Posts tagged ‘politiek’

19 februari 2015

Dienen Kamerleden mee te besturen? – Bij een feestelijk gala te Rijswijk

door Jan Dirk Snel

[Donderdag 19 februari 2015] Ik weet het niet. En dat zal ik proberen ik uit te leggen aan de hand van een algemene vraag en een specifiek geval. De vraag is of Kamerleden niet te veel proberen mee te regeren en mee te beslissen. Het concrete geval betreft het gedoe rond een feestelijke bijeenkomst met enkele imams in Rijswijk op zondag 8 maart aanstaande, de geboortedag van erfstadhouder Willem V (1748-1806) en trouwens ook Internationale Vrouwendag – dat laatste onthoud ik altijd aan de hand van het eerste – maar daar heeft het allemaal weinig mee te maken. Of het zou moeten zijn dat ‘Broeders & Zusters’ blijkens de aankondiging (zie de afbeelding beneden) plaats nemen in ‘gescheidenzalen’, waarmee wel afzonderlijke zalen bedoeld zullen zijn en niet zalen voor gescheidenen. (De islam heeft nogal losse, in het strengere christelijke Westen vanouds sterk afgekeurde opvattingen omtrent echtscheiding – vandaar dat ik mogelijke misverstanden even voor wil zijn.) In bepaalde kringen heeft men nog oog voor onderlinge vrouwelijke solidariteit en daarmee correlerende Männerfreundschaft. Maar dit terzijde.

Telegraa maandag 16 februari 2015

De Telegraaf is geniaal inzake het bedenken van smaakvolle combinaties. Gelukkig gaat de beschaving immer voorop. De Telegraaf van maandag 16 februari 2015.

Vragen en vragen
Ik moet toegeven dat het allemaal wat laat tot me was doorgedrongen. Dat komt omdat ik maandag in de supermarkt in het voorbijgaan volstrekt toevallig De Telegraaf had zien liggen. En ik moet ook toegeven dat als ik waarneem dat die krant bezig is met actievoeren (‘Laat ze er niet in!‘), ik automatisch denk: dan zal het wel niet serieus zijn – doorlopen, mensen, geen aandacht aan besteden. Niet dat het geen interessant fenomeen is. Zoals Christine Brinkgreve en Michel Korzec ooit, in 1978, een studie schreven over de veranderingen in gevoel, gedrag, moraal in Nederland tussen 1938 en 1978 aan de hand van de rubriek ‘Margriet weet raad’, meteen de titel voor hun boek, zou je waarschijnlijk ook een mooie mentaliteitsgeschiedenis van de culturele verschuiving in dit land gedurende de laatste halve eeuw kunnen schrijven aan de hand van het grootste landelijke ochtendblad. Hoewel de krant, die in de loop van haar lange geschiedenis alle mogelijke posities heeft ingenomen, destijds ook al als rechts bekend stond, was dat een totaal ander type rechts dan dat van tegenwoordig. Was dit dagblad toen een pleitbezorger van law and order en traditionele waarden – de krant werd in 1964 nog erg boos over de vermeende spot in het tv-programma Beeldreligie – nu is men zo ongeveer aan het andere uiteinde van het spectrum uitgekomen. Als er iets op te ruien valt, zal de krant dat vooral niet nalaten. Ludiek joh, kejje lachen, om maar eens een bewoordingen van toen die het huidige levensgevoel bij de redactie verwoorden, zij het zonder de lichtvoetigheid der originele bedenkers, te gebruiken. Na de dood van de aimabele en verstandige Kees Lunshof in 2007 zijn alle remmen voorgoed losgegaan. Maar ook dit allemaal terzijde.

