Posts tagged ‘woordgeschiedenis’

5 maart 2012

Vietsen in het Vondelpark. II. Waarom fiets wel degelijk van vélocipède komt

door Jan Dirk Snel

.:.

Als het over de herkomst van het woord fiets gaat, valt steeds het jaartal 1886. Dat gebeurt nu in de journalistieke berichten en dat gaat terug op de wat de etymologische woordenboeken melden. De oudste vindplaats die tot dusverre bekend was, komt namelijk uit dat jaar.

De Wageningse smid E.C. Viets werd reeds in 1886 in verband gebracht met de fiets. Correspondent L. van De Kampioen meende dat het woord niet van deze maker van fietsen afgeleid was.

De discussie van 1886
Op woensdag 28 april 1886 bevatte de Arnhemsche Courant het volgende stukje:

‘De spraakmakende gemeente heeft gedaan wat de taalkundige congressen terecht niet hebben aangedurfd. Voor dat pedante vijfsylbige woord, dat boer noch burgerman begrijpt, vélocipède, heeft zij een ander geschapen. Geen vertaling met omzettingen op grammaticalen grond, zooals rijwiel en wielrijder, dat in de gesproken taal ook nog niet wilde wortelen. Neen, zij, die de taal maken, hebben de vélocipède viets gedoopt en dat woord klinkt en staat. Alle wijsgeerige philologische redeneeringen en beschouwingen zullen en kunnen nooit tot de conclusie viets leiden, maar het volk dat van velox noch pes weet, heeft dat snelrollende wielenstel een naam geschonken, kort en eenvoudig en in verband met zijne beweging. Als het woordenboek tot de v zal zijn gekomen, twijfelen wij niet of het zal aan viets de plaats geven, die het dan toekomt.’

Omdat de Arnhemsche Courant op de historischekrantensite van de KB nog maar tot 1850 is opgenomen, citeer ik dit stukje via het nuttige boekje dat Ewoud Sanders, Fiets! De geschiedenis van een vulgair jongenswoord (Den Haag/Antwerpen 1997, 2e editie). (De eerste druk uit 1996 vindt men overigens hier en hier.) Dat boekje vormt bij alle discussies over de herkomst van het woord een onmisbare Fundgrube, die vaak ook de weg biedt naar oorspronkelijke bronnen en dus veel vaker impliciet aanwezig is dan dat het genoemd wordt.

De volgende dag, donderdag 29 april reageerde het Dagblad van Zuid-Holland en ’s-Gravenhage (op de KB-site van 1853 tot 1869, dus opnieuw via Sanders) aldus:

‘Misschien begaan we een groote domheid, of verraden onkunde van het Geldersch taaleigen, wanneer wij bezwaar opperen tegen dezen bastaard van vitesse, – en houden ons in dat geval voor terechtwijzing omtrent de herkomst van viets aanbevolen.’

Die oproep had snel resultaat. Al op maandag 3 mei 1886 kon het Haagsche Dagblad, zoals het in de wandeling wel werd genoemd, een reactie opnemen van zijn correspondent, of ‘berichtgever’ te Groenlo. Die schreef dit:

‘Hoewel ik niet kan voldoen aan de uitnoodiging om u aangaande de herkomst van het woord viets (beter fiets), met welken naam men in Arnhem het rijwiel heeft gedoopt, in te lichten, hoop ik u toch te kunnen overtuigen, dat deze benaming, gebezigd door een inwoner van Gelderlands hoofdstad, het begrip van snelheid volgens het Geldersen taaleigen zeer eigenaardig uitdrukt.
Fiets of viets is nl. geen bastaard van vitesse, hoewel volgens het Geldersch patois geen “fiets” zonder snelheid denkbaar is.
Het is de snelheid zonder groot gedruisch.
Zoo doet de bliksem “fiets”, even als de kogel die ons langs de ooren suist en de slag met de zweep door de lucht, zonder knal te veroorzaken. “Fiets” is een klanknabootsend woord, evenals boem bij het schot en rrrt bij het ratelen van den spoortrein. Evenals aan “fiets” dus onafscheidelijk verbonden is het begrip van een minimum van tijd, zoo wordt het zelfstandig-naamwoord, tot hiertoe slechts gebruikt als verkleinwoord: een “fietsken”, alleen gebezigd om een minimum van stof aan te duiden.
Het kleine is niet per se een “fietsken”; maar het groote is het nooit. Alleen een geringe en kleine rest, wat de Duitschers “einen winzig kleinen Theil” noemen, is een “fietsken”, bijv. een klein staartje in een glas.’

