Posts tagged ‘VVD’

10 januari 2014

De grote twee – Over de omvang en het relatieve belang van de grootste politieke partijen

door Jan Dirk Snel

Het kabinet-Rutte II is een ongewoon kabinet. Nu is elk kabinet dat wel. Het hangt er maar net vanaf vanuit welk perspectief je het bekijkt. Het buitengewone van het huidige kabinet is dat het bestaat uit een coalitie van de twee grootste politieke partijen. Helemaal uitzonderlijk is dat niet, maar erg vaak kwam het bepaald niet voor.

En de grote twee dan?
In mijn vorige stukje betoogde ik dat er in de Tweede Kamer gemiddeld altijd iets meer dan tien partijen aanwezig geweest zijn. Van versplintering in de zin van een proces, waarbij het dus om een structurele toename gaat, is geen sprake. Wie de gebruikelijke toestand sinds de invoering van de evenredige vertegenwoordiging in 1918 zo wil noemen, ga zijn gang, al is het taalgebruik dan in ieder geval niet erg nauwkeurig en roept het al gauw misverstanden op.

Maar er kwamen wel vragen op. Ik keek naar het aantal partijen en onder de meer dan tien partijen die gemiddeld in de Tweede Kamer aanwezig zijn, zijn altijd ettelijke kleintjes. Maar hoe zit het nu als je naar de top van het partijenlandschap kijkt? Zo stelde Leo Lewin op Twitter de vraag: ‘Hoeveel procent van de zetels kregen de twee grootste partijen? Geeft dat een ander beeld van de versnippering van de TK?’ Ook Karel Martinet maakte een gelijksoortige opmerking: ‘Denk dat de kleintjes vroeger klein waren en bleven, met stabiele achterbannen. Met 2 partijen toen stevige meerderheden’.

Die vraag was ook al bij mezelf opgekomen en in dit stukje wil ik daar op ingaan. Eerst maar eens een overzicht. In de onderstaande tabel heb ik de resultaten weergegeven van de twee partijen die bij de 27 verkiezingen sinds 1918 de grootste werden. Ik heb daarbij zowel percentages als zetelaantallen opgegeven. De zetelaantallen zeggen uiteraard meer over de concrete machtsverhoudingen in de Tweede Kamer, maar de percentages geven de electorale bewegingen beter weer. Bovendien is de Tweede Kamer in 1956 van honderd naar honderdvijftig zetels uitgebreid. Vergelijken van ontwikkelingen in de loop van de tijd werkt beter als men naar de percentages kijkt. En maakt trouwens ook internationale vergelijkingen gemakkelijker, maar dit terzijde.

GroteTweeTot 1956 telde de Tweede Kamer 100 leden. Vanaf dat jaar waren dat er 150.
Paars: partij doet in de daarop volgende periode niet mee aan een kabinet.
Rood: de twee groten blijven onder de 50%.  Groen: de twee groten halen samen meer dan 60%.

Dertig procent
Het eerste dat dan opvalt, is dat politieke partijen in Nederland nooit heel erg groot worden. Toen Angela Merkel met de Union (CDU en CSU samen) op 28 september 2005 slechts 35,2% van de stemmen behaalde, zat ze er die avond verslagen bij. Het leek een beetje op de ‘overwinningsnederlaag’ van Wim Kok uit 1994. Zoals hij met het tot op dat moment een na slechtste resultaat van zijn partij – alleen in 1967 was het nog erger geweest – minister-president werd, werd zij toch nog de Bundeskanzlerin van een Große Koalition.

Maar zo ongeveer het cijfer dat in Duitsland voor de grootste partij als erg laag beschouwd wordt, geldt in Nederland als een ongehoorde overwinning. Onder leiding van Ruud Lubbers haalde het CDA in 1989 35,51% van de stemmen, goed voor 54 zetels, een prestatie die daarna nooit geëvenaard is. Toen zijn partij in 1986 met het tweede percentage op de lijst, 34,59%, ook al 54 zetels behaalde, viel dat overigens nog meer op. Slechts zestien keer sinds 1918 haalde een Nederlandse politieke partij meer dan dertig procent van de stemmen en dat gebeurde bij slechts elf verkiezingen.

In 1918 wist de RKSP 30,3% van de stemmen (30 zetels) te halen. Dat zou haar nooit meer lukken, ook al haalde ze in 1922 met een lager percentage toch twee zetels meer, maar haar opvolgster, de KVP, begon in 1946 goed met 30,81% en ook 30 zetels. In 1948 deed ze het met 31,04% (32 zetels) nog beter. In totaal zouden de katholieken zes keer boven de dertigprocentgrens uitkomen. De verbrede opvolger, het CDA, slaagde daar nog vier keer in, zodat de (overigens in diverse opzichten wat twijfelachtige) lijn RKSP-KVP-CDA dus tien keer (1918, 1946, 1948, 1956, 1959, 1963, 1977, 1981, 1986, 1989) een naar Nederlandse verhoudingen uitzonderljk omvangrijk electoraat wist te bereiken.

Polarisatie
De andere zes bovenmaatse successen waren voor de PvdA. Die partij was het resultaat van een fusie en dus vanaf het begin beduidend groter dan haar belangrijkste voorganger, de SDAP, maar pas in 1956 wist ze onder Drees de dertigprocentdrempel te overschrijden. Dat lukte haar in totaal zes keer (1956, 1959, 1977, 1982, 1986, 1989). De grootste en altijd nog de beroemdste overwinning was die uit 1977 met 33,83% van de stemmen (53 zetels), maar die uit 1986, 33,27%, goed voor 52 zetels, deed er niet veel voor onder en met 31,88% wist men dat zetelaantal drie jaar later vast te houden. Dat percentage was weliswaar net iets lager dan de 32,69% uit 1956, maar in dat jaar leverde dat niet meer dan 50 zetels op.

De electorale resultaten van de KVP uit de jaren veertig en vijftig kunnen ongetwijfeld worden toegeschreven aan de relatieve groei van het katholieke volksdeel en aan de vaste hand waarmee het episcopaat de beminde gelovigen de politieke weg wist te wijzen.

Wat verder opvalt, is dat bij vijf verkiezingen de twee grootste partijen tegelijk de magische grens overschreden. Dat waren kennelijk ook jaren van polarisatie. In 1956 werkten PvdA en KVP nog wel samen, maar de verhoudingen waren na het bisschoppelijk mandement van 1954 bepaald niet altijd vriendelijk en na het einde van het laatste kabinet-Drees ging de strijd nog door, zoals 1959 laat zien.

