Posts tagged ‘persoonlijk’

19 mei 2013

Het aardige van Twitter – en van niet twitteren

door Jan Dirk Snel

Dit is het stukje dat ik wist dat ik moest schrijven. De eerste automatische aankondiging ervan is mijn 40.000e tweet en in de vorige tweet had ik – met schrijffout en al – aangekondigd dat ik daarbij een stukje zou schrijven en dit is het dan. Het liep daarbij iets anders dan ik verwacht had.

Cijfers
Eerst de cijfers maar. Ook bij mijn 25.000e tweet op 16 november 2011 had ik een stukje geschreven. Toen had ik 546 dagen getwitterd en dat kwam er op neer dat ik in de bijna anderhalf jaar van mijn twitterbestaan bijna 46 (45,8) tweets per dag verstuurd had. Ik vond dat te veel en ik sprak de hoop uit dat het er minder zouden worden. Dat is gelukt. Ik ben nu ruim anderhalf jaar verder, 550 dagen om precies te zijn, en in die tijd heb ik 15.000 tweets verstuurd. Dat zijn er in opnieuw ongeveer anderhalf jaar tienduizend minder, maar nog steeds ruim 27 (27,2) per dag.

Exif_JPEG_PICTURE

Er bestaat een wereld buiten Twitter

Ik twitter sinds 19 mei 2010 en dat wil dus zeggen dat ik vandaag precies drie jaar twitter. Het gemiddelde over de gehele periode van 1096 dagen – er zit één schrikkeljaar tussen – is daarmee gedaald tot bijna 36,5 per dag. Per jaar verstuurde ik dus gemiddeld 13.333 tweets, maar het zou me niet verbazen als het er de afgelopen twaalf maanden minder dan tienduizend waren. Dat is natuurlijk niet helemaal vanzelf zo gekomen. In juni ben ik bijvoorbeeld een maand gestopt en dat had ik toen ook aangekondigd. Die tweet haalde zelfs Letter & Geest van Trouw. En ook nu had ik twintig dagen niet van me laten horen. Dat was trouwens aanmerkelijk minder gepland, maar daar zal ik het zo nog wel over hebben.

Je kunt tegenwoordig je Twitter-archief downloaden. Het ligt er natuurlijk aan hoe je iets opslaat, maar ik kom dan toch ergens rond de drieduizend A4-tjes uit. En er zitten allerlei gegevens buiten de inhoud van de tweets bij, maar als ik daarmee rekening houd, kom ik nog steeds uit op ruim zeshonderdduizend woorden, gemiddeld vijftien per tweet dus. Dat is de omvang van zes aardige boeken, al zal de samenhang ongetwijfeld wat minder zijn.

Volgen
Veel van wat ik anderhalf jaar geleden in Bang voor Twitter schreef, hoef ik hier niet te herhalen. Ik geloof dat ik het meeste nog wel onderschrijf. Dat twitteren vooral over reageren en wisselwerking gaat bijvoorbeeld en niet over eenzijdige zelfexpressie. En zo kloppen de meeste observaties en ervaringen nog wel. Denk ik tenminste.

Op één punt heb ik mijn beleid wel drastisch gewijzigd. Ik ben nu toch een beetje de boekhouder geworden, over wie ik de vorige keer nog schertste. Ik volg heel weinig nieuwe lieden actief uit mezelf, tenzij ik ergens een goede bekende of een wel heel erg boeiend persoon die mij niet bekend is, ontdek. Maar als iemand mij nu volgt, volg ik meestal terug. Dat wil zeggen: als het om een persoon gaat – en soms een informatie-account (een programma, een blad, een activiteit) – en het er niet al te onserieus uitziet. Bedrijven of onzinaccounts volg ik gemeenlijk niet terug – en mensen achter slotjes die ik niet ken, in het algemeen ook niet. Veel oudere volgers ben ik ook terug gaan volgen, maar op dat punt is mijn boekhouding duidelijk niet helemaal rond, vrees ik.