Dat ik deze tekst kan citeren, is omdat het Algemeen Handelsblad hem de volgende dag, dinsdag 4 mei 1886, op de voorpagina in de rubriek ‘Allerlei’ citeerde (hier de pdf). En vervolgens werd het bericht uit deze Amsterdamse krant integraal overgenomen in het meinummer (3,5, pagina 68-69) van De Kampioen, het maandblad van het Algemeen Nederlands Wielrijders-Bond (ANWB). Bondsvoorzitter en hoofdredacteur Edo J. Bergsma was er snel bij, want zijn blad verscheen elke maand tussen de zesde en de tiende. Hij voegde er één zinnetje aan toe:

‘Het woord “fiets” was als verkorting van Vélocipède reeds in 1871 in Leeuwarden in gebruik. (Red)

Dit was allemaal bekend, maar wat naar mijn waarneming tot dusverre over het hoofd gezien lijkt te zijn, is dat er twee nummers later, in het juninummer van De Kampioen (3,7, pagina 120) een kort vervolg verscheen:

‘Een onzer correspondenten schrijft ons:
“In een der vorige Kampioen-nummers zag ik eene verklaring van het woord fiets.
Als merkwaardigheid diene, dat een der eerste houten roode wielers geconstrueerd is door den Wageningsche smid Viets.
Ik houd het er echter voor, dat het woord fiets eene verbastering is van het woord velocipède. Hoe dikwijls hoort men niet vieloziepee, viezepee en dergelijke ongeoorloofde verdraaiingen.” L.
Dit laatste komt ons zeer waarschijnlijk voor. Red.’

Vijf vroege verklaringen
Enkele dingen vallen op. Het eerste is dat in deze weinige regels al minstens vier of vijf verklaringen, die soms later weer zullen opduiken, worden opgeworpen en deels meteen terzijde worden geschoven.
(1) De Haagse redacteur denkt aan een afleiding van het woord vitesse. Ook de Arnhemse redacteur dacht al dat de naam van de fiets ‘in verband met zijne beweging’ staat. Maar de Groenlose berichtgever verwerpt die verklaring: fiets is ‘geen bastaard van vitesse’.
(2) Hij houdt echter wel vast aan een verband met snelheid en dat zelfs op twee onderscheiden wijzen. Fiets zou volgens hem een ‘klanknabootsend woord’ zijn. ‘Het is de snelheid zonder groot gedruisch.’ Het zou het geluid zijn dat hoort bij de bliksem, de kogel en de slag van een zweep.
(3) De Grollenaar heeft nog een andere verklaring. Het verkleinwoord fietsken zou een ‘minimum van stof’ aanduiden, een ‘geringe en kleine rest’, bijvoorbeeld ‘een klein staartje in een glas’. En fiets zou dus zo ‘onafscheidelijk verbonden’ zijn aan ‘het begrip van een minimum van tijd’.
(4) Correspondent L. van De Kampioen noemt reeds de Wageningse smid E.C. Viets, die later nog vaak genoemd zou worden.
(5) Correspondent L. oppert dat fiets een verbastering is van vélocipède en noemt als tussenstadium ‘ongeoorloofde verdraaiingen’ als vieloziepee en viezepee.

Hier kunnen we kort over zijn.
(1) Het abstracte zelfstandig naamwoord vitesse lijkt inderdaad geen waarschijnlijke bron voor de aanduiding van een concreet voorwerp, een ‘machine’, zoals men destijds vaak zei.
(2) Dat het woord fiets een zekere snelheid suggereert, is naar mijn idee nog zo (denk ook aan woorden als flits of foetsie), maar dat wil nog niet zeggen dat het om een klanknabootsing gaat. Het zegt hooguit dat het woord goed in het gehoor ligt.
(3) Aan de verklaring dat fietsken op een laatste restje zou betekenen en dus op een minimum aan tijd bij de verplaatsing per rijwiel zou bieden, is bij mijn weten nooit veel aandacht besteed. In het Woordenboek van de Drentse dialecten komt bijvoorbeeld de betekenis ‘zier’ voor: ‘Ik doe der gien fiets meer of’ zou ‘daar kun je niet veel mee’ betekenen. Het kan dus goed zijn dat het woord in de betekenis van ‘laatste restje’ bestond, maar een verband met een rijwiel valt moeilijk te zien.
(4) Aardig is dat de Wageningse smid E.C. Viets hier door L. al vroeger dan tot dusverre in de literatuur bekend was, met de fiets in verband wordt gebracht, maar dat hij een verband meteen ook afserveert. Men leze het betoog van Ewoud Sanders erop na. Het is niet waarschijnlijk dat het rijwiel de naam aan deze fietsenmaker ontleende. Daarvoor was de man te onbekend. En als het verband duidelijk was, was dat destijds al vaker overtuigend gemeld.
(5) Blijft over de afleiding uit vélocipède. Die blijft naar mijn idee het meest overtuigend. En ik denk dat de hier geopperde tussenvorm viezepee de missing link is. Ik kom daar op terug.

