Posts tagged ‘Staten-Generaal’

10 januari 2014

De grote twee – Over de omvang en het relatieve belang van de grootste politieke partijen

door Jan Dirk Snel

Het kabinet-Rutte II is een ongewoon kabinet. Nu is elk kabinet dat wel. Het hangt er maar net vanaf vanuit welk perspectief je het bekijkt. Het buitengewone van het huidige kabinet is dat het bestaat uit een coalitie van de twee grootste politieke partijen. Helemaal uitzonderlijk is dat niet, maar erg vaak kwam het bepaald niet voor.

En de grote twee dan?
In mijn vorige stukje betoogde ik dat er in de Tweede Kamer gemiddeld altijd iets meer dan tien partijen aanwezig geweest zijn. Van versplintering in de zin van een proces, waarbij het dus om een structurele toename gaat, is geen sprake. Wie de gebruikelijke toestand sinds de invoering van de evenredige vertegenwoordiging in 1918 zo wil noemen, ga zijn gang, al is het taalgebruik dan in ieder geval niet erg nauwkeurig en roept het al gauw misverstanden op.

Maar er kwamen wel vragen op. Ik keek naar het aantal partijen en onder de meer dan tien partijen die gemiddeld in de Tweede Kamer aanwezig zijn, zijn altijd ettelijke kleintjes. Maar hoe zit het nu als je naar de top van het partijenlandschap kijkt? Zo stelde Leo Lewin op Twitter de vraag: ‘Hoeveel procent van de zetels kregen de twee grootste partijen? Geeft dat een ander beeld van de versnippering van de TK?’ Ook Karel Martinet maakte een gelijksoortige opmerking: ‘Denk dat de kleintjes vroeger klein waren en bleven, met stabiele achterbannen. Met 2 partijen toen stevige meerderheden’.

Die vraag was ook al bij mezelf opgekomen en in dit stukje wil ik daar op ingaan. Eerst maar eens een overzicht. In de onderstaande tabel heb ik de resultaten weergegeven van de twee partijen die bij de 27 verkiezingen sinds 1918 de grootste werden. Ik heb daarbij zowel percentages als zetelaantallen opgegeven. De zetelaantallen zeggen uiteraard meer over de concrete machtsverhoudingen in de Tweede Kamer, maar de percentages geven de electorale bewegingen beter weer. Bovendien is de Tweede Kamer in 1956 van honderd naar honderdvijftig zetels uitgebreid. Vergelijken van ontwikkelingen in de loop van de tijd werkt beter als men naar de percentages kijkt. En maakt trouwens ook internationale vergelijkingen gemakkelijker, maar dit terzijde.

GroteTweeTot 1956 telde de Tweede Kamer 100 leden. Vanaf dat jaar waren dat er 150.
Paars: partij doet in de daarop volgende periode niet mee aan een kabinet.
Rood: de twee groten blijven onder de 50%.  Groen: de twee groten halen samen meer dan 60%.

Dertig procent
Het eerste dat dan opvalt, is dat politieke partijen in Nederland nooit heel erg groot worden. Toen Angela Merkel met de Union (CDU en CSU samen) op 28 september 2005 slechts 35,2% van de stemmen behaalde, zat ze er die avond verslagen bij. Het leek een beetje op de ‘overwinningsnederlaag’ van Wim Kok uit 1994. Zoals hij met het tot op dat moment een na slechtste resultaat van zijn partij – alleen in 1967 was het nog erger geweest – minister-president werd, werd zij toch nog de Bundeskanzlerin van een Große Koalition.

Maar zo ongeveer het cijfer dat in Duitsland voor de grootste partij als erg laag beschouwd wordt, geldt in Nederland als een ongehoorde overwinning. Onder leiding van Ruud Lubbers haalde het CDA in 1989 35,51% van de stemmen, goed voor 54 zetels, een prestatie die daarna nooit geëvenaard is. Toen zijn partij in 1986 met het tweede percentage op de lijst, 34,59%, ook al 54 zetels behaalde, viel dat overigens nog meer op. Slechts zestien keer sinds 1918 haalde een Nederlandse politieke partij meer dan dertig procent van de stemmen en dat gebeurde bij slechts elf verkiezingen.

In 1918 wist de RKSP 30,3% van de stemmen (30 zetels) te halen. Dat zou haar nooit meer lukken, ook al haalde ze in 1922 met een lager percentage toch twee zetels meer, maar haar opvolgster, de KVP, begon in 1946 goed met 30,81% en ook 30 zetels. In 1948 deed ze het met 31,04% (32 zetels) nog beter. In totaal zouden de katholieken zes keer boven de dertigprocentgrens uitkomen. De verbrede opvolger, het CDA, slaagde daar nog vier keer in, zodat de (overigens in diverse opzichten wat twijfelachtige) lijn RKSP-KVP-CDA dus tien keer (1918, 1946, 1948, 1956, 1959, 1963, 1977, 1981, 1986, 1989) een naar Nederlandse verhoudingen uitzonderljk omvangrijk electoraat wist te bereiken.