Daar staat tegenover dat ik ook veel sneller ontvolg. Ik twitter voor mijn plezier en als ik me erger, ontvolg ik vrij snel. Meestal weet ik dan binnen een mum van tijd ook niet meer wat de reden was. Vaak ontvolgt zo iemand mij ook – het do-ut-des-principe blijft nu eenmaal een grote rol spelen – maar ik zie ook wel eens dat een twitteraar na een poosje terugkeert en dan volg ik meestal ook weer snel.

En het gevolg van het grotere aantal volgers en gevolgden is ook dat ik zelf niet zo bar veel meer volg, maar dan in de oude zin van het woord. Ik lees het een en ander als ik toevallig op Twitter kijk, maar heel veel ontgaat me. Alleen van enkele goede bekenden kijk ik achteraf de tijdlijn nog wel eens na. Terwijl ik anderhalf jaar geleden soms het idee had dat ik het wel en wee van een sommige mensen bijna van dag tot dag of, als ik te vaak keek, vrijwel van uur tot uur kon volgen, is dat nu niet meer zo.

Polemiek
Het probleem van de ergernissen heeft zich zo ook vrij gemakkelijk opgelost. Er zijn mensen waarvan je soms helaas vermoed dat ze tot op de dag van hun dood door zullen gaan met razen en tieren, maar erg groot is hun getal waarschijnlijk ook weer niet en als je eenmaal van ze af bent – soms moet je toch echt even blocken, al was het maar omdat ze in de retweets van anderen blijven verschijnen – blijven ze meestal ook buiten je gezichtsveld.

Daarbij reageer ik ook minder. Vroeger reageerde ik in principe op vrijwel alle mentions, maar inmiddels heb ik geleerd om op vervelende opmerkingen helemaal niet meer te reageren, al durf ik niet te zeggen dat ik altijd zo verstandig ben. Maar in onverkwikkelijke uitwisselingen beland ik zelden meer en dat is niet alleen goed voor de gemoedsrust, maar scheelt ook een hoop nutteloze tweets en daarmee tijd en energie. Ik besef dat ik daardoor natuurlijk ook een veel saaiere twitteraar ben geworden, maar echt harde polemiek probeer ik zoveel mogelijk te vermijden, al zullen er nog steeds momenten zijn dat mijn wijsheid me in de steek laat. En soms zie je gewoon niet aankomen waar een gedachtenuitwisseling op uitloopt.

Dat wil natuurlijk niet zeggen dat je niet reëel met iemand van mening kunt verschillen, maar discussies zijn meestal alleen maar vruchtbaar als je niet volstrekt diametraal tegenover elkaar staat en er ruimte is voor nuance en argumentatie. Een van de dingen die ik echt moest leren, is om niet op fouten te reageren. Je doet iemand er zelden een plezier mee door erop te wijzen en soms zijn de reacties ronduit vijandig en onheus, zelfs als je met een link naar een betrouwbare bron kunt aantonen hoe het wel is. Niet meer doen dus. Het kost soms wel wat moeite als je ziet hoe lieden naar aanleiding van nieuwsbericht over, laten we zeggen, instantie of persoon A, dat ze niet goed gelezen blijken te hebben, losgaan op instantie of persoon B, maar ook dan geldt: laten gaan, niet mee bemoeien.

Moreel schelden
Misschien komt het door mijn eigen beleid – wie ik wel volg en vooral niet volg en ook door het minder op Twitter kijken – maar toch heb ik de indruk dat het sociale verkeer op Twitter erop vooruitgaat. Waarbij ik me, het zij nogmaals gezegd, op grond van mijn beperkte blikveld kan vergissen.

Mijn twitterstop van vorig jaar juni kwam nog voort uit ergernis. Het ging om een moment dat ik het gescheld dat ik voortdurend langs zag komen, slecht kon verdragen. Het ging me daarbij niet om persoonlijke reacties op mij – daar ben je, zoals opgemerkt, tamelijk snel vanaf – maar vooral om het afgeven op derden. Je hoeft niet veel waardering voor een bepaalde politicus te hebben om het toch niet nodig te vinden dat hij voor ‘sukkel’ wordt uitgemaakt. Zelfs als je iemands denkbeelden ernstig verfoeit, moet het mogelijk zijn zakelijk te blijven en is het nergens voor nodig scheldwoorden te gebruiken.

