Posts tagged ‘weiger-Kamerleden’

10 april 2013

De koning en onze welvaart – Nog eens over de inhuldigingseed

door Jan Dirk Snel

Het zijn er dus twaalf geworden.

Negen leden van de Eerste Kamer – Margreet de BoerAdri Duivesteijn, Ruard Ganzevoort, Niko Koffeman, Ruud Koole, Kees de Lange, Geert Reuten, Tineke Strik en Janny Vlietstra – en drie van de Tweede Kamer – Esther Ouwehand, Marianne Thieme en Linda Voortman – hebben te kennen gegeven dat ze bij de inhuldiging van de nieuwe koning op 30 april wel van plan zijn deel te nemen aan de verenigde vergadering van de Staten-Generaal, maar daarbij de wettelijk voorgeschreven eed of belofte niet wensen af te leggen. De ‘ménagerie du roi’ is de Eerste Kamer in ieder geval niet meer.

Daarnaast zijn er ook nog drie leden van de Tweede Kamer – Farhad Bashir, Sadet Karabulut en Manja Smits – die om principiële redenen wegblijven. Een kop als ‘Zestien leden weigeren eed‘ lijkt me dan ook onjuist. Het zijn er slechts twaalf. Wie niet aan de vergadering deelneemt, wordt niet gevraagd een eed af te leggen en weigert dus ook helemaal niets. Het Eerste Kamerlid André Postema is bovendien om andere redenen verhinderd.

Cornelis Kruseman, Portret van Koning Willem II (1849). Senatoren kijken bij elke vergadering op tegen de koning die in 1848 een belangrijke grondwetswijziging doorvoerde.

De koning
Maar laten we eens naar een andere deelnemer aan de plechtigheid kijken, de nieuwe koning, Willem-Alexander. Volgens dezelfde wet als die voor de Kamerleden geldt, moet hij deze eed (of belofte) afleggen:

‘Ik zweer (beloof) aan de volkeren van het Koninkrijk dat Ik het Statuut voor het Koninkrijk en de Grondwet steeds zal onderhouden en handhaven.
Ik zweer (beloof) dat Ik de onafhankelijkheid en het grondgebied van het Koninkrijk met al Mijn vermogen zal verdedigen en bewaren; dat Ik de vrijheid en de rechten van alle Nederlanders en alle ingezetenen zal beschermen, en tot instandhouding en bevordering van de welvaart alle middelen zal aanwenden welke de wetten Mij ter beschikking stellen, zoals een goed en getrouw Koning schuldig is te doen.
Zo waarlijk helpe Mij God almachtig!’

Dat is nogal wat. Laten we het nog eens op ons in laten werken. De nieuwe koning moet onze onafhankelijkheid en ons grondgebied verdedigen, onze vrijheid en onze rechten beschermen en ook nog eens onze welvaart in stand houden én bevorderen. En dat allemaal in zijn eentje, zij het dat hij gelukkig wetten ter beschikking heeft. Daar sta je dan als nieuwe monarch midden in een economische crisis…

Het is in ieder geval heel wat meer dan de eed die de weiger-Kamerleden niet over hun lippen kunnen krijgen. Die hoeven immers alleen maar de onschendbaarheid en de rechten van de koning te handhaven. Dat eerste staat in de Grondwet en hebben ze bij de aanvaarding van hun ambt dus al eens beloofd en ze weten ook dat het alleen om de rechten onder de huidige wetgeving gaat en dat ze die rustig mogen veranderen. De plechtige verklaring bevat ‘geen beperkingen van hun handelingsvrijheid‘. Er staat niets in de eed dat hun geweten ook maar kan belasten en dat ze logischerwijs niet voor hun rekening kunnen nemen.

Nee, dan Willem-Alexander. Die moet de rechten en vrijheid van bijna zeventien miljoen mensen beschermen en dat zou je dan nog als het tegenstuk van de eed of belofte door de vertegenwoordiging van het volk kunnen zien. Maar verder zou het toch niet verbazen als hij op een dag in EenVandaag of Nieuwsuur zou verschijnen en zou verklaren dat de eisen die de eed aan hem stelt, werkelijk zijn vermogens te boven gaan. Onze welvaart handhaven? Hij zou het best willen, maar of dat met die drieprocentsnorm ook lukt? Kortom, als hij net zo dacht als de Kamerleden, zou hij alle reden hebben om te zeggen: ‘Ik kom graag naar de vergadering en laat me ook graag inhuldigen, maar die eed, die gaat me toch echt te ver, laten we dat nu maar eens niet doen…’

Spel
Het zal natuurlijk niet gebeuren. Natuurlijk is de eed van de koning wat archaïsch. Zo letterlijk kun je dat allemaal niet nemen. Maar dat is ook niet de bedoeling. Het gaat om een plechtigheid met een eigen karakter, waarin verleden en toekomst verbonden worden. Oude woorden fungeren binnen een nieuwe context.