Vervolgens gingen PvdA en CDA in 1977, 1986 en 1989 vrijwel gelijk op. Het waren in feite de laatste jaren van de grote polarisatie en meteen ook het einde ervan. In 1977 en 1986 speelde een zittende premier een hoofdrol: Kies de minister-president, was de leuze van de PvdA in het eerstgenoemde jaar en 1986 wilde Lubbers graag zijn karwei afmaken en in 1989 was hij daar kennelijk nog niet geheel mee klaar, maar toen gingen de twee partijen vervolgens samen één kabinet vormen. Het markeerde in veel opzichten een eindpunt.

Meerderheid of niet
Maar laten we nog eens nader naar het overzicht van de 27 verkiezingen kijken. Wat zien we dan? Allereerst dat de twee grootste partijen samen meestal een duidelijke meerderheid van het electoraat achter zich wisten te krijgen. Dat was in 1918 al zo en dat was in 2012 nog zo. Of moet ik zeggen: weer zo?

Negentien van de zevenentwintig keer tekende zich een duidelijke meerderheid af. In het interbellum lag die meestal een eindje boven de vijftig procent. Na de oorlog kwam die meer richting de zestig procent te liggen. Dat kwam vooral omdat de PvdA als fusiepartij veel meer aanhang had dan de vooroorlogse SDAP. (Het is een cliché dat de Doorbraak mislukt is, maar dat is dan vooral afgemeten aan de te hooggespannen verwachtingen. Ze had wel degelijk effect.) Het hoeft ook niet te verbazen dat de vijf verkiezingen waarbij de zestigprocenthorde genomen werd, precies de hierboven al behandelde vijf waren, waarin beide grote partijen meer dan dertig procent haalden. Na 1989 was het gedaan met dergelijke eclatante uitslagen. Als de twee grootsten sindsdien samen een meerderheid hebben, ligt die weer meer op het vooroorlogse niveau.

Maar veel interessanter zijn de zeven gevallen, waarin de grootste twee samen geen meerderheid bereikten. In 1922 bleven RKSP en SDAP weliswaar op 49,24% steken, maar ze hadden samen wel een (bepaald niet overvloedig gebruikte) meerderheid in de Tweede Kamer. De invoering van het vrouwenkiesrecht bezorgde de SDAP dat jaar kennelijk een dipje en ook de RKSP viel electoraal heel licht terug. In het omineuze jaar 1933 hadden ze samen precies de helft van de zetels, doordat ze allebei iets verloren.

Jaren zestig
Interessanter zijn de naoorlogse gevallen. Het neerwaarts passeren van de meerderheidsgrens in 1971 en 1972 valt vrij gemakkelijk te verklaren. Al in 1967 deden KVP en PvdA het niet goed bij de verkiezingen. Het waren de roerige jaren zestig met nieuwe bewegingen en partijen, ontwikkelingen die zoals bekend vooral in de tweede helft van dat decennium echt op gang kwamen (en zich voor de rest vooral in de jaren zeventig afspeelden). De PvdA wist de schokken redelijk op te vangen: terwijl de christenradicalen de KVP (en voor een klein deel de ARP) vaak verlieten en uitzwermden naar de PPR en elders, wist de PvdA Nieuw Links met veel kunst- en vliegwerk te incorporeren. In 1971 en 1972, de verkiezingen die tot het roemruchte kabinet-Den Uyl leidden, deed de partij het zelf niet geweldig, maar ze krabbelde toch weer wat op.

Maar de neergang van de KVP leek onafwendbaar. Daar maakte het samengaan van de KVP met de ARP en de CHU, althans voorlopig, een eind aan. Het CDA stabiliseerde de inmiddels tot stand gekomen verhoudingen en wist daarna zelfs nog iets te groeien. Het was een kwestie van polarisatie en tegelijk van antipolarisatie. Van Agt boog niet naar rechts en niet naar links en Lubbers presenteerde zich vervolgens als de pragmatische Macher die boven het gekrakeel uitsteeg.

Als de twee grote partijen, die vanaf 1986 samen groter waren dan ooit eerder het geval was geweest – de hoogste percentages zijn uit 1986 en 1989 en in beide jaren hadden ze samen 106 zetels – in 1989 een coalitie gaan vormen, verandert dat het politieke landschap definitief, ook al zagen weinigen dat aanvankelijk aankomen. Maar in 1994 blijkt het in volle omvang. Zowel PvdA en CDA doen het beroerd bij de verkiezingen: samen nog maar 43,20% van de stemmen. Dat was nog niet eerder gebeurd.

Onrustig
En daarna zien we een zeer afwisselend beeld. In 1998 behoort het CDA niet meer tot de grote twee. Voor het eerst wordt de VVD de tweede partij in het land, om maar eens een wiegeliaanse uitdrukking te gebruiken. Samen hebben de twee grootsten nu wel weer een vanouds gebruikelijke meerderheid. Het CDA komt bij de volgende drie verkiezingen nog weer terug als grootste partij om daarna weer uit de top-twee te verdwijnen.

In 2002 doet zich een novum voor. Vanuit het niets wordt een volstrekt nieuwe partij, de LPF, nummer twee, zij het wel met een stemmenpercentage dat voor een tweede partij nog nooit zo laag is geweest: 17%. Ze verdwijnt bijna net zo snel als ze is opgekomen. De twee grootsten hebben dat jaar samen maar iets meer stemmen dan het tweetal uit 1994: 44,93%. Een jaar later ziet alles er al weer veel normaler uit, als vanouds, zou men welhaast zeggen. CDA en PvdA halen in 2003 samen 55,88% procent. Maar in 2006 duiken ze, nog wel de grootste twee, weer onder de helft. In 2010 is het duo uit 1998, de VVD en de PvdA, weer terug, maar nu met een nog nooit gekend laagterecord: 40.12%. In 2012 hebben ze echter weer een klassieke meerderheid.

Wat blijft hieruit? Ten eerste dat het beeld veel onrustiger is geworden. Soms hebben de grootste twee samen een ouderwetse meerderheid, dan weer duiken ze daaronder. Bovendien voegen zich ineens andere partijen onder de grote twee: de VVD in 1998, 2010 en 2012 en de LPF in 2002. Maar de belangrijkste ontwikkelingen doen zich kennelijk buiten beeld voor. De VVD was al sinds de jaren vijftig aan een lange structurele, zij het fluctuerende opmars bezig. In 1959 haalde ze de ARP als derde partij voorgoed in en pas in 2006 zou ze voor het eerst weer onder plaats drie uitkomen. Voor D66, bij zeven verkiezingen tussen 1977 tot 1998 constant op plaats vier, geldt dat fluctueren of zelfs jojoën nog veel meer – het is sinds jaar en dag de toevlucht voor de redelijke, genuanceerde kiezer die het even niet meer weet – maar ook die partij was soms tamelijk groot (en dan ineens weer heel klein). En voor de laatste jaren zijn de opkomst van de SP (in 2003 nummer vier, in 2006 nummer drie en in 2012 weer op plaats vier) en de PVV (2010 en 2012 de derde in omvang) nog belangrijker. Ik moet daar nog maar eens een afzonderlijk stukje over schrijven, want juist bij de plaatsen drie en vier (en soms nog lager) liggen waarschijnlijk de interessantste ontwikkelingen.

Alleen samen
Maar dit stukje wordt toch al lang genoeg en daarom wil ik me hier tot de positie van de grootste twee sinds 1918 beperken. Er resteert namelijk nog één belangrijke vraag. Is de omvang van de twee grootste politieke partijen voor kabinetsvorming eigenlijk wel zo van belang? Ligt het eigenlijk wel erg voor de hand dat de twee grootste politieke partijen samen regeren? En doen ze dat nu wel of niet geregeld? En als ze het doen, hoe dan?

En zo kom ik uit op waar ik mee begon. Het antwoord moet dan luiden dat het tamelijk zeldzaam is. In feite kennen we slechts drie kabinetten die uitsluitend door de twee grootste partijen gevormd werden: Beel I (1946-1948), Lubbers III (1989-1994) en het huidige Rutte II (sinds 2012).

Schermerhorn

Willem Schermerhorn (1894-1977), de laatste liberale én hervormde premier voor Mark Rutte. Bij de aanvang van zijn koninklijke kabinet in 1945 was hij vrijzinnig-democraat. Toen zijn taak in 1946 voltooid was, was hij lid van een partij die het socialisme hoog in het vaandel had. Hoewel hij zelf rooms noch rood was, vormde zijn kabinet de opmaat voor een dozijn jaren rooms-rode samenwerking. In maart verschijnt zijn biografie door Herman Langeveld. Foto: Collectie Spaarnestad photo/NA/Anefo/Eric Koch.

In zekere zin zou je misschien nog een kabinet eerder kunnen beginnen, bij Schermerhorn (1945-1946). Het curieuze is dat toen dat kabinet in juni 1945 aantrad, de ministers nog tot een groot aantal partijen behoorden: RKSP, SDAP, VDB, ARP en CHU. Minister-president Schermerhorn was lid van de VDB en in die zin zou je hem mogelijk nog eerder dan de partijloze Cort van der Linden (1913-1918) de laatste liberale premier voor Mark Rutte kunnen noemen. Maar toen het kabinet op 3 juli 1946 ontslag werd verleend, behoorden de meeste ministers inmiddels tot slechts twee partijen. De RKSP was inmiddels KVP geworden, maar daar was een hoge mate van continuïteit. Maar de bewindslieden die lid waren van de SDAP, VDB en CHU, waren ondertussen toegetreden tot de nieuwe opgerichte PvdA. Maar een goed voorbeeld is dit toch niet. Minister Meynen was nog steeds lid van de ARP, al zat hij niet namens zijn partij in het kabinet. Er waren bovendien ook nog steeds drie partijloze ministers, maar bewindslieden zonder partijbinding kwamen tot het kabinet-Zijlstra (1966-1967) voor. Schermerhorns ‘koninklijke’ of noodkabinet was duidelijk niet parlementair.

Het eerste kabinet sinds de invoering van de evenredige vertegenwoordiging dat echt op de twee grootste partijen steunde, was dus Beel I, al hadden ook daar uiteraard partijloze ministers zitting in. Het maakte in 1948 plaats voor een kabinet op brede basis, waarbij de KVP en PvdA hun samenwerking dus wel voortzetten, maar nu met meer partijen erbij. En dan duurt het tot 1989 voor er weer een kabinet van de twee grootste partijen alleen tot stand komt, Lubbers III. Over de gevolgen heb ik het al gehad. Electoraal liep die exclusieve samenwerking niet best af voor beide partijen. Het is nu het afwachten wat de gevolgen voor de twee deelnemers aan het huidige kabinet Rutte II zullen zijn. Het blijft een zeldzaamheid, zo’n kabinet van alleen de grootste twee.

Met anderen
Kabinetten waarin de twee grootste partijen wel samenwerkten, maar waarbij ook andere partijen bewindslieden leverden, komen ondertussen veel meer voor. Pas in 1939 leverde de SDAP voor het eerst ministers. De kabinetten De Geer II (1939-1940), Gerbrandy I (1940-1941) en Gerbrandy II (1941-1945) kenden behalve ministers uit RKSP en SDAP ook bewindslieden uit de ARP, de CHU en de VDB, al deed de antirevolutionair Gerbrandy tegen de zin van zijn partij in mee. En er waren partijlozen, maar die ga ik hierna niet telkens meer noemen, omdat zoiets nog jarenlang vanzelf sprak.

In februari 1945 stapten de SDAP’ers uit het kabinet, zodat ze niet in Gerbrandy III zaten, maar al vanaf juni 1945 werkten de grote twee, rooms en rood, weer samen en dat bleef zo tot 1958. In de kabinetten Drees I (1948-1951) en Drees II (1951-1952) werden ze vergezeld door ministers uit de CHU en de VVD. Aan Drees III (1952-56) en Drees III (1956-1958) deden de ARP en de CHU mee. Als de grote twee zeven jaar later tussentijds het kabinet Cals (1965-1966) vormen, levert ook de ARP bewindslieden.

In al deze gevallen was deelname van andere partijen voor een pure meerderheid niet nodig. Maar er waren soms wel goede andere redenen om voor een bredere basis te kiezen, zoals in 1948 het afhandelen van de Indonesische kwestie en het voorbereiden van een noodzakelijke grondwetswijziging, waar meer dan de helft van de Staten-Generaal voor nodig is. Ook aan Van Agt II (1981-1982) deed een extra partij, D66, mee, hoewel dat ter wille van de meerderheid in de beide Kamers niet nodig was. Maar men had deze winnaar – 11,07%, 17 zetels, bij de laatste verkiezingen – er kennelijk graag bij.

Anderen nodig
Op zich zou men kunnen denken dat ook voor de vorming van Kok II (1998-2002) geen derde partij nodig was. De grote twee, PvdA en VVD, hadden met 53,67% van het electoraat en 83 zetels immers een comfortabele, zij het niet overgrote meerderheid in de Tweede Kamer. Toch lag het voor de hand dat men D66 er nog steeds graag bij wilde hebben. In de Eerste Kamer hadden PvdA en VVD immers geen meerderheid: slechts 37 zetels bij aantreden en vanaf een jaar later slechts 34. D66 zorgde ervoor dat men in beide Kamers wel een meerderheid had. Men was toen duidelijk minder achteloos dan de kabinetsvormers van 2012 dat waren.

Het valt op dat de twee grootste partijen in de helft van de zes naoorlogse gevallen waarin ze samen geen meerderheid behaalden, samen toch een kabinet vormden. Bij de verkiezingen van 1972 haalden PvdA en KVP gezamenlijk slechts 44,90% van de stemmen, 70 zetels. Toch haalden ze er meer partijen bij dan strikt noodzakelijk was. (Ja, ik weet hoe vreemd die zin historisch feitelijk klinkt, maar juist daarom.) Alleen aan de ARP (nummer vier) met 8,84% van de stemmen en 14 zetels, zouden ze genoeg hebben gehad. Maar PvdA, PPR (nummer vijf) en D66 (nummer acht) hadden nu eenmaal een Progressief Akkoord gesloten en de PvdA wilde zonder hen beslist geen kabinet vormen. De andere twee, KVP en ARP, mochten genadiglijk aanschuiven: het moest rood met een wit randje worden. (Aan groen dacht toen kennelijk nog niemand – dat kwam pas kort daarna.)

Bij de vorming van Balkenende I (2002-2003) hadden de twee grootste partijen, CDA en LPF, een gezamenlijk percentage van 44,93%, dat nog een zetel minder dan het vorige geval opleverde: 69. Daar haalde men dus de VVD bij. En ook voor Balkenende IV (2007-2010) kwamen de grote twee met 74 zetels op grond van 47,70% van de stemmen net een paar zetels tekort. Daar werd dus de CU (nummer zeven) bij betrokken.

Niet meedoen
Lang niet altijd betekent een goede verkiezingsuitslag ook regeringsdeelname. Er zijn nogal wat gevallen waarin de tweede of zelfs de eerste partij buiten de vorming van een nieuw kabinet bleef. De SDAP bleef tot 1939 buiten elke deelname aan de regering.

Vanaf de oorlog overkwam dat ook de PvdA regelmatig. In 1959 behaalde ze met 30,36% een uitstekende uitslag, maar ze bleef buiten het kabinet-De Quay (1959-1963). Ook na de overigens veel mindere resultaten van 1963 moest ze wachten, maar uiteindelijk deed ze in 1965 toch mee met het kabinet-Cals (1965-1966). In 1967 werd ze tweede, maar het kabinet-De Jong (1967-1971) werd zonder haar gevormd.

Drie keer zelfs werd de PvdA de grootste partij zonder dat dat tot kabinetsdeelname leidde. In 1971 werd het kabinet-Biesheuvel I (1972) zonder haar gevormd, in 1977 het kabinet Van Agt I (1977-1981) en in 1982 het kabinet Lubbers I (1982-1986). In 1986 bleef ze na het op een na beste verkiezingsresultaat, 33,27% van de stemmen, 52 zetels, oppositiepartij, terwijl het kabinet-Lubbers II met de bijna half zo grote VVD, nummer drie in de uitslag, doorging. In 2003 bleef ze als tweede partij in grootte buiten Balkenende II (2003-2006) en in 2010 buiten Rutte I (2010-2012).

Kortom, het is niet alleen van belang of je als partij groot bent of misschien zelfs wel de grootste, het is ook de vraag of anderen met jou willen regeren of dat jij dat zelf eigenlijk wel serieus wilt, zoals het overvragen uit 1977 laat zien. Maar de PvdA is toch net niet de enige partij die dit lot heeft getroffen. In 1994 kreeg het CDA een electorale klap die absoluut slechts 1,74% onder het resultaat van de PvdA uitkwam, maar die wel een teruggang van 13,38% (tegenover 7,91% bij de PvdA) ten opzichte van de vorige stembusuitslag inhield. Ze was echter nog steeds de tweede partij in omvang.  Maar ze bleef buiten het kabinet-Kok I (1994-1998).

Meer dan twee
Wat leert ons dit alles? De belangrijkste les lijkt me negatief. Wie naar het functioneren van ons politieke bestel kijkt, moet niet alleen naar de twee grote partijen en hun omvang kijken. De grootste of tweede partij worden garandeert nog geen regeringsdeelname. Coalities bestaan meestal uit meer dan twee partijen. Ik wil daar nog eens een afzonderlijk stukje over schrijven.

Wel maakt, bijna noodzakelijkerwijze, altijd op zijn minst één van de twee grootsten deel uit van een gewoon kabinet. (Alleen in de weinige jaren waarin de grote twee samen onder de vijftig procent blijven, is het, meestal alleen theoretisch, denkbaar dat geen van beide meedoet – wie weet, komt dat moment nog eens.) Maar daarna is vooral de vraag wie van de twee grootste partijen in staat is om met andere partijen een verbond te vormen. Het gaat dan vooral om de vraag wie met wie wil. Het komt er vooral op aan hoe de verhoudingen met de nummers drie en vier (en soms nog kleinere partijen) zijn.

Het ligt eigenlijk ook niet zo voor de hand dat de twee grootste partijen samen regeren. Juist in jaren dat ze samen opvallend groot zijn, is er vaak ook flink gepolariseerd en dat leidt niet tot verhoudingen waarin vervolgens goed kan worden samengewerkt. En dat, samenwerken, lukt kennelijk beter in bredere kabinetten dan in coalities van alleen de twee grootsten, die dan ook zeer zeldzaam zijn en, zo bleek bij Lubbers III, voor de partijen geen goede vooruitzichten bij de volgende electorale krachtmeting bieden. Het afwachten is nu hoe het de partijen van Rutte II zal vergaan.

Men kan mogelijk zelfs betogen dat de aanwezigheid van twee erg grote partijen, groot naar Nederlandse maatstaven dan, helemaal niet zo gunstig is. Het idee is kennelijk vaak dat een paar grote partijen samen stabiliteit bieden. Maar dat hoeft helemaal niet zo te zijn. Ze kunnen elkaar juist ook fel bestrijden. Je zou zeggen: hoe groter beide partijen zijn, hoe minder mogelijkheden de andere partij alleen al getalsmatig heeft om een werkbare coalitie te vormen.

Onvoorspelbaarheid
Van een algehele, onontkoombare tendens tot versplintering of versnippering aan de top is momenteel geen sprake. Er is namelijk niet één vaste lijn. Soms hebben de grote twee samen de meerderheid, maar dat hoeft allerminst tot coalitievorming te leiden. En soms hebben ze die niet en dan komt het toch tot regeringssamenwerking.

Wat wel waar is, is dat de electorale situatie minder voorspelbaar is geworden. Men heeft het dan vaak over de volatiliteit van het electoraat, maar dat is misschien wel een al te onaardige manier om over de kiezers te praten. Die bepalen zelf wel hoe ze stemmen en soms kan dat onze instemming hebben en soms niet. Dus kunnen er ineens andere partijen tot de top twee behoren. Er is dus sprake van een situatie waarin er zich vrij plotseling grote veranderingen kunnen voordoen en ineens een andere partij tot de grootsten behoort. De voorspelbaarheid van vroeger is verdwenen, maar de nieuwe situatie wijkt structureel meestal weinig af van die van voorheen.

Dat is allemaal niet erg. Zolang er maar voldoende partijen zijn die serieus samen willen werken en hun verantwoordelijkheid nemen. Waar een wil is, is altijd een weg en we hebben de laatste decennia gezien dat ook lange tijd voor ondenkbaar gehouden coalities mogelijk zijn. Dat is op zich alleen maar winst.

Tot besluit
Men kan er over klagen dat de twee partijen van de huidige coalitie wel erg onbekommerd begonnen zijn aan wat ten opzichte van de gehele Staten-Generaal een minderheidskabinet is. Men kan er echter ook de positieve kanten van inzien. Er wordt nu met en tussen allerlei partijen overlegd en onderhandeld en de bereidheid om compromissen te sluiten – die uiteraard velen niet altijd bevallen, maar dat hoort nu eenmaal bij het compromis én de democratie – is groot en dat is eigenlijk alleen maar winst. Achteraf gezien had Biesheuvel in 1972 best een beroep op kleine partijen kunnen doen, maar toen zag men die vaak niet staan. Nu wel. Dat is, nogmaals, winst.

Ons politieke bestel is kerngezond. Op de rol van de twee grootste partijen moet men zich daarbij vooral niet blind staren.

Verantwoording
De gegevens voor bovenstaand stukje zijn vooral afkomstig van enkele nuttige websites. Verkiezingsuitslagen vindt men op Nederlandse verkiezingsuitslagen 1918-nu. Uiteraard vindt men die (nu) ook op Verkiezingsuitslagen van de Kiesraad en ook dat is zeker een nuttige website. Maar op de eerstgenoemde website worden ze, juist in alle grafische eenvoud, heel toegankelijk en overzichtelijk gepresenteerd. Bovendien zijn de toelichtingen vaak heel nuttig. Allerlei andere gegevens omtrent de parlementaire geschiedenis, met name ook gegevens over kabinetten, vindt men zeer handzaam op Parlement.com.

In dit stukje en de tabel komen zoveel cijfers voor dat het eigenlijk onmogelijk is dat ik niet ergens fouten zou hebben gemaakt. Ik stel het op prijs als men mij op mijn feilen wijst.

(128)

5 juni 2013

Halen, hebben en houden – Een oud antirevolutionair verwijt jegens liberalen

door Jan Dirk Snel

Laat ik het eens over iets belangrijks hebben. Een week geleden schreef de parlementsredactie van Trouw in de rubriek Plein 2 de bekende drieslag ‘Halen, Hebben en Houden’ toe aan ‘de progressieve antirevolutionair Jaap Boersma’. Men weet het, het ging hier om een typering van het al dan niet veronderstelde ‘materialisme’ van de liberale VVD. (En materialisme dient dan uiteraard in de merkwaardige onwijsgerige zin van het woord opgevat te worden, zoals er curieuselijk ook twee geheel verschillende soorten idealisme in ongeveer dezelfde trant bestaan.)

Aantjes Philips

Op dinsdag 2 oktober 1973 wijdde De Telegraaf een deel van het hoofdartikel op pagina 3 aan enkele woorden die Willem Aantjes de voorgaande donderdag in Eindhoven gesproken had. Hoe ongelooflijk wakker het betreffende dagblad ook toen al was, blijkt wel uit de belendende advertentie van een destijds nog florerende, doch inmiddels wat aan lager wal – de Omval te A. – geraakte firma, die met het internationale hoofdkwartier in de naar haar genoemde lichtstad gevestigd was.

Willem Aantjes
De toeschrijving was echter onjuist en we kunnen alleen maar bedenken dat dit wijlen Willem Breedveld of Hans Goslinga niet overkomen was. Vandaag komt de rubriek er ietwat schoorvoetend – net doen of de toeschrijving aan Boersma op zich terecht was, quod non – op terug. De geestelijk vader van de kenschetsing had gelukkig gereageerd:

‘Willem Aantjes herinnert Plein 2 eraan dat de anekdote een aanvulling verdient. De toenmalige fractievoorzitter van de ARP debatteerde ergens begin jaren zeventig met zijn opponent Hans Wiegel, toen fractieleider van de VVD. Aantjes stond voor zijn gevoel op achterstand, toen hij een ingeving kreeg: Hans Wiegel fractievoorzitter in de Tweede Kamer, Harm van Riel in de Eerste Kamer, Haya van Someren partijvoorzitter. Driemaal H. En Aantjes dacht aan een dominee uit zijn jeugd, die graag verkondigde: “Mensen? Allemaal hetzelfde: H-H-H: Halen, Hebben, Houden.”
De ARP’er richtte zich in het debat tot Wiegel, en zei toen: “Ach, we kunnen nog lang verder discussiëren, maar het komt bij de VVD toch altijd op hetzelfde neer: of het nu Hans of Harm of Haya is. H-H-H: Halen, Hebben, Houden.” Daar had Wiegel niet van terug.
Naderhand hoorde Aantjes dat VVD-voorzitter Van Someren not amused was. Hij wilde weten waarom en sprak haar aan. Ze antwoordde: “Ik ben niet kwaad op jou. Ik vond het een vondst. Maar ik ben kwaad, omdat we dit nooit meer kwijtraken.”

Daar had Haya van Someren-Downer helemaal gelijk in. Iedereen die de kop ‘Halen, Hebben en Houden: een stigma dat blijft kleven’ in Trouw ziet, weet onmiddellijk over welke partij het gaat.

Maar wanneer gebruikte Aantjes de drieslag nu voor het eerst? Was dat in een debat met Hans Wiegel en was dat in de Tweede Kamer, zoals de tekst enigszins suggereert – dat ‘ergens’ lijkt me hier op de tijdsaanduiding te slaan – maar net niet met zoveel woorden zegt, of misschien ergens – nu wel als plaatsaanduiding – tijdens een debat voor ‘de mensen in het land‘, om maar eens een geliefde zegswijze van de toenmalige liberale fractievoorzitter te gebruiken? In de Tweede Kamer kan het niet geweest zijn. Ik heb op diverse wijzen gezocht – zo, zo en aanvullend zo, maar ook nog met vele andere combinaties – en nergens heb ik een rechtstreeks debat tussen Willem Aantjes en Hans Wiegel gevonden waarin de typering voorkomt.

Onbehagen
Op donderdagavond 27 september 1973 hield Willem Aantjes een toespraak in Eindhoven. Twee dagen later berichtte het Nederlands Dagblad erover onder de spannende kop ‘AR is beslist tegen dubbele huurwaarde‘. Het ging om een voorstel van het kabinet-Den Uyl, dat toen goed vier maanden bezig was en Aantjes en zijn partij konden er zich dus niet in vinden. Maar verder had de antirevolutionaire fractieleider best goede woorden over voor het nieuwe kabinet. Ook over oppositiepartij VVD wilde hij echter nog wel iets kwijt:

‘De VVD verweet Aantjes het voeren van een campagne die sterk materialistisch getint is. “Wiegel speculeert op de materialistische gevoelens die bij alle mensen leven: halen, hebben, houden. Hij appelleert aan het egoïsme en tracht allerlei groepen tegen elkaar uit te spelen. Wiegel kweekt eerst het onbehagen aan en buit het daarna uit”, aldus mr. Aantjes.’

Aantjes zal er vast en zeker meer van gemaakt hebben dan hier staat, maar dit is een bron die toevallig beschikbaar is in de krantencollectie van de KB en mogelijk gaat het om een bericht van een persbureau. Uiteraard zullen meerdere media melding gemaakt hebben van Aantjes’ optreden in de lichtstad. Dat blijkt wel uit het commentaar dat De Telegraaf de dinsdag daarop aan de woorden wijdde. ‘Halen, hebben, houden’ stond er opvallend boven de tekst van de hoofdredactie en de beginwoorden zetten meteen de toon:

‘In zijn functie van waterdrager voor de PvdA, heeft de ARP-fractieleider, mr. W. Aantjes, degenen die zich verzetten tegen de komende verdere verzwaring van de belastingdruk – en in het bijzonder de VVD – ervan beschuldigd aanhangers te zijn van de opvatting “Halen, hebben, houden”.
Het is een onverbloemde poging de meningsverschillen over de hoogte van de belastingdruk geheel in de materialistische sfeer te brengen; de voorstanders van hoge belastingen zijn dan altruïsten, hun tegenstanders egoïsten. Het is tevens een poging om een vraagstuk met vele aspecten op een onverantwoorde wijze te vereenvoudigen.’

En zo ging de krant nog even door. Ze vond het ‘vrij goedkoop’ allerlei ‘vormen van behoeftebevrediging onder materialisme te rangschikken’. Het Nederlandse fiscaal regime week toch al af van dat in het buitenland en ook het ‘prestatiebeginsel’ mocht men niet vergeten. De individuele burger had ook nog wel het recht ‘over een redelijk deel van zijn inkomen zelf te beslissen’.

Het lijkt me niet onwaarschijnlijk dat dit commentaar aanzienlijk bijgedragen heeft aan het voortleven van Aantjes’ vondst, maar uiteraard kan ik niet overzien wat andere media er allemaal van maakten. Maar ondertussen lijkt het me wel onwaarschijnlijk dat Aantjes daar in Eindhoven met Wiegel debatteerde. Diens naam wordt in het aangehaalde bericht nergens genoemd en bovendien ging het om een ‘partijbijeenkomst.’

Staten-Generaal
In de Eerste Kamer gebruikte de D66’er Henk Rang goed twee maanden later tijdens de algemene financiële beschouwingen op dinsdag 11 december 1973 Aantjes’ drieslag, zonder overigens diens naam te noemen:

‘De maatschappij van de toekomst vereist een mens, die wat minder in termen van halen, hebben en houden denkt, en wat meer in termen van het totaal.’

Het was inmiddels kennelijk een gevleugeld woord geworden. Aan de overzijde van het Binnenhof, de Tweede Kamer, was het de DS’70-er Ruud Nijhof die de uitdrukking voor het eerst aanhaalde, maar dat was pas ruim vier jaar later, tijdens het debat over de regeringsverklaring van het kabinet-Van Agt op dinsdag 17 januari 1978. Hij lichtte het motto van het programma van zijn partij, ‘Vrijheid en solidariteit: in redelijkheid’ nader toe en bij de term ‘solidariteit’ merkte hij op:

‘Geen egoïstische zelfverzorging (halen, hebben en houden, om Aantjes te citeren), maar arbeidsdeling ten behoeve van elkaar. Op economisch gebied hoort ieder mede te werken voor de ander: nationaal en mondiaal. Gestreefd dient te worden naar een overleg-economie, naar samenwerkingsvormen tussen producenten en consumenten, overheid, werkgevers en werknemers. Voorts naar sterke aandacht voor een rechtvaardige – dus aanzienlijke meer gelijke – inkomens- en welzijnsverdeling.’

Op dinsdag 25 april 1978 citeerde voor het eerst een VVD’er, Theo Joekes, de bekende woorden. Het ging om een technisch debat in de Tweede Kamer over het betalingsverkeer met het buitenland en Joekes kon zich wel vinden in de wijze waarop de minister die de memorie van antwoord bij het wetsontwerp geschreven had, Wim Duisenberg uit het vorige kabinet, de doelstelling ervan had weergegeven:

‘Deze weergave is niet een kwestie van ‘halen, hebben en houden’.

Een heel andere context, en iets polemisch zat er eigenlijk niet in. Een aardige draai aan een bekende zegswijze, meer niet. Op dinsdag 1980 juni was het de CDA’er Ad Kaland, die tijdens een debat over economische aangelegenheden in de Eerste Kamer nog een keer opmerkte:

‘De discussie over de winsten van de oliemaatschappijen over de exportprijzen van het aardgas wekt soms de indruk dat wij allen in den lande behoren tot de categorie van “halen, hebben en houden”.’

De uitdrukking was zo bekend en algemeen geworden dat Aantjes’ naam niet genoemd hoefde te worden. Zoals we zagen, gebeurde dat slechts één keer in dit verband en ook na 1995 is dat in de Staten-Generaal niet meer gebeurd.

Exif_JPEG_PICTURE

Twee boeken over Willem Aantjes, uit 1977 en 2002. Eén boek van zijn hand, uit 2004.

Herkomst
Maar nu de herkomst. Wie was die ‘dominee uit zijn jeugd’, waar Trouw het over heeft? Dat vertelde Willem Aantjes al in 1977 aan Rob Vermaas, die toen het boekje met de heldere, maar niet zeer verrassende titel Willem Aantjes schreef. Het ging om de ‘oude dominee Leenmans’ uit Aantjes’ geboortedorp Bleskensgraaf: ‘Die man had een zeer typische trant van spreken. Zo door en door bijbels’, zegt Aantjes daar. En Vermaas vervolgt:

 ‘Leenmans, de schoonvader van ds. Abma, was Aantjes’ inspiratiebron toen hij in 1973 over de VVD sprak in termen van de drie H’s; Hans Wiegel, Haya van Someren, Harm van Riel. Ds. Leenmans placht de jonge Wim Aantjes te zeggen: ‘Mensen zijn allemaal hetzelfde: Halen, Hebben, Houden.”

Nadien heeft Aantjes dit verhaal vaker verteld, met de kleine variaties die er nu eenmaal bij horen als je op je geheugen afgaat. In 1989 zei hij in een interview met het Reformatorisch Dagblad dit:

‘”Weet je van wie ik dat had, dat ha,’ha ha?”, lacht Aantjes geheimzinnig. “Van ds. Leenmans, mijn vroegere predikant uit Bleskensgraaf. “Mensen, mensen, mensen”, zei hij dan, “praat me niet van mensen. Ik zie soms nog liever bomen dan mensen. Mensen, dat is alleen maar ha, ha, ha: Halen, hebben, houden”.’

Vanwege die bomen heb ik dit toch nog maar even volledig aangehaald. Die geven duidelijk sjeu aan het verhaal. Drie jaar later scheef Aantjes er zelf over in een artikel, ‘Onder de kansel’, over zijn geboortedorp voor Hervormd Utrecht, waarvan enkele passages via De Waarheidsvriend ook weer in het Reformatorisch Dagblad belandden. Ook daarin weer die bomen. Maar terwijl Aantjes in 1989 dacht dat het om een ‘partijraad’ ging, meende hij nu, in 1992, dat het een Kamerdebat betrof. Althans, hij heeft het over een ‘debat als Kamerlid’ – kan op zich overal – maar hij spreekt ook over een interruptie en dan lijkt men gemeenlijk op een vergadering aan het Binnenhof te doelen. Het lijkt me duidelijk dat het eurekamoment Aantjes beter voor de geest staat dan de plaats van uitspreken. En dat ligt ook voor de hand: een politicus voert zo vaak het woord in de Kamer en daarbuiten dat daar op zich weinig specifieks aan is dat zich in het geheugen vast kan zetten.

H.A. Leenmans
Dominee Hendrik Arie Leenmans (1887-1960) was bijna 62 jaar toen hij op 6 maart 1949 intrede deed in Bleskensgraaf en in Aantjes’ destijds zesentwintigjarige en dus nog relatief jeugdige ogen ongetwijfeld al een ‘oude’ man. Drie jaar later, in 1952, ging hij met emeritaat. Maar in die drie jaar moet hij dus indruk op Willem Aantjes hebben gemaakt. Hij was inderdaad de schoonvader van ds Hette Abma, die door zijn toedoen in de politiek beland was en van 1963 tot 1981 voor de SGP in de Tweede Kamer zat en daarna nog tot 1986 in de Eerste Kamer. Deze was dus zo’n anderhalf decennium een collega van Willem Aantjes, waarvan ongeveer de helft van die tijd als fractievoorzitter – Abma werd dat in 1971 54 dagen eerder.

De vader van de dichteres M. Vasalis oftewel Margaretha Leenmans (1909-1998), wier pseudoniem een latiniserende vertaling van haar werkelijke achternaam was, heette overigens ook Hendrik Arie Leenmans (1876-1954) en deze op Heinrich Rickert gepromoveerde leraar geschiedenis was een volle neef van de genoemde predikant. Beiden waren ze naar dezelfde grootvader vernoemd, die uiteraard net als hun beider vaders ook dominee was. Ook Vasalis’ grootvader heette trouwens zo. Maar terug naar haar aangetrouwde achterneef Hette Abma, als men dat tenminste zo kan zeggen, want het aardige is dat diens zoon Henk Abma bij een stukje (ook hier) waarin hij het heeft over de ‘decadentie van halen, hebben en houden’, een verklarende noot toevoegt, waarin hij schrijft:

‘Willem Aantjes gebruikte deze sindsdien gevleugelde uitdrukking om het liberalisme van de jonge Hans Wiegel te typeren. Volgens Aantjes refereerde hij aan de ‘driepunter’ uit een preek van ds H.A. Leenmans, de opa naar wie ik vernoemd ben, die van 1949 tot zijn emeritaat in 1952 predikant was in Aantjes’ geboortedorp Bleskensgraaf.’

Typische theologengedachte, zou je denken. Een drieslag? Dat moeten wel de drie punten van een klassieke quintiliaanse preek zijn! Maar helemaal onbegrijpelijk is de gevolgtrekking niet, al vermoed ik dat de drieslag zich niet goed leent voor een ouderwetse preek in goed contraremonstrantse trant. Dan had het toch eerder over ontvangen dan over halen moeten gaan.

Bekend
Aantjes had het dus van ds Leenmans, maar had die het van zichzelf? Dat denk ik niet. Wie even wat in oude kranten zoekt, ziet dat de uitdrukking al wel eerder werd gebruikt. Zo vertelt een verslaggever van het Algemeen Handelsblad in 1902 over een souper, waarbij de tafels er weliswaar ‘bijzonder verleidelijk uitzagen’, maar de deelnemers zich niet erg in wisten te houden:

‘Het was weer een algemeene aandrang toen de verzameling beneê ontbonden werd. Halen, hebben, houden, grijpen en vangen wat te vangen was, moest de leuze zijn voor elk die zijn honger en dorst gestild wou hebben.’

Halen, hebben, houden, grijpen en vangen – dat is toch welhaast een Herman van Veen-achtige cadans. Vijf jaar later oordeelde een boekenrecensent in dezelfde krant:

‘Maar behalve die vorm is er ook nog de inhoud dien de vier boeken essays gemeen hebben, de gedachte, de toon: als al gezegd — de toon van de Engelsche pastorie, de belangstelling in geestelijke en verstandelijke dingen, een zekere zachtheid en een fijne smaak, wars van rumoer en drukte-vertoon in welken vorm ook en op welk gebied, karakteriseert al deze essays, gelijk met den afkeer van (of als dat woord misschien wat te sterk is) met de onverschilligheid voor alles wat op het halen, hebben en houden van geld neerkomt.’

En kort na de bevrijding in 1945 schreef iemand in de Leeuwarder koerier over een zuster die dringend om een fiets verlegen zat:

‘Wij hopen, dat ten slotte de fiets spontaan wordt aangeboden. Wij hopen, maar toch kunnen wij niet nalaten te vragen: zou het zo vreselijk zijn, wanneer de autoriteiten gingen ingrijpen en gewoon gingen vorderen? “Duitse methoden!” zegt u. Ja, inderdaad. En Nederlands is het dan zeker, om te wachten op de spontaniteit van mensen, die leven onder het motto van de 3 H.’s: Halen, Hebben, Houden? Zie, wij zijn zo bang, dat het weer gewoon wordt, om gewoonweg niets te doen. Dat vinden wij gewoon om dol te worden.’

En drie jaar voor Aantjes’ Eindhovense toespraak maakte een ingezondenbrievenschrijver in de Leeuwarder Courant zich nog boos over de milieuverontreinging:

‘Neen, wij mensen mogen dan braaf en vroom met de beste bedoelingen over de verontreiniging praten, lucht-, water-, en andere viezigheden zijn alleen op te lossen wanneer wij verlost worden van het patroon “halen, hebben en houden”.’

Antirevolutionair
Maar we kunnen nog iets verder teruggaan in de tijd en komen daarmee opvallend genoeg weer in de buurt van Aantjes’ intenties. Het gaat om een stukje in het antirevolutionaire dagblad De Standaard van dinsdag 20 augustus 1889 over de financiën van de gemeente van Amsterdam, dat een dag later in de katholieke De Tijd aangehaald werd. Wat bleek? De Amsterdamse inkomsten waren aanmerkelijk hoger dan de uitgaven. En dat gold met name voor het onderwijs.

‘Het verschil tusschen inkomsten en uitgaven, wat het onderwijs, zoo lager als middelbaar en hooger, betreft, bedraagt dus niet minder dan pl. min. anderhalf millioen! En deze kapitale som komt schier alleen onzen liberalen medeburgers ten goede, vooral wat het lager onderwijs aangaat. Van de grievende rechtskrenking, hierin gelegen, bespeurde de overzij echter zoo goed als niets. Alles is bij haar met de bekende drie h’tjes: halen, hebben en houden gemerkt. Men ziet het weer, nu het ontwerp van minister Mackay wordt besproken. Met een ton gouds, een nietszeggend bedrag tegenover de anderhalf millioen bovenvermeld, ware in Amsterdam de bijzondere school te voldoen, zou zij eindelijk recht krijgen tegenover het zg. neutraal onderwijs; maar in het liberale kamp wordt over deze subsidie moord en brand geschreeuwd. Alles wordt opgetrommeld om daartegen te protesteeren. Een nieuw bewijs dus tot staving der liberalistische leer: alles voor zich en niets voor een ander.’

Men ziet het: hetzelfde motto gebruikt tegenover liberalen. En in beide gevallen gaat het over geld, alleen ging het bij Aantjes om een materialistische instelling in het algemeen en hier specifiek over het onderwijs. Maar de associatie is dezelfde. Nadat Aantjes zijn vileine typering van de VVD lanceerde, hekelde één van de drie H’s, Harm van Riel, de weliswaar belezen, maar niet overdadig subtiele fractievoorzitter van de Eerste Kamerfractie van de VVD, hem. Als we de commentator van de Leeuwarder Courant mogen geloven, verhaspelde hij Aantjes’ ‘grol’ tot ‘hebben, houden, halen’ – genoeg was kennelijk nog niet genoeg – maar dat zou natuurlijk ook een vergissing van de betreffende scribent kunnen zijn. Van Riel: ‘Aldus is het levenswerk van dr. Kuyper en dr. Colijn door een geborneerde dweper in een verrassend tempo geruïneerd.’ Hij besefte waarschijnlijk niet dat onder Kuypers opperhoede dezelfde typering van het liberalisme al eens was gebruikt.

Drie H’s
Overigens kende men in de Tweede Kamer eerder al wel degelijk drie H’s. Dat waren de juristen R.O. van Holthe tot Echten, Samuel van Houten en J.A. van Hamel. In 1913 dienden ze een verzoekschrift in om de burger meer vrijheid te geven in zijn keuze van medische behandeling. Ze keerden zich tegen wat het artsenmonopolie werd genoemd. Het sociaaldemocratische Kamerlid Henri van Kol prees hen daarvoor tijdens een debat op 15 april 1918. De drie rechtsgeleerden hadden ‘velen in den lande de oogen geopend voor het onrecht, dat personen die door begaafdheden die wij niet kunnen beoordeelen menschen genezen, daarvoor voor den strafrechter worde gedaagd’. En bij die gelegenheid gebruikte hij de kennelijk al gangbare typering, die in 1937 en in 1938 nog niet vergeten bleek te zijn.

Hoe men het ook keert of wendt – of conform de mogelijkheden die de uitdrukking biedt: wendt of keert – die drie h’s kleven dus onvermijdelijk aan het liberalisme. Het ging de heren inzake de geneeskunst om liberalisering.

(103)