Maar goed, ik dacht dus op goede, zij het ongetwijfeld bevooroordeelde gronden dat er niets aan de hand was. De voorkant was overigens uitgekiend ingericht. Rechts ging het over een groot ‘jihadgala’ en links stond een dame afgebeeld die je je zo ongeveer voorstelt bij zo’n Zuid-Europese tv-show met van die lange trappen waarlangs de gasten glorieus afdalen. Beeldend, dat moet gezegd. Ik zag het onmiddelijk voor me. Imam na imam daalt onder luide toejuiching af, begeleid door buikdanseressen. Ik geef toe, dit wulpse oriëntalistische beeld is sinds Edward Said ietwat onder kritiek geraakt, maar de krant wist het perfect op te roepen. Je stelt je vanzelf een wervelende show voor. Moet een keer kunnen, om met Herman Pleij te spreken, vooral zo net voor de vastentijd. Maar langzaam kwam ik erachter dat bepaalde Kamerleden van diverse partijen het allemaal wél serieus namen. En ze begonnen ministers met vragen te bestoken. Of dit niet tegengehouden kon worden. Waarom bepaalde visa eigenlijk verstrekt waren. En nog veel meer van dat soort uitvoeringsvragen, ik ga die niet allemaal opsommen.

En daar beginnen dan weer mijn vragen, maar dan van geheel andere aard. Ik weet het allemaal niet zo precies, maar ik wil best geloven dat een aantal van die types die als feestredenaar naar dat ‘Benefiet Event’ onder de leus ‘Zij hebben ons nodig’ willen – of inmiddels misschien wilden – komen, er geen al te sympathieke opvattingen op nahouden. Maar, dat is dus mijn vraag, is het een taak van Kamerleden om zich daarmee te bemoeien? Kan de uitvoerende macht die zaak niet zelf aan? Dienen Kamerleden zich niet vooral met voorgestelde wetgeving bezig te houden of die zelf voor te stellen? En als het om het beleid gaat, is het dan niet eerder hun opdracht dat achteraf te beoordelen? Is het wel goed als ze zelf mee proberen beslissen en de minister zo ongeveer pogen voor te schrijven wat die moet doen? De regering en andere gezagsdragers handelen toch gewoon op grond van de bestaande wetgeving? Over die wetgeving gaat de Staten-Generaal, niet over elk besluit op grond ervan. En de bewindslieden en bevoegde instanties hebben toch genoeg expertise, van onder meer NCTV en mogelijk zelfs de AIVD, tot hun beschikking, om een verantwoord besluit te nemen, zou je zo zeggen? Waarom wachten Kamerleden niet even rustig af hoe het uitpakt? Dat is toch niet hun verantwoordelijkheid, maar die der bevoegde bestuursorganen?

Rohamaa

Ceci n’est pas une annonce.

Hypocriet
Daar komt trouwens ook een pragmatisch aspect bij kijken. Geen enkele vrijheid is absoluut, dat weet ik ook wel en dat is maar goed ook. Of goed? Het is noodzakelijk. Je schijnt inderdaad bepaalde types uit bepaalde landen een visum te kunnen onthouden. Maar is het wel verstandig om in dit geval via indirecte weg een soort preventieve censuur – ja, met dat woord moet je oppassen en er zijn bovendien allerlei vormen en gradaties – toe te passen? Er lijkt me alle reden om die lui, of althans een aantal van hen, met een zeker wantrouwen tegemoet te treden. Maar is verbieden, tegenwerken en niet toelaten nu het beste? Of is het veel beter om de maatschappelijke druk zijn eigen werk te laten doen? Ik gok eigenlijk het laatste.

Mij lijkt dat dit, ingrijpen dus en visa die reeds verleend waren, toch weer intrekken – men kan het proces volgen via de koppen van het activistenblad De Telegraaf (dinsdag: ‘Haatimams slaan slag. Visa voor jihadcircus Rijswijk al binnen‘; woensdag: ‘Verboden toegang. Kamer verbijsterd over uitblijven “straffe aanpak”‘) – eerder tot radicalisering leidt dan gewoon door laten gaan en dan harde, kritische vragen stellen. Nu kunnen organisatoren en hun sympathisanten immers denken, en nog tamelijk terecht ook: men is hier hypocriet, nu geldt de vrijheid van meningsuiting ineens niet. Bij een verbod kan men zich slachtoffer voelen – en opnieuw: tamelijk terecht. Bij door laten gaan van het evenement met alle sprekers, moet men zich echter achteraf verantwoorden. Dan gaat het niet om de vraag óf iemand wel wat mag zeggen, maar om de vraag wát iemand daadwerkelijk gezegd heeft. Dan heb je het echt ergens over. Dat is bovendien de kern van het grondrecht op uitingsvrijheid. Dat je als overheid niet van tevoren dingen gaat beoordelen – niemand heeft ‘voorafgaand verlof’ nodig, zoals de Grondwet dat zegt – maar achteraf. Daar bestaat ‘ieders verantwoordelijkheid volgens de wet’ uit. En dan kan zelfs in bepaalde gevallen het strafrecht om de hoek komen kijken. Achteraf, als je weet wat er gezegd is, en of de grenzen van de wet zijn overschreden. Een dergelijke aanpak lijkt mij simpelweg vruchtbaarder. En nog principiëler ook.