Het ingewikkeldst ligt het daarbij bij wat ik een tijd geleden in twee stukjes ‘moreel schelden’ heb genoemd (één, twee, van het beloofde derde is nooit meer iets gekomen). Ik weet het niet helemaal zeker, maar ik kreeg toen bij enige zoekacties de indruk dat ik dat begrip wel eens gemunt zou kunnen hebben. Het gaat er daarbij niet om dat mensen maar zo wat schelden, maar dat ze dat duidelijk uit morele overwegingen doen. Het is goed bedoeld, zullen we maar zeggen. Moreel schelden is immers iets heel anders dan  immoreel schelden. Sommige mensen zijn soms zo oprecht verontwaardigd of boos dat ze zich even niet meer in kunnen houden. Vaak speelt daarbij ongeïnformeerdheid een grote rol – niet iedereen raadpleegt eerst de bronnen en leest lange teksten grondig alvorens een sterk moreel oordeel te vellen – maar het blijft een opmerkelijk en ietwat paradoxaal verschijnsel.

Kentering
Maar ook op dat punt hoop ik dat er sprake is van een zekere kentering. Diverse columnisten hebben op de slechte gewoonten op Twitter gewezen. Er is de laatste maanden wel enige discussie over geweest, ook in de ‘oude’ papieren media. En ik vermoed dat er door de kritiek en bewustwording wel een zekere gedragswijziging aan het ontstaan is.

Ik denk ook dat veel mensen de laatste jaren hebben moeten leren omgaan met Twitter. Het is een direct middel en mensen hebben de neiging om er uit te gooien wat ze binnen huiselijke kring of op de werkplek ook zo zeggen. Maar in een persoonlijke en fysieke omgeving functioneren woorden heel anders dan in de abstractere ruimte op het scherm. Als je ’s morgens de column van Dinges leest en tegen je tafelgenoot zegt dat het weer een idioot stuk is, is er veel context geïmpliceerd. De ander weet hoe je het bedoelt, bijvoorbeeld omdat er over Dinges in het verleden ook wel genuanceerdere woorden zijn gevallen, maar dat … Et cetera. Hoe het ook zij, een ontboezeming in de persoonlijke sfeer heeft een heel ander karakter dan een publieke bewering. Als je met elkaar over boeken praat, spreek je ook al gauw in termen van ‘goed’ of ‘slecht’, maar als je een recensie schrijft, die de auteur ook onder ogen krijgt, zul je toch wat meer argumentatie gebruiken. Dan ga je niet uit van een goede verstaander die aan een half woord wel genoeg heeft.

Mijn vermoeden nu is dat mensen eerst moeten leren met dat publieke karakter van Twitter om te gaan. En dat velen dat gaandeweg echt wel leren. Met gescheld of alleen maar negatieve opmerkingen houd je het op den duur niet zo goed met elkaar uit. Wil er werkelijke communicatie gaande worden gehouden, is een enigszins geciviliseerde omgang wel zo wenselijk. En ik denk dat de processen wel in de goede richting werken. De grofheid zal afnemen, alleen uit praktische overwegingen – hoe houd je het een beetje met elkaar uit? – al. Mensen willen ook graag serieus genomen worden.

Gemakkelijk
En ook als kritische opmerkingen inhoudelijk volstrekt gerechtvaardigd zijn, is het de vraag wat ze aan het debat toevoegen. Het is heel gemakkelijk om kritiek uit te oefenen.

Je kijkt naar een actualiteiten- of discussieprogramma. Drie onderdelen zijn gewoon goed of informatief. Niets op aan te merken dus. Geen tweet. Maar dan is een vierde onderdeel niet goed. De feiten kloppen niet of de vragen zijn slecht voorbereid of wat dan ook. Het is dan heel gemakkelijk om dat even te laten weten, maar voegt het altijd wat toe? En dan zie je dus het accumulerend effect, omdat heel veel mensen hetzelfde op zich juiste punt maken.

Twitter kan dan al snel iets van een volksgericht krijgen. Maar het is ook gemakkelijk, al te gemakkelijk of zelfs goedkoop zelfs. En als je je ergert aan een programma als Pauw en Witteman, een bekend object van hoon, zou je natuurlijk ook zo verstandig kunnen zijn om niet meer te kijken. Wel zo rustig.

