Posts tagged ‘Willem Aantjes’

22 oktober 2015

Willem Aantjes en de Zes Werken der Barmhartigheid

door Jan Dirk Snel

[Donderdag 22 oktober 2015] Als een ‘geslagen hond’ reed Piet Steenkamp zaterdagavond 23 augustus 1975 vanuit Den Haag terug naar zijn woonplaats Eindhoven. Het was de dag waarop het eerste CDA-congres was gehouden in het Nederlands Congresgebouw, maar het was niet goed gegaan. Toch staat die bijeenkomst nu altijd nog om iets heel anders bekend: om een van de beroemdste redes uit de Nederlandse politieke geschiedenis, de zogenaamde ‘Bergrede’ van Willem Aantjes.

Sinds 1967 waren de Katholieke Volkspartij (KVP), de Anti-Revolutionaire Partij (ARP) en de Christelijk-Historische Unie (CHU) aan het onderzoeken of het mogelijk was één politieke partij te vormen. In juni 1973 kreeg het samenwerkingsverband een eigen naam, het Christen Democratisch Appèl (CDA) met een eigen bestuursorgaan en een eigen voorzitter, Piet Steenkamp. Hij was het die het eerste congres van de partij in onzekere wording opende. Daarna volgden toespraken van de drie voorzitters van de Tweede Kamerfracties, Frans Andriessen (KVP), Willem Aantjes (ARP) en Roelof Kruisinga (CHU), in die volgorde.

Christelijke politiek
Willem Aantjes begon het eind van zijn rede te naderen, toen zijn betoog een wending nam:

‘Het evangelie geeft geen rechtstreekse richtlijnen voor het politieke handelen, maar het geeft wel richtlijnen voor het rechtstreekse politieke handelen, en soms wel degelijk heel concreet. Leest u er Mattheüs 25 maar eens op na: hongerigen voeden, dorstigen te drinken geven, vreemdelingen huisvesten, naakten kleden, zieken en gevangenen bezoeken.’

Wim_Aantjes

Willem Aantjes (1974). (Foto: Hans Peters / Anefo – Nationaal Archief, via Wikipedia)

De duizend toehoorders in de prins Willem-Alexanderzaal hadden die bijbelse woorden die ochtend eerder gehoord. Steenkamp had zijn openingswoord – ‘peptalk’, schreef een journalist – laten volgen door een gedeelte uit Mattheüs 25. Maar Aantjes ontleende er nu, als in een klassieke preek, de toepassing aan, letterlijk:

‘Maar dat moeten wij dan wel nú vandaag toepassen. Intussen zijn wij 2000 jaar verder, en kijk eens om u heen!
De hongerigen worden niet gevoed; zij sterven als ratten langs de wegen van hun uitgedroogde landen. En als wij 1 procent van ons nationaal inkomen voor ontwikkelingssamenwerking uitgeven, hebben wij meer zorgen over de vraag of die ene procent wel goed wordt besteed, dan over de vraag of die 99 procent die wij voor onszelf reserveren wel goed wordt besteed.
De dorstigen worden niet gelaafd. Zij worden aan hun lot overgelaten. En als wij ons aan ons televisietoestel volzuigen met het vergif van de consumptiereclame, dan zit ons de verhoging van de alcoholaccijns meer dwars dan de ellende van de dorstigen in de wereld.
En de vreemdelingen worden niet gehuisvest. Zij worden gediscrimineerd en uitgewezen. En wij laten ze uitwijzen, tenzij we ze nodig hebben om het werk te doen waaraan geen Nederlander ondanks honderdduizenden werklozen zijn handen vuil wenst te maken.
De naakten worden niet gekleed. Zij worden uitgestoten.
En de gevangenen wórden niet bezocht. Zij worden gemarteld. En wij vinden dat wij al heel wat doen – ik spreek over mezelf – als wij een kaart van Amnesty International als kerstgroet rondzenden in plaats van een zoete afbeelding van de herdertjes in Efratha’s velden.’

Aantjes, wiens lippen soms trilden, vervolgde met enkele zinnen die tot op heden zijn blijven resoneren:

‘Geen plaats voor christelijke politiek?
De wereld hunkert naar christelijke politiek!
Een politiek, die spreekt voor wie geen stem hebben; die handelt voor wie geen handen hebben; die een weg baant voor wie geen voeten hebben; die helpt wie geen helper hebben.’

Op de rede volgde een stormachtig applaus. Velen waren geroerd, sommigen hadden tranen in de ogen. Daarna kwam de ontnuchtering. Ook Willem Aantjes had aan het eind van de dag weinig om tevreden op terug te kijken en hij moest erkennen dat hij een politieke nederlaag had geleden.

Grondslag
Wat gebeurde er? Het ging die dag over de grondslag van het CDA, niet zozeer om de inhoud of formulering daarvan, want daar was men het wel over eens. Alle drie partijen hadden inmiddels de statuten aangenomen en daarin stond dat het CDA het evangelie ‘als richtsnoer voor het politiek handelen’ aanvaardde. Het ging wel om de vraag hoe dat uitgangspunt zou gaan functioneren. Waren vertegenwoordigers van de toekomstige partij er persoonlijk op aanspreekbaar?