Maar nu weer de algemene vraag. Heb ik gelijk als ik mijn wenkbrauwen frons als Kamerleden zich hiermee bemoeien? Of is dit nu eenmaal een ontwikkeling die onvermijdelijk is? Het is op zich natuurlijk duidelijk dat het oude dualistische idee waarmee ons bestel ooit begon, in die vorm niet meer bestaat. Dat was dat de uitvoerende macht zo zijn eigen gronden had en dat de Staten-Generaal als de vertegenwoordiging van het volk die macht achteraf controleerde. Inmiddels is de macht van de regering al heel lang gebaseerd op de macht van het parlement. Dat was ook onvermijdelijk. Maar slaat de ontwikkeling nu niet te ver door? Komen Kamerleden nog wel aan hun eigenlijke taken toe als ze ook steeds mee gaan praten over de uitvoering van de wet?

Politiek en maatschappij
En, nog belangrijker, maken ze jegens het volk dat ze vertegenwoordigen, zo nog goed duidelijk wat de eigen aard van de overheid en dus ook van het parlement is? Dat een parlement geen maatschappelijke debatclub is, die aan elke maatschappelijke discussie meedoet en zich door opruiende couranten laat leiden? Verbleekt het onderscheid tussen het politieke en het maatschappelijke domein zo niet al te zeer?

Ik weet het niet goed. Ik zie het allemaal met lede ogen aan. Maar misschien loop ik gewoon hopeloos achter en is deze ontwikkeling onvermijdelijk. Maar dan nog blijft de vraag: is dit meebesturen door de Staten-Generaal ook een goede ontwikkeling? Dit was slechts een voorbeeld. Men ziet tegenwoordig eigenlijk niet anders. Of breekt het moment nog een keer aan dat we tegenover de meebesturende Kamer weer een ander controlerend orgaan nodig hebben? En hebben we op den duur nog wel ministers met een eigen verantwoordelijkheid nodig als de Kamer het toch allemaal beter weet? Vragen, vragen en nog eens vragen. Ik weet het niet. Maar het ziet er niet goed uit. Vrees ik dan. Ik maak me meer zorgen over de vreemde strapatsen op Binnenhof 1a (of tegenwoordig ook wel Plein 2) dan over wat er over een week of twee in enkele gescheiden zalen in Rijswijk wordt gezegd.

Laat me maar hopen dat ik ongelijk heb.

(184)

12 november 2014

Meer journalistieke zelfreflectie? Of misschien vooral politieke?

door Jan Dirk Snel

[Woensdag 12 november 2014] We leven in een tijd van journalistieke hypes. En dat komt vooral, of mede, door de werking van de sociale media. Denken we althans, maar het zou wel eens waar kunnen zijn. Niet overigens dat er in vroeger eeuwen geen hypes waren. Wie de Catalogus van de pamfletten-verzameling berustende in de Koninklijke Bibliotheek, 1486-1853 van W.P.C. Knuttel (‘s-Gravenhage 1890-1920) wel eens heeft doorgenomen – ik ben nog uit de tijd dat je die negen delen (in tien of elf banden) op de universitaire leeszaal moest raadplegen – weet dat onze voorouders er in vroeger eeuwen ook heel wat van konden. Maar nu gaat het allemaal nog veel sneller. Nieuws is via internet nu eenmaal direct beschikbaar en via Twitter en andere sociale media kunnen we er ook direct op reageren. En dat doen we dan ook.