Verspreiding en duur
Laten we eerst nog eens naar de verspreiding en de duur van bestaan letten. Betekenisvol is dat de Arnhemsche Courant er vanuit gaat, dat het woord fiets al behoorlijk verbreid is. De ‘spraakmakende gemeente’, het ‘volk’ gebruikt het. De krant gaat er zelfs vanuit dat het Woordenboek der Nederlandsche Taal het te zijner tijd wel zal opnemen. Dat wil zeggen dat het naar de waarneming van de betreffende redacteur veel breder verspreid moet zijn dan in Arnhem of directe omgeving. Hij ziet het als een nieuw Nederlands woord.

Maar tegelijk blijkt dat de redacteur van een krant uit Den Haag wel denkt dat het woord mogelijk vanuit het ‘Geldersch taaleigen’ verklaard moet worden. Het is niet helemaal duidelijk of hij het al kent, maar hij maakt er wel bezwaar tegen. De twee verklarende reacties komen vervolgens kennelijk ook uit Gelderland. De correspondent van het Dagblad van Zuid-Holland en ’s-Gravenhage woont in Groenlo, waarmee hij aangeeft dat het woord niet alleen op de zuidelijke Veluwe, maar ook in De Graafschap kennelijk bekend is. Correspondent L. van De Kampioen noemt de smid Viets te Wageningen en dat maakt het waarschijnlijk dat hij ergens in die omgeving woont.

Maar Kampioen-hoofdredacteur Edo J. Bergsma, die nog maar kort geleden vanuit Leeuwarden naar Grouw was verhuisd, meldde dat hij het woord ook kende. Tweemaal geeft hij aan dat hij denkt dat fiets een verkorting of een verhaspeling van vélocipède is. Bergsma meldt ook dat het woord al in 1871 in Leeuwarden circuleerde. Bergsma, geboren in 1862, werd dat jaar negen. Het is natuurlijk mogelijk dat de 23-jarige Bergsma zich nauwkeurig herinnerde wat hij op acht- of negenjarige leeftijd had gehoord, maar het is natuurlijk net zo goed mogelijk dat hij het woord pas wat later hoorde. Het lijkt me zeer waarschijnlijk dat een tongbrekend woord als vélocipède vanaf het begin tot allerlei verhaspelingen en inkortingen leidde en dat Bergsma zich dat al uit zijn jongen jaren herinnerde. Maar of daarmee gezegd is dat we zijn vroege datering van fiets ook zonder meer dienen te aanvaarden. Tegelijk is echter wel duidelijk dat het woord hem in 1886 bekend is. Hij kent het en hij is het eens met de verklaring vanuit vélocipède. Dat is een belangrijk gegeven. Als er andere voor de hand liggende verklaringen waren, zou Bergsma die vast en zeker ook gekend hebben.

Op de viezepee
In de literatuur is de afleiding van viets of fiets uit vélocipède vaak geopperd en verdedigd – onder meer door K. Heeroma en C.B. van Haeringen – en even vaak verworpen. Wie de verklaringen van fiets en fietsen die op Etymologiebank zijn verzameld, bestudeert, zal dat al zien.

Een bezwaar tegen de afleiding van fiets uit vélocipède is wel dat de verhaspelingen die een tussenvorm zouden moeten vormen, te laat geattesteerd zijn. Zo acht het Etymologisch Woordenboek van het Nederlands (2003-2009) van M. Philippa het minder waarschijnlijk dat fiets is ontstaan uit vormen als fieselepee en fietsepee:

‘Waarschijnlijker is echter het omgekeerde: dat fietsepee een contaminerende vorm is onder invloed van fiets. Gedurende lange tijd, zeker nog tot aan de Tweede Wereldoorlog, zijn namelijk beide woorden vélocipède en fiets, naast elkaar gebruikt (vélocipèdeuiteindelijk nauwelijks nog anders dan schertsend).’

En ook het Van Dale Etymologisch woordenboek (1997) van P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997) stelt:

‘Een verbastering uit frans vélocipède ligt minder voor de hand, omdat de vele verbasteringen hiervan, zoals vielesepee, pas zijn aangetroffen nadat fiets werd gebruikt.’

Het lijkt me dat dit bezwaar nu door de attestatie van vieloziepee en viezepee in juni 1868 enigszins uit de weg is geholpen. We hoeven nu niet alleen af te gaan op de jeugdherinneringen die taalkundigen en anderen pas veel later optekenden, we weten nu dat dergelijke verbasteringen destijds ook al bestonden. Nu kan men natuurlijk veronderstellen dat ook L. in 1886 pas achteraf een verband legde, maar het lijkt me toch tamelijk waarschijnlijk dat hij de beide vormen werkelijk wel eens gehoord heeft en dat ze niet van viets of fiets afstammen. Daar geeft zijn spelling al geen aanleiding toe.