Daarover nu was de voorgaande maanden een merkwaardig conflict uitgebroken tussen Andriessen en Aantjes, tussen KVP en ARP. Op de partijraad van de ARP op 24 mei in Zwolle had Aantjes in een lange rede, waarin hij het gehele politieke landschap overzag, opgemerkt dat er over de vraag of het CDA een ‘open partij’ was, kennelijk verschillende opvattingen bestonden. In de ARP zei men: ‘zie je wel dat de open partij is afgewezen’, op KVP-vergaderingen daarentegen zei men: ‘zie je wel dat het CDA best nog wel een open partij kan worden’. Aantjes noemde dat ‘een bizarre situatie die opheldering behoeft’:

‘Ik geloof dat de verwarring mede in de hand wordt gewerkt doordat het begrip open partij niet door iedereen op dezelfde manier wordt gehanteerd. Het gaat erom of kandidaten voor een vertegenwoordigende functie behalve met het politiek program ook met de uitgangspunten van de partij instemmen. Het is niet het afnemen van een soort geloofsexamen of het onderwerpen aan een principieel röntgenonderzoek.’

KVP-leider Frans Andriessen verklaarde daarop in juni dat het CDA ‘inderdaad geen confessionele partij meer’ was, ja zelfs geen ‘christelijke’ partij. Aantjes sloeg terug: ‘Er zal een keus gemaakt moeten worden. De ARP-visie die door de CHU wordt gedeeld, zal ook door de KVP als uitgangspunt voor het CDA aanvaard moeten worden.’

Vier dagen voor het CDA-congres, op dinsdag 19 augustus, kreeg Aantjes het ARP-partijbestuur achter zich in zijn roep om een duidelijke keuze. Maar op donderdagavond 21 augustus, minder dan twee dagen voor het grote congres, liep hij een gevoelige nederlaag op binnen het dagelijks bestuur van het CDA. Dat besloot het congres een resolutie voor te leggen waarin uitgesproken werd dat het voldoende was als CDA-vertegenwoordigers ‘aanvaarden dat het evangelie richtsnoer is voor het politiek handelen van het CDA en dat zij op basis daarvan het program en het beleid uitdragen’. Aantjes stond met één andere antirevolutionair alleen tegenover de rest. Ook enkele ARP-ers konden zich in het compromis vinden.

Werken van Barmhartigheid

Meester van Alkmaar: De zeven werken van barmhartigheid (1504) – Rijksmuseum te Amsterdam

Verwarrend spel
Dat nu vormde de achtergrond van de later zo befaamd geworden rede van Aantjes. Het overgrote deel van Aantjes’ toespraak behandelde de tegenstelling tussen beginselpartij en open partij. Hij vond het inconsequent beide principes tegelijk te omhelzen. Op zijn minst vond hij dat de beide tegenstrijdige opvattingen elkaar dan toch begrensden. Aantjes keerde zich tegen de voorgelegde conceptresolutie omdat ze volgens hem wél een ‘eenzijdige keus’ deed:

‘Ik waardeer in de resolutie, dat het geen sussende formule is, die weer voor allerlei interpretaties vatbaar is maar die de spanningsverhoudingen tussen beginselpartij en open partij eenzijdig ten gunste van de openheid beslist.’

’s Middags wees het congres Aantjes’ visie af. Met 597 tegen 336 stemmen verwierp het een amendement van Aantjes’ medestander Fred Borgman dat CDA-vertegenwoordigers behalve het program en het beleid ook ‘het uitgangspunt’ – het evangelie als richtsnoer – dienden uit te dragen. Daarentegen nam het congres met een grote meerderheid een KVP-amendement aan: het ‘uitgangspunt’ zouden partijvertegenwoordigers ‘op basis van het programma en het beleid’ uitdragen.

Het was een verwarrend spel, vol karikaturen, waarbij psychologie en interpretatie in feite een grotere rol speelden dan letterlijke woorden. Aantjes dacht dat hij de CHU achter zich had, maar die partij koos, ineens beducht voor antirevolutionaire Prinzipienreiterei, voor de vagere KVP-benadering. Op grond van de aangenomen tekst zou je zeggen dat het congres toch maar gezegd had dat vertegenwoordigers het uitgangspunt zouden uitdragen, zij het geclausuleerd, maar door Aantjes en zijn medestanders werd het als een nederlaag beschouwd. Gezien de enorme weerklank dacht Aantjes dat het hem ’s ochtends gelukt was onder woorden te brengen waar het om ging, ‘maar ’s middags bij de stemming werd aan alles, waarvoor zo ovationeel geklapt was, de basis ontnomen’. ‘Breuk dreigt in CDA’ kopten kranten de maandag erop. De KVP had gewonnen, de ARP verloren, zo luidde de breed gedeelde conclusie.

De eigen ARP zou in de komende maanden steeds verdeelder raken, al bleef de meerderheid Aantjes steunen. Aan het eind van het jaar kwam ze tot de conclusie dat het verschil van mening geen beletsel hoefde te zijn om toch met één CDA-kandidatenlijst te komen. Het CDA kwam eerst praktisch tot stand, via één lijst. Pas in 1980 kwam het tot een fusie. De aanleiding voor het bizarre conflict lag vooral in de onvolledige statuten van 1975. Daarin kreeg de partij wel een grondslag, maar nergens stond dat leden, die als lid van de drie samenwerkende partijen merendeels automatisch lid waren, daarmee hoefden in te stemmen.

