laten zien waarom ik geen zin meer heb in polemieken. Het heeft geen zin om warrigheden te weerleggen, het is zinvoller om positief na te denken over wat we over onze werkelijkheid kunnen zeggen.

(41)