Polarisatie
De andere zes bovenmaatse successen waren voor de PvdA. Die partij was het resultaat van een fusie en dus vanaf het begin beduidend groter dan haar belangrijkste voorganger, de SDAP, maar pas in 1956 wist ze onder Drees de dertigprocentdrempel te overschrijden. Dat lukte haar in totaal zes keer (1956, 1959, 1977, 1982, 1986, 1989). De grootste en altijd nog de beroemdste overwinning was die uit 1977 met 33,83% van de stemmen (53 zetels), maar die uit 1986, 33,27%, goed voor 52 zetels, deed er niet veel voor onder en met 31,88% wist men dat zetelaantal drie jaar later vast te houden. Dat percentage was weliswaar net iets lager dan de 32,69% uit 1956, maar in dat jaar leverde dat niet meer dan 50 zetels op.

De electorale resultaten van de KVP uit de jaren veertig en vijftig kunnen ongetwijfeld worden toegeschreven aan de relatieve groei van het katholieke volksdeel en aan de vaste hand waarmee het episcopaat de beminde gelovigen de politieke weg wist te wijzen.

Wat verder opvalt, is dat bij vijf verkiezingen de twee grootste partijen tegelijk de magische grens overschreden. Dat waren kennelijk ook jaren van polarisatie. In 1956 werkten PvdA en KVP nog wel samen, maar de verhoudingen waren na het bisschoppelijk mandement van 1954 bepaald niet altijd vriendelijk en na het einde van het laatste kabinet-Drees ging de strijd nog door, zoals 1959 laat zien.

Vervolgens gingen PvdA en CDA in 1977, 1986 en 1989 vrijwel gelijk op. Het waren in feite de laatste jaren van de grote polarisatie en meteen ook het einde ervan. In 1977 en 1986 speelde een zittende premier een hoofdrol: Kies de minister-president, was de leuze van de PvdA in het eerstgenoemde jaar en 1986 wilde Lubbers graag zijn karwei afmaken en in 1989 was hij daar kennelijk nog niet geheel mee klaar, maar toen gingen de twee partijen vervolgens samen één kabinet vormen. Het markeerde in veel opzichten een eindpunt.

Meerderheid of niet
Maar laten we nog eens nader naar het overzicht van de 27 verkiezingen kijken. Wat zien we dan? Allereerst dat de twee grootste partijen samen meestal een duidelijke meerderheid van het electoraat achter zich wisten te krijgen. Dat was in 1918 al zo en dat was in 2012 nog zo. Of moet ik zeggen: weer zo?

Negentien van de zevenentwintig keer tekende zich een duidelijke meerderheid af. In het interbellum lag die meestal een eindje boven de vijftig procent. Na de oorlog kwam die meer richting de zestig procent te liggen. Dat kwam vooral omdat de PvdA als fusiepartij veel meer aanhang had dan de vooroorlogse SDAP. (Het is een cliché dat de Doorbraak mislukt is, maar dat is dan vooral afgemeten aan de te hooggespannen verwachtingen. Ze had wel degelijk effect.) Het hoeft ook niet te verbazen dat de vijf verkiezingen waarbij de zestigprocenthorde genomen werd, precies de hierboven al behandelde vijf waren, waarin beide grote partijen meer dan dertig procent haalden. Na 1989 was het gedaan met dergelijke eclatante uitslagen. Als de twee grootsten sindsdien samen een meerderheid hebben, ligt die weer meer op het vooroorlogse niveau.

Maar veel interessanter zijn de zeven gevallen, waarin de grootste twee samen geen meerderheid bereikten. In 1922 bleven RKSP en SDAP weliswaar op 49,24% steken, maar ze hadden samen wel een (bepaald niet overvloedig gebruikte) meerderheid in de Tweede Kamer. De invoering van het vrouwenkiesrecht bezorgde de SDAP dat jaar kennelijk een dipje en ook de RKSP viel electoraal heel licht terug. In het omineuze jaar 1933 hadden ze samen precies de helft van de zetels, doordat ze allebei iets verloren.

Jaren zestig
Interessanter zijn de naoorlogse gevallen. Het neerwaarts passeren van de meerderheidsgrens in 1971 en 1972 valt vrij gemakkelijk te verklaren. Al in 1967 deden KVP en PvdA het niet goed bij de verkiezingen. Het waren de roerige jaren zestig met nieuwe bewegingen en partijen, ontwikkelingen die zoals bekend vooral in de tweede helft van dat decennium echt op gang kwamen (en zich voor de rest vooral in de jaren zeventig afspeelden). De PvdA wist de schokken redelijk op te vangen: terwijl de christenradicalen de KVP (en voor een klein deel de ARP) vaak verlieten en uitzwermden naar de PPR en elders, wist de PvdA Nieuw Links met veel kunst- en vliegwerk te incorporeren. In 1971 en 1972, de verkiezingen die tot het roemruchte kabinet-Den Uyl leidden, deed de partij het zelf niet geweldig, maar ze krabbelde toch weer wat op.