Werken van barmhartigheid
Hoewel het doel van Aantjes’ rede mislukt was, werd ze toch beroemd. Dat kwam vooral door één man: Ad Langebent, verslaggever van KRO-Brandpunt. Hij belde onmiddellijk naar Hilversum en zei: ‘je moet me vanavond de ruimte geven, want hier gebeurt iets, dat héél speciaal is.’ Men vulde er de hele uitzending mee. Ook de radiorubriek Echo besteedde er veel aandacht aan.

Ad Langebent was het ook die er de onterechte betiteling ‘Bergrede’ aan meegaf. Als katholiek had hij beter moeten weten. De Bergrede staat in Mattheüs 5-7. Aantjes echter gebruikte de woorden van Jezus over het Laatste Oordeel uit Mattheüs 25. En daar sluit de katholieke traditie van de Zeven Werken der Barmhartigheid bij aan: hongerigen spijzen, dorstigen laven, naakten kleden, vreemdelingen herbergen, zieken bezoeken, vreemdelingen herbergen, gevangenen verlossen en doden begraven.

De eerste zes kwamen rechtstreeks uit Mattheüs. Het begraven van de doden werd begin vierde eeuw al door kerkvader Lactantius (ca. 250-320) geopperd en onder paus Innocentius III (1198-1216) werd het rijtje in 1207 definitief vastgelegd. De Werken der Barmhartigheid werden vaak afgebeeld, op gevels van zorginstellingen bijvoorbeeld. De beroemdste uitbeelding is waarschijnlijk wel die van de onbekende meester die in 1504 een zevenluik voor de Grote Kerk van Alkmaar maakte (Rijksmuseum Amsterdam).

Istendael

Het waren woorden van de katholieke Belgische vakbonds- en ontwikkelingssamenwerkingsman August Vanistendael (1917-2003) die Willem Aantjes inspireerden bij het schrijven van zijn beroemde rede over de werken der barmhartigheid. Zoon Geert van Istendael publiceerde in 2009 een boek over zijn vader.

Als hervormde beperkte Aantjes zich uiteraard tot de bijbelse Zes Werken van Barmhartigheid. Maar zijn inspiratiebron was wel katholiek en het was dezelfde Ad Langebent die daar acht maanden eerder onbewust aan had bijgedragen. Die had hem namelijk uitgenodigd op 18 december 1974 in Noordwijkerhout de viering van het 40-jarig bestaan van de actualiteitenrubriek van de KRO-radio bij te wonen. Bij die gelegenheid hield de Belgische dichter en vakbondsman August Vanistendael (1917-2003), secretaris-generaal van een internationale katholieke organisatie voor ontwikkelingshulp – zoon Geert van Istendael zou in 2009 in Gesprekken met mijn dode god een liefdevol portret van hem schilderen – een gloedvolle rede over internationale gerechtigheid:

‘Want als we om ons heen kijken, stellen we vast dat de hongerigen niet gespijsd en de dorstigen niet gelaafd worden, zij sterven beiden langs de stoffige wegen van hun dor land. De gevangenen worden niet bevrijd, zij worden gefolterd. En vaak noemen hun beulen zich christenen. De naakten worden niet gekleed, maar uitgestoten. De zachtmoedigen zijn niet de bezitters van het land, maar wel de gewelddadigen.’

Dit waren de woorden die Aantjes in de nacht voor het congres toen hij zijn toespraak voltooide, in gedachten had, hij heeft dat later zelf verteld. Frans Andriessen zat in Noordwijkerhout overigens op de eerst rij, ingeklemd tussen kardinaal Bernard Alfrink en apostolisch nuntius Angelo Felici.

Drie tendensen
In Aantjes’ beroemde rede kan men drie tendensen onderkennen. In zijn hameren op het beginsel liet hij zich kennen als een traditionele antirevolutionair. Het was veelzeggend dat hij die zomer in het Oostenrijkse Adelboden een hele dag had doorgebracht met de oude Friese senator Hendrik Algra, sinds de Zwolse partijraad erelid van de ARP, die hem in zijn principiële lijn door dik en dun steunde. Ook in de toonzetting liet Aantjes zich kennen als de gereformeerdebonder die hij van huis uit was. Tot drie keer toe benadrukte hij dat het evangelie een ‘ergernis’ is. Beginselpolitiek was ‘geen boodschap die naar de mens is’.

Tegelijk sloot de wat progressief aandoende tendens aan bij de evangelisch-radicale richting zoals die al een jaar of vijftien in de ARP gangbaar was: ‘niet ikzelf maar de ander centraal staat; niet Nederland maar de wereld.’

Het beroep op Mattheüs 25 was niet nieuw. Al op het partijconvent van de ARP op 14 mei 1960 stelde fractievoorzitter Sieuwert Bruins Slot de vraag wat christelijke politiek is. ‘Christelijke politiek houdt in, dat wij onrecht zien en herkennen en dat wij jagen naar gerechtigheid’:

‘En toen dacht ik aan dat verhaal, dat woord van Christus, als Hij zegt: “Ik ben hongerig geweest en gij hebt Mij te eten gegeven, Ik was naakt en gij hebt mij gekleed.” Dan zeggen wij in de dag des oordeels des Heren: Wanneer hebben wij U gezien; dat wisten wij niet en dan zegt Christus: Zo gij het één van deze minste Mijner broederen hebt gedaan, zo hebt gij het Mij gedaan. Zo kunnen wij Christus in deze wereld dienen en zo moeten wij – dat is onze grote opdracht – vandaag christelijke politiek bedrijven in wereldformaat.’