Nuance
Het aardigst van Twitter vind ik eigenlijk nog wel dat je meerdere kanten van mensen leert kennen, ook vaak onvermoede. Vaak ken je iemand vanuit de publiciteit vanwege één aspect. Maar dan lees je op Twitter ineens heel andere uitingen van zo’n persoon. Ik ben vaak veel gunstiger over mensen gaan denken. Je kent iemand van een boek of een bepaalde stellingname, die je niet zo bevalt. Maar dan ontdek je bijvoorbeeld dat de betreffende persoon over andere onderwerpen heel verstandige opmerkingen maakt. Of dat iemand die je ideologisch niet zo ligt, bijvoorbeeld heel feitelijk en fair is zijn benadering van allerlei zaken.

Dat persoonlijke element blijft de grote winst. Het volgen van nieuwsmedia via Twitter voegt naar mijn ervaring niet zo bar veel toe. Het is veel praktischer om even de voorpagina’s van een aantal nieuws- en opiniesites te raadplegen. Dan heb je veel sneller alles bij elkaar. En de grote onderwerpen die leven en die op de keper beschouwd juist vaak heel klein zijn, krijg je via persoonlijke, op het nieuws reflecterende tweets wel mee.

Het mooie blijft dat iedereen met iedereen in gesprek is. Op zich kun je dat in je eentje natuurlijk nooit helemaal goed vaststellen omdat je nu eenmaal zelf je eigen tijdlijn samenstelt. Maar toch, heel vaak kun je zien dat mensen die dertig jaar geleden nog in volstrekt gescheiden werelden geleefd zouden hebben, nu op elkaar reageren. Dat is winst en ik denk dat die blijvend is. Hokjesdenken werkt niet meer.

Zonnig
Kortom, ik zie het wat betreft Twitter vrij zonnig in. Ik denk dat de redelijkheid uiteindelijk zal winnen, omdat alleen daarmee op den duur te leven valt. En ik denk de communicatie verbetert. Tegelijk blijft het waar dat de groep mensen die veelvuldig twittert, vooralsnog relatief klein is. Heel vaak ben ik bij bijeenkomsten waar vrijwel niemand over twittert – of zelfs echt helemaal niemand. De afgelopen week hoorde ik op straat een grote knal, een ontploffing mogelijk. Toen ik later op Twitter wat nazocht, vond ik één of twee tweets erover, waar ik trouwens ook wat wijzer van werd, terwijl er toch honderden mensen in de buurt waren. Het echte leven bevindt zich buiten Twitter en dat zal wel zo blijven. Internet en dus ook Twitter is geen platonische of misschien eerder antiplatonische verdubbeling van de wereld – dat zat ooit sterk in het idee van een ‘virtuele wereld’ – maar een onderdeel ervan, ook een onderdeel van de alledaagse leefwereld.

Daarmee kom ik op het punt waar ik mee wil eindigen. Dit stukje verschijnt precies op de derde verjaardag van min twitterbestaan. Toen ik twintig dagen geleden mijn voorlaatste tweet plaatste, zag ik uiteraard al wel dat ik niet ver van deze dag af was. Maar ik was toch echt niet van plan om daar op te gaan wachten. Maar er kwam van alles tussen. Ik kwam niet toe aan het schijven van dit stukje en toen ik er een dag of tien, twaalf geleden wel aan begonnen was, kwam het niet af. En ondertussen merkte ik dat ik het twitteren eigenlijk helemaal niet miste. Ik keek wel eens, maar de laatste twee weken waren er veel dagen dat Twitter volledig uit mijn bestaan verdwenen was. Zo maar. En ik ontdekte dat niet twitteren soms nog veel leuker is. Vooral omdat dat meer tijd laat voor andere dingen. Die 40.000 tweets maal misschien 15 woorden schrijf je stuk voor stuk wel snel tussendoor, je kunt je toch afvragen of je dezelfde vrij lichte energie niet beter aan kunt wenden, bijvoorbeeld om eveneens tussendoor maar eens een echt boek te schrijven.