En dat is dus het probleem van de weigeraars. Ze zijn te ernstig. Ze doorzien niet dat het een spel is. En ze zijn te frivool. Want ze spelen het spel niet ernstig genoeg.

Naschrift (woensdag 10 april 2013, 15.30 uur)
Enigszins tegen mijn gewoonte in heb ik bovenstaande stukje nu eens beknopt gehouden en er niet nog van alles bijgesleept, maar graag wijs ik hier nog op het stuk van Frits Korthals Altes in de Volkskrant van vandaag, Afleggen eed bij huldiging Willem-Alexander is een wettelijke ambtsplicht. Hij legt daarin ook goed de historische achtergrond uit van de relatie tussen koning en volk die in de eed door de nieuwe koning en de bevestiging door middel van de plechtige verklaring door de vertegenwoordigers van het volk tot uiting komt en die zelfs teruggaat op opvattingen die in het Plakkaat van Verlatinghe verwoord zijn. De weiger-Kamerleden maken zich tot toeschouwers, waar ze deelnemers met een eigen ambtsplicht zijn. Ze hebben in feite een heel antiquarische opvatting van de monarchie: alsof die slechts van één zijde komt.

Tweede Naschrift (vrijdag 12 april 2013, 12.15 uur)
In zijn hiervoor genoemde Volkskrant-artikel wees Frits Korthals Altes erop dat de Wet beëdiging en inhuldiging van de Koning van 1992 zeker niet vergeten kon zijn. In 2010 was ze immers nog eens gewijzigd. En Joop van den Berg sloot zich daar vanmorgen in Trouw in een stuk dat onder de titel ‘Blijf weg uit de Nieuwe Kerk als je de eed niet wilt afleggen’ werd gepubliceerd, nog eens bij aan:

‘Waarom deze drukte er nu over wordt gemaakt, is eigenlijk onbegrijpelijk. Zoals oud-minister Frits Korthals Altes dezer dagen in de Volkskrant liet zien: amper drie jaar geleden is deze formule van inhuldiging voor de zoveelste keer nog eens parlementair bevestigd in het kader van de vernieuwing van de relaties met de Cariben in het Koninkrijk. Met de instemming van al diegenen, die nu ineens principiële bezwaren hebben tegen de eed tijdens de inhuldiging.’

Hij gaf daarbij wel een nieuwe draai aan de opmerking. Waar Korthals Altes betoogt dat de wet zeker niet vergeten was, voegt Van den Berg daar nu de instemming van de weigeraars aan toe. Nu lijkt het me dat het bij een wet als de Rijkswet aanpassing rijkswetten aan de oprichting van de nieuwe landen vooral gaat om technische zaken. Bestaande wetten moeten aan de nieuwe stand van zaken aangepast worden. Ik kan me niet goed voorstellen dat je je dan ook inhoudelijk steeds gaat afvragen of je het met die wetten als zodanig wel eens bent. Het zou de wetgevingsarbeid wel extra gecompliceerd maken.

Maar wat je wel kunt zeggen, is dat leden van de Staten-Generaal de inhuldigingswet minder dan drie jaar geleden in ieder geval nog eens onder ogen gehad hebben. Het bestaan kan hun niet ontgaan zijn. Het leek me wel eens aardig in hoeverre dat ‘al diegenen’ van Van den Berg nu opging. De wet werd in de Tweede Kamer aangenomen op donderdag 15 april 2010. Van de drie weiger-Kamerleden waren Esther Ouwehand en Marianne Thieme toen lid, aanwezig en zij stemden voor. Linda Voortman was op dat ogenblik nog geen Kamerlid. Ook de drie wegblijvers – Farhad Bashir, Sadet Karabulut en Manja Smits – waren die dag overigens aanwezig en ook zij stemden met de overgrote meerderheid voor.

In de Eerste Kamer – de website verschaft een handig overzicht – werd de wet op dinsdag 6 juli 2010 zonder stemming aangenomen. Dat is dus unaniem. Drie van de weigeraars waren toen lid en die dag aanwezig: Niko Koffeman, Geert Reuten en Tineke Strik. Zes weiger-Kamerleden – Margreet de Boer, Adri Duivesteijn, Ruard Ganzevoort, Ruud Koole, Kees de Lange en Janny Vlietstra – waren nog geen lid van de Staten-Generaal. Van hen is alleen Adri Duivesteijn eerder lid van de Staten-Generaal geweest. Joop van de Berg verbaast er zich over dat er meer weigeraars onder de leden van de Eerste Kamer zijn dan onder die van de Tweede – negen van de twaalf, driekwart dus, voeg ik eraan toe – ‘hoewel de Eerste Kamer er altijd prat op gaat haar staatsrecht zo goed te kennen, beter dan de Tweede Kamer’. Maar misschien ligt in de relatieve onervarenheid ook een verklaring dat men het niet zo nodig vindt een ceremoniële verplichting na te komen?