Zelf was Aantjes op zaterdag 7 juni 1975 door zijn fractie naar een vergadering van verontruste antirevolutionairen in Amersfoort gestuurd. ‘Mattheüs 25 is de grondwet van de ware christelijke politiek’, zei hij daar. Twee dagen voor het congres stelde zijn vertrouweling Joop van Rijswijk, beleidsmedewerker van de fractie, voor dat idee nog eens te gebruiken.

Het was bedoeld als een opening, vooral naar de KVP, want de nadruk op de werken der barmhartigheid sloot goed aan bij de katholieke traditie, het derde element. Niet voor niets had Aantjes het ontleend aan de roomse Vanistendael. En hij verwees juist naar de katholiek Van Agt toen hij het over de ‘sociale functie van eigendom’ had.

Gesloten wereldbeeld
In Aantjes’ slotverhaal kwamen de drie elementen ingenieus samen. De wijze waarop hij vijf keer zei dat we al die charitatieve dingen niet doen – de zieken sloeg hij over – doet zelfs ietwat denken aan de vijf nieten van de achttiende-eeuwse piëtist Wilhelmus Schortinghuis (ik wil niet, ik kan niet, ik weet niet, ik heb niet, ik deug niet). Het was tegelijk een gereformeerde schuldbelijdenis en een evangelische oproep om wél iets te doen. Zelfs toen hij aan het slot enkele dichtregels van de Duitse theologe Dorothee Sölle aanhaalde – ‘Bij ons heeft al eens iemand brood verdeeld/ dat genoeg was/ voor allen/ Bij ons is al eens/ iemand opgestaan/ uit de doden’ – die hij al sinds 1957 persoonlijk kende, dekte hij zich wel in tegen mogelijk wenkbrauwfronsen van antirevolutionairen en christelijk-historischen, maar niet tegen katholieken: zij was immers net als veel van zijn katholieke hoorders niet voor confessionele politiek.

Het was niet Aantjes’ finale, zijn aanhaling van de werken der barmhartigheid, die in de maanden daarna op veel kritiek stuitte. Natuurlijk waren er her en der wat bedenkingen, maar toen negen pragmatische antirevolutionairen onder leiding van W.C.D. Hoogendijk met een open brief kwamen, keerden zij zich niet tegen de progressieve toepassing, wel tegen Aantjes’ ‘gesloten wereldbeeld uit een voorbije periode’.

Dat de werken der barmhartigheid altijd aangeprezen zijn, is duidelijk. De vraag was telkens wel in hoeverre ze ook een taak voor de overheid inhielden. Wie de Handelingen der Staten-Generaal erop naslaat, zal dan ook ontdekken dat vooral wat meer progressieve politici ernaar verwezen. Zo deed in 1933 Harm van Houten van de Christelijk-Democratische Unie dat, in 1955 gevolgd door de protestantse PvdA-er Johan Scheps en zo valt de lijst langer te maken.

De mooiste aanhaling is misschien wel uit een Eerste Kamerdebat uit 1956. De Groningse afgevaardigde Herman Derk Louwes zag toen in de sociale wetgeving

‘het toepassen van de barmhartigheid van het evangelie, als in de praktijk gebrachte christelijke naastenliefde, als het vorm geven aan de verantwoordelijkheid van de ene mens tegenover de ander, die ook de gemeenschap als geheel moet kennen tegenover het leed, dat te midden van die gemeenschap wordt geleden. Ik zie daarin een zeer verheugende ontwikkeling, waaraan ik van harte tracht mee te werken, en die ik zie als de wijze, waarop wij in onze tijd — en hier denk ik weer aan het evangelie — de hongerigen voeden, de naakten kleden en de daklozen herbergen.’

U raadt het al: Louwes was lid van de VVD.

Mijn dank gaat uit naar Sjoerd van Hoorn (Malden), Pieter Jan Dijkman (WI CDA Den Haag) en Lennie van Orsouw (KDC Nijmegen) die me, soms op stel en sprong, van benodigd materiaal voorzagen.

Naschrift
Dit stuk schreef ik bijna twee jaar geleden, in november 2013. Het was net voordat een tweedelige dramaserie over Willem Aantjes op de tv werd uitgezonden. Ik bood het op enkele plaatsen aan, maar geen krant of blad had er ruimte voor. Sindsdien had ik het laten liggen. Nu Willem Aantjes (1923-2015) vandaag op 92-jarige leeftijd overleed, besloot ik het hier ongewijzigd te plaatsen. Alleen de tussenkopjes heb ik nu toegevoegd. Misschien breid ik dit stuk nog wel een keer uit – en voorzie ik het dan ook van voetnoten.

Een stuk op deze weblog waarin een bekende uitspraak van Willem Aantjes een belangrijke rol speelt, is Halen, hebben en houden – Een oud antirevolutionair verwijt jegens liberalen (5 juni 2013)

(190)

5 juni 2013

Halen, hebben en houden – Een oud antirevolutionair verwijt jegens liberalen

door Jan Dirk Snel

Laat ik het eens over iets belangrijks hebben. Een week geleden schreef de parlementsredactie van Trouw in de rubriek Plein 2 de bekende drieslag ‘Halen, Hebben en Houden’ toe aan ‘de progressieve antirevolutionair Jaap Boersma’. Men weet het, het ging hier om een typering van het al dan niet veronderstelde ‘materialisme’ van de liberale VVD. (En materialisme dient dan uiteraard in de merkwaardige onwijsgerige zin van het woord opgevat te worden, zoals er curieuselijk ook twee geheel verschillende soorten idealisme in ongeveer dezelfde trant bestaan.)

