Posts tagged ‘NOS Journaal’

23 juli 2014

Nationale rouw – Over het vervalsen van verdriet

door Jan Dirk Snel

[Woensdag 23 juli 2014] Midden in het leven zijn wij door de dood omgeven. Neem de krant. Vanouds bevat die een pagina met overlijdensadvertenties. Iedereen die aan het begin van de dag, bij het ontbijt, nog ouderwets zo’n ding op papier doorneemt, komt daarin ook de dood tegen. Beter gezegd: komt doden tegen. Vaak laat ik mijn ogen even over de advertenties gaan, ook in de avondkrant overigens, omdat die sociologisch gezien weer een ander milieu vertegenwoordigt. En met die laatste opmerking verraad ik meteen al hoe vertrouwd en gewoon de dood, de dood op een zekere afstand, voor ons is.

Rapenburg_Leiden_1807

Drie dagen na de buskruitramp van maandag 12 januari 1807, waarbij 151 doden vielen, er 2000 gewonden waren en velen hun woning verloren, bezocht koning Lodewijk Napeleon Leiden. Precies een jaar na de ramp werd er een dank- en bededag gehouden. Schilderij door Carel Lodewijk Hansen (1765–1840).

Doden kennen
Ook de dood is een bron van informatie. Soms ken ik de naam van de overledene in de advertentie. Een enkele keer gaat het om iemand met die ik persoonlijk kende of althans een beetje kende. Neem dat ‘persoonlijk’ vooral niet te zwaar op. Soms zie je een overlijdensadvertentie van iemand van wie je vroeger op school les hebt gehad of bij wie je op de universiteit college hebt gevolgd of met wie je ooit op de een of andere wijze, in je werk of je vrije tijd, te maken hebt gehad. Er zijn vele manieren waarop je ooit mensen gekend kunt hebben, van dichtbij tot meer op afstand, en er zijn ook vele manieren waarop mensen in jouw leven voorbijgangers bleken te zijn – of jij in het hunne – en je jaren niet meer aan ze gedacht hebt. Iets vaker zie je een overlijdensadvertentie van iemand wiens naam je indirect, bijvoorbeeld uit de media, vanwege boeken die iemand schreef, hoe dan ook, kent. Soms ook zie je bij de ondertekenaren iemand die je kent en ineens besef je iets als: ‘o, maar zij is dus de dochter van die en die’ of ‘nooit beseft dat die twee broers waren’.

Maar vaker ken ik de overledenen en hun nabestaanden dus helemaal niet. Maar de schaal is variabel, omdat een naam, een woonplaats, een ander gegeven toch soms enige bekendheid of een zekere vertrouwdheid oplevert. Kennis is een gradueel gegeven. Overlijdensadvertenties bieden voor wie ze lezen kan, veel sociologische informatie. De ontwikkelingen in de Nederlandse samenleving tijdens de laatste halve eeuw laten zich uitstekend beschrijven aan de hand van de advertenties van nabestaanden in de landelijke en misschien nog wel meer de regionale kranten. Het verschil in tempo en gestalte van de katholieke en gereformeerde secularisering kon je uitstekend zien aan de hand van advertenties in de Volkskrant en Trouw. Het enorme verschil in geloofsbeleving, althans in de collectieve uiting daaraan, die met die ‘beleving’ overigens wellicht op gespannen voet staat, kon je goed zien aan de hand van de berichten in het Reformatorisch Dagblad en het Nederlands Dagblad. En hoe het de vroegere gereformeerde of protestantse elite uit de tijd van de Republiek en de begindagen van het Koninkrijk is vergaan, kon je altijd uitstekend in het liberale NRC Handelsblad volgen. De pagina met overlijdensadvertenties leek de afgelopen decennia vooral een naschrift op de alom gekende geschiedenis uit de negentiende en de achttiende eeuw. Regionale kranten bieden een nog weer veelkleuriger, vooral ‘gewoner’ en ‘gemiddelder’  beeld.

De dood is er altijd. Elke dag worden we herinnerd aan het sterven van anderen en zijn we ons van onze sterfelijkheid bewust. En toch leven we door. Je ziet dat al op begrafenissen. Op de koffiemaaltijd of de bijeenkomst na afloop van het eigenlijke gebeuren zie je vaak geanimeerde gesprekken ontstaan. Mensen hebben er zin in, in doorgaan met leven, tot ook hun dood zich aandient.