Hoe het ook zij, vijf van de weigeraars hebben de wet in 2010 nog eens onder ogen gehad en toen ingestemd met een wijziging ervan. Zeven weiger-Kamerleden hadden destijds geen zitting in de Staten-Generaal. Maar men hoeft natuurlijk niet alleen maar wetten na te komen die men zelf aangenomen heeft.

(85)

30 maart 2013

Kamerleden dienen zich aan de wet te houden

door Jan Dirk Snel

De verenigde vergadering van de Staten-Generaal op dinsdag 30 april in Amsterdam, waarbij koning Willem-Alexander zal worden ingehuldigd, dreigt een rare vertoning te worden. Steeds meer Kamerleden kondigen aan dat ze de wettelijk voorgeschreven eed (of belofte, hierna noem ik gemakshalve alleen de eed) niet wensen af te leggen.

Inhuldiging Willem II

Nicolaas Pieneman, Inhuldiging van koning Willem II in de Nieuwe Kerk te Amsterdam op 28 november 1840 (Rijksmuseum Amsterdam)

Dat is op zich geen probleem. Bij voorgaande gelegenheden ontbraken ook Kamerleden, onder meer omdat ze fundamentele bezwaren koesterden tegen de staatsvorm waarbinnen ze hun ambt bekleedden. Geen lid is verplicht elke vergadering van de Staten-Generaal bij te wonen en wie aan de plechtigheid niet deel wil nemen, kan zich afmelden en daarbij ook nog de reden opgeven, die dan in de Handelingen wordt opgenomen.

In 1898 bij de huldiging van koningin Wilhelmina lieten tien van de destijds 150 leden verstek gaan, in 1948 (Juliana) waren er dat vijf en in 1980 (Beatrix) waren 14 leden (van de op dat moment 224, er was een vacature in de Tweede Kamer) afwezig. Vijf ervan gaven aan dat ze om ‘principiële redenen’ niet aanwezig waren, maar uit krantenberichten blijkt dat meer leden op ideologische gronden wegbleven. Voor de vergadering maakt het niet uit. Zolang de meerderheid,  113 leden of meer dus, maar komt opdagen, kan ze geopend worden. [Toevoeging 10 april 2013: onjuist, zie Derde Naschrift]

De wet
Nu doet zich echter een nieuw verschijnsel voor. Na drie Kamerleden van de Partij van de Dieren hebben nu ook vier Kamerleden van GroenLinks laten weten dat ze wél de vergadering zullen bijwonen, maar dat ze daarbij niet de eed wensen af te leggen. De tekst zoals die is voorgeschreven in de Wet beëdiging en inhuldiging van de Koning van 27 februari 1992, bevat onder meer deze twee zinnen:

‘Wij ontvangen en huldigen, in naam van de volkeren van het Koninkrijk en krachtens het Statuut voor het Koninkrijk en de Grondwet, U als Koning; Wij zweren (beloven) dat wij Uw onschendbaarheid en de rechten van Uw Koningschap zullen handhaven.’

Deze formule stond tot 1983 in de Grondwet, werd daarna voortgezet in een additioneel artikel en in 1992 vervangen werd door de huidige wet. De wetgever had op dat moment voor andere bewoordingen kunnen kiezen, maar dat heeft hij niet gedaan. Beide Kamers namen de wet op respectievelijk 10 april 1991 en 25 februari 1992 zonder stemming aan. Dat mag men unaniem noemen.

Het eerste element volgt uit de Grondwet. Die zegt in artikel 32 dat nadat de Koning de uitoefening van het koninklijk gezag heeft aangevangen, hij zodra dat mogelijk is ‘beëdigd en ingehuldigd’ wordt in de hoofdstad Amsterdam. De wet stelt nadere regels vast. Zonder hulde geen inhuldiging en daarom moet de wet regelen hoe aan die hulde vorm wordt gegeven. Dat de Koning een eed dient af te leggen, staat in de Grondwet en wordt in de genoemde wet ook nader geregeld.

Het tweede element, de eedsaflegging door Kamerleden, volgt niet dwingend uit de Grondwet, maar de wetgever heeft besloten de bestaande traditie op dit punt voort te zetten. Het is tegen deze zinsnede dat de bezwaren zich richten. De weiger-Kamerleden voeren aan dat het niet nodig is nog een keer extra trouw te zweren aan de Koning. Op zich hebben ze  een puntje. De formule bevat inhoudelijk niets nieuws: de onschendbaarheid en de rechten van de Koning volgen uit de Grondwet en daarop hebben de leden bij de aanvaarding van hun ambt al een eed afgelegd. Daarom is wegblijven ook geen probleem. De eed is vooral een symbolische bevestiging van wat al vaststaat, in nieuwe verhoudingen.