Hype
Een tijdje geleden drong een groep Koerdische demonstranten op een avond door tot in de voorhal van de Tweede Kamer. Zoiets schijnt niet de bedoeling te zijn. Op Twitter waren er toen direct vele lieden die vroegen waarom Nieuwsuur niet onmiddellijk het programma voor dit ‘grote nieuws’ onderbrak. Het leek me nogal overdreven. Degenen die erom vroegen, waren via andere middelen immers al voortreffelijk op de hoogte. Maar ze wilden kennelijk een soort erkenning: dat wat hun gemoederen bewoog, ook als nationaal ‘brekend’ nieuws werd gebracht. Het leek me toen juist verstandig dat de programmamakers in Hilversum het hoofd koel hielden.

Knuttel

Knuttel, zoals de omschrijving de wandeling luidt. Een beschrijving van de geschriften met de hypes die onze voorouders tussen 1486-1853 bezighielden. Dit is de heruitgave die in 1978 bij HES in (toen) Utrecht verscheen.

Vandaar was er een bericht over een journalist van Trouw. Op pagina drie van de krant verscheen een mededeling van de hoofdredactie dat de krant een commissie van externe deskundigen onafhankelijk onderzoek laat doen ‘naar de controle op bronnen’. ‘Eind vorige week rees ernstige twijfel over de juistheid en zelfs het bestaan van opgevoerde bronnen in artikelen van één van de redacteuren. Zo kon Trouw diverse bronnen niet verifiëren.’ Ook al noemde Trouw de naam van de betreffende redacteur niet, al snel werd die bekend.

Zelf reageerde ik door in een tweet te verwijzen naar diens stuk over de zogenaamde ‘Shariadriehoek’ en vooral mijn commentaar daarop destijds. Dat was echt zo’n hype, die bij nader inzien weinig om het lijf had. Zoals ik in mijn beschouwing liet zien, stond er eigen niet bar veel nieuws of bijzonders in dat stuk. Het was vooral de wijze waarop Trouw het nieuws groot bracht en zo opklopte, die dubieus was. Maar andere media volgden. En vooral fout was de reactie van veel politici, die niet eerst rustig analyseerden of er eigenlijk wel iets nieuws aan de hand was, maar direct grote woorden bezigden. Eentje suggereerde zelfs om maar ‘de sloophamer in het buurtje te zetten.’

Turkse jongeren
Gisteren was er nog zo’n hype. Er onstond grote commotie over een onderzoek dat FORUM, instituut voor multiculturele ontwikelling, door Motivaction had laten uitvoeren onder Marokkaanse en Turkse Nederlanders van 18 tot 35 jaar (hier het bericht van Forum en hier het rapport.) Daaruit zou onder meer blijken dat van de Turkse Nederlanders uit die leeftijdsgroep 87% aangeeft, ‘dat het goed is dat groepen die in naam van de Jihad strijden zorgen voor verandering’.

‘Het geweld dat deze groepen tegen niet-gelovigen of anders gelovigen gebruiken wordt niet verkeerd bevonden (80%). Wellicht vinden Turkse Nederlanders dat in een oorlog alles geoorloofd is om het gewenste doel te bereiken, namelijk verandering. Verder geeft 73% van de Turkse Nederlanders aan zich geen zorgen te maken over de toename van groepen die in naam van de Jihad strijden in de Arabische landen en vindt 87% het goed dat er steun is van Nederlandse moslims voor groepen zoals IS.
Turkse Nederlanders staan positief ten aanzien van de opmars van IS en hebben begrip voor het geweld dat soortgelijke strijdgroepen gebruiken.’

Al snel toonde Ahmet Kaya met een eigen, provisorisch, maar uiterst nuttig onderzoekje – Enis Odaci wees me er op, waarvoor veel dank – aan dat er van het onderzoek niet veel kon kloppen. Niet altijd vormen je eigen bevindingen, wat je zo hoort en wat je in het algemeen meent te weten, een gezonde grondslag om resultaten van sociaalwetenschappelijk onderzoek te betwijfelen, maar in dit geval was er, dunkt me, genoeg reden om dat wel te doen. En Ahmet Kaya maakte er dus werk van.

