Posts tagged ‘NRC Handelsblad’

13 november 2015

Verklaring OM zet geloofwaardigheid fractievoorzitters op het spel

door Jan Dirk Snel

[Vrijdag 13 november 2015] Het Openbaar Ministerie heeft flink olie op het politieke vuur gegooid. Anders valt het persbericht dat het woensdag 11 november 2015 deed uitgaan over het mogelijk lekken van informatie uit de Commissie voor de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten (CIVD) van de Tweede Kamer niet te interpreteren.

Misdrijf
Het OM stelt dat een lid van de Tweede Kamer mogelijk een ambtsmisdrijf begaan heeft. Dat is een zware beschuldiging, die in feite uit twee afzonderlijke elementen bestaat. Ten eerste dat er mogelijk van een misdrijf sprake is. Ten tweede dat dat mogelijk door een Tweede Kamerlid gepleegd is. Het vreemde is echter dat het OM wel verwijst naar artikel 119 van de Grondwet dat impliceert dat leden van de Staten-Generaal ambtsmisdrijven kunnen begaan, maar op geen enkele wijze aanduidt welke wettelijke bepalingen in dit geval dan overtreden zouden zijn. We moeten maar raden.

NRC20140218

Het stuk dat NRC Handelsblad op dinsdag 18 februari 2014 publiceerde, leidde tot de huidige affaire.

Het enige dat we weten, is dat het OM onderzoek heeft laten doen naar aanleiding van een publicatie in NRC Handelsblad van 18 februari 2014, op grond waarvan het vermoeden ontstond dat een journalist ‘letterlijk had geciteerd’ uit de geheime notulen van twee CIVD-vergaderingen, van 12 december 2013 en 5 februari 2014. We kunnen daaruit opmaken dat de informatie in het NRC-artikel kennelijk juist is. Als de journalist maar wat uit zijn duim had gezogen, zou een dergelijk onderzoek immers onnodig zijn geweest.

Over geheimhouding ten aanzien van de gedachtewisseling in besloten commissievergaderingen handelt allereerst het Reglement van Orde van de Tweede Kamer. Dat zegt dat bij schending van de geheimhouding het presidium kan voorstellen om een lid ‘voor ten hoogste één maand uit te sluiten van alle vergaderingen van één of meer commissies’ of om een lid ‘voor ten hoogste de verdere duur van de zitting uit te sluiten van de kennisneming van vertrouwelijke stukken’, waarna de Kamer moet beslissen.

Geheim
Kennelijk vond men deze zaak echter veel ernstiger. De commissievoorzitter deed immers aangifte en het OM liet onderzoek doen. Maar wat werd er nu eigenlijk onthuld? Uit het NRC-artikel bleek dat minister van Defensie Jeanine Hennis-Plasschaert op 12 december 2013 aan de CIVD gemeld had dat 1,8 miljoen metadata, waarvan haar collega Ronald Plasterk van Binnenlandse Zaken eerder beweerd had dat die door de Amerikaanse afluisterdienst NSA verzameld waren, in werkelijkheid door Nederlandse inlichtingendiensten aan de Amerikanen geleverd waren. Dat hadden beide ministers inmiddels in een brief op 4 februari 2014 openbaar gemaakt.

Het eigenlijke ‘geheim’ kon dus niet meer onthuld worden. Het enige dat daaraan toegevoegd werd, was dat de fractieleiders, die lid zijn van de CIVD, dit dus al sinds december wisten. En dat ze vervolgens op 5 februari minister Plasterk het recht ontzegden te vertellen dat zij het al wisten. Kortom, het ging niet meer om het ‘wat’, maar om het ‘dat’: niet wat er gezegd was, maar dat het gezegd was.