Maar de neergang van de KVP leek onafwendbaar. Daar maakte het samengaan van de KVP met de ARP en de CHU, althans voorlopig, een eind aan. Het CDA stabiliseerde de inmiddels tot stand gekomen verhoudingen en wist daarna zelfs nog iets te groeien. Het was een kwestie van polarisatie en tegelijk van antipolarisatie. Van Agt boog niet naar rechts en niet naar links en Lubbers presenteerde zich vervolgens als de pragmatische Macher die boven het gekrakeel uitsteeg.

Als de twee grote partijen, die vanaf 1986 samen groter waren dan ooit eerder het geval was geweest – de hoogste percentages zijn uit 1986 en 1989 en in beide jaren hadden ze samen 106 zetels – in 1989 een coalitie gaan vormen, verandert dat het politieke landschap definitief, ook al zagen weinigen dat aanvankelijk aankomen. Maar in 1994 blijkt het in volle omvang. Zowel PvdA en CDA doen het beroerd bij de verkiezingen: samen nog maar 43,20% van de stemmen. Dat was nog niet eerder gebeurd.

Onrustig
En daarna zien we een zeer afwisselend beeld. In 1998 behoort het CDA niet meer tot de grote twee. Voor het eerst wordt de VVD de tweede partij in het land, om maar eens een wiegeliaanse uitdrukking te gebruiken. Samen hebben de twee grootsten nu wel weer een vanouds gebruikelijke meerderheid. Het CDA komt bij de volgende drie verkiezingen nog weer terug als grootste partij om daarna weer uit de top-twee te verdwijnen.

In 2002 doet zich een novum voor. Vanuit het niets wordt een volstrekt nieuwe partij, de LPF, nummer twee, zij het wel met een stemmenpercentage dat voor een tweede partij nog nooit zo laag is geweest: 17%. Ze verdwijnt bijna net zo snel als ze is opgekomen. De twee grootsten hebben dat jaar samen maar iets meer stemmen dan het tweetal uit 1994: 44,93%. Een jaar later ziet alles er al weer veel normaler uit, als vanouds, zou men welhaast zeggen. CDA en PvdA halen in 2003 samen 55,88% procent. Maar in 2006 duiken ze, nog wel de grootste twee, weer onder de helft. In 2010 is het duo uit 1998, de VVD en de PvdA, weer terug, maar nu met een nog nooit gekend laagterecord: 40.12%. In 2012 hebben ze echter weer een klassieke meerderheid.

Wat blijft hieruit? Ten eerste dat het beeld veel onrustiger is geworden. Soms hebben de grootste twee samen een ouderwetse meerderheid, dan weer duiken ze daaronder. Bovendien voegen zich ineens andere partijen onder de grote twee: de VVD in 1998, 2010 en 2012 en de LPF in 2002. Maar de belangrijkste ontwikkelingen doen zich kennelijk buiten beeld voor. De VVD was al sinds de jaren vijftig aan een lange structurele, zij het fluctuerende opmars bezig. In 1959 haalde ze de ARP als derde partij voorgoed in en pas in 2006 zou ze voor het eerst weer onder plaats drie uitkomen. Voor D66, bij zeven verkiezingen tussen 1977 tot 1998 constant op plaats vier, geldt dat fluctueren of zelfs jojoën nog veel meer – het is sinds jaar en dag de toevlucht voor de redelijke, genuanceerde kiezer die het even niet meer weet – maar ook die partij was soms tamelijk groot (en dan ineens weer heel klein). En voor de laatste jaren zijn de opkomst van de SP (in 2003 nummer vier, in 2006 nummer drie en in 2012 weer op plaats vier) en de PVV (2010 en 2012 de derde in omvang) nog belangrijker. Ik moet daar nog maar eens een afzonderlijk stukje over schrijven, want juist bij de plaatsen drie en vier (en soms nog lager) liggen waarschijnlijk de interessantste ontwikkelingen.

Alleen samen
Maar dit stukje wordt toch al lang genoeg en daarom wil ik me hier tot de positie van de grootste twee sinds 1918 beperken. Er resteert namelijk nog één belangrijke vraag. Is de omvang van de twee grootste politieke partijen voor kabinetsvorming eigenlijk wel zo van belang? Ligt het eigenlijk wel erg voor de hand dat de twee grootste politieke partijen samen regeren? En doen ze dat nu wel of niet geregeld? En als ze het doen, hoe dan?