Toch had minister Lodewijk Asscher al gereageerd. Hij noemde de conclusies van dit onderzoek ‘zeer verontrustend’. Nu waren die ‘conclusies’ dat ook, maar de vraag is natuurlijk of ze klopten. Maar hoewel Asscher op zich nog vrij voorzichtig reageerde, kon hij dat natuurlijk niet zeggen. Hoe het ook zij, de hype was er. Tijd om eerst even rustig af te wachten en te kijken of het toch niet iets anders zit – er zal vast wel ‘iets’ aan de hand zijn, is de algemene gedachte – was er niet.

Journalistieke reflectie
Hoe om te gaan met dergelijke hypes? Het is tijd voor journalistieke én politieke reflectie. Kan het niet allemaal wat rustiger en bezonnener? Maar het is ook moeilijk. Wie discussies op Twitter volgt, ziet bijvoorbeeld ook dat journalisten echt niet alleen maar achter hypes aanlopen, maar dat velen van hen met voortdurende reflectie op hun vak bezig zijn. Dat moet ook gezegd worden. Sociale media zorgen wel voor hypes en versnellen die ook, ze dragen ook bij aan voortdurende bezinning erop.

En deed ik zelf in feite ook niet mee? Ik kon dan wel verwijzen naar dat stuk van de (inmiddels voormalige) Trouw-journalist en het vormt een goed voorbeeld van een hype, maar ondertussen staat nog allerminst vast dat er ook met het bronnengebruik van dat stuk iets mis was. Misschien was mijn associërende verwijzing iets al te voorbarig. Mijn analyse destijds toonde immers juist aan dat er op de keper beschouwd niet zo heel veel bijzonders of nieuws instond.

Je kunt wel klagen over hypes, maar het is werkelijk moeilijk om ermee om te gaan. Ook wie oproept tot bezonnenheid, tot eerst eens goed analyseren wat er aan de hand is, zoals ik destijds deed, doet nolens volens toch op zijn manier mee aan het bestendigen van de hype. Want ondertussen gaat toch alle aandacht uit naar dat ene thema van de dag of week. Ook als je roept dat het allemaal niet zo veel voorstelt, bevestig je ongewild toch het belang van het onderwerp, ook al is de reactie inhoudelijk helemaal correct en misschien zelfs wel noodzakelijk.

Moeilijk
Op zich lijkt er eigenlijk maar één remedie tegen hyperigheid te zijn: niet meedoen, ook niet door – op een op zich juiste wijze – te reageren. Maar dat is moeilijk, vooral ook voor nieuwsmedia. Er valt namelijk weinig eer mee te halen. Als je ergens niets over zegt, valt dat nu eenmaal niet erg op, terwijl als je een bedachtzaam commentaar schrijft, dat wel het geval is.

Het is dus echt niet zo eenvoudig en het is soms ook wat goedkoop om te zeggen dat journalisten meer aan zelfreflectie moeten doen. De goede doen dat namelijk wel degelijk. Maar het is wel van belang dat nieuwsmedia vooral hun eigen plan blijven trekken en zich niet al te zeer door hypes laten leiden en gewoon hun ‘eigen’ nieuws blijven brengen. Het was dus bijvoorbeeld heel verstandig dat Nieuwsuur destijds de uitzending niet omgooide voor een kleine gebeurtenis in Den Haag. Die verdiende wel enige aandacht, maar dat kon gewoon in een reguliere uitzending op een regulier tijdstip.

Het probleem ligt veel meer bij politici. Die reageren op alles. Eén klein berichtje en, hup, Kamervragen. Met name de Tweede Kamer zou zich eens moeten bezinnen op zijn rol. Die is niet die van nieuwscommentator of facilitator of aanjager van maatschappelijk debat, maar van medewetgever en controleur van de regering. Tweede Kamerleden zouden hun agenda minder moeten laten bepalen door de waan van de dag en meer door hun eigenlijke taak. Alle pogingen om het nog ‘spannender’ te maken, bijvoorbeeld door nog spitsere vragenuurtjes, werken alleen maar averechts. Alleen als de Kamer meer aandacht weet te vragen voor het reguliere werk, wetgeving voorop, gaat het de goede kant op.

Besluit
Kortom, meer slow journalism (in een brede zin) is wenselijk. Maar meer slow politics is nog veel noodzakelijker. En ja, dat ook dit stukje in feite bevestigt wat het als probleem signaleert, dat besef ik.

(168)