Het is dan ook de vraag of zo’n tamelijk onschuldige onthulling, waarbij werkelijk geen grote staatsgeheimen verklapt werden, aangifte en onderzoek rechtvaardigt. Het Wetboek van Strafrecht kent een reeks specifieke ‘ambtsmisdrijven’, maar die hebben slechts betrekking op het handelen van ministers (‘hoofden van ministeriële departementen’), de bevelhebber van de gewapende macht, ambtenaren en rechters, niet op leden van de Staten-Generaal. Ook artikel 98 waarin het gaat over inlichtingen ‘waarvan de geheimhouding door het belang van de staat of van zijn bondgenoten wordt geboden’, kan hier niet van toepassing zijn. Mogelijk denkt het OM aan artikel 272 over een ‘geheim’ waarvan men ‘weet of redelijkerwijs moet vermoeden’ dat men dat ‘uit hoofde van ambt, beroep of wettelijk voorschrift dan wel van vroeger ambt of beroep verplicht is het te bewaren’. We weten het gewoon niet.

Misleiding
En het is nog maar de vraag of dit of een dergelijk artikel hier werkelijk van toepassing is. Mocht men nadat het eigenlijke ‘geheim’ al lang en breed bekend was, werkelijk niet zeggen dat het al ter sprake was gekomen?

Nu we weten dat het OM het NRC-artikel als een serieuze onthulling beschouwt, weten we immers ook dat de acht fractievoorzitters (Pechtold, Roemer, Van Ojik, Thieme, Van Haersma Buma, Klein, Wilders en Bontes) die tijdens het debat van 11 op 12 februari 2014 een motie van wantrouwen tegen minister Plasterk indienden, daarin op zijn minst langs de grens van de waarheid scheerden. Ze stelden immers dat de minister de Kamer niet had geïnformeerd ‘nadat voor hem duidelijk was geworden dat de informatie die hij eerder naar buiten had gebracht onjuist en onvolledig was’. Dat had hij inderdaad niet direct gedaan nadat hij die informatie op 22 november verkreeg, maar de fractievoorzitters wisten ook dat die informatie op 12 december wel met hen gedeeld was. Gezien de context van het debat, waarin de mogelijkheid de CIVD vertrouwelijk te informeren besproken werd, kozen ze daarmee bewust een misleidende formulering. Ze hadden gemakkelijk een behoedzamere formulering kunnen kiezen, die zich tot het openbare aspect beperkte.

Bovendien weten we nu dat de verklaring die de CIVD naar aanleiding van het NRC-stuk op 18 februari 2014 deed uitgaan, namelijk dat ze zich ‘niet geïnformeerd’ achtte ‘over de rol en werkwijze van de Nederlandse inlichtingen- en veiligheidsdiensten bij de verzameling van de 1,8 miljoen metadata’, al even misleidend was.

Gevolgen
We mogen aannemen dat het OM beseft heeft dat het persbericht van woensdag ernstige politieke gevolgen kan hebben. De geloofwaardigheid van een groot aantal fractieleiders staat nu immers op het spel. Ook het OM had gemakkelijk voor een terughoudendere, conditionele verklaring kunnen kiezen. Bijvoorbeeld dat het buiten de Kamer geen lek had gevonden en dat als de Kamer van oordeel was dat een lid een ambtsmisdrijf had begaan, ze dan zelf de opdracht tot vervolging zou moeten geven.

Nu stelt het OM weliswaar niet met zekerheid dat een Kamerlid een ambtsmisdrijf heeft gepleegd, maar de formulering acht die mogelijkheid duidelijk meer dan hypothetisch. Dat is een zware aantijging, waarbij het feitelijke element mogelijk klopt – er is kennelijk iets verteld – maar waarvan nog maar te bezien valt of ze juridisch standhoudt. Waarom mogen fractievoorzitters impliciet wel onjuiste informatie over het besprokene verspreiden, maar mag daar geen correctie op volgen? Hoe verhouden het juridische en het politieke element zich hier tot elkaar? Het wonderlijkste blijft echter dat het OM niet zegt op welke rechtsgrond het zijn vermoeden baseert.

Naschift (donderdag 19 november 2015, 9,45 uur)
Als een soort vervolg hierop heb ik een artikel geschreven dat zich meer op het onderzoek van de Tweede Kamer concentreert. Het verscheen op woensdag 18 november in het Reformatorisch Dagblad onder de kop Onderzoek naar lek schaadt aanzien Kamer.