Laten we nog eens naar vélocipède kijken. Dat is echt een onhandig woord en de taalkundige Matthijs de Vries verwachte al in 1869 verbasteringen. De laatste lettergreep kan gemakkelijk verdwijnen. Men houdt dan iets als velocipee over. De klemtoon ligt dan op de laatste lettergreep –pee. Het blijkt vooral dat de opvolging van klanken (ee, oo, ie, ee) niet gemakkelijk bekt. Als er voorafgaand aan het beklemtoonde slot drie lettergrepen worden gehandhaafd, verandert het woord al snel in iets als vielesepee of het nu in juni 1886 geattesteerde vieloziepee. Opvallend is dat een verandering van de eerste lettergreep in een ie kennelijk vrij natuurlijk gaat.

Maar ritmisch ligt het zeker zo voor de hand dat de vier overblijvende lettergrepen tot drie worden teruggebracht. Het accent blijft op de laatste lettergreep liggen en op de eerste past dan de bijklemtoon. De v blijft aan het begin, maar de l en de c moeten of samen worden gevoegd of een van beide moet verdwijnen. In het eerste geval krijg je iets als vielsepee. Allerlei varianten daarop zijn ook daadwerkelijk geopperd. Als de l blijft en de c verdwijnt, krijg je iets als vielepee. Maar dat is geen zeer waarschijnlijke variant. De l klinkt duidelijk zwakker dan de c en zal die niet snel overvleugelen. Het derde geval is veel waarschijnlijker: de l verdwijnt en de scherpe c blijft. Dan krijg je dus iets als vicepee of het nu in juni 1886 geattesteerde viezepee.

Zonder de nodeloze omweg van het Vizeperd (of Viceperd, Vizepferd of Vicepferd), uit de Gentse fietstheorie, zijn we hierbij toch bij hetzelfde begin. Het is zeker niet de enige mogelijkheid, maar ze kwam kennelijk voor en het lijkt me zeker niet ondenkbaar dat als vicepee of viezepee eenmaal bestaat, het in de uitspraak, net als dat in het Duits met vize gebeurt, aangescherpt kan worden tot iets als vietsepee. En dat woord kan op een gegeven moment wel degelijk speels afkort worden tot viets, dat al snel vooral als fiets werd geschreven. Een hard bewijs valt uiteraard niet te leveren, maar de mogelijkheid blijft de meest waarschijnlijke, zou ik zeggen. En het lijkt me daarbij alleszins aannemelijk dat er met de verschillende opties bewust gespeeld is en in een bepaalde kring voor viezepee, vietsepee en viets gekozen is. Daarover een volgende keer meer.

De afleidingen die aan de l een prominente plaats toekennen, leidden naar mijn idee van de hoofdzaak af. Een l verandert niet snel in een t of in ts en uit iets als vielsepee kan fiets dan ook niet ontstaan zijn. Alleen uit de verhaspelingen waarin de l al geloosd werd en waarin de c de hoofdrol kreeg kan fiets zich ontwikkeld hebben.

Nog iets
De meeste andere opties – ik noemde de bekendste hierboven al kort – zijn door Ewoud Sanders en door anderen naar mijn idee voldoende weerlegd. De enige variant die ik nog moet noemen, is de optie waar Ewoud Sanders zonder al te veel uitleg zelf voor kiest en die ook in enkele etymologische woordenboeken wel wordt vermeld, namelijk dat fiets af zou stammen van een Limburgs of Brabants werkwoord vietse(n), dat ongeveer ‘snel bewegen’ zou betekenen.

Het probleem lijkt me dat deze mogelijkheid pas in 1914 naar voren werd gebracht. Alle vroege vindplaatsen komen van boven de grote rivieren: Arnhem, Leeuwarden misschien en, daar kom ik in de volgende blog over te spreken, Amsterdam in 1885. Men kan bij Sanders uitvoerig nalezen hoe de eerste verspreiding van het woord met name met een kostschool in Brummen, net ver van Arnhem, in verband wordt gebracht. Als in die streken vietsen een bekend werkwoord was geweest, waarom noemde niemand dat dan bij de discussie die tussen 1886 en 1901 over de herkomst van het woord woeden? Merk op dat er direct gevraagd werd naar het ‘Geldersch taaleigen’.

Juist degenen die bij de opkomende wielersport betrokken waren, meenden dat fiets van vélocipède kwam. Ik denk dat ik met de attestatie van viezepee in juni 1886 een mogelijke tussenfase aangeduid heb.

En de volgende keer ga ik het dan echt hebben over vietsen in het Vondelpark.

(60)

Advertentie
5 maart 2012

Vietsen in het Vondelpark. I. Het korte leven van de Gentse fietstheorie

door Jan Dirk Snel

.:.