Ik ben wel van plan te blijven twitteren, of misschien moet ik misschien inmiddels schrijven, weer te gaan twitteren. Maar ik vermoed dat het vanzelf minder zal worden. Het blijft een aardig en vooral persoonlijk divertissement tussendoor, je steekt soms interessante dingen op, ik heb sommige mensen echt via Twitter leren kennen en je kunt er trouwens ook goed stukjes als dit op aankondigen, maar er is meer in het leven.

En dat is goed.

(88)

1 januari 2012

Gelukkig Nieuwjaar! Over het persoonlijke als cliché

door Jan Dirk Snel

.:.

Taal en wereld
Aan het begin van de Philsophische Untersuchungen (1953) reageert Ludwig Wittgenstein (1889-1951) op een fragment uit de Confessiones (397/8) van Aurelius Augustinus (354-430), waarin de geleerde bisschop van Hippo beschrijft hoe de woorden van de taal voorwerpen aanduiden. Wittgenstein lijkt hier vooral in gesprek te zijn met zijn eigen oude afbeeldingstheorie uit de Tractatus logico-philosophicus (1921/22).

Haus Wittgenstein (ook wel Stonborough House), Kundmanngasse te Wenen, in 1925 in opdracht van Margarethe Stonborough-Wittgenstein ontworpen door de architect Paul Engelmann en de filosoof Ludwig Wittgenstein en voltooid in 1928 (foto: camera_obscura)

Wittgenstein stelt zich nu een primitieve taal voor waarin slechts vier woorden bestaan. Ik geef het Duitse origineel en (voor wie van vreemde talen houdt) de Engelse vertaling direct achter elkaar.

‘Denken wir uns eine Sprache, für die die Beschreibung, wie Augustinus sie gegeben hat, stimmt: Die Sprache soll der Verständigung eines Bauenden A mit einem Gehilfen B dienen. A führt einen Bau auf aus Bausteinen; es sind Würfel, Säulen, Platten und Balken vorhanden. B hat ihm die Bausteine zuzureichen, und zwar nach der Reihe, wie A sie braucht. Zu dem Zweck bedienen sie sich einer Sprache, bestehend aus den Wörtern: »Würfel«, »Säule«, »Platte«, »Balken«. A ruft sie aus; – B bringt den Stein, den er gelernt hat, auf diesen Ruf zu bringen. – Fasse dies als vollständige primitive Sprache auf.’

‘Let us imagine a language for which the description given by Augustine is right: the language is meant to serve for communication between a builder A and an assistant B. A is building with building stones: there are blocks, pillars, slabs, and beams. B has to pass the stones, and that in the order in which A needs them. For this purpose they use a language consisting of the words “block,” “pillar”, “slab,” “beam.” A calls them out; B brings the stone which he has learnt to to bring at such-and-such a call. – Conceive this as a complete primitive language.’

Het aardige is dat Wittgenstein zijn taal wel uit vier woorden laat bestaan die voorwerpen in de wereld aanduiden, maar dat die woorden hier al meer doen dan simpelweg beschrijven. Hij merkt dat iets verderop zelf ook op. Ze functioneren als vragen of bevelen. De bouwer geeft er aan een assistent mee aan wat hij wil. Wittgenstein heeft het in dit postume boek dan ook vooral over het gebruik van de taal en hoe die functioneert. Toch zie je aan dit beginvoorbeeld dat hij nog wel erg denkt vanuit de gedachte dat taal een verschijnsel is dat buiten of tegenover de wereld staat en die beschrijft of ‘representeert’, en pas tegen die achtergrond opmerkt dat taal nog wel iets anders doet.

Groeten
Neem nou alleen die twee bouwlieden. Het is wel een erg surrealistische wereld waarin mensen slechts vier woorden spreken. Maar er is meer. Het kan natuurlijk niet. Voor ze aan het bouwen gingen, moeten de beide bouwlieden toch bepaalde afspraken gemaakt hebben: ik ga dit doen, jij gaat dit doen. Ze hebben zich samen iets voorgenomen en iets afgesproken omtrent de rolverdeling. En daarvoor al moeten ze elkaar ontmoet hebben en daarbij zullen ze elkaar toch zeker begroet hebben.