Tweede naschrift (donderdag 31 december 2015, 15.15 uur)
Nu ik vandaag het stukje hierboven nog eens overlas, nadat ik de afgelopen maand en vooral de afgelopen dagen nieuwe stukjes over het onderzoek naar het zogenaamde CIVD-lek geschreven had – een overzicht vindt men hier – viel me één omissie op. Ik had moeten verwijzen naar artikel 84 van het Wetboek van Strafrecht. Daarin staat: ‘Onder ambtenaren worden begrepen leden van algemeen vertegenwoordigende organen.’ Dat wil dus zeggen dat overal waar het Wetboek van Strafrecht over ambtenaren schrijft, men ook aan leden van de Staten-Generaal moet denken. Dat maakt de mogelijkheid om een Kamerlid op een ambtsmisdrijf of ambtsovertreding te pakken uiteraard veel groter. Ik geloof niet dat het verder voor het bovenstaand heel veel uitmaakt, maar dit moet er toch wel nadrukkelijk bij.

(191)

19 maart 2015

Een systeemcrisis? Kom nou, eerder de terugkeer van werkelijk politiek dualisme

door Jan Dirk Snel

[Donderdag 19 maart 2015] Soms veranderen dingen. En daar moeten we dan aan wennen. Het getuigt echter van een nogal angstvallige levenshouding om elke verandering met wantrouwen te begroeten. De ervaring van de moderniteit, wat dat ook precies moge zijn, is immers ook dat dingen ten goede kunnen veranderen. De problemen waar de mensheid, talrijker dan ooit, voor staat, zijn immens, maar uit ervaring weten we gelukkig ook dat tal van vraagstukken opgelost kunnen worden. Vooruitgang bestaat onmiskenbaar, al is ze altijd ten dele.

 –

‘Een heuse systeemcrisis’
Binnen de globale verhoudingen zijn de wijzigingen in de Nederlandse politiek uiteraard minuscuul. Maar het gaat nu eenmaal om onze levenswereld en niet zonder reden vinden we die belangrijk. In de Nederlandse politiek doen zich al enkele decennia allerlei verschuivingen voor. En als we bijvoorbeeld het idee hebben dat het politieke bestel tussen pakweg 1918 en 1967 of daaromtrent tamelijk stabiel was, is dat misschien ook wel een wat gemakzuchtige indruk achteraf. De overgang van de oude coalitie van rechts – zonder nadere toevoeging vaak groot geschreven: de Coalitie – naar bijvoorbeeld de rooms-rode samenwerking was voor de tijdgenoot ook tamelijk opmerkelijk.

Kabinet-Den_Uyl

Het laatste niet werkelijk parlementaire kabinet: de nieuwe ministersploeg van Joop den Uyl op het bordes, 1973. In andere zin zou men ook de beide kabinetten-Rutte niet als volledig parlementair kunnen beschouwen: die typering geldt immers alleen voor een deel van de Staten-Generaal.

Het politieke bestel is al jaren, je zou kunnen zeggen sinds 1994, aan allerlei veranderingen onderhevig, nadat er – opnieuw: achteraf gezien – vanaf 1977 voor enige tijd weer een zekere mate van stabiliteit aangebroken leek te zijn. Het valt op dit moment dan ook moeilijk te zeggen of de Provinciale Statenverkiezingen van 18 maart 2015 een belangrijk omslagpunt markeren of eerder een bevestiging van een langere trend vormen. Maar om er nu een ‘illustratie van een heuse systeemcrisis’ in te zien, zoals NRC Handelsblad vandaag in het hoofdredactionele commentaar doet, dat lijkt me wel erg onbezonnen en paniekerig. Van een dagblad dat bekendstaat om zijn bedachtzaamheid, zou je een evenwichtigere reactie verwachten.

De krant heeft het over een ‘illustratie’. Normaal gesproken mag je bij opiniërende artikelen nooit op de kop afgaan, omdat die gemeenlijk niet van de auteur afkomstig is, maar bij een hoofdredactioneel commentaar ligt dat anders. De NRC gaat er kennelijk vanuit dat die crisis zich al langer voordoet. Maar de verkiezingen van gisteren zouden die hebben ‘blootgelegd’. Dat kan alleen met iets dat er in het verborgene al langer is.