En zo kom ik uit op waar ik mee begon. Het antwoord moet dan luiden dat het tamelijk zeldzaam is. In feite kennen we slechts drie kabinetten die uitsluitend door de twee grootste partijen gevormd werden: Beel I (1946-1948), Lubbers III (1989-1994) en het huidige Rutte II (sinds 2012).

Schermerhorn

Willem Schermerhorn (1894-1977), de laatste liberale én hervormde premier voor Mark Rutte. Bij de aanvang van zijn koninklijke kabinet in 1945 was hij vrijzinnig-democraat. Toen zijn taak in 1946 voltooid was, was hij lid van een partij die het socialisme hoog in het vaandel had. Hoewel hij zelf rooms noch rood was, vormde zijn kabinet de opmaat voor een dozijn jaren rooms-rode samenwerking. In maart verschijnt zijn biografie door Herman Langeveld. Foto: Collectie Spaarnestad photo/NA/Anefo/Eric Koch.

In zekere zin zou je misschien nog een kabinet eerder kunnen beginnen, bij Schermerhorn (1945-1946). Het curieuze is dat toen dat kabinet in juni 1945 aantrad, de ministers nog tot een groot aantal partijen behoorden: RKSP, SDAP, VDB, ARP en CHU. Minister-president Schermerhorn was lid van de VDB en in die zin zou je hem mogelijk nog eerder dan de partijloze Cort van der Linden (1913-1918) de laatste liberale premier voor Mark Rutte kunnen noemen. Maar toen het kabinet op 3 juli 1946 ontslag werd verleend, behoorden de meeste ministers inmiddels tot slechts twee partijen. De RKSP was inmiddels KVP geworden, maar daar was een hoge mate van continuïteit. Maar de bewindslieden die lid waren van de SDAP, VDB en CHU, waren ondertussen toegetreden tot de nieuwe opgerichte PvdA. Maar een goed voorbeeld is dit toch niet. Minister Meynen was nog steeds lid van de ARP, al zat hij niet namens zijn partij in het kabinet. Er waren bovendien ook nog steeds drie partijloze ministers, maar bewindslieden zonder partijbinding kwamen tot het kabinet-Zijlstra (1966-1967) voor. Schermerhorns ‘koninklijke’ of noodkabinet was duidelijk niet parlementair.

Het eerste kabinet sinds de invoering van de evenredige vertegenwoordiging dat echt op de twee grootste partijen steunde, was dus Beel I, al hadden ook daar uiteraard partijloze ministers zitting in. Het maakte in 1948 plaats voor een kabinet op brede basis, waarbij de KVP en PvdA hun samenwerking dus wel voortzetten, maar nu met meer partijen erbij. En dan duurt het tot 1989 voor er weer een kabinet van de twee grootste partijen alleen tot stand komt, Lubbers III. Over de gevolgen heb ik het al gehad. Electoraal liep die exclusieve samenwerking niet best af voor beide partijen. Het is nu het afwachten wat de gevolgen voor de twee deelnemers aan het huidige kabinet Rutte II zullen zijn. Het blijft een zeldzaamheid, zo’n kabinet van alleen de grootste twee.

Met anderen
Kabinetten waarin de twee grootste partijen wel samenwerkten, maar waarbij ook andere partijen bewindslieden leverden, komen ondertussen veel meer voor. Pas in 1939 leverde de SDAP voor het eerst ministers. De kabinetten De Geer II (1939-1940), Gerbrandy I (1940-1941) en Gerbrandy II (1941-1945) kenden behalve ministers uit RKSP en SDAP ook bewindslieden uit de ARP, de CHU en de VDB, al deed de antirevolutionair Gerbrandy tegen de zin van zijn partij in mee. En er waren partijlozen, maar die ga ik hierna niet telkens meer noemen, omdat zoiets nog jarenlang vanzelf sprak.

In februari 1945 stapten de SDAP’ers uit het kabinet, zodat ze niet in Gerbrandy III zaten, maar al vanaf juni 1945 werkten de grote twee, rooms en rood, weer samen en dat bleef zo tot 1958. In de kabinetten Drees I (1948-1951) en Drees II (1951-1952) werden ze vergezeld door ministers uit de CHU en de VVD. Aan Drees III (1952-56) en Drees III (1956-1958) deden de ARP en de CHU mee. Als de grote twee zeven jaar later tussentijds het kabinet Cals (1965-1966) vormen, levert ook de ARP bewindslieden.

In al deze gevallen was deelname van andere partijen voor een pure meerderheid niet nodig. Maar er waren soms wel goede andere redenen om voor een bredere basis te kiezen, zoals in 1948 het afhandelen van de Indonesische kwestie en het voorbereiden van een noodzakelijke grondwetswijziging, waar meer dan de helft van de Staten-Generaal voor nodig is. Ook aan Van Agt II (1981-1982) deed een extra partij, D66, mee, hoewel dat ter wille van de meerderheid in de beide Kamers niet nodig was. Maar men had deze winnaar – 11,07%, 17 zetels, bij de laatste verkiezingen – er kennelijk graag bij.

