Posts tagged ‘opstanding’

16 april 2017

De opstanding en de afgewentelde steen – Of hoe Pasen en Hemelvaart op één dag vallen

door Jan Dirk Snel

[Zondag 16 april 2017] Je kunt mensen tegenwoordig van alles wijsmaken. Zelfs dat Max Pam niet weet wat Pasen is. Donderdag circuleerde er op Twitter een knipsel uit de Volkskrant van een column over Pasen waarin één zin was onderstreept: ‘Dat Jezus toen ten hemel is gevaren, behoort echter niet tot de basiskennis.’ De twitteraar van dienst, Rimme Mastebroek, gaf als begeleidend commentaar: ‘De @volkskrant schrijft een artikel dat niemand meer weet waar Pasen over gaat. Misschien moeten ze het nog eens proberen.’

Veel mensen vonden dat kennelijk aardig, en het moet gezegd, de ingehouden formulering was ook geestig. Het knipsel werd dan ook honderden keren geretweet. Een Belgische hoogleraar haalde de ‘pijnlijke vergissing’ zelfs aan in een serieuze beschouwing over hedendaagse godsdienstige onkunde, die inderdaad groot is, zij het wellicht niet minder groot dan in vroeger dagen. Onwetendheid is immers de conditio humana.

Opgestaan
Kennelijk namen slechts weinig mensen de moeite om de gehele column eens op te zoeken. Als je dat wel doet, zie je dat de heer Mastebroek ter wille van het effect nogal selectief geknipt had. Zo luidt de inmiddels gecorrigeerde versie:

‘In 2009 bleek dat 45 procent van de Nederlandse bevolking geen idee heeft waar Pasen over gaat en dat percentage is sindsdien alleen maar gegroeid. Bijna de helft van de Nederlanders associeert Pasen niet meer met het christendom. Dat Jezus uit de dood is opgestaan, is hen onbekend. Ongeveer 15 procent denkt bij Pasen aan de kruisiging, maar die vond plaats op Goede Vrijdag. Niet goed, wel warm. Dat Jezus met Hemelvaart ten hemel is gevaren, behoort ook niet tot de basiskennis. Of om met Aart Staartjes te spreken: “Van een weiland had ik weleens gehoord, maar ik had geen idee wat een Heiland was.”‘

Kortom, net voor de geïncrimineerde zin is de centrale gedachte van Pasen reeds correct omschreven: ‘Dat Jezus uit de dood is opgestaan’. De auteur wist het dus wel degelijk en de knippende twitteraar wist ook best dat de auteur het wist. Het corrigendum onder het stuk zegt nu:

‘In een eerdere versie van deze column is een fout geslopen. De zin “Dat Jezus toen ten hemel is gevaren, behoort echter niet tot de basiskennis” is vervangen door “Dat Jezus met Hemelvaart ten hemel is gevaren, behoort ook niet tot de basiskennis.”‘

Dat lijkt een verlegenheidsoplossing. Waarom ineens over de onbekendheid met een andere christelijke feestdag beginnen? Dat Hemelvaart over de hemelvaart gaat, is bovendien geen erg spannende mededeling; dat kan zelfs een volstrekte ignorant nog wel raden. Het lijkt er eerder op dat de auteur tijdens het schrijven een kleine black-out heeft gehad en dat hij Pasen nog eens in andere bewoordingen dan hij zojuist gebezigd had, wilde omschrijven en daarbij de fout inging. Dat hij Aart Staartjes even later tot Aartjes inkortte, wijst ook al op een slordigheid van dien aard.

Nu hoeven we met Pam, dunkt me, niet al te veel medelijden te hebben. Hij staat nu eenmaal bekend als een uitermate platte geest en dat is ook wat hij ambieert, gelijk zijn aanhaling van enkele woorden van Aart Staartjes al laat zien. Verderop haalt hij een zogenaamd rapport, getiteld ‘Risico inventarisatie religieuze handelingen Pasen’, van de arbeidsinspectie aan, een ‘satirisch’ verzinsel van de website Goedgelovig van vijf jaar geleden, dat hij al eens eerder heeft gebruikt, en je kunt je afvragen hoeveel mensen echt zo goedgelovig zijn dat ze in de echtheid daarvan geloven. Te veel, vrees ik. Dat anderen, van iets meer inhoudelijk kaliber, dan weer denken dat een zo platte geest ook wel tot enorme domheid in staat is, is natuurlijk niet zo gek. Wat wel vreemd is, dat de dienstdoende redacteur bij de roomsearbeiderskrant de verschrijving niet heeft opgemerkt. In die zin was het dan ook terecht dat de twitteraar de krant en niet de auteur aansprak.

Mattheüs
Maar er is nog iets. Logici zullen ongetwijfeld opmerken dat de omstreden bewering volkomen waar is: dat Jezus op Pasen ten hemel is gevaren, behoort inderdaad niet tot de basiskennis. Taalfilosofen en linguisten kunnen vervolgens uitleggen hoe taal werkt: het verschil tussen de letterlijke uitspraak en de onderliggende geïntendeerde of vooronderstelde bewering – of iets in die richting. (Niet dat wij dat niet allen weten, maar het vergt soms enig denkwerk om dat adequaat te formuleren.)

Er waren donderdag ook meer bedachtzame reacties. Coen Wessel twitterde bijvoorbeeld: ‘Max Pam heeft geen ongelijk als je Paulus volgt. Volgens Paulus had de opstanding plaats in een hemels, verheerlijkt lichaam (1 Kor 15).’ En Matthijs Schuurman merkte via hetzelfde medium op: ‘Veel kritiek op dat zinnetje in de @Volkskrant, maar Lukas 24 en Johannes 20:17 laten zien dat Pasen en hemelvaart ook samengaan’.

De opstanding wordt in alle vier evangeliën verhaald: Markus 16:1-8, Mattheüs 28:1-10, Lukas 24:1-12 – de drie synoptici – en Johannes 20:1-18. Mij viel op hoe Mattheüs het verhaal vertelt:

(1) Laat na de sabbat, toen het licht begon te worden op de eerste dag van de week, kwamen Maria Magdalena en de andere Maria om naar het graf te kijken.
(2) En zie, er vond een grote aardbeving plaats, want een engel van de Heere, die uit de hemel neerdaalde, ging erheen, rolde de steen van de opening weg en ging erop zitten. (3) Zijn gedaante was als een bliksem en zijn kleding wit als sneeuw. (4) De bewakers beefden van angst voor hem en werden als doden.
(5) Maar de engel antwoordde en zei tegen de vrouwen: U hoeft niet bevreesd te zijn, want ik weet dat u Jezus zoekt, Die gekruisigd was. (6) Hij is hier niet, want Hij is opgewekt, zoals Hij gezegd heeft. Kom, zie de plaats waar de Heere gelegen heeft. (7) En ga haastig heen en zeg tegen Zijn discipelen dat Hij opgewekt is uit de doden; en zie, Hij gaat u voor naar Galilea; daar zult u Hem zien. Zie, ik heb het u gezegd.
(8) En zij gingen haastig van het graf weg, met vrees en grote blijdschap, en zij snelden weg om het Zijn discipelen te berichten.
(9) Toen zij weggingen om het aan Zijn discipelen bekend te maken, zie, Jezus kwam hun tegemoet en zei: Wees gegroet! Zij gingen naar Hem toe, grepen Zijn voeten en aanbaden Hem. (10) Toen zei Jezus tegen hen: Wees niet bevreesd; ga heen, bericht Mijn broeders dat zij naar Galilea moeten gaan, en daar zullen zij Mij zien.

Gelijk bekend had Mattheüs daarbij de tekst van Markus bij de hand:

(1) En toen de sabbat voorbijgegaan was, hadden Maria Magdalena, Maria, de moeder van Jakobus, en Salome specerijen gekocht om Hem te gaan zalven. (2) En heel vroeg op de eerste dag van de week kwamen zij bij het graf, toen de zon opging.
(3) En zij zeiden tegen elkaar: Wie zal voor ons de steen van de ingang van het graf wegrollen? (4) En toen zij opkeken, zagen zij dat de steen weggerold was, want hij was heel groot.
(5) En toen zij het graf ingegaan waren, zagen zij aan de rechterzijde een jongeman zitten, gekleed in een wit, lang gewaad, en zij waren ontdaan. (6) Maar hij zei tegen hen: Wees niet ontdaan. U zoekt Jezus de Nazarener, de Gekruisigde. Hij is opgewekt! Hij is hier niet; zie de plaats waar ze Hem gelegd hadden. (7) Maar ga heen, zeg tegen Zijn discipelen, en Petrus, dat Hij u voorgaat naar Galilea; daar zult u Hem zien, zoals Hij u gezegd heeft.
(8) En zij gingen haastig naar buiten en vluchtten bij het graf vandaan, want beving en ontsteltenis had hen aangegrepen; en zij zeiden tegen niemand iets, want zij waren bevreesd.

Leeg graf
Het is nu niet mijn bedoeling om alle wijzen waarop Mattheüs op Markus varieert, aan te wijzen. Slechts op één enkel aspect wil ik de aandacht vestigen. Terwijl bij Markus de vrouwen op weg gaan om het dode lichaam te zalven, gaan ze bij Mattheüs alleen maar op pad om het graf opnieuw te bezien. Ze vragen zich ook niet af wie de steen kan wegrollen, want ze weten (Mattheüs 27:65, 66) dat het graf bewaakt wordt. De vrouwen maken iets heel onverwachts mee. Ze zien hoe een engel uit de hemel afdaalt, de steen wegrolt en erop gaat zitten. (Dat, dat zitten bedoel ik, is dus iets anders dan we zien in allerlei plaatjes waarop een rechtopstaande steen slechts opzij is gerold, doch dit terzijde.) De engel vertelt de vrouwen vervolgens dat Jezus er niet is. Hij is immers opgewekt. En hij nodigt hen uit om de plek te bezien waar hij gelegen heeft.

Wat is nu het opvallende? Dit, dat de weggerolde steen, zoals het zo vaak wordt voorgesteld, geen teken van de opstanding is. Bij Markus zou je dat nog kunnen denken. Maar hier lijkt dat niet het geval te zijn. De engel rolt de steen weg, opdat de vrouwen kunnen zien dat het graf leeg is. Jezus is al eerder opgestaan. Als de vrouwen op de terugweg zijn, komt hij hen tegemoet.

Zo ben ik althans geneigd het verhaal a prima vista te lezen. Het is hierboven al aangehaald: Paulus maakte enkele decennia eerder in de eerste Korinthebrief (15:44) een onderscheid tussen een natuurlijk en een geestelijk lichaam. Ook Lukas, die het opstandingsverhaal van Markus weer op zijn eigen wijze verwerkte, gaat daar in de verhalen die er bij hem op volgen, vanuit. De Emmaüsgangers herkennen Jezus aanvankelijk niet, maar als hij het brood breekt, ineens wel. Op dat moment verdwijnt hij uit hun gezicht (24:31). Later, nog steeds op dezelfde dag, vertoont hij zich plotseling aan de elf discipelen in Jeruzalem. Hij toont hun zijn handen en voeten (24:39, 40) en hij eet iets, ‘een stuk van een gebakken vis en van een honingraat’ (24:42). Jezus zegt daar met zoveel woorden: ‘Raak Mij aan en zie, want een geest heeft geen vlees en beenderen, zoals u ziet dat Ik heb.’ Kortom, Jezus is geen geest, want een geest kan men niet aanraken en een geest kan niet eten, maar hij heeft wel een geestelijk lichaam, dat niet aan de wetten van de fysicaliteit is gebonden en zich ook niet door een steen voor een graf laat beletten.

Ecce
Men moet natuurlijk oppassen een dergelijke voorstelling al te snel in een andere tekst, in dit geval die van Mattheüs, in te lezen, maar ik zou toch zeggen dat het voor de hand ligt dat ook Mattheüs van deze onderliggende gedachte uitgaat. Dan zou de afgewentelde steen dus niets met de opstanding als zodanig te maken hebben, want daarbij ging het dan om een transformatie van een natuurlijk in een geestelijk lichaam, maar wel met de mogelijkheid om getuige te zijn van het lege graf.

Ik weet alleen niet of mijn simpele lezing klopt. Het valt me op dat enkele commentaren die ik raadpleegde, geheel aan dit punt voorbijgaan. En ik besef dat er commentatoren zijn die een geheel andere visie hebben. Een geleerde als Theodor Zahn (1838-1933) schrijft bijvoorbeeld: ‘Es ist daher auch nicht gemeint, daß die Frauen Augenzeugen aller v. 2. erwähnter Vorgänge am Grabe waren.’ En hij beroept zich vervolgens onder meer op de werkwoordtijden. Mijn kennis van het Grieks is te gering om dat te kunnen beoordelen. Ik kan alleen maar vaststellen dat vrijwel alle vertalingen die ik onder ogen heb gekregen, de aoristus ἐγένετο in het zinnetje καὶ ἰδοὺ σεισμὸς ἐγένετο μέγας, als een gewone onvoltooid verleden tijd weergeven. Na dat καὶ ἰδοὺ kun je je eigenlijk ook nauwelijks iets anders voorstellen.

Maar ook Jos. Keulers schrijft in een commentariërende noot in zijn Synopsis van de eerste drie evangeliën (Roermond 1958) dat Mattheüs in de verzen 2-4 verhaalt ‘wat er aan de aankomst van de vrouwen bij het graf voorafging’. Mijn enige vraag is dan waarom hij dan in zijn vertaling – ‘En zie, er ontstond een grote aardbeving’ – een geheel andere indruk wekt. Elke onbevangen lezer zal toch denken dat eerst de vrouwen naar het graf tijgen en dat daarna de engel neerdaalt. De NBV, die wel erg vrij vertaalt, maar toch enigszins poogt recht te doen aan wat er staat, maakt van het καὶ ἰδοὺ zelfs levendig ‘plotseling’. (Het nadeel van de NBV is dat die wel erg veel voorkennis bij de lezer veronderstelt: alleen als je weet hebt van wat het Latijn met et ecce weergeeft, wordt zo’n alledaagse weergave ineens interessant, want anders is die zo plat als een dubbeltje.)

Sitz im Leben
Vrijdag, op Goede Vrijdag dus, besloot ik vanwege het karakter van die dag, tijdens een lange treinreis het boekje The Passion van Géza Vermes (1924-2013) te lezen, over de lijdensverhalen dus, zoals de titel al zegt. Het is een kort en charmant boekje, simpel vooral ook, maar ondanks de onmiskenbare scherpzinnigheid vond ik het toch tegenvallen. Het recept is werkelijk eenvoudig: leg de teksten naast elkaar en noteer wat je aan verschillen opvalt. Maar juist daarin schiet het boekje ook nogal tekort. Dat de drie synoptici en Johannes afwijken, weten we a priori. Maar waarom Mattheüs en Lukas welbewust van Markus afwijken, terwijl ze zijn tekst voor zich hebben liggen, dat vraagt Vermes zich al te weinig af. Kortom, al te veel blijft hij filologisch bij de letterlijke teksten hangen en al te weinig vraagt hij zich af wat daar in het werkelijke leven, de befaamde Duitse Sitz im Leben, schuil achter gaat.

Eigenlijk vind ik dan een meer harmoniërende benadering, zoals men die bijvoorbeeld in de kanttekeningen op de Statenvertaling aantreft, intellectueel nog bevredigender: daar is immers meer intellectuele vindingrijkheid voor benodigd. En het moet uiteraard gezegd: in dit geval ben ook ik geneigd tot een dergelijke harmoniërende lezing. Het lijkt me echt dat als je Mattheüs leest vanuit dezelfde grondgedachte die ook Paulus in de jaren vijftig van de eerste eeuw aanhing en die Lukas enkele decennia later deelde, je de tekst het beste recht doet. Een afwijkende lezing zou, dunkt mij, al te veel kunstmatige vindingrijkheid vergen.

Het klopt dus dat de opstandig en de hemelvaart volgens Lukas 24 op dezelfde dag plaatsvonden. Terwijl dezelfde auteur in Handelingen (1:3) stelt dat er veertig dagen tussen beide gebeurtenissen zaten. ‘The author of Luke-Acts was an artistic writer, and he thought that repeating himself was not good style’, merkt E.P. Sanders op in The Historical Figure of Jesus (1993). ‘That Jesus’ followers (and later Paul) had resurrection experiences is, in my judgement, a fact’, schrijft hij vervolgens. Dat lijkt mij onomstreden.

De nieuwtestamentische opvatting van opstanding past duidelijk niet in de simplistische wijsgerige opvattingen van dualisme of – alleen in oppositie daarmee verstaanbaar – monisme die nog immer gangbaar zijn. Maar of mijn eenvoudige lezing van Mattheüs klopt, dat moeten de beoefenaren van de regina scientiarum maar zeggen.

(210)