Geen grote partijen meer
‘Grote partijen kent Nederland sinds gisteren niet meer’, constateert de krant terecht. Maar is dat erg? We kennen in Nederland een lange traditie van kabinetten, die op vier of zelfs vijf partijen steunden. Ik vermag niet in te zien waarom daardoor een situatie van ‘politiek surrealisme’ zou ontstaan. Op een zekere destructieve, vaak als populistisch aangeduide partij na kenmerken eigenlijk alle politieke partijen zich dezer dagen door een grote mate van redelijkheid en verantwoordelijkheidszin. In gemeenten en provincies doen ook al die partijen wel ergens mee aan coalities, met vaak verassende combinaties, zoals in Amsterdam, waar D66, VVD en SP samenwerken.

Dat er geen echt grote partijen meer bestaan, konden we in feite weten sinds de Tweede Kamerverkiezingen van 2012. Ik zou eerder geneigd zijn om juist de uitkomsten daarvan als enigszins ‘surrealistisch’ te zien. Ook toen hadden VVD en PvdA in feite veel kleiner moeten worden, maar door de vraag welke van de twee partijen het grootst zou worden, wonnen ze allebei veel meer dan ze aan werkelijke sympathie genoten. Terwijl veel kiezers van beide partijen wilden voorkomen dat de ander de dienst zou gaan uitmaken, kregen ze die andere partij er dankzij hun gedrag juist bij – bij de vorming van het huidige kabinet, bedoel ik. We wisten toen al dat de kiezer ‘weinig fiducie’ kon hebben in de coalitie die gevormd werd. Kiezers zouden er van kunnen leren dat je maar beter op de werkelijke partij van je voorkeur kunt stemmen. Dan kunnen vervolgens meerdere partijen samen een coalitie vormen die niet zozeer op het volledig uitruilen van verschillende wensen, maar op het bereiken van werkelijke compromissen gebaseerd is.

De NRC heeft gelijk dat niet erg duidelijk is wat ‘het electoraat wél wil’. Maar dat lijkt me nu juist nogal geruststellend. Het nemen van regeringsverantwoordelijkheid mag dan tegenwoordig nog wel eens tot gevolg hebben dat de kiezer wegloopt, erg ver maakt die zich ook niet uit de voeten. Men ziet het aan de winst voor de drie gedogers van de coalitie, D66, CU en SGP. De kiezer zet hooguit in vrijheid een iets ander accent, hij blijft zich in of nabij het midden ophouden. Over bepaalde dingen is hij misschien een beetje ontevreden, hij kiest gemeenlijk niet voor een extreem alternatief. (Alleen de PVV moet extreem genoemd worden en het is nog maar de vraag of alle kiezers op die club zelf nu zo massief tegen ons bestel gekant zijn.)

 –

Stabiliteit
Compleet uit de bocht vliegt de liberale krant als ze stelt dat ‘dat de Eerste Kamer inmiddels zelf het “kwaad” is geworden’, waarbij ik overigens besef dat die typering betrekking heeft op de weerhoudende functie die minister van justitie Dirk Donker Curtius aan dat lichaam toeschreef. Ik zou zeggen dat het nut van de Eerste Kamer – die effectief niet ontbindbaar is, sinds het voorstel om de verkiezende Provinciale Staten ontbindbaar te maken in 1922 na verzet van de senaat ingetrokken werd – nu duidelijker dan ooit is: ze verschaft stabiliteit. Tot 2019 weet elk kabinet waar het aan toe is. De marges zijn gegeven.