Aantjes Philips

Op dinsdag 2 oktober 1973 wijdde De Telegraaf een deel van het hoofdartikel op pagina 3 aan enkele woorden die Willem Aantjes de voorgaande donderdag in Eindhoven gesproken had. Hoe ongelooflijk wakker het betreffende dagblad ook toen al was, blijkt wel uit de belendende advertentie van een destijds nog florerende, doch inmiddels wat aan lager wal – de Omval te A. – geraakte firma, die met het internationale hoofdkwartier in de naar haar genoemde lichtstad gevestigd was.

Willem Aantjes
De toeschrijving was echter onjuist en we kunnen alleen maar bedenken dat dit wijlen Willem Breedveld of Hans Goslinga niet overkomen was. Vandaag komt de rubriek er ietwat schoorvoetend – net doen of de toeschrijving aan Boersma op zich terecht was, quod non – op terug. De geestelijk vader van de kenschetsing had gelukkig gereageerd:

‘Willem Aantjes herinnert Plein 2 eraan dat de anekdote een aanvulling verdient. De toenmalige fractievoorzitter van de ARP debatteerde ergens begin jaren zeventig met zijn opponent Hans Wiegel, toen fractieleider van de VVD. Aantjes stond voor zijn gevoel op achterstand, toen hij een ingeving kreeg: Hans Wiegel fractievoorzitter in de Tweede Kamer, Harm van Riel in de Eerste Kamer, Haya van Someren partijvoorzitter. Driemaal H. En Aantjes dacht aan een dominee uit zijn jeugd, die graag verkondigde: “Mensen? Allemaal hetzelfde: H-H-H: Halen, Hebben, Houden.”
De ARP’er richtte zich in het debat tot Wiegel, en zei toen: “Ach, we kunnen nog lang verder discussiëren, maar het komt bij de VVD toch altijd op hetzelfde neer: of het nu Hans of Harm of Haya is. H-H-H: Halen, Hebben, Houden.” Daar had Wiegel niet van terug.
Naderhand hoorde Aantjes dat VVD-voorzitter Van Someren not amused was. Hij wilde weten waarom en sprak haar aan. Ze antwoordde: “Ik ben niet kwaad op jou. Ik vond het een vondst. Maar ik ben kwaad, omdat we dit nooit meer kwijtraken.”

Daar had Haya van Someren-Downer helemaal gelijk in. Iedereen die de kop ‘Halen, Hebben en Houden: een stigma dat blijft kleven’ in Trouw ziet, weet onmiddellijk over welke partij het gaat.

Maar wanneer gebruikte Aantjes de drieslag nu voor het eerst? Was dat in een debat met Hans Wiegel en was dat in de Tweede Kamer, zoals de tekst enigszins suggereert – dat ‘ergens’ lijkt me hier op de tijdsaanduiding te slaan – maar net niet met zoveel woorden zegt, of misschien ergens – nu wel als plaatsaanduiding – tijdens een debat voor ‘de mensen in het land‘, om maar eens een geliefde zegswijze van de toenmalige liberale fractievoorzitter te gebruiken? In de Tweede Kamer kan het niet geweest zijn. Ik heb op diverse wijzen gezocht – zo, zo en aanvullend zo, maar ook nog met vele andere combinaties – en nergens heb ik een rechtstreeks debat tussen Willem Aantjes en Hans Wiegel gevonden waarin de typering voorkomt.

Onbehagen
Op donderdagavond 27 september 1973 hield Willem Aantjes een toespraak in Eindhoven. Twee dagen later berichtte het Nederlands Dagblad erover onder de spannende kop ‘AR is beslist tegen dubbele huurwaarde‘. Het ging om een voorstel van het kabinet-Den Uyl, dat toen goed vier maanden bezig was en Aantjes en zijn partij konden er zich dus niet in vinden. Maar verder had de antirevolutionaire fractieleider best goede woorden over voor het nieuwe kabinet. Ook over oppositiepartij VVD wilde hij echter nog wel iets kwijt:

‘De VVD verweet Aantjes het voeren van een campagne die sterk materialistisch getint is. “Wiegel speculeert op de materialistische gevoelens die bij alle mensen leven: halen, hebben, houden. Hij appelleert aan het egoïsme en tracht allerlei groepen tegen elkaar uit te spelen. Wiegel kweekt eerst het onbehagen aan en buit het daarna uit”, aldus mr. Aantjes.’

Aantjes zal er vast en zeker meer van gemaakt hebben dan hier staat, maar dit is een bron die toevallig beschikbaar is in de krantencollectie van de KB en mogelijk gaat het om een bericht van een persbureau. Uiteraard zullen meerdere media melding gemaakt hebben van Aantjes’ optreden in de lichtstad. Dat blijkt wel uit het commentaar dat De Telegraaf de dinsdag daarop aan de woorden wijdde. ‘Halen, hebben, houden’ stond er opvallend boven de tekst van de hoofdredactie en de beginwoorden zetten meteen de toon:

‘In zijn functie van waterdrager voor de PvdA, heeft de ARP-fractieleider, mr. W. Aantjes, degenen die zich verzetten tegen de komende verdere verzwaring van de belastingdruk – en in het bijzonder de VVD – ervan beschuldigd aanhangers te zijn van de opvatting “Halen, hebben, houden”.
Het is een onverbloemde poging de meningsverschillen over de hoogte van de belastingdruk geheel in de materialistische sfeer te brengen; de voorstanders van hoge belastingen zijn dan altruïsten, hun tegenstanders egoïsten. Het is tevens een poging om een vraagstuk met vele aspecten op een onverantwoorde wijze te vereenvoudigen.’