 –

Empathie
Vandaag is er een dag van nationale rouw afgekondigd vanwege het afschieten van een vliegtuig met 298 mensen, onder wie vrij veel Nederlandse passagiers, 193, in het oosten van Oekraïne afgelopen donderdag, 17 juli 2014. Het is als ik het goed begrijp, de eerste keer sinds de moord op John F. Kennedy in 1963 dat een dergelijke dag werd uitgeschreven. Kort daarvoor was dat ook al gebeurd bij de dood van prinses Wilhelmina. Veel lijn schijnt er in ieder geval niet in te zitten. Bij de veel grotere vliegramp op Tenerife in maart 1977, waarbij 583 mensen om het leven kwamen, waaronder kennelijk ook een groter aantal Nederlanders – hun getal kan ik nu zo snel niet vinden, maar aan boord van het KLM-toestel, waarvan alle inzittenden omkwamen, waren 234 inzittenden en 14 bemanningsleden – is zo’n dag klaarblijkelijk niet afgekondigd. Nu dus wel. (In nog oudere tijden zou de regering gewoon een biddag hebben uitgeschreven. Op 28 november 1918 gebeurde dat tenminste nog, al werd die bededag omdat de oorlog, die op het moment van uitschrijven in oktober nog woedde, inmiddels beëindigd was, meteen ook een soort dankdag.)

Maar wat betekent zo’n dag nou en hoe moeten we ermee omgaan? Ik heb de lijst met namen die de regering gisteren in de dagbladen publiceerde, doorgenomen, maar ik kende, denk ik althans, niemand persoonlijk. Bij de combinatie van enkele namen en woonplaats dacht ik wel: ‘dat zou wel eens familie van die en die kunnen zijn’, maar ik weet dat verder simpelweg niet. De enige naam die mij vrijdag direct al veel zei, was die van Willem Witteveen, niet omdat ik hem persoonlijk kende, maar omdat ik een aantal boeken van hem las en in de kast heb staan, titels als Het theater van de politiek (1992), De geordende wereld van het recht (1996, in 2001 herzien) en De denkbeeldige staat (2000). Het zou naar mijn idee overigens ook wat merkwaardig zijn als ik van dergelijke titels niet had kennis genomen. (Waarom zulke boeken dan nooit hoog in de bestsellerlijsten staan, blijft een raadsel. Sommige mensen moeten er een merkwaardig leesbeleid op nahouden.) Maar omdat ik met de boeken van Witteveen nogal wat uren heb doorgebracht, zei zijn dood me ineens toch meer. Ook al kende ik hem niet persoonlijk, zo’n auteur is op een bepaalde wijze toch vertrouwd. Overigens had ik tot aan vrijdag nooit beseft dat hij een zoon van de zeker bij iedereen bekende minister Johan Witteveen was.

Maar hoe gaan we nu om met zo’n nationale rouw? Met empathie dunkt mij, maar dat wil juist daarom ook zeggen: vrij zakelijk. De dood van anderen raakt ons vaak niet erg, maar tegelijk beseffen we dat ze anderen, verwanten, naasten, wel raakt. Mensen staan nu eenmaal in verschillende verhoudingen tegenover elkaar. Empathie impliceert dat je beseft dat wat jou niet zo raakt, anderen wel raakt, dat wat voor jou een interessante advertentie in de krant is met boeiende gegevens over de ontwikkeling van een familie en een blik in de Nederlandse geschiedenis, op dat zelfde moment voor andere mensen, de ondertekenaars in de advertentie bijvoorbeeld, diep verdriet betekent.

Valse sentimenten
Maar ik zou ook zeggen: roep geen valse sentimenten op. De dood van deze 298 mensen, onder wie 193 Nederlanders, was volstrekt onnodig. Iemand, waarschijnlijk gezeten in zo’n Buk-systeem, had zo wijs moeten zijn om niet te drukken, om niet te schieten. Terecht wordt het geval politiek hoog opgenomen, waarbij het trouwens ook nuttig is om te bedenken wat onze reactie geweest zou zijn als de raket een Antonov-toestel met, zeg, vijftig jonge Oekraïense militairen getroffen zou hebben. Veel meer dan een klein berichtje, waar we zelfs de schouders niet over opgehaald zouden hebben, zou het dan waarschijnlijk niet geworden zijn. Soldaten sneuvelen nu eenmaal, dat is hun vak.

Maar dramatiseer ook dit geval niet bovenmatig, want dat doet de zaak geen goed. Er zijn ook op dit moment meer mensen in Nederland droevig om andere overledenen. Elke dag overlijden er volgens het CBS ongeveer 390 mensen. Jazeker, er is een verschil. De ruim tweeduizend Nederlanders die sinds afgelopen donderdag ‘zo’ overleden zijn, zullen in het algemeen een ‘natuurlijke dood’ gestorven zijn, vaak aan het eind van een lang en rijk leven. Maar ook dan is er verdriet, legitiem verdriet. En het is dus waar dat de dood van de 298 mensen in het vliegtuig niet nodig was geweest, niet onvermijdelijk. Dat maakt het terecht om er collectief aandacht aan te besteden. Het was een andