Posts tagged ‘Tweede Kamer’

6 april 2021

De waarheid van Rutte en het leugenframe van Wilders

door Jan Dirk Snel

[Dinsdag 6 april 2021] Hoe je van vier woorden honderdduizend woorden kunt maken, zo zou je het ‘debat’ dat op donderdag 1 april in de Tweede Kamer werd gehouden, kunnen typeren. Het bleek inderdaad één langdurig aangehouden groteske grap te zijn. Al jarenlang is de direct gekozen kamer van de Staten-Generaal een voorwerp van aanhoudende zorgen. Al jaren functioneert dit weliswaar zeker niet hoogste, maar toch belangrijke orgaan in ons constitutioneel bestel, belabberd. Iedereen weet dat en je zou denken dat de lieden die in de nieuwe Kamer zijn verkozen, zich daarvan bewust zijn. En dat ze zouden pogen het voortaan beter te doen. Niets van dat alles. Het was donderdag erger dan ooit.

Psychose
Een week heeft politiek volgend Nederland in een psychose verkeerd. Vanaf het bekend worden van de vier woorden, die iedereen kent, tot aan het debat, heerste er een irrationele opgewonden sfeer. Bijna niemand dacht nog nuchter na. En ook al ben ik gelukkig niet heel ver meegegaan in de irrationele gekte, ook ik moet achteraf bekennen me veel te veel door de ongerechtvaardigde en ongegronde sfeer van valse vooronderstellingen en wantrouwen te hebben laten meeslepen. Maar toen het debat even op gang was, en de fractieleider van de VVD een zeer plausibele, maar ook door mij niet voorziene uitleg gaf, toen vielen de schellen me van de ogen. En dat zal bij elk redelijk mens het geval zijn geweest. Maar de fractievoorzitters in de Tweede Kamer besloten de gekte nog een dag voort te zetten.

Op waarheidsvinding was de Tweede Kamer ostentatief niet uit. Terwijl het debat om ongeveer een half twee begonnen was, duurde het tot negen uur ’s avonds voor Kajsa Ollongren, een der twee oud-verkenners, eindelijk aan het woord kwam. Terwijl de hoofdvraag toch bekend was. Als de Kamer daarop echt een antwoord had willen weten, had ze Ollongren direct aan het woord kunnen laten en dan daarna zelf daarop door kunnen gaan. En als de praalhanzen dan toch per se eerst hun onwetendheid hadden willen etaleren, dan hadden ze de voorzitter kunnen verzoeken in de eerste termijn geen zogenaamde interrupties toe te staan. De voorzitter kan die immers toelaten, maar evengoed verbieden en de mogelijkheid daartoe in een latere termijn geven. Als zeventien fractieleiders allen vijf minuten spreektijd krijgen, kost dat bij elkaar toch al bijna een anderhalf uur. Lang zat. Daartoe had men, gegeven de kennelijk diep gevoelde behoefte aan loze ijdeltuiterij, kunnen besluiten en daarna de oud-verkenners op de vragen in kunnen laten gaan.

Elke analyse zal moeten beginnen bij de verklaring van Kajsa Ollongren, toen de helft van het aantal – merendeels volstrekt zinloze – woorden al gevallen was. De centrale vraag luidde: wat betekenen die vier woorden ‘Positie Omtzigt: functie elders’ op het blaadje dat op donderdagochtend 25 maart 2021 door Bart Maat gefotografeerd was? Het antwoord is ook duidelijk: niemand weet dat en het doet er niet toe. Het ging om een notitie die ten behoeve van geplande gesprekken door de twee verkenners die dag met Mark Rutte en Sigrid Kaag was opgesteld door de ambtelijke staf. Daarbij gaat het om twee ambtenaren van Algemene Zaken, plaatsvervangend secretaris-generaal Bart van Poelgeest en raadadviseur Irene Jansen, die ten behoeve van de formatie zijn uitgeleend en in die werkzaamheid in dienst staan van de Tweede Kamer. Op het moment dat Kajsa Ollongren de papieren mee griste en vertrok, had ze ze nog niet gelezen. Er is dus nooit iets mee gedaan, aangezien zij en Annemarie Jorritsma kort daarna hun ontslag als verkenner indienden. Ook Kajsa Ollongren weet dus niet wat de vier woorden precies betekenen. Dat is eigenlijk het hele verhaal en meer hoefde de Kamer ook niet te weten. Kortom, dit is een onbelangrijke zaak die in tien minuten afgedaan had kunnen worden. Het kladje was feitelijk irrelevant.

Valse vooronderstelling
Maar de Kamer was wantrouwend en wilde toch meer weten. Daarbij is één vrijwel alom gedeelde vooronderstelling van belang: dat die vier woorden daar niet hadden horen te staan. Daar kwam ook de verontwaardiging vandaan. Dat er een norm geschonden zou zijn, dat er iets oneerbaars geschied zou zijn. Erachter schuilt kennelijk een naïeve zuiverheidsgedachte: dat de verkenners in overleg met fractievoorzitters alleen maar over partijen, maar niet over Kamerleden hadden mogen praten. Maar waarom eigenlijk niet? Er stond helemaal niets over op papier. Dan staat het iedereen natuurlijk vrij te praten over welk onderwerp dan ook, ook over elke persoon. Met de eerste twee van de vier woorden is evidentelijk niets mis. De situatie in het CDA, met een lijsttrekker die slechts 44,14% van de stemmen op zijn partij behaalde, en een tweede man, die 34,57% scoorde, verdiende zeker aandacht. Logisch dus dat er over de positie van Omtzigt gesproken werd en zou worden.

Kortom, van de vier woorden behoeven er nog maar twee nadere uitleg: ‘functie elders’. Elders is niet ‘hier’. Of als het over een derde gaat die zich ergens bevindt, niet ‘daar’. De vraag is dus wat er onder de huidige positie van Omtzigt verstaan wordt: die van Kamerlid of bijvoorbeeld ruimer iets als ‘in de politiek’. Elders zou fractieleider, of Kamervoorzitter, of minister kunnen betekenen, afhankelijk van hoe men die plaats bepaalt, maar ook ‘een baan buiten de politiek’, bijvoorbeeld in Europa, kunnen beduiden. Het gevoelen van de meeste mensen lijkt te zijn dat je eerder aan dat laatste moet denken: een functie buiten de actuele Nederlandse politiek. Dat ligt misschien voor de hand, maar weten doen we het niet.

Maar dan nog. De verkenners betuigden dat ze de aantekening niet kenden en er niets mee gedaan zouden hebben. Kan. Maar stel nu eens dat ze die wel aan de orde gesteld zouden hebben. Met Rutte en met Kaag. Die zouden dan toch gewoon hun eigen antwoord hebben kunnen geven? Dat zij niet gaan over een eventueel andere baan van Pieter Omtzigt, die nota bene ook nog lid van een andere fractie is? Het valt eigenlijk niet in te zien dat er ooit iets concreets uit het ter sprake brengen van de ambtelijke krabbel had kunnen komen.

Geen ambtenaar
Bovendien, dat is essentieel, Pieter Omtzigt is Kamerlid. Die gaat over het behoud van zijn eigen functie. Hij is geen ambtenaar die weggepromoveerd of overgeplaatst kan worden (zoals Sandra Palmen bij de Belastingdienst overkwam). Als iemand hem al een ‘functie elders’ zou hebben aangeboden, zou hij daar zelfstandig op hebben kunnen reageren. Hij zou zo’n aanbod bovendien onmiddellijk openbaar hebben kunnen maken. Kortom, van het stiekem wegpromoveren van Omtzigt zou nooit of te nimmer sprake kunnen zijn geweest. Niemand heeft daar de bevoegdheid of de macht toe. Die overweging haalt eigenlijk elke mogelijke relevantie van het krabbeltje uit de lucht. Er was niets fouts mee.

Dat maakte in feite ook de verontschuldigingen die Kajsa Ollongren aanbood, overbodig. Ze zei: ‘Het past verkenners niet zich te bemoeien met interne partijaangelegenheden. Ik begrijp heel goed dat uw Kamer deze kwestie heel hoog opneemt. Mijn excuses gelden ook de heer Omtzigt persoonlijk, die ik dat ook heb laten weten, en de heer Hoekstra, die ik ook persoonlijk mijn excuses heb aangeboden.’ Binnen de valse vooronderstellingen die het debat ten onrechte beheersten, valt zo’n concessie op zich wel te begrijpen. Maar strikt genomen was zo’n excuus nergens voor nodig. Waarom zouden verkenners niet over interne verhoudingen van partijen, vooral als die van belang kunnen zijn voor coalitievorming, mogen praten? Er was geen norm die geschonden was.

Een reële aanleiding tot een debat was er dus niet en de fractievoorzitters hadden er verstandig aan gedaan het verzoek van Wilders niet te honoreren. Als er niets oneerbaars is gebeurd, als de eigen verkenners geen erkende norm hebben geschonden, dan is er geen reden een debat te houden. Het toevallig deels zichtbaar geworden briefje had de menselijke nieuwsgierigheid weliswaar geprikkeld, maar het had geen enkele rol in het formatieproces gespeeld en dat had men kunnen raden of anders door enkele gerichte schriftelijke vragen kunnen achterhalen.

Niet één reden
Er kwam een tweede punt bij. Dat Mark Rutte op donderdag 25 maart iets tegen de pers verklaard had, dat bij nader inzien niet bleek te kloppen. Dat was trouwens geen aanleiding tot het debat, want dat bleek pas op donderdagmorgen 1 april, ook voor hem onverwacht. Zelf kon ik aanvankelijk ook niet goed rijmen, dat Rutte stellig verklaarde op maandag 22 maart tijdens het gesprek met de verkenners niet over Pieter Omtzigt te hebben gesproken, terwijl uit aantekeningen later bleek dat dat wel het geval was geweest.

De verklaring van Rutte is natuurlijk zeer plausibel: dat hij het zich niet herinnerde. Ook de verkenners herinnerden zich het niet. Het is uiteraard duidelijk dat hij het zich graag wel herinnerd had, omdat het zo pregnant staat tegenover de meest ongunstige, of zelfs sinistere, betekenis die velen aan de woorden ‘functie elders’ toekennen. Hij en de verkenners hadden natuurlijk met plezier verteld dat Rutte Omtzigt best als minister naast zich – ministers zijn gelijken en de premier heeft voorwaar geen hogere rang – had willen hebben. Het is ook verklaarbaar waarom hij en de verkenners zich dit kennelijk ondergeschikte punt, naar aanleiding van de vraag hoe stabiel het CDA was, niet konden herinneren. Omdat het voor de vraag hoe verder ging met de formatie, vooreerst niet van belang was. De positie van Omtzigt, die terecht besproken werd, zou daar geen belemmerende rol in kunnen spelen, dat was duidelijk. Rutte had dit punt al met Wopke Hoekstra besproken, zo heeft deze al bevestigd. En dan ligt het voor de hand dat hij zich niet herinnerde wat allang en breed duidelijk was.

Er is geen enkele reden aan de verklaring van Rutte te twijfelen. Niemand heeft daar ook maar één plausibele grond voor aangevoerd. Ik heb de hele tekst van ruim honderdduizend woorden teruggelezen en echt niemand voert ook maar één reden aan waarom er aan de woorden van Rutte getwijfeld zou moeten worden.

Leugenframe
Er is wel alle reden om te twijfelen aan de waarheidsliefde van diverse fractievoorzitters. Laten we niet vergeten dat het debat werd geopend door Geert Wilders. Hij begon aldus: ‘Mevrouw de voorzitter. Ik citeer uit het verslag van de oud-verkenners: “Je moet wat met Omtzigt: minister maken.” Getekend: Mark Rutte. Hij was het dus. Een weeklang heeft hij geprobeerd het in de doofpot te stoppen. Ik snap nu ook dat hij geen debat en geen verantwoording wilde, want hij heeft gewoon keihard gelogen. Tegenover de NOS zei hij vorige week donderdag letterlijk dat hij het bij de verkenners niet heeft gehad over de heer Omtzigt. Dat blijkt dus wel zo te zijn. De minister-president heeft dus niet alleen gelogen, maar ook geprobeerd om een uitstekend functionerend maar kritisch Kamerlid als de heer Omtzigt onschadelijk te maken, in de Kamer althans, door hem een ministerspost in het vooruitzicht te stellen.’

Wilders begon dus grof. Door Rutte als leugenaar neer te zetten. Het bleek het beslissende frame dat door andere sprekers werd overgenomen. Maar wat opvalt, is dat hij op geen enkele manier zijn harde beschuldigingen probeerde te onderbouwen. Rutte had niet geprobeerd om Omtzigt ‘onschadelijk’ te maken; een ministerspost achtte aanvaardbaar, maar hij ging daar niet over. En Rutte had inderdaad iets gezegd dat niet bleek te kloppen. Hij vergiste zich. Maar er is geen enkele aanleiding te denken dat hij loog. Liegen betreft de discrepantie tussen spreken en weten. Je weet A, maar je zegt –A. Zoiets, in ieder geval iets anders dan A. Terwijl de waarheid uitwendig, objectief vaststelbaar is, is de leugen altijd persoonlijk. Om iemand van liegen te kunnen beschuldigen, moet je dus weten dat hij iets anders zei dan hij wist. Maar nergens blijkt daar iets van. Terwijl iedereen kan zien dat als Rutte wel had geweten wat het geval was, hij dat graag verteld had.

Dat was ook het sterke van het optreden van Rutte. Bijvoorbeeld tegenover Lilianne Ploumen, die – uiteraard zonder enige onderbouwing – het onbegrijpelijk en ontluisterend noemde dat Rutte bleef ontkennen dat hij een herinnering had aan het noemen van Omtzigt: ‘En dat is wel de waarheid, mevrouw Ploumen. Ik sta hier niet te liegen.’ Op het moment dat sommigen op grond van de evidente tegenspraak tussen zijn woorden op donderdag 25 april en wat een week later uit de stukken bleek, twijfelden en hem van onwaarheid of, ongegrond, van leugen betichtten, stelde hij daar de waarheid tegenover. De waarheid als verklaring van een kennelijke ‘onwaarheid’, overigens een te groot en onhandig woord voor wat we in gewone taal een vergissing of zo noemen. Iedereen kent de gangbare definitie van waarheid: adequatio rei et intellectus. Waarheid als de overeenstemming tussen spreken en werkelijkheid. Maar eigenlijk is dat een vrij beperkte en suffige opvatting van waarheid. Tegenover deze algemene, objectief vaststelbare waarheid staat niet de leugen, zelfs niet ‘onwaarheid’ – toch al een wat gekunsteld begrip – maar eerder onwetendheid, vergissing of menselijke feilbaarheid. Een arts die jarenlang vertelde dat een medicijn tegen dit of dat behulpzaam was, maar op grond van nieuwe onderzoekingen tot de conclusie komt dat dat niet zo is, loog niet en sprak ook geen onwaarheid. Zijn kennis was alleen onjuist en feilbaar.

Liegen is de discrepantie tussen spreken en weten. Wie liegt, zegt iets anders dan hij weet. Daarom is de leugen altijd persoonlijk. Wie te goede trouw een leugen doorvertelt, liegt niet. Maar wie tegenover de leugen of de beschuldiging van liegen de waarheid vertelt, doet meer dan de overeenkomst tussen begrip en werkelijkheid verwoorden, die brengt het spreken in overeenstemming met het eigen weten. Ook dat is persoonlijk. Het is op deze tweede, hogere relatie die in het waarheidsbegrip opgesloten ligt, dat Rutte een beroep deed. Wie hem van liegen wilde beschuldigingen, moet dus aantonen dat hij iets anders gezegd had dan hij wist. Waarbij dan nog bijkwam dat hij ook nog iets anders gezegd zou hebben dan zijn belang hem ingaf.

Bezweringen
Een verdere analyse is eigenlijk niet nodig. Niemand, in al die veertien uren, heeft ook maar één poging gedaan aan te tonen dat Rutte iets anders gezegd had dan hij wist. Niemand. De eerste die in de val liep, die Wilders met zijn ongefundeerde leugenframe gezet had, was Lilian Marijnissen: ‘Ik heb in de afgelopen uren na dit debat echt gedacht: welke verdediging zou hij hier vanmiddag brengen? Met welk verhaal zou hij komen? Maar het verhaal “ik heb er geen herinneringen aan” en “ik heb naar eer en geweten de pers te woord gestaan”, dat had ik echt niet kunnen bedenken. De duidelijkste vraag die ik aan Mark Rutte zou willen stellen, is: hoe ziet hij eigenlijk zelf dat hij nog geloofwaardig verder zou kunnen?’ Ze had het niet kunnen bedenken, maar ze had het natuurlijk wel moeten bedenken, zoals ook ik het eerder had moeten bedenken. Als iets onbegrijpelijk is, is er meestal een logische verklaring. Ruttes antwoord was dan ook de genadeslag: ‘Ik lieg niet over wat mij bijstaat van dat gesprek van afgelopen maandag.’ Vanaf dat moment kon ze nog zo vaak bezweren dat ze Rutte ongeloofwaardig vond en dat hij loog, ze wist natuurlijk dat ze daar geen enkele grond voor wist aan te voeren. En dat haar eigen geloofwaardigheid vanaf dat moment aan flarden lag.

Zo is het verder gegaan. Er werd niets aangetoond, het hele debat bestond uit een litanie aan bezweringen. Toen ik de tekst van het debat doorlas, ben ik begonnen de passages waarin de woordvoerders Rutte voor ongeloofwaardig verklaarden of van liegen betichtten, te markeren. Ik had in mijn hoofd zo een soort leugenmeter op te kunnen stellen. Welke fractievoorzitter maakte zich het vaakst aan grove insinuaties en leugenachtige betichtingen schuldig? Maar het werd me te veel werk en het beeld is ook wel duidelijk. Er waren fractieleiders die voortdurend over de schreef gingen, en er waren er die het fatsoenlijker hielden, maar toch blijk bleven geven van onverklaard wantrouwen.

Al die fractievoorzitters die doorgingen met Rutte in de meest grove bewoordingen aan te vallen, weten nu dat ze bij een gesprek met het schaamrood op de kaken tegenover hem zullen zitten. Hij sprak de waarheid, zij logen er maar wat op los. Urenlang. Of zullen ze dat wel beseffen? Iedereen die het debat nog eens nagaat, weet dat diverse fractieleiders niet de waarheid spraken. Maar ook dan geldt de eis: zeiden ze bewust iets anders dan ze wisten? Of is het misschien eerder zo dat zich niet afvroegen wat ze wisten? Dat ze ook helemaal niet in inzicht geïnteresseerd waren? Omdat ze niet in termen van waarheid dachten, maar in termen van macht; hoe kan ik hier eens lekker tekeer gaan tegen Rutte? Dat laatste zou wel eens het geval geweest kunnen zijn. In normale menselijke termen zouden we het debat moeten bestempelen als een orgie van leugens, maar in de politiek gelden nu eenmaal andere waarden – macht doet gekke dingen met mensen en de Tweede Kamer is een machtsorgaan en geen antimachtsorgaan, zoals sommigen abusievelijk denken – en daarom wil ik voorzichtig zijn. Het wangedrag van de Kamer werd er ondertussen niet minder om.

Malligheid
De conclusie is duidelijk. Er lag een motie van wantrouwen die verworpen werd. Voor dat wantrouwen is tijdens het debat geen enkele harde grond aangevoerd. Dat ook een gemeenlijk gouvernementele partij als de SGP die steunde, blijft onbegrijpelijk. Je zou toch een fundering van het wantrouwen verwachten. Er werd wel een motie van afkeuring aangenomen, ingediend door Sigrid Kaag en Wopke Hoekstra. Maar ook voor die motie werd geen enkele redelijke grond opgegeven. Kaag zei: ‘Ik keur ook af dat de heer Rutte over collega Omtzigt heeft gesproken.’ Wat is dat voor malligheid? Waarom zou Rutte niet over Omtzigt hebben mogen spreken? Kortom, vrijwel de gehele Kamer heeft zich mee laten slepen door groteske dwaasheid. Men ging uit van een norm die niet bestond en een deel gaf ook nog eens uiting aan ongefundeerd wantrouwen. De Kamer liet zich als een mak schaap meetronen in het leugenframe dat Wilders opgezet had.

Er is vaak verwondering over Rutte. Dat hij een teflonlaag zou hebben. Ik denk dat ik wel weet waar die teflonlaag in bestaat: uit het feit dat hij de waarheid spreekt. Altijd. Dat hij, hoe grof zijn opponenten ook tegen hem tekeer gaan, nooit met gelijke munt terugbetaalt, maar rustig en beleefd blijft. O ja, allerlei mensen voeren nu allerlei gevallen uit het verleden aan. Rutte zegt zelf dat hij die allemaal kan verklaren. Dat denk ik ook. Als Rutte zich dingen niet herinneren kan, is dat niet omdat hij zo’n slecht geheugen heeft, maar omdat de Kamer zulke malle vragen stelt. Als je erop uit bent iemand in de hoek te zetten, dan lukt dat zo wel. Maar met waarheidsvinding heeft het niets te doen.

Naschrift
[13 augustus 2021] Ik heb de titel gewijzigd. Tot vandaag luidde die: ‘De waarheid van Rutte en het leugenframe van Wilders en de Tweede Kamer’. Wat mij bij het zien telkens weer stoorde, was de overdreven hang naar volledigheid. Met dat ‘en de Tweede Kamer’ was de balans weg. Vandaar dat hier nu boven staat, wat daar staat. Korter, maar evenwichtiger.

(212)

17 december 2015

Na het debat – Wat er mis is met de Tweede Kamer en hoe het beter kan

door Jan Dirk Snel

[Donderdag 17 december 2015] Het gaat niet goed met de Tweede Kamer. Ons politieke bestel is op zich zeer gezond, maar een van de kerninstellingen disfunctioneert helaas hevig. Gisteren in het debat dat zogenaamd over het rapport van de commissie-Oosting ging, zagen we dat nog weer eens schrijnend. Of was dat maar zo, dat wij het allemaal zagen. Terwijl de hooligans die op hetzelfde tijdstip in Geldermalsen bezig waren, nog op brede afkeuring stuitten, kregen de raddraaiers in de Tweede Kamer nogal wat publieke bijval. Wangedrag van fractievoorzitters, ook de keurige burger vindt het op zijn tijd prachtig. Als het maar een stropdas voor heeft, mag het zich in dit land rustig misdragen. De hedendaagse mentaliteit, net wat u zegt.

Waarover
Waar ging het over? Zogenaamd over het rapport van de Onderzoekscommissie Ontnemingsschikking, ook wel de commissie-Oosting genoemd, dat heel poëtisch de titel Het rapport van de Onderzoekscommissie Ontnemingsschikking draagt. Dat rapport van 431 pagina’s telt al bij al precies 131.750 woorden. Het werd een week eerder gepubliceerd. Een grondige studie zal ongeveer een week vergen. Maar dan moeten de fractievoorzittende woordvoerders in die week dus ook echt helemaal niets anders hebben gedaan. Maar goed, we weten natuurlijk hoe dat gaat in de Kamer, het ging nauwelijks concreet over dat rapport. Het zijn bepaald geen scherpe recensenten, die fractievoorzitters. Slechts een enkele keer werd naar een concrete bewering verwezen. Maar dat weet elke onderzoeker bij voorbaat: voor de Tweede Kamer schrijven is paarlen voor de zwijnen werpen.

RIMG0429Van veel reflectie gaf het debat in ieder geval geen blijk. Waar ging het rapport over? Over een deal van het Openbaar Ministerie uit 2000, ruim vijftien jaar geleden dus. En hoe de afgelopen jaren daarover op nieuwsgierige vragen informatie is verschaft.

De eerste prealabele vraag is dan natuurlijk: wat is het belang van dit thema? Is die deal van zolang geleden van enig actueel belang? Het antwoord lijkt me eenduidig. Nee, natuurlijk niet. Het is van evenveel parlementair belang als een grondig onderzoek naar de financiële handel en wandel van Cornelis Musch. Al was daar dan wel veel meer mee mis. Wat was de aanleiding? Het programma Nieuwsuur had het een en ander over uitgevonden. Leuk voor die journalisten. Of het knap werk was, of dat de informatie gewoon bij hen terechtkwam, weet ik niet. Blijkt ook niet uit rapport. Maar als journalisten een historisch programma over een detailkwestie willen maken en kijkers dat interessant vinden, ben ik wel de laatste om daar kwaad van te spreken.

Wel merkwaardig is dat de Kamer het kennelijk nodig vond om nadere vragen te stellen. Waarom, dat is onduidelijk. Of toch niet helemaal. Het geval wilde dat Fred Teeven bij die deal was betrokken en op het moment van de uitzendingen staatssecretaris was. Men wilde kennelijk weten of hij wel juist had gehandeld. Het antwoord is ook duidelijk: je kunt op allerlei manieren over die deal oordelen, of die wel verstandig was, maar hard juridisch was er kennelijk niets onoirbaars gebeurd. Teevens handelen werd keurig door zijn meerderen gedekt. En of het allemaal verstandig was, is dan een andere historische vraag, vast interessant voor juristen, voor gewone mensen echter van geen enkel belang.

Geobsedeerd
Alleen was men inmiddels geobsedeerd geraakt door de hoogte van een bepaald bedrag. Alsof dat er nog toe deed. Maar enfin. Het bleek dat het ministerie dat niet snel naar boven kon krijgen. Beetje onhandig allemaal. Het resultaat was dat toen het ministerie de gegevens uiteindelijk wel vond, minister Opstelten en staatssecretaris Teeven aftraden. Nergens voor nodig, als je het mij vraagt, maar heel handig was het optreden nu ook weer niet. En dan hoort zoiets er politiek nu eenmaal bij. Medelijden met de bewindslieden hoeft men ook niet te hebben. Ook met de gekte van de Kamer moet men een beetje handig weten om te gaan.

Zaak gesloten zou je zeggen. Maar de Kamer vond het – de motie-Slob – nodig nog een volstrekt overbodig onderzoek in te stellen. Dat leidde tot het rapport van de commissie-Oosting. Dat gaat dus over helemaal niks, dat weet ook iedereen, maar het is vast heel degelijk gedaan allemaal, laten we daar maar op vertrouwen.

Alleen wie er zo nodig over wil debatteren, dient het natuurlijk ook grondig te bestuderen. De Tweede Kamer dus. Die wilde erover praten. Niet onredelijk ook. Als je nu eenmaal een onzinnige opdracht hebt gegeven, zul je de beker ook tot de bodem toe leeg moeten drinken. Flauwekul leidt tot flauwekul, onvermijdelijk. Maar zoals we gisteren konden volgen, had de Kamer nu ook weer niet zoveel zin om echt op het rapport in te gaan. Want over het rapport ging het anders dan in algemeenheden niet erg. Het merkwaardigste was dat men ook bewindslieden had uitgenodigd. Dat was al helemaal niet nodig. De Kamer zou gewoon zelf over dat rapport kunnen spreken. Als het namelijk ergens aanleiding toe geeft, is het wel de vraag waarom de Kamer dit eigenlijk wilde weten. Mooie gelegenheid tot zelfreflectie.

Algemene zaken
Wat hadden de huidige bewindslieden op justitie, Van der Steur en Dijkhoff – de naam van de eerste komt in het rapport drie keer voor, van de laatste geen enkele keer – er te doen? Nou ja, je kunt zeggen, het rapport ging ook over het speuren naar oeroude informatie op het ministerie. Je mag natuurlijk aannemen dat men dat in het vervolg wat beter probeert te regelen. Het is ook allang bekend dat men daarmee bezig is. Maar goed, ten overvloede kun je het als Kamer nog eens laten bevestigen. Maar tijdens het debat werd Dijkhoff uitvoerig doorgezaagd over een of andere bijeenkomst, waar hij geweest was. Waarom, dat doorzagen, bedoel ik, bleef onduidelijk. Tja, er wordt politiek wel eens wat onderling afgestemd. So what? Alsof die rare vragen naar het bedrag op het ‘bonnetje’ allemaal zo van een zuiver belangeloze historische speurzin getuigden. Met het rapport had het in ieder geval niets te maken.

Maar ook de minister-president en minister van algemene zaken, Mark Rutte, was uitgenodigd. Die had er natuurlijk helemaal niets te zoeken. Het speelde niet op zijn kleine ministerie en met de zaak had hij bar weinig te maken. Als men het rapport daarop naslaat, ziet men dat ook. Maar het is een hedendaags geintje van de Tweede Kamer: overal de minister-president bijslepen. Ook hier was hij al eerder voor naar de Kamer geroepen, kan men in het rapport nalezen. De Kamer miskent daarmee doelbewust de constitutionele rol van de premier. Die heeft grondwettelijk maar twee taken: het voorzitten van de ministerraad en het leiden van zijn eigen ministerie. De minister-president hoort maar een paar keer per jaar in de Tweede Kamer uitgenodigd te worden: bij de algemene politieke beschouwingen, bij de behandeling van de begroting van zijn ministerie en als het gaat om zijn optreden in de Europese Raad. En misschien nog als blijkt dat hij ergens een grote rol bij gespeeld heeft, hetgeen hier dus niet het geval was. Wat uiteraard onverlet laat dat elke minister, als hij dat wil, zich volgens artikel 69 der Grondwet in elk mogelijk debat mag mengen.

Treurig was dan ook de motie van afkeuring die het Kamerlid Segers indiende:

‘De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
kennisnemend van de conclusies van het rapport van de commissie-Oosting;
keurt het onder de verantwoordelijkheid van de minister-president gevoerde beleid af,
en gaat over tot de orde van de dag.’

Het ‘onder de verantwoordelijkheid van de minister-president gevoerde beleid’? Ammehoela! Natuurlijk niet. Een minister-president kan zijn functie tamelijk vrij invullen en in hun boek De geheimen van het torentje. Praktische gids voor het premierschap (1993) laten Arendo Joustra en Erik van Venetië prachtig zien hoe Lubbers de regie volkomen naar zich toetrok, maar natuurlijk zijn grondwettelijk alle ministers in gelijke mate verantwoordelijk, ieder voor zijn eigen departementaal beleidsterrein. Het klopt gewoon niet, dat van die minister-presidentiële ‘verantwoordelijkheid’, maar doodleuk zijn er toch 65 Kamerleden bereid om over dat bezwaar heen te stappen en voor die motie te stemmen. Wat er dan overigens nu precies aan beleid werd afgekeurd en wat het verband zou kunnen zijn met de conclusies van het rapport, werd ook niet duidelijk. Ik weet niet wat de motie onder die ‘conclusies’ verstaat, maar als we het ruim nemen en daaronder het hele deel 4 van het rapport verstaan, dan is daarin in ieder geval geen sprake van een onder verantwoordelijkheid van de premier gevoerd beleid, dat aanleiding zou geven tot afkeuring. Segers verzint maar wat.

Rechtsstaat
Maar dat doet hij vaker. Neem nu eens de woorden waarmee het debat opende:

‘Waar dit debat over gaat, dat is het aanzien van de politiek, de geloofwaardigheid van de overheid en het vertrouwen in de rechtsstaat. Toen ik het rapport van de commissie-Oosting las, moest ik denken aan de filosoof en kerkvader Augustinus, die zich afvroeg wat er nog voor verschil is tussen de overheid en een roversbende als de staat niet is onderworpen aan de wet.
Het is de democratische rechtsstaat die het verschil maakt tussen een beschaving en een bananenrepubliek, en die democratische rechtsstaat is in het geding bij de deal die is gesloten met Cees H. en de manier waarop daarna met de waarheid en met de Kamer is omgegaan. Hoe kunnen wij van burgers vragen, zich aan de wet te houden en hun belastingaangifte naar waarheid in te vullen als de indruk wordt gewekt dat politici creatief met de waarheid kunnen omgaan, elkaar de hand boven het hoofd houden en dat mensen van justitie boven de wet staan?’

Als Gert-Jan Segers over de rechtsstaat begint, kun je er donder op zeggen dat hij die probeert te mishandelen. Zo ook hier. Hoe hij op de associatie met die roversbende van Augustinus komt, is trouwens ook een raadsel. Het Openbaar Ministerie gaf vijftien jaar geleden misschien wat te veel geld weg, maar dat ze iets roofde, kun je toch moeilijk stellen. Meneer roept maar wat. Hoe de rechtsstaat hier in het geding zou zijn, maakt hij uiteraard ook niet duidelijk, natuurlijk niet. Neem de vaste vier beginselen uit het gezaghebbende boek van Burkens c.s.: legaliteit, machtsverdeling, grondrechten, rechterlijke controle. Iets daarvan hier van toepassing? Natuurlijk niet. Maar toch loze retoriek over die rechtsstaat. Segers beseft kennelijk niet hoe gevaarlijk zulk geroep is. Wil je de rechtsstaat echt in ere houden, dan zul je er ook zorgvuldig over moeten spreken. Aan hem niet besteed.

Maar hij was niet de enige. Ook anderen – Roemer, Van Haersma Buma, Van der Staaij, Samsom, en later ook nog Wilders en Kuzu – hadden hun mond vol van die rechtsstaat en in het algemeen volstrekt fout of op zijn hoogst zonder dat ook maar enigszins duidelijk was wat het verband was. Maar behoed, of liever gehoed, moest die rechtstaat wel worden, betuigden ze in koor. Volgens Van Haersma Buma is het ministerie van Veiligheid en Justitie ‘de hoeder van de rechtsstaat’ en is een ‘goede premier’ dat vervolgens ook nog eens. Hoe schoon! En enkele tellen later liet Alexander Pechtold zich op gelijke wijze uit: ‘Twee VVD-bewindslieden op Veiligheid en Justitie zouden, samen met de minister-president, de hoeders van de rechtsstaat moeten zijn, maar een voor een en allen tezamen hebben ze de rechtsstaat en de democratie in hun hemd gezet.’ Hoe dan, vergat hij er even bij te vertellen. De heren hebben een klank opgevangen en roepen maar wat. Soms krijg je de indruk dat ze misschien gewoon de rechtsorde bedoelen. De enige die, waarschijnlijk volstrekt toevallig, het begrip een keer correct gebruikte, was Halbe Zijstra toen die betoogde dat je criminelen moet durven aanpakken en dat je daar ‘een Openbaar Ministerie met lef’ voor nodig hebt, maar, voegde hij eraan toe, ‘vanzelfsprekend wel handelend binnen de regels van de rechtsstaat.’ Juist ja, zo is de rechtsstaat bedoeld, voor de bescherming van burgers, zelfs als ze crimineel zijn. Dat is wat anders dan de fantasie van Segers en kompanen.

Beschamend
RIMG0425Het optreden van de Kamer en vooral de oppositie was, om Alexander Pechtold nog eens te citeren, ‘een beschamende vertoning’. Maar ik pas die woorden dan maar even toe op de lieden die ze verdienen. Het kuddegedrag van de huidige Tweede Kamer is ronduit treurig. Geen enkele zelfreflectie, geen enkele gedachte wijdt men aan de vraag waar men toch mee bezig is. Elke zijweg die de Kamer tegenkomt slaat ze massaal in en verdwaalt er vervolgens hopeloos.

Maar laat ik niet te triest eindigen. Het moet toch beter kunnen? Jazeker. Natuurlijk, men zou betere Kamerlieden moeten kiezen, met meer kritisch vermogen. Maar dat is wel erg gemakkelijk gezegd. Ook in deze Kamer moeten er tussen de 150 leden wel slimmere lieden aanwezig zijn. De huidige fractievoorzitters zijn immers beslist niet de schranderste exemplaren van de mensheid. Goed, Samsom lijkt me echt slim, Van der Staaij is goed bij de pinken en Klaver zou ik vooralsnog het voordeel van de twijfel willen geven, maar de beperktheid van op zich ongetwijfeld heel aardige en welwillende lieden als Roemer, Pechtold, Van Haersma Buma en Zijlstra is nogal ten hemel schreiend. Geen fantasie, geen greintje intellectuele souplesse, eendimensionaal in denken en optreden – dat wordt nooit meer wat.

Dertien
De ergste misstand is wel dat aan zo’n debat slechts dertien van de honderdvijftig leden meedoen. Daar deugt uiteraard niets van. Elk lid vertegenwoordigt op zijn eigen wijze het gehele Nederlandse volk. Elk lid dient dan ook ongehinderd aan elk debat mee te kunnen doen. Uiteraard, ik zie ook wel dat het nogal lang gaat duren als alle honderdvijftig leden spreektijd gaan nemen, maar dat is ook nergens voor nodig. Het ligt uiteraard voor de hand dat leden die op eenzelfde lijst zijn gekozen, gemeenlijk één fractie vormen en dan ook gezamenlijk één woordvoerder voor een debat aanwijzen. Maar als iemand anders in een fractie nog iets wil toevoegen of een ander standpunt naar voren wil brengen, dan zou dat ook moeten kunnen. Een fractie hoeft het immers niet altijd over alles eens te zijn en dan zouden gelijkgezinden erbinnen hun eigen woordvoerders het veld in moeten kunnen sturen. Geschiedde in vroeger dagen ook.

En dat iedereen zijn zegje moet kunnen doen, geldt vooral voor de interrupties. Daar is het al heel lang droevig mee gesteld, al verliep het onder de ervaren leiding van voorzitter Khadija Arib gisteren op zich allemaal tamelijk soepeltjes. Maar het is zo simpel. Sta bij grotere debatten – of beter nog: bij alle debatten – in de eerste termijn geen interrupties toe. Dat kan ook zo volgens het Reglement van Orde. De voorzitter kan interrupties toelaten. Het hoeft dus niet. Eerst de toespraken, van de Kamerleden en, indien aanwezig, bewindslieden, zodat iedereen ongehinderd de kans krijg tot een keurig exposé. En daarna, als alle standpunten en gezichtspunten bekend zijn, dan kan men in een twee ronde wel onderling met elkaar in debat gaan. Dan weet men ook waar de echte punten van bespreking liggen en hoeft men een spreker niet te vragen naar dingen die hij nog wilde gaan zeggen. Of dat in zo’n tweede of latere termijn per se via interrupties moet, is nog maar de vraag. Men zou ook kunnen invoeren dat Kamerleden dan gewoon om het woord vragen. En ministers uiteraard ook, want gezien hun grondwettelijke recht aan de beraadslagingen deel te nemen komt het recht te interrumperen hen zonder meer toe.

Men kan zich ook afvragen waarom dat gespreek allemaal vanaf een speciaal spreekgestoelte of, bij interrupties, vanachter dat malle hekje moet. Waarom niet vanaf de zitplaats? Of vanwaar een Kamerlid maar net rondhangt? Je kunt tegenwoordig iedereen een microfoontje opspelden zodat iedereen vanaf elke willekeurige plek kan spreken. En anders zet je her en der maar wat meer microfoons neer. Valt technisch allemaal zo te regelen (net als individueel electronisch stemmen, voeg ik er nog maar aan toe).

Boetekleed
Dat is dus het essentiële. In zo’n tweede of latere ronde zou dus echt iedereen mee moeten kunnen doen. Het is toch onbestaanbaar dat er geen slimmere lieden in zo’n zaal zitten, die met enkele gerichte vragen de zaak even op het goede spoor kunnen helpen? Het is toch niet zo moeilijk om de bellenblazerij van Segers en andere types even door te prikken? Maar nu gebeurt het niet. Als dat wel het geval was, zou het debat al heel wat meer dynamiek krijgen. Dan zouden ook fractievoorzitters werkelijk het debat aan moeten gaan over de vraag waar het nu eigenlijk over gaat. Dan is het afgelopen met de ingestudeerde toneelstukjes.

RIMG0413En dan zou bijvoorbeeld ook het debat met Fred Teeven aangegaan kunnen zijn. Want dat was wel het wonderlijkst, het ging grotendeels over het Kamerlid Teeven, maar hij sprak niet en hem werd niets gevraagd. Dat is ronduit absurd. In 1909 werd het Kamerlid Abraham Kuyper tijdens de algemene beraadslagingen gevraagd naar bepaald handelen tijdens zijn jaren als minister van Binnenlandse Zaken (1901-1904) – de lintjesaffaire, men zal zich dat nog wel herinneren. Het was bij die gelegenheid, op 18 november 1909 dat hij de befaamde woorden uitsprak dat het boetekleed de man niet ontsiert – Jan de Bruijn schreef er een heerlijk boekje over. Toen kon de Kamer wel het debat met een medelid aangaan, toen kwam wel iedereen die een duit in het zakje wilde doen aan het woord. Maar nu gebeurt dat allemaal niet. Het tekent de treurige staat van de Kamer.

En daar valt dus snel iets aan te doen. Niet meer die huidige regels. Minder regels vooral, maar wel een gezaghebbende voorzitter met gezag én bevoegdheden. Het zou uiteraard nog even wennen zijn, een kwestie van uitproberen vooral ook. Maar het zou de eerste stap zijn op weg naar herstel van gelijke rechten voor alle Kamerleden.

Ernstig
Je kunt er natuurlijk over twisten hoe ernstig de toestand is. En of het erg is dat de Tweede Kamer keer op keer in onbenulligheid verdwaalt. Misschien valt het mee. Dit soort vertoon van wangedrag is natuurlijk niet de dagelijkse gang van zaken, dan doet men gewoon het alledaagse, saaie, taaie wetgevende werk waar het om gaat. En doordat andere instellingen – de regering, de Eerste Kamer, de Raad van State en ga zo maar door – wel goed functioneren, wordt het disfunctioneren van de Tweede Kamer wel opgevangen. Ons systeem is met zijn verdeling van taken krachtig. Terwijl Kamerleden zich misdragen, werken ambtenaren plichtsgetrouw door.

Maar ik zou de ernst toch niet willen onderschatten. Het publieke effect is bepaald niet zonder gevaar. Natuurlijk, het gaat om rituelen. De oppositieleden die voor die malle motie stemden, menen natuurlijk geen moment wat daarin staat. Niemand meent oprecht dat Rutte, Van der Steur of Dijkhoff serieuze fouten hebben gemaakt. Het is maar spel. De minister-president gaat ritueel door het stof, de Kamer dient ritueel een motie van afkeuring in die het toch niet haalt, en men gaat over tot de orde van de dag. Maar vanwaar al die onoprechtheid? Rituelen zijn nuttig, als ze de wezenlijke functies van ons parlementaire bestel maar ondersteunen. Maar deze ondermijnen die juist. Dat is een slechte zaak.

Er zijn namelijk mensen die het echt niet doorzien. Die dus nu werkelijk denken dat er van alles mis was op justitie. En die nu denken dat men elkaar daar in Den Haag de hand weer boven het hoofd heeft gehouden. Ook keurige twitteraars denken dat er gelogen is. Al besef ik ook dat dat bij sommigen ook weer een rituele invulling is van de rol die ze voor de plichtsgetrouwe burger zien weggelegd. Dat leren ze zo van de televisie. Maar sommigen geloven het ook. Dat veronderstelde ‘liegen’ valt nergens uit het rapport op te maken, staat er ook nergens, maar enkele minder oplettende lieden hebben ondertussen toch maar die indruk gekregen.

Zelfreflectie
En daarom is het tijd voor een Kamer die aan serieuze zelfreflectie gaat doen. Waar leden die wel in staat zijn om kritisch waar te nemen, de kans krijgen om de opzetjes van het huidige type fractievoorzitters door te prikken en hun loze spelletjes te ontregelen. Het moet echt beter.

Het kan ook beter.

(193)