En zo ging de krant nog even door. Ze vond het ‘vrij goedkoop’ allerlei ‘vormen van behoeftebevrediging onder materialisme te rangschikken’. Het Nederlandse fiscaal regime week toch al af van dat in het buitenland en ook het ‘prestatiebeginsel’ mocht men niet vergeten. De individuele burger had ook nog wel het recht ‘over een redelijk deel van zijn inkomen zelf te beslissen’.

Het lijkt me niet onwaarschijnlijk dat dit commentaar aanzienlijk bijgedragen heeft aan het voortleven van Aantjes’ vondst, maar uiteraard kan ik niet overzien wat andere media er allemaal van maakten. Maar ondertussen lijkt het me wel onwaarschijnlijk dat Aantjes daar in Eindhoven met Wiegel debatteerde. Diens naam wordt in het aangehaalde bericht nergens genoemd en bovendien ging het om een ‘partijbijeenkomst.’

Staten-Generaal
In de Eerste Kamer gebruikte de D66’er Henk Rang goed twee maanden later tijdens de algemene financiële beschouwingen op dinsdag 11 december 1973 Aantjes’ drieslag, zonder overigens diens naam te noemen:

‘De maatschappij van de toekomst vereist een mens, die wat minder in termen van halen, hebben en houden denkt, en wat meer in termen van het totaal.’

Het was inmiddels kennelijk een gevleugeld woord geworden. Aan de overzijde van het Binnenhof, de Tweede Kamer, was het de DS’70-er Ruud Nijhof die de uitdrukking voor het eerst aanhaalde, maar dat was pas ruim vier jaar later, tijdens het debat over de regeringsverklaring van het kabinet-Van Agt op dinsdag 17 januari 1978. Hij lichtte het motto van het programma van zijn partij, ‘Vrijheid en solidariteit: in redelijkheid’ nader toe en bij de term ‘solidariteit’ merkte hij op:

‘Geen egoïstische zelfverzorging (halen, hebben en houden, om Aantjes te citeren), maar arbeidsdeling ten behoeve van elkaar. Op economisch gebied hoort ieder mede te werken voor de ander: nationaal en mondiaal. Gestreefd dient te worden naar een overleg-economie, naar samenwerkingsvormen tussen producenten en consumenten, overheid, werkgevers en werknemers. Voorts naar sterke aandacht voor een rechtvaardige – dus aanzienlijke meer gelijke – inkomens- en welzijnsverdeling.’

Op dinsdag 25 april 1978 citeerde voor het eerst een VVD’er, Theo Joekes, de bekende woorden. Het ging om een technisch debat in de Tweede Kamer over het betalingsverkeer met het buitenland en Joekes kon zich wel vinden in de wijze waarop de minister die de memorie van antwoord bij het wetsontwerp geschreven had, Wim Duisenberg uit het vorige kabinet, de doelstelling ervan had weergegeven:

‘Deze weergave is niet een kwestie van ‘halen, hebben en houden’.

Een heel andere context, en iets polemisch zat er eigenlijk niet in. Een aardige draai aan een bekende zegswijze, meer niet. Op dinsdag 1980 juni was het de CDA’er Ad Kaland, die tijdens een debat over economische aangelegenheden in de Eerste Kamer nog een keer opmerkte:

‘De discussie over de winsten van de oliemaatschappijen over de exportprijzen van het aardgas wekt soms de indruk dat wij allen in den lande behoren tot de categorie van “halen, hebben en houden”.’

De uitdrukking was zo bekend en algemeen geworden dat Aantjes’ naam niet genoemd hoefde te worden. Zoals we zagen, gebeurde dat slechts één keer in dit verband en ook na 1995 is dat in de Staten-Generaal niet meer gebeurd.

Exif_JPEG_PICTURE

Twee boeken over Willem Aantjes, uit 1977 en 2002. Eén boek van zijn hand, uit 2004.

Herkomst
Maar nu de herkomst. Wie was die ‘dominee uit zijn jeugd’, waar Trouw het over heeft? Dat vertelde Willem Aantjes al in 1977 aan Rob Vermaas, die toen het boekje met de heldere, maar niet zeer verrassende titel Willem Aantjes schreef. Het ging om de ‘oude dominee Leenmans’ uit Aantjes’ geboortedorp Bleskensgraaf: ‘Die man had een zeer typische trant van spreken. Zo door en door bijbels’, zegt Aantjes daar. En Vermaas vervolgt:

 ‘Leenmans, de schoonvader van ds. Abma, was Aantjes’ inspiratiebron toen hij in 1973 over de VVD sprak in termen van de drie H’s; Hans Wiegel, Haya van Someren, Harm van Riel. Ds. Leenmans placht de jonge Wim Aantjes te zeggen: ‘Mensen zijn allemaal hetzelfde: Halen, Hebben, Houden.”