Zo, dat ging snel. Op donderdag 23 februari 2012 begon Jaap de Berg zijn taalrubriek in Trouw zo:

‘Het heeft zo’n 125 jaar geduurd, maar nu lijkt het dan opgelost te zijn: het raadsel waar het woord fiets vandaan komt.’

Acht dagen later, op vrijdag 2 maart 2012, eindigde De Berg zijn rubriek echter met deze woorden:

‘En zo zijn [we] weer terug bij af oftewel bij de traditionele conclusie van etymologen: de herkomst van fiets is onbekend.’

De opkomst en ondergang van de Gentse fietstheorie
Het tussenliggende verhaal laat zich snel vertellen. Twee Gentse hoogleraren, Luc de Grauwe (Duits) en Gunnar de Boel (vergelijkende taalkunde) meenden dat ze de oorsprong van het woord fiets eindelijk ontrafeld hadden en in het vierde nummer van de 127e jaargang van het Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde (TNTL) – het tijdschrift bestaat sinds 1881 onder dezelfde titel, waarin alleen de ch in ‘Nederlandsche’ onderweg gesneuveld is – publiceerden ze een artikel, waarin de titel de clou al weggeeft: ‘Fiets “ersatzpaard”. De etymologische kwestie revisited en beslecht?’ De volledige tekst is inmiddels in pdf beschikbaar.

Op dinsdag 21 februari 2012 werd hier nieuws van gemaakt. De Universiteit Gent publiceerde een persbericht. Het ANP maakte daar een berichtje van. En dezelfde avond mocht stukjesschrijver Wim Daniëls er zelfs iets over vertellen in het amusementsprogramma Pauw & Witteman. Maar ook serieuze media, waaronder een krant als De Standaard, maakten hier aardig wat werk van. De VRT legde in het Journaal keurig de essentie van de nieuwe theorie uit. Het originele vélocipè (1) werd in het Duits verbasterd tot Vice-Pferd (2), dat werd ingekort tot Vice (3), en dat werd in het Nederlands vervolgens fiets (4). De nieuwslezer eindigde met de woorden:

‘En zo is een heel oude discussie beslecht.’

Een hypothese zonder onderbouwing
Ik dacht het niet. En dat dacht in ieder geval ook de taalkundige Jan Stroop die op maandag 27 februari korte metten maakte met de Gentse fietstheorie. ‘Ga toch fietsen‘ luidt de titel van zijn reactie. Hij gelooft er niets van dat fiets een Duits leenwoord is, alleen omdat een woordenboek in 1931 vaststelde dat men in Wipperfürth, een plaats in het oude hertogdom Berg op de rechteroever van de Rijn en tachtig kilometer van de Nederlandse grens, kennelijk wel eens iets als das Fits of das Vits in plaats van das Fahrrad zei. Hij denkt dat het toch heel wat waarschijnlijker is dat woorden die op het Nederlandse fiets lijken, in de Duitse grensstreek – en in één geval dus heel iets verderop – overgenomen zijn uit het Nederlands (waarbij ik dan nog graag opmerk dat de neutrale aanduiding van een Vits of Fits heel goed te verklaren valt vanuit de onzijdigheid van het gangbare Duitse woord, zoals je ook Nederlandse journalisten hebt die rustig over het CDU babbelen). Afin, leest u zelf wat Stroop schrijft.

Ik heb zelf het artikel ook nog eens gelezen, maar wat het meest opvalt. is dat de heren geen enkel empirisch bewijs hebben, en sterker, geen enkele aanwijzing zelfs. Ook als hun these dat het voorvoegsel vice in het Duits, waar het tegenwoordig als Vize wordt geschreven en als ‘vietse’ wordt uitgesproken, veel breder als vervanging, Ersatz, kan worden gebruikt, klopt, hebben ze zelfs nog niet de minste of geringste aanwijzing dat mensen het ooit, ook niet in een kleine regio, voor een rijwiel zouden hebben gebruikt en over Vizeperd of Vize-Perd zoiets zouden hebben gesproken. (Het gaat om het gebied ten noorden van de Speyerer Linie, schrijven de heren zelf, zodat het de facto alleen om combinaties met Perd en niet met het Hoogduitse Pferd gaat.) Zelfs bij de in de journalistieke verhalen veel geciteerde aanduiding Viez voor cider of appelwijn, waar het allemaal mee begonnen zou zijn, is de afleiding uit Vice-Vinum of Vizevinum niet meer dan tentatief, zo blijkt uit het stuk. Het enige dat een beetje op een soort bewijsplaats lijkt, is een zin uit een brief van Ludwig Börne die in 1832 bepaalde mensen een keer schertsend aanduidt als ‘Vize-Schimmel‘, die wel eens een wagen hadden kunnen trekken. Maar als dat iets bewijst, is dat in het Duits dat prefix inderdaad breder gebruikt kan worden, niet dat een fiets ooit een Vizep(f)erd is genoemd. (Het Groot woordenboek Duits-Nederlands van Van Dale dat ik hier bij de hand heb, heeft overigens bijzonder weinig te melden: alleen Vize en Vizemeister. Meer niet. Maar dat gaat dan ook niet over dialecten.)