Zelfs dieren groeten elkaar. Ik herinner me een hond en een kat die elkaar elke morgen als de eerste naar buiten kwam, in een uitvoerig ceremonieel begroetten. Dat werd weliswaar begeleid door klanken, maar was vooral een lijfelijk gebeuren, maar sommige dieren gebruiken wel degelijk geluiden om elkaar te begroeten. Als ik een ‘theorie’ over het ontstaan van taal zou opstellen, als zoiets al zou kunnen, zou ik, denk ik, bij de groet beginnen. Taal begint bij de ontmoeting.

Dat zie je ook bij baby’s. Wat zijn de ouders trots als het kind voor het eerst ‘papa’ of ‘mama’ zegt, terwijl een dergelijke uiting in beschrijvende zin toch weinig aan de wereld toevoegt. Het gaat om herkenning en erkenning. En volgens mij beginnen baby’s en kleine kinderen ook niet met woorden, maar met klanken, die al snel iets van zinnen krijgen. Ze weten niet wat losse woorden zijn. Ze willen iets duidelijk maken en dat doen ze in klanken die steeds meer samenhang gaan vertonen, en pas veel later leren ze wat afzonderlijke woorden zijn.

Om het maar eens scherp te zeggen: taal is niet samengesteld uit woorden. Pas later leer je om talige uitingen in woorden te ontleden. Woorden vinden hun plaats alleen in samenhangende gedachten en komen daaruit voort.

Dagelijks
In het tweede, jahwistische scheppingsverhaal in Genesis benoemt de mens eerst de dieren. Er wordt vaak de nadruk op gelegd dat het geven van namen een vorm van beheersing of macht is en dat zou heel goed kunnen, maar je kunt er ook meer nuchter een oefening in praktische ontologie in zien: de wereld van de dieren wordt ingedeeld in soorten: vee, vogels en wilde dieren. De indeling is nog gericht op het gebruik ook, gezien het onderscheid tussen huisdieren en de dieren buiten op het veld.

Er zit iets vreemds in het gebruik van taal door iemand die volgens het verhaal in zijn eentje is, maar juist bij het geven van de namen ontdekt dat mens dat hij geen helper heeft die bij hem past, terwijl dat toch de bedoeling was van het uit de aardbodem vormen van de dieren. Er klopt iets niet in de orde van de wereld, ontdekt hij zo. Vervolgens bouwt God dan uit een rib een vrouw, eindelijk iemand die bij hem past, van zijn eigen gebeente en zijn eigen vlees. Dat is erg fysiek uitgedrukt, maar het is wel iemand die hij kan groeten en die iets terug zal zeggen, die hij kan liefhebben en die hem zal liefhebben.

Taal is allereerst relationeel. Taal is niet primair een verhouding tussen een subject en de wereld, waarin het object afgebeeld wordt, taal is allereerst een kwestie van menselijke communicatie. In vorige stukjes, vooral in Taal en de orde van de wereld, maar ook wel in Vergankelijkheden en scheppingen, heb ik er vaak de nadruk op gelegd dat we gedoemd zijn om origineel te zijn. Als je ergens een beschouwing over schrijft, dan zal het overgrote deel van je zinnen voor de eerste keer en waarschijnlijk ook voor de laatste keer zo geformuleerd worden. Maar het opmerkelijke is dat dat niet geldt voor de dagelijkse omgang.

Juist in het persoonlijke verkeer overheerst het cliché. De meest persoonlijke uiting van alle, ‘ik hou van je’, is meteen het grootste cliché aller tijden dat in kleine variaties in allerlei liedjes en in wat meer varianten in goede poëzie bezongen wordt. Aan tafel vragen we of iemand de boter even wil doorgeven en daar zijn niet zo verschrikkelijk veel verschillende mogelijkheden voor en bij het arriveren op het werk volgen er bij de begroeting wat obligate opmerkingen over het weer van die dag of over de drukte op de weg of in de trein. Het zijn woorden die elke dag weer vallen en waar niets origineels aan is en die toch de onderlinge verstandhouding scheppen.

1 januari 2012
Ook vandaag wemelt het weer van één zo’n cliché dat we alleen op deze dag en de volgende dagen in de mond nemen en dat in vele talen vertaald kan worden:

Gelukkig Nieuwjaar!

(46)