Nadien heeft Aantjes dit verhaal vaker verteld, met de kleine variaties die er nu eenmaal bij horen als je op je geheugen afgaat. In 1989 zei hij in een interview met het Reformatorisch Dagblad dit:

‘”Weet je van wie ik dat had, dat ha,’ha ha?”, lacht Aantjes geheimzinnig. “Van ds. Leenmans, mijn vroegere predikant uit Bleskensgraaf. “Mensen, mensen, mensen”, zei hij dan, “praat me niet van mensen. Ik zie soms nog liever bomen dan mensen. Mensen, dat is alleen maar ha, ha, ha: Halen, hebben, houden”.’

Vanwege die bomen heb ik dit toch nog maar even volledig aangehaald. Die geven duidelijk sjeu aan het verhaal. Drie jaar later scheef Aantjes er zelf over in een artikel, ‘Onder de kansel’, over zijn geboortedorp voor Hervormd Utrecht, waarvan enkele passages via De Waarheidsvriend ook weer in het Reformatorisch Dagblad belandden. Ook daarin weer die bomen. Maar terwijl Aantjes in 1989 dacht dat het om een ‘partijraad’ ging, meende hij nu, in 1992, dat het een Kamerdebat betrof. Althans, hij heeft het over een ‘debat als Kamerlid’ – kan op zich overal – maar hij spreekt ook over een interruptie en dan lijkt men gemeenlijk op een vergadering aan het Binnenhof te doelen. Het lijkt me duidelijk dat het eurekamoment Aantjes beter voor de geest staat dan de plaats van uitspreken. En dat ligt ook voor de hand: een politicus voert zo vaak het woord in de Kamer en daarbuiten dat daar op zich weinig specifieks aan is dat zich in het geheugen vast kan zetten.

H.A. Leenmans
Dominee Hendrik Arie Leenmans (1887-1960) was bijna 62 jaar toen hij op 6 maart 1949 intrede deed in Bleskensgraaf en in Aantjes’ destijds zesentwintigjarige en dus nog relatief jeugdige ogen ongetwijfeld al een ‘oude’ man. Drie jaar later, in 1952, ging hij met emeritaat. Maar in die drie jaar moet hij dus indruk op Willem Aantjes hebben gemaakt. Hij was inderdaad de schoonvader van ds Hette Abma, die door zijn toedoen in de politiek beland was en van 1963 tot 1981 voor de SGP in de Tweede Kamer zat en daarna nog tot 1986 in de Eerste Kamer. Deze was dus zo’n anderhalf decennium een collega van Willem Aantjes, waarvan ongeveer de helft van die tijd als fractievoorzitter – Abma werd dat in 1971 54 dagen eerder.

De vader van de dichteres M. Vasalis oftewel Margaretha Leenmans (1909-1998), wier pseudoniem een latiniserende vertaling van haar werkelijke achternaam was, heette overigens ook Hendrik Arie Leenmans (1876-1954) en deze op Heinrich Rickert gepromoveerde leraar geschiedenis was een volle neef van de genoemde predikant. Beiden waren ze naar dezelfde grootvader vernoemd, die uiteraard net als hun beider vaders ook dominee was. Ook Vasalis’ grootvader heette trouwens zo. Maar terug naar haar aangetrouwde achterneef Hette Abma, als men dat tenminste zo kan zeggen, want het aardige is dat diens zoon Henk Abma bij een stukje (ook hier) waarin hij het heeft over de ‘decadentie van halen, hebben en houden’, een verklarende noot toevoegt, waarin hij schrijft:

‘Willem Aantjes gebruikte deze sindsdien gevleugelde uitdrukking om het liberalisme van de jonge Hans Wiegel te typeren. Volgens Aantjes refereerde hij aan de ‘driepunter’ uit een preek van ds H.A. Leenmans, de opa naar wie ik vernoemd ben, die van 1949 tot zijn emeritaat in 1952 predikant was in Aantjes’ geboortedorp Bleskensgraaf.’

Typische theologengedachte, zou je denken. Een drieslag? Dat moeten wel de drie punten van een klassieke quintiliaanse preek zijn! Maar helemaal onbegrijpelijk is de gevolgtrekking niet, al vermoed ik dat de drieslag zich niet goed leent voor een ouderwetse preek in goed contraremonstrantse trant. Dan had het toch eerder over ontvangen dan over halen moeten gaan.

Bekend
Aantjes had het dus van ds Leenmans, maar had die het van zichzelf? Dat denk ik niet. Wie even wat in oude kranten zoekt, ziet dat de uitdrukking al wel eerder werd gebruikt. Zo vertelt een verslaggever van het Algemeen Handelsblad in 1902 over een souper, waarbij de tafels er weliswaar ‘bijzonder verleidelijk uitzagen’, maar de deelnemers zich niet erg in wisten te houden:

‘Het was weer een algemeene aandrang toen de verzameling beneê ontbonden werd. Halen, hebben, houden, grijpen en vangen wat te vangen was, moest de leuze zijn voor elk die zijn honger en dorst gestild wou hebben.’

Halen, hebben, houden, grijpen en vangen – dat is toch welhaast een Herman van Veen-achtige cadans. Vijf jaar later oordeelde een boekenrecensent in dezelfde krant:

‘Maar behalve die vorm is er ook nog de inhoud dien de vier boeken essays gemeen hebben, de gedachte, de toon: als al gezegd — de toon van de Engelsche pastorie, de belangstelling in geestelijke en verstandelijke dingen, een zekere zachtheid en een fijne smaak, wars van rumoer en drukte-vertoon in welken vorm ook en op welk gebied, karakteriseert al deze essays, gelijk met den afkeer van (of als dat woord misschien wat te sterk is) met de onverschilligheid voor alles wat op het halen, hebben en houden van geld neerkomt.’

En kort na de bevrijding in 1945 schreef iemand in de Leeuwarder koerier over een zuster die dringend om een fiets verlegen zat:

‘Wij hopen, dat ten slotte de fiets spontaan wordt aangeboden. Wij hopen, maar toch kunnen wij niet nalaten te vragen: zou het zo vreselijk zijn, wanneer de autoriteiten gingen ingrijpen en gewoon gingen vorderen? “Duitse methoden!” zegt u. Ja, inderdaad. En Nederlands is het dan zeker, om te wachten op de spontaniteit van mensen, die leven onder het motto van de 3 H.’s: Halen, Hebben, Houden? Zie, wij zijn zo bang, dat het weer gewoon wordt, om gewoonweg niets te doen. Dat vinden wij gewoon om dol te worden.’

En drie jaar voor Aantjes’ Eindhovense toespraak maakte een ingezondenbrievenschrijver in de Leeuwarder Courant zich nog boos over de milieuverontreinging:

‘Neen, wij mensen mogen dan braaf en vroom met de beste bedoelingen over de verontreiniging praten, lucht-, water-, en andere viezigheden zijn alleen op te lossen wanneer wij verlost worden van het patroon “halen, hebben en houden”.’

Antirevolutionair
Maar we kunnen nog iets verder teruggaan in de tijd en komen daarmee opvallend genoeg weer in de buurt van Aantjes’ intenties. Het gaat om een stukje in het antirevolutionaire dagblad De Standaard van dinsdag 20 augustus 1889 over de financiën van de gemeente van Amsterdam, dat een dag later in de katholieke De Tijd aangehaald werd. Wat bleek? De Amsterdamse inkomsten waren aanmerkelijk hoger dan de uitgaven. En dat gold met name voor het onderwijs.

‘Het verschil tusschen inkomsten en uitgaven, wat het onderwijs, zoo lager als middelbaar en hooger, betreft, bedraagt dus niet minder dan pl. min. anderhalf millioen! En deze kapitale som komt schier alleen onzen liberalen medeburgers ten goede, vooral wat het lager onderwijs aangaat. Van de grievende rechtskrenking, hierin gelegen, bespeurde de overzij echter zoo goed als niets. Alles is bij haar met de bekende drie h’tjes: halen, hebben en houden gemerkt. Men ziet het weer, nu het ontwerp van minister Mackay wordt besproken. Met een ton gouds, een nietszeggend bedrag tegenover de anderhalf millioen bovenvermeld, ware in Amsterdam de bijzondere school te voldoen, zou zij eindelijk recht krijgen tegenover het zg. neutraal onderwijs; maar in het liberale kamp wordt over deze subsidie moord en brand geschreeuwd. Alles wordt opgetrommeld om daartegen te protesteeren. Een nieuw bewijs dus tot staving der liberalistische leer: alles voor zich en niets voor een ander.’

Men ziet het: hetzelfde motto gebruikt tegenover liberalen. En in beide gevallen gaat het over geld, alleen ging het bij Aantjes om een materialistische instelling in het algemeen en hier specifiek over het onderwijs. Maar de associatie is dezelfde. Nadat Aantjes zijn vileine typering van de VVD lanceerde, hekelde één van de drie H’s, Harm van Riel, de weliswaar belezen, maar niet overdadig subtiele fractievoorzitter van de Eerste Kamerfractie van de VVD, hem. Als we de commentator van de Leeuwarder Courant mogen geloven, verhaspelde hij Aantjes’ ‘grol’ tot ‘hebben, houden, halen’ – genoeg was kennelijk nog niet genoeg – maar dat zou natuurlijk ook een vergissing van de betreffende scribent kunnen zijn. Van Riel: ‘Aldus is het levenswerk van dr. Kuyper en dr. Colijn door een geborneerde dweper in een verrassend tempo geruïneerd.’ Hij besefte waarschijnlijk niet dat onder Kuypers opperhoede dezelfde typering van het liberalisme al eens was gebruikt.

Drie H’s
Overigens kende men in de Tweede Kamer eerder al wel degelijk drie H’s. Dat waren de juristen R.O. van Holthe tot Echten, Samuel van Houten en J.A. van Hamel. In 1913 dienden ze een verzoekschrift in om de burger meer vrijheid te geven in zijn keuze van medische behandeling. Ze keerden zich tegen wat het artsenmonopolie werd genoemd. Het sociaaldemocratische Kamerlid Henri van Kol prees hen daarvoor tijdens een debat op 15 april 1918. De drie rechtsgeleerden hadden ‘velen in den lande de oogen geopend voor het onrecht, dat personen die door begaafdheden die wij niet kunnen beoordeelen menschen genezen, daarvoor voor den strafrechter worde gedaagd’. En bij die gelegenheid gebruikte hij de kennelijk al gangbare typering, die in 1937 en in 1938 nog niet vergeten bleek te zijn.

Hoe men het ook keert of wendt – of conform de mogelijkheden die de uitdrukking biedt: wendt of keert – die drie h’s kleven dus onvermijdelijk aan het liberalisme. Het ging de heren inzake de geneeskunst om liberalisering.

(103)