Een heuse vélocipède en een onvindbaar Vizeperd
Het artikel is een mooi voorbeeld van in- en uitpraten zonder ook maar één enkel empirische bewijsstuk te hebben. De heren nemen een aantal onwaarschijnlijke stappen. Ik volg de vier die ik hiervoor bij het VRT-bericht tussen haakjes aanduidde, en begin dan logischerwijze bij de tweede, het woord waar alles om draait, waarna ik dan pas de eerste stap, een overbodige voorfase namelijk, behandel. En een vijfde stap komt ook nog kort aan de orde.

1 (fase 2). De twee Gentse hoogleraren veronderstellen ten eerste een woord – Vizeperd, Vize-Perd of hoe je het ook wilt schrijven – dat niemand ooit ergens heeft kunnen vinden.

‘Helaas is het oorspronkelijke Duitse woord, althans in deze betekenis, niet bewaard in een tot dusver gevonden tekst’,

schrijven ze. Dat is natuurlijk leuk bedacht, maar zou het niet kunnen zijn dat het woord domweg nooit bestaan heeft? Het kan natuurlijk best dat iets verdwenen is, maar dan zou je toch op zijn minst een indirecte aanwijzing moeten hebben – een latere herinnering, een herkenbare afleiding, wat ook – dat het wel bestaan heeft. Die hebben ze niet. Op geen enkele wijze.

2 (fase 1). Ten tweede laten ze dit woord, dat nooit ergens aangetroffen is, dan toch nog afstammen van de oorspronkelijke aanduiding voor een rijwiel:

‘het gaat om een schertsende, locale vervorming van het woord Vélocipède, die gewoon niet in geschrifte, laat staan als officiële term, gebruikt werd’.

Het lijkt me een overbodige en complicerende aanname, die de heren voor hun theorie ook niet nodig hebben. Als het waar is dat een fiets vaak vergeleken werd met een paard, en dat is waar – ik was eerst wantrouwig, maar heb inmiddels zoveel negentiende-eeuwse teksten over het opkomende wielerwezen gelezen dat ik dat inmiddels wel zeker weet -, dan is het toch nergens voor nodig om een Vizeperd te zien als een verbastering van Vélocipède of Veloziped? Dan zou zo’n woord op zichzelf kunnen staan. Hoe kan vanuit -pède of -ped maar zo paard ontstaan? Het enige woord in hun artikel, dat dat verband mogelijk legt, is velocepirt, dat de heren in een Gents woordenboek in 1953 aantreffen. Ik ga er daarbij maar vanuit dat -pirt dan inderdaad paard betekent, maar van het volledige woord maak je weer niet makkelijker fiets dan van van vélocipède zelf, de vindplaats is te nieuw en het gaat om een heel ander gebied.

Hetzelfde geldt voor Venloosch eVeluwsch peerdje of paardje. Als het al waar is dat die woorden zinspelen op vélocipède – zou het echt? -, ligt dat er niet zeer dik bovenop en gaat het zeker niet om een verbastering, maar eerder om een speelse verwijzing. Een bewijs voor Vizeperd zijn ze zeker niet. En tot fiets leiden ze zeker niet rechtstreeks. Kortom, De Boel en De Grauwe maken het zich onnodig moeilijk. Als ze al een andere oorsprong voor fiets menen te hebben, is het volstrekt onnodig dat woord, Vizeperd, ook nog eens weer tot vélocipède te herleiden. Dan kun je beter een meer rechtstreeks verband zoeken, zoals vanouds gedaan wordt, en ik hierna opnieuw zal doen. Kortom, deze voorafgaande stap is ook binnen hun theorie volstrekt overbodig.