Het nut van de Eerste Kamer, die zich in het algemeen overigens veel beter op de kern van het parlementaire werk, wetgeving, weet te concentreren dan de Tweede Kamer, die dezer dagen vaak het onaantrekkelijke en frivole aanzien van een maatschappelijke debatclub heeft gekregen, ligt niet in haar eigenheid, maar in de functie binnen het totale systeem. Het nut van twee kamers is, juist als de samenstelling nogal uiteenloopt, dat ze gezamenlijk meer draagvlak noodzakelijk maken. Het is het samenspel, de werking van het totale systeem, waar het op aankomt. Je zou net zo goed, of dezer dagen eigenlijk beter, naar het bestaansrecht van de Tweede Kamer kunnen vragen.

NRC19032015

.

De kiezer mag dan wel een klein stukje weglopen, het stelsel dwingt partijen toch weer om hun verantwoordelijkheid te nemen. Het stelsel, zou je kunnen zeggen, betrekt de kiezer er toch weer bij. We leven nu al in een tijd waarin de oude indeling in coalitiepartijen en oppositiepartijen in feite onderuit is gehaald. De aanduiding ‘constructieve oppositie’ voor drie partijen is in alle paradoxaliteit vooral humoristisch. Er bestaat geen scherpe tweedeling meer. Er zijn momenteel op zijn minst drie groeperingen in het parlement. Er is veel meer dualisme dan lange tijd het geval is geweest. Niet alles kan van tevoren in een regeerakkoord vastgelegd worden, er moet weer vanouds tijdens het proces onderhandeld worden tussen regering en Staten-Generaal. Dat is precies zoals democratie ooit bedoeld was.

 –

Dualisme
Kortom, we komen, naar het zich laat aanzien, in een nieuwe fase waarin dualisme gelukkig weer veel meer kansen krijgt. Het lijkt me ook de vraag of het wel zo wenselijk is om na de volgende Tweede Kamerverkiezingen door te gaan met het systeem van parlementaire kabinetten. In de jaren tussen 1926 en 1946 kenden we vooral extraparlementaire (of in ieder geval niet-parlementaire) kabinetten en ook daarvoor zagen we al dat de Coalitie – die met de hoofdletter dus – lang niet altijd als één gesloten blok optrad. Het is een verademing om debatten uit het begin van de jaren twintig in de Handelingen na te lezen: Kamerleden durfden nog vaak zelf een eigen positie in te nemen. Ook het roemruchte kabinet-Den Uyl (1973-1977) was slechts halfparlementair. PvdA, D’66 en PPR achtten zich weliswaar met het kabinet verbonden, KVP en ARP, uit wier kringen ook ministers afkomstig waren, stonden er veel vrijer tegenover.

Het zou heel goed kunnen – en ik hoop het – dat we weer de kant van een werkelijk dualisme opgaan. De politieke richting wordt dan niet tijdens de weken van de kabinetsformatie achter gesloten deuren bepaald, maar gaandeweg de zittingsduur van een kabinet, waarbij de deuren uiteraard ook wel eens dicht zullen gaan, maar waarbij we per thema veel beter kunnen volgen welk compromis men nu bereikt. Reden om aan de ‘daadkracht’ van een kabinet te twijfelen, zoals de liberale avondkrant doet, lijkt op voorhand geenszins te bestaan. Je kunt van het huidige kabinet van alles zeggen, maar niet dat het niet veel voorstellen door de Staten-Generaal heeft weten te krijgen – en dat dus zonder een eigen senaatsmeerderheid uit de twee partijen die bewindslieden leveren.

 –

Vertrouwen
Kortom, een systeemcrisis vermag ik niet te zien. Een systeemwijziging mogelijk wel, al is dat woord eigenlijk te groot. Het eigenlijke bestel verandert immers niet, het gaat, naar het zich laat aanzien, alleen weer beter functioneren. Een verandering ten goede dus, naar democratie zoals die bedoeld is: levendig en open. Politiek is compromissen sluiten. Het is goed als die niet allemaal in één keer bedisseld worden, maar telkens openlijk tot stand komen op het moment dat ze nodig zijn. Er lijkt me alle reden om de toekomst van ons politieke bestel met vertrouwen tegemoet te zien.

 ♦

Naschrift (17.45 uur)
Zoals gebruikelijk is, heb ik enkele kleine correcties doorgevoerd en een enkele formulering lichtelijk gewijzigd.

(185)