Maar, dat is het punt, dat besefte de wetgever ook heel goed. Beide Kamers behandelden de inhuldigingswet gelijktijdig met de Wet beëdiging ministers en leden Staten-Generaal, die dan ook van dezelfde datum (27 februari 1992) is.

Plichten
De weiger-Kamerleden kiezen de verkeerde weg. Een politiek oordeel – hoe een bepaalde wetstekst eruit zou horen te zien – laten ze nu uitmonden in het niet naleven van de wet. Er staat inderdaad geen sanctie op het niet nakomen van het voorschrift uit de wet, maar die staat er ook niet op als de Koning de eed niet zou willen afleggen. Als Willem-Alexander op 30 april zou gaan vissen of wel aanwezig zou zijn, maar zou vertikken de voorgeschreven eed af te leggen, zou hij, zodra zijn moeder geabdiceerd heeft, nog steeds Koning zijn. Maar hij zou zich in dit imaginaire geval wel aan ernstig plichtsverzuim schuldig maken en dat zou grote politieke gevolgen hebben.

Welnu, voor Kamerleden geldt hetzelfde. Van hen mag men al helemaal verwachten dat ze de wet naleven. Bij de aanvaarding van het ambt heeft elk lid verklaard dat het ‘de plichten die mijn ambt mij oplegt getrouw zal vervullen’. Wie weigert om een door de Staten-Generaal (ook nog eens unaniem en onomstreden) aangenomen verplichting na te komen, doet dat ostentatief niet. Dan hadden ze maar eerder moeten voorstellen de wet te veranderen. Als Kamerleden weigeren de wet na te komen, is dat vooral een uiting van minachting voor het volk dat ze vertegenwoordigen. Het geeft aan dat men zelf wel uitmaakt of men het recht naleeft of niet. Dat getuigt van een gering besef van rechtsstatelijkheid. Het verkeerde voorbeeld op een belangrijk moment.

Er zit maar één ding op. Kamerleden die de eed niet wensen af te leggen, dienen niet aan de vergadering deel te nemen. Wie wel in functie bij de vergadering aanwezig wil zijn, hoort zich gewoon aan de voorschriften te houden.

Wel het feestje, niet de plichten, dat gaat echt niet.

Naschrift
Dit stukje had ik gisterochtend, vrijdag 29 maart 2013, aan NRC Handelsblad aangeboden. Ik kreeg daarop het verzoek het in te korten tot een briefje van 250 woorden. Uiteraard was het aantrekkelijke gedachte dat mijn conclusie dan alsnog veel lezers zou bereiken, maar ik geloof toch dat die zonder de voorgaande onderbouwing te snel de indruk van een gratuite mening zou kunnen wekken. Het stuk over de wetstekst is naar mijn idee essentieel voor het betoog. De weiger-Kamerleden hebben als vanouds de keus uit twee heldere opties: helemaal meedoen of wegblijven. Ze hebben nu gekozen voor een onzuivere tussenvariant, waarbij ze besluiten eenvoudigweg de wet te negeren.  En overigens, alle begrip voor een redactie die overstelpt wordt met stukken. Mijn betoog zal nu veel minder mensen bereiken, maar ik hoop dat het een paar mensen die het betreft, toch aan het denken zet.

Tweede Naschrift (donderdag 4 april 2013)
Vandaag staat mijn stuk – iets ingekort én heel iets uitgebreid – in het Nederlands Dagblad (pagina 11) onder de strenge, maar heldere kop ‘Gehoorzaam op 30 april de wet‘. De opinieredactie vroeg mij afgelopen dinsdag of men het mocht plaatsen. Aan dat verzoek voldeed ik uiteraard graag. Ik wijs hier meteen nog even op het artikel ‘Parlementaire ongehoorzaamheid‘ van Mentko Nap, dat verscheen op de site Publiekrecht & Politiek.

Derde Naschrift (woensdag 10 april 2013)
In het bovenstaande had ik het over het quorum van 113 leden, de meerderheid van de zitting hebbende leden, dat volgens artikel 7 van het Reglement van Orde voor de Verenigde Vergadering, de presentielijst getekend moet hebben voor de voorzitter de vergadering kan openen. Dat artikel is in dit geval niet van toepassing. Het gaat hier om een vergadering conform artikel 53, ‘waarin naar het oordeel van de Voorzitter niet zal worden beraadslaagd of besloten’, en dan zijn slechts enkele artikelen van het reglement van toepassing. Een quorumvereiste bestaat dan niet.

(84)