Een ook al onvindbare afkorting en vergeetachtige Nederlanders en Duitsers
3. Dan komen we aan bij de derde stap, die dus ook de tweede zou kunnen zijn. Het woord Vizeperd wordt, als ik het goed begrijp, nog in Duitsland afgekort tot Vice of Vize of Vieze iets dergelijks. Maar ook daarvan zijn nergens oudere bewijsplaatsen gevonden, reden waarom we zelfs niet weten hoe men dat woord dan gespeld zou hebben. Alles wat op het fiets of fietse lijkt, is in Duitse teksten immers van veel nieuwere datum. De heren maken nogal wat van die slot-sjwa, maar ik kan verklaren dat ik opgegroeid ben met een Nedersaksisch dialect en dat wij bij mijn weten thuis ook fietse zeiden. Zoiets doe je automatisch met zo’n hoekig Nederlands woord. (In mijn Oost-Nederlandse gevormde oren blijf het Algemeen Nederlands een merkwaardig stugge en onritmische taal en als kind kon ik nooit goed geloven dat mensen in hun dagelijks leven of thuis echt zo onhandig en onnatuurlijk spraken. Ik kan het soms nog niet goed geloven. Maar ik weet inmiddels uit ervaring dat het kan, al blijft het behelpen.) Het lijkt me geen enkele aanwijzing dat het woord oorspronkelijk uit het dialect van de grensstreek afkomstig moet zijn. Bovendien, als die slot-sjwa zo belangrijk is, waarom ontbreekt die dan wel in de alcoholische Viez?

4. Dan de vierde stap, die derde zou kunnen zijn. Het inmiddels verkorte, maar helaas nergens aangetroffen Duitse Vize steekt de Nederlandse grens over, maar niemand heeft dat door. Althans, al binnen de kortste keren ziet niemand meer waar het vandaan komt, zelfs niet terwijl er toch al vanaf 1886 hard naar de herkomst gezocht wordt. Ook daar hebben de twee hoogleraren iets op verzonnen:

‘Wat meer is, onze hypothese verklaart eveneens waarom, onmiddellijk na het oversteken naar het Nederlandse taalgebied, het besef van de etymologie verloren ging: voor een Nederlandstalige is [fıts] of [fits] nu eenmaal iets geheel anders dan [vis􀄼], de manier waarop het Latijnse prefix vice in het Nederlands wordt uitgesproken.’

Maar als het al waar zou zijn dat Duitsers wel onmiddellijk aan zouden voelen dat een Vize een Ersatzpferd is en Nederlanders niet, lijkt me dat geen reden dat Nederlanders de herkomst van het woord al heel snel niet meer zouden herkennen. Ook toen al namen Nederlanders voortdurend woorden over uit de drie naburige talen en juist in de opkomende wielersport gebeurde dat intensief. Men leze de bladen er op na. Maar dan worden vreemde woorden juist als vreemde woorden herkend. Iedereen wist eind jaren tachtig wat een safety was: dat was een lage veiligheidfiets. Juist als Vieze, hoe dan ook gespeld in het Duits, een vreemd woord zou zijn geweest, zou het als zodanig herkend zijn. Maar daar is geen enkele aanwijzing voor.

5. En vervolgens moet het woord, nadat het de Nederlandse grens is overgestoken, in Duitsland ook nog eens zo grondig verdwijnen, dat er werkelijk geen enkel spoor van over blijft. Stroop hamert terecht op dit punt. Alle bewijsplaatsen voor het gebruik van een Duits woord dat op fiets lijkt, zijn van latere datum. Alle Duitse attestaties, zoals dat heet, zijn veel en veel jonger dan de Nederlandse. De heren hebben dat zelf wel door:

‘Dit alles wijst er ons inziens op dat het woord fiets verspreid is geraakt in Nederland vooraleer het echt wortel kon schieten in Duitsland. Voor die verdringing of verdwijning in Duitsland kan men zich verschillende redenen voorstellen.’

Het gaat om een regionaal woord, zeggen de heren, en voor het een kans kreeg, werd het verdrongen door het algemene Fahrrad. Maar worden regionale woorden dan echt helemaal nooit opgeschreven? En ja, je kunt je best voorstellen dat een woord een tijdje in omloop is geweest en dan door een ander verdrongen wordt. Juist rond de introductie van de fiets zien we dat ook gebeuren. Wie teksten uit de laatste decennia van de negentiende eeuw doorleest, die de opkomst van de fiets en de wielersport begeleiden, ziet heel veel termen die nu niet meer gebruikt worden. Maar meestal herken je ze zo en anders moet je even opzoeken waar ze vandaan komen. Maar je vindt dan ook altijd wel iets. Als het woord echt origineel in het Rijnland of Westfalen ontstaan was, waarom herinnerde zich dan ook later niemand meer dat het lang geleden ook al gebruikt werd? De twee Gentse geleerden veronderstellen wel erg veel vergeetachtigheid.

Zelfs geen hypothese
Kortom, het hele artikel van De Boel en De Grauwe is nergens op gebaseerd. Het is letterlijk op niets gebouwd. De twee veronderstellen een woord (Vizeperd) waar ze geen enkel spoor van hebben getroffen, en veronderstellen vervolgens dat het ook nog dat het afgekort wordt (Vize). Kortom, de kern van hun verhaal gaat over de verklaring van twee woorden waar geen enkel bewijs voor is dat ze ooit bestaan hebben. Het gaat om een verzinsel, meer niet.