Anderen nodig
Op zich zou men kunnen denken dat ook voor de vorming van Kok II (1998-2002) geen derde partij nodig was. De grote twee, PvdA en VVD, hadden met 53,67% van het electoraat en 83 zetels immers een comfortabele, zij het niet overgrote meerderheid in de Tweede Kamer. Toch lag het voor de hand dat men D66 er nog steeds graag bij wilde hebben. In de Eerste Kamer hadden PvdA en VVD immers geen meerderheid: slechts 37 zetels bij aantreden en vanaf een jaar later slechts 34. D66 zorgde ervoor dat men in beide Kamers wel een meerderheid had. Men was toen duidelijk minder achteloos dan de kabinetsvormers van 2012 dat waren.

Het valt op dat de twee grootste partijen in de helft van de zes naoorlogse gevallen waarin ze samen geen meerderheid behaalden, samen toch een kabinet vormden. Bij de verkiezingen van 1972 haalden PvdA en KVP gezamenlijk slechts 44,90% van de stemmen, 70 zetels. Toch haalden ze er meer partijen bij dan strikt noodzakelijk was. (Ja, ik weet hoe vreemd die zin historisch feitelijk klinkt, maar juist daarom.) Alleen aan de ARP (nummer vier) met 8,84% van de stemmen en 14 zetels, zouden ze genoeg hebben gehad. Maar PvdA, PPR (nummer vijf) en D66 (nummer acht) hadden nu eenmaal een Progressief Akkoord gesloten en de PvdA wilde zonder hen beslist geen kabinet vormen. De andere twee, KVP en ARP, mochten genadiglijk aanschuiven: het moest rood met een wit randje worden. (Aan groen dacht toen kennelijk nog niemand – dat kwam pas kort daarna.)

Bij de vorming van Balkenende I (2002-2003) hadden de twee grootste partijen, CDA en LPF, een gezamenlijk percentage van 44,93%, dat nog een zetel minder dan het vorige geval opleverde: 69. Daar haalde men dus de VVD bij. En ook voor Balkenende IV (2007-2010) kwamen de grote twee met 74 zetels op grond van 47,70% van de stemmen net een paar zetels tekort. Daar werd dus de CU (nummer zeven) bij betrokken.

Niet meedoen
Lang niet altijd betekent een goede verkiezingsuitslag ook regeringsdeelname. Er zijn nogal wat gevallen waarin de tweede of zelfs de eerste partij buiten de vorming van een nieuw kabinet bleef. De SDAP bleef tot 1939 buiten elke deelname aan de regering.

Vanaf de oorlog overkwam dat ook de PvdA regelmatig. In 1959 behaalde ze met 30,36% een uitstekende uitslag, maar ze bleef buiten het kabinet-De Quay (1959-1963). Ook na de overigens veel mindere resultaten van 1963 moest ze wachten, maar uiteindelijk deed ze in 1965 toch mee met het kabinet-Cals (1965-1966). In 1967 werd ze tweede, maar het kabinet-De Jong (1967-1971) werd zonder haar gevormd.

Drie keer zelfs werd de PvdA de grootste partij zonder dat dat tot kabinetsdeelname leidde. In 1971 werd het kabinet-Biesheuvel I (1972) zonder haar gevormd, in 1977 het kabinet Van Agt I (1977-1981) en in 1982 het kabinet Lubbers I (1982-1986). In 1986 bleef ze na het op een na beste verkiezingsresultaat, 33,27% van de stemmen, 52 zetels, oppositiepartij, terwijl het kabinet-Lubbers II met de bijna half zo grote VVD, nummer drie in de uitslag, doorging. In 2003 bleef ze als tweede partij in grootte buiten Balkenende II (2003-2006) en in 2010 buiten Rutte I (2010-2012).

Kortom, het is niet alleen van belang of je als partij groot bent of misschien zelfs wel de grootste, het is ook de vraag of anderen met jou willen regeren of dat jij dat zelf eigenlijk wel serieus wilt, zoals het overvragen uit 1977 laat zien. Maar de PvdA is toch net niet de enige partij die dit lot heeft getroffen. In 1994 kreeg het CDA een electorale klap die absoluut slechts 1,74% onder het resultaat van de PvdA uitkwam, maar die wel een teruggang van 13,38% (tegenover 7,91% bij de PvdA) ten opzichte van de vorige stembusuitslag inhield. Ze was echter nog steeds de tweede partij in omvang.  Maar ze bleef buiten het kabinet-Kok I (1994-1998).

Meer dan twee
Wat leert ons dit alles? De belangrijkste les lijkt me negatief. Wie naar het functioneren van ons politieke bestel kijkt, moet niet alleen naar de twee grote partijen en hun omvang kijken. De grootste of tweede partij worden garandeert nog geen regeringsdeelname. Coalities bestaan meestal uit meer dan twee partijen. Ik wil daar nog eens een afzonderlijk stukje over schrijven.

Wel maakt, bijna noodzakelijkerwijze, altijd op zijn minst één van de twee grootsten deel uit van een gewoon kabinet. (Alleen in de weinige jaren waarin de grote twee samen onder de vijftig procent blijven, is het, meestal alleen theoretisch, denkbaar dat geen van beide meedoet – wie weet, komt dat moment nog eens.) Maar daarna is vooral de vraag wie van de twee grootste partijen in staat is om met andere partijen een verbond te vormen. Het gaat dan vooral om de vraag wie met wie wil. Het komt er vooral op aan hoe de verhoudingen met de nummers drie en vier (en soms nog kleinere partijen) zijn.

Het ligt eigenlijk ook niet zo voor de hand dat de twee grootste partijen samen regeren. Juist in jaren dat ze samen opvallend groot zijn, is er vaak ook flink gepolariseerd en dat leidt niet tot verhoudingen waarin vervolgens goed kan worden samengewerkt. En dat, samenwerken, lukt kennelijk beter in bredere kabinetten dan in coalities van alleen de twee grootsten, die dan ook zeer zeldzaam zijn en, zo bleek bij Lubbers III, voor de partijen geen goede vooruitzichten bij de volgende electorale krachtmeting bieden. Het afwachten is nu hoe het de partijen van Rutte II zal vergaan.

Men kan mogelijk zelfs betogen dat de aanwezigheid van twee erg grote partijen, groot naar Nederlandse maatstaven dan, helemaal niet zo gunstig is. Het idee is kennelijk vaak dat een paar grote partijen samen stabiliteit bieden. Maar dat hoeft helemaal niet zo te zijn. Ze kunnen elkaar juist ook fel bestrijden. Je zou zeggen: hoe groter beide partijen zijn, hoe minder mogelijkheden de andere partij alleen al getalsmatig heeft om een werkbare coalitie te vormen.

Onvoorspelbaarheid
Van een algehele, onontkoombare tendens tot versplintering of versnippering aan de top is momenteel geen sprake. Er is namelijk niet één vaste lijn. Soms hebben de grote twee samen de meerderheid, maar dat hoeft allerminst tot coalitievorming te leiden. En soms hebben ze die niet en dan komt het toch tot regeringssamenwerking.

Wat wel waar is, is dat de electorale situatie minder voorspelbaar is geworden. Men heeft het dan vaak over de volatiliteit van het electoraat, maar dat is misschien wel een al te onaardige manier om over de kiezers te praten. Die bepalen zelf wel hoe ze stemmen en soms kan dat onze instemming hebben en soms niet. Dus kunnen er ineens andere partijen tot de top twee behoren. Er is dus sprake van een situatie waarin er zich vrij plotseling grote veranderingen kunnen voordoen en ineens een andere partij tot de grootsten behoort. De voorspelbaarheid van vroeger is verdwenen, maar de nieuwe situatie wijkt structureel meestal weinig af van die van voorheen.

Dat is allemaal niet erg. Zolang er maar voldoende partijen zijn die serieus samen willen werken en hun verantwoordelijkheid nemen. Waar een wil is, is altijd een weg en we hebben de laatste decennia gezien dat ook lange tijd voor ondenkbaar gehouden coalities mogelijk zijn. Dat is op zich alleen maar winst.

Tot besluit
Men kan er over klagen dat de twee partijen van de huidige coalitie wel erg onbekommerd begonnen zijn aan wat ten opzichte van de gehele Staten-Generaal een minderheidskabinet is. Men kan er echter ook de positieve kanten van inzien. Er wordt nu met en tussen allerlei partijen overlegd en onderhandeld en de bereidheid om compromissen te sluiten – die uiteraard velen niet altijd bevallen, maar dat hoort nu eenmaal bij het compromis én de democratie – is groot en dat is eigenlijk alleen maar winst. Achteraf gezien had Biesheuvel in 1972 best een beroep op kleine partijen kunnen doen, maar toen zag men die vaak niet staan. Nu wel. Dat is, nogmaals, winst.

Ons politieke bestel is kerngezond. Op de rol van de twee grootste partijen moet men zich daarbij vooral niet blind staren.

Verantwoording
De gegevens voor bovenstaand stukje zijn vooral afkomstig van enkele nuttige websites. Verkiezingsuitslagen vindt men op Nederlandse verkiezingsuitslagen 1918-nu. Uiteraard vindt men die (nu) ook op Verkiezingsuitslagen van de Kiesraad en ook dat is zeker een nuttige website. Maar op de eerstgenoemde website worden ze, juist in alle grafische eenvoud, heel toegankelijk en overzichtelijk gepresenteerd. Bovendien zijn de toelichtingen vaak heel nuttig. Allerlei andere gegevens omtrent de parlementaire geschiedenis, met name ook gegevens over kabinetten, vindt men zeer handzaam op Parlement.com.

In dit stukje en de tabel komen zoveel cijfers voor dat het eigenlijk onmogelijk is dat ik niet ergens fouten zou hebben gemaakt. Ik stel het op prijs als men mij op mijn feilen wijst.

(128)

6 januari 2014

Geen versplintering – Over het aantal partijen in de Tweede Kamer

door Jan Dirk Snel

[Maandag 6 januari 2014] Laat ik me tot de feiten beperken.

Zo af en toe hoor je mensen klagen over de ‘versplintering’ in het parlement. Er zouden te veel partijen zijn. Vaak gaan dergelijke opmerkingen gepaard met een pleidooi voor de invoering van een kiesdrempel. Onlangs spraken de oud-bewindslieden Hans Hoogervorst en Aart Jan de Geus – nota bene lid van een partij die bij de laatste verkiezingen 8,51% van de stemmen haalde en die hard op weg lijkt om onder de vaak genoemde grens van 5% te duiken – zich daar in Nieuwsuur nog eens voor uit. En als de weergave van de NOS klopt, was het Rick van der Ploeg, die in het Verenigd Koninkrijk woont, ontgaan dat er daar een coalitie regeert en verkeerde hij in onthutsende wereldvreemdheid in de waan dat er aldaar een ‘tweepartijenstelsel’ bestaat. Ook VNO-NCW-voorzitter Bernard Wientjes pleitte overigens een tijdje geleden voor een kiesdrempel.

Meer dan tien
Het zou wellicht goed zijn nog eens inhoudelijk op de woorden en betogen, voor zover ze daar althans aan doen, van deze lieden in te gaan, maar nu wil ik me tot enkele feiten beperken. Is er sprake van een versplintering van ons politieke bestel? Het antwoord is duidelijk: nee. Tenminste niet als men onder ‘versplintering’ een proces dat op een toename duidt, verstaat. Als men er een toestand onder verstaat, dan moet het antwoord luiden dat het al bijna een eeuw is zoals het nu is.

Wilhelmus Wijk

Wilhelmus Wijk met martiale snor midden voor als president van de Vereniging van onderofficieren ‘Ons Belang’ in 1920. Hij was toen ook Kamerlid voor het VDW. Fotograaf onbekend. Bron: Geheugen van Nederland.

De feiten dus. Sinds de invoering van het stelsel van evenredige vertegenwoordiging in 1918 zijn er 27 verkiezingen voor de Tweede Kamer gehouden. Als men een overzicht maakt van het aantal partijen dat in elk van die jaren minstens één zetel haalde, dan ziet dat er zo uit:

17: 1918
14: 1933, 1971, 1972
12: 1929, 1982, 1994
11: 1925, 1967, 1977, 2012
10: 1922, 1937, 1963, 1981, 2002, 2006, 2010
09: 1986, 1989, 1998, 2003
08: 1948, 1952, 1959
07: 1946, 1956

Dat lijkt misschien simpeler dan het is. Wat is precies een partij? Wat is een lijst? Op details wijzigde het kiesstelsel sinds 1918 nog wel eens. Politieke partijen bestaan in onze wetgeving nauwelijks of slechts marginaal. Tel je de concurrerende kandidaten voor de CPH in 1929, Lou de Visser en David Wijnkoop, als tot één of twee partijen behorende? (Ik kies dus voor twee, want dat jaar bestreden ze elkaar, al volgde de verzoening het komende jaar.) Maar als men afgaat op de opgaven van de Kiesraad op de speciale site met verkiezingsuitslagen, van de site Nederlandse verkiezingsuitslagen 1918-nu, die (bij alle uiterlijke eenvoud) vaak iets meer toelichting geeft en meer helderheid verschaft, en Parlement.com, dan zijn dit de aantallen gekozen partijen waar men voor elk jaar op uitkomt.

Wat betekent dit? Dat er bij de 27 verkiezingen gemiddeld 10,48 partijen gekozen werden. Reken maar na: 283/27. Je ziet het eigenlijk in één oogopslag. Zeven keer, van 1922 tot 2010, werd er een Tweede Kamer van tien partijen gekozen. Negen keer bleef men onder dat aantal partijen en elf keer zat men er net iets of zelfs flink boven. Pas in 1946, in uitzonderlijke omstandigheden na de Bezetting, dook men voor het eerst onder de tien zitting nemende partijen en meteen ook diep – een verschijnsel dat tot de jaren veertig en vijftig beperkt bleef. Vanaf de jaren zestig keerden meer pluralistische patronen terug. Bij de laatste verkiezingen in 2012 werden er elf partijen gekozen. Dat was net iets boven het gemiddelde, maar kwam al drie keer eerder voor en zeven keer waren het er zelfs meer. De huidige samenstelling van de Tweede Kamer valt binnen het sinds lang gebruikelijke patroon.

6828 stemmen
Maar het is verder niet zo van belang. Al ongeveer een eeuw heeft ons parlement, althans dat deel dat bij directe verkiezingen gekozen wordt – en het andere deel dat indirect gekozen wordt, verschilt in samenstelling niet heel erg – ongeveer tien verschillende partijen. Soms zijn het er wat meer, soms wat minder, maar van een proces van versplintering is op geen enkele wijze sprake, dat maken de cijfers direct duidelijk.

Het aardige is zelfs dat het aantal gekozen partijen van de eerste keer, woensdag 3 juli 1918, zeventien, daarna nooit weer geëvenaard is. Dat kwam ook door de aanpassing van de restzetelverdeling. In 1918 was men wel heel rigoureus te werk gegaan. De restzetels werden kennelijk verdeeld volgens een systeem van ‘grootste overschotten’, waarbij men minstens de helft van de kiesdeler behaald moest hebben. Maar dat betekende dus wel dat Willem Wijk – voluit: Wilhelmus Wijk – namens het Verbond tot Democratisering der Weermacht (VDW) met slechts 6828 stemmen, 0,51% op het geheel, de Staten-Generaal mocht betreden.

Met 13.417 lag de kiesdeler destijds een stuk lager dan nu: in 1918 mochten alleen mannen stemmen en het aantal inwoners was lager. Bij de verkiezingen van 2012 lag de kiesdeler op 62.828. Als men daarbij betrekt dat sinds 1922 ook vrouwen mogen stemmen, betekent dat dat per stemgerechtigde de kiesdeler inmiddels ruim een keer zo hoog ligt als destijds. Ons parlement is aan de kleine kant, maar dat zal bekend zijn (en geeft ook een wrange smaak aan nog niet zo lang geleden gedane voorstellen de Tweede Kamer tot honderd leden terug te brengen).

Kiesdeler
In 1922 had men het stelsel al wat aangepast. Toen moest men om voor een restzetel in aanmerking te komen, al minstens 75% van de kiesdeler hebben behaald. Zo betrad dat jaar de Staatkundig Gereformeerde Partij ons parlement met 0,91% van het totaal aantal stemmen. Het is de enige vooroorlogse partij die nog in de Tweede Kamer aanwezig is, de enige partij die aan alle 27 verkiezingen deelnam en bij 26 daarvan succes had: alleen de eerste keer in 1918 lukte het met 5180 stemmen, 0,39%, nog niet.

Sinds 1937 moet men in ieder geval de kiesdeler, toen op 1/100 en nu dus op 1/150 van het aantal uitgebrachte stemmen, bijna 0,67%, liggend, gehaald hebben. Toen het zetelaantal in 1956 eindelijk van 100 naar 150 ging, profiteerde daar overigens geen partij van. Het GPV (Gereformeerd Politiek Verbond) bleef met 0,65% net onder de nieuwe kiesdeler steken.

Het doet er allemaal niet toe. In 1918 moest men net iets meer dan een half procent van de stemmen behaald hebben, tegenwoordig tweederde procent om voor een zetel in aanmerking te komen. Maar al die tijd heeft het gemiddelde aan partijen of fracties in de Tweede Kamer iets boven de tien gelegen. Het aantal gekozen partijen zegt uiteraard niet per se iets over het aantal fracties, omdat er zich gaandeweg ook nog scheuringen kunnen voordoen. Geert Wilders is bijvoorbeeld zo begonnen en zijn eenmanssekte brengt regelmatig nieuwe afscheidingen, of beter gezegd, uitstotingen – één, tweedrie – voort.

Overzichtelijk
Maar het omgekeerde kan ook. In 1918 werden er dan wel 17 partijen gekozen, het aantal fracties bleek minder te zijn. Vijf van de toen gekozen partijen, de Economische Bond (EB), de Middenstandspartij (MP), de Neutrale Partij (NP), het Verbond tot Democratisering der Weermacht (VDW) en de Plattelandersbond (PB), verenigden zich toen op voorstel van Henri ter Hall van de NP tot de Neutrale Fractie onder voorzitterschap van EB’er Willem Treub (wiens geestelijke erfenis, de grondpolitiek, dezer dagen in Amsterdam trouwens vanuit vehement antiliberale hoek onder vuur ligt, maar dit geheel terzijde).

Daarvoor bestond de Tweede Kamer bovendien uit honderd afgevaardigden die allemaal persoonlijk in een kieskring gekozen waren. Met die zeventien partijen en nog veel minder fracties was het er al een stuk overzichtelijker op geworden.

Met de huidige elf partijen is een parlement van 150 leden nog steeds overzichtelijk. Van versplintering is dan ook geen sprake.

(127)