En alle andere veronderstellingen zijn op dat volstrekte niets gebouwd. Ook daar hebben we al met minstens vijf veronderstellingen te maken die allemaal van een groot verzinsel afhangen en die als zodanig ook al niet erg plausibel zijn. De heren veronderstellen volstrekt overbodig dat een woord waarvan het bestaan verzonnen is, afgeleid is van een ander woord. Ze veronderstellen dat het woord zelf is afgekort. Ze veronderstellen dat woord in het Nederlands is overgenomen. Ze veronderstellen dat Nederlanders dat binnen de kortste keren niet meer wisten. Ze veronderstellen dat werkelijk geen enkele Duitsers de twee veronderstelde woorden ooit heeft opgeschreven.

Kortom, de twee heren veronderstellen eerst het bestaan van iets dat niemand ooit aangetroffen heeft, en vervolgens veronderstellen ze onwaarschijnlijk veel vergeetachtigheid. Het Grote Vergeten is de pendant van hun Verbeelding. Van het niets maken ze iets en vervolgens blijkt dat iets weer verdwenen te zijn. Het is gegoochel met niet-zijn dat zijn wordt en weer niet-zijn wordt.

Misschien zou je nog kunnen zeggen dat het eerste ideetje bij de cider een ‘hypothese’ was, maar zelfs dat is het nu niet meer. De heren hebben ongelooflijk veel uit de kast gehaald en al kun je bij een dergelijke hypothese misschien nooit zeggen dat ie weerlegd is – je kunt niet gemakkelijk bewijzen dat een woord echt nooit bestaan heeft -, je kunt nu wel zeggen dat het zelfs geen serieuze hypothese meer is.

Scherts
De vraag is alleen waarom ze het allemaal opgeschreven hebben. Niemand zal dit serieus nemen en het lijkt onwaarschijnlijk dat de auteurs zelf wel zo naïef zijn. Is dit een soort vervroegde 1 aprilgrap? Het gaat om het vierde nummer van de 127e jaargang, maar het is niet zo dat het aprilnummer aan de vroege kant is, zoals dat bij publiekstijdschriften nog wel eens het geval wil zijn. Het gaat om het iets te late nummer van het laatste kwartaal van 2011. Zestien keer wordt over schertsend gebruik van het voorvoegsel vize gesproken.

Dat lijkt zakelijk, maar ik houd het erop dat de twee Gentenaren veel lol hebben beleefd aan het in elkaar knutselen van een volstrekt schertsverhaal. Ik kan alleen nog niet de goede aanwijzing vinden. Zit er ergens in de literatuurverwijzingen een aanwijzing verborgen? Het enige dat me opvalt is dat in het Gentse persbericht gesproken wordt over een ‘uitvoerig beargumenteerde betoog van deze hypothese’ en iedereen die het stuk leest, zal doorzien dat er wel van alles opgevoerd wordt, maar dat de auteurs nergens werkelijk een argumentatie opzetten.

De enige reden dat ook serieuze journalisten hier ernstig op ingingen, moet geweest zijn dat ze wel aannamen dat het artikel werkelijk bewijsmateriaal zou aanvoeren en een soliede redenering zou bevatten. Maar dat was dus niet zo. Het lijkt me onmogelijk dat twee mensen samen zoiets serieus nemen, zelfs niet als ze in een fietstunnel of Vitstunnel pedaleren, zoals Jan Stroop veronderstelt. Dit moet, dunkt me, een soort poging zijn om de bekende grap van Alain Sokal nog eens in de taalkunde over te doen. Maar met welk doel dan? Wat wordt hier dan aan de kaak gesteld? Het omgekeerde zo ongeveer? Dat je met veel precieze aanhalingen de meest onzinnige dingen kunt beweren? Ik kom er eerlijk gezegd niet uit. Ook mij begon het pas langzaam te dagen. De bovenstaande analyse heb ik werkelijk nog in volle ernst gemaakt en pas toen ik daarna alles overzag, werd me duidelijk dat het stuk niet serieus bedoeld kan zijn.

Op een viezepee in Arhem
Hoe het ook zij, voor mij was dit aanleiding om nog eens nader naar de herkomst van het woord fiets te kijken en dat leverde wel iets op. In mijn volgende blog zal ik een oudere vindplaats dan tot dusverre bekend was geven. En ik zal proberen aannemelijk te maken dat de conclusie van Jaap de Berg, die ik aan het begin aanhaalde, veel te gelaten is. Het is wel degelijk aannemelijk dat fiets van velocipède afstamt. Ook daarvoor heb ik een nieuwe, maar erg voor de handliggende vindplaats.

En ik zal dan ook de titel uitleggen. Want dat wordt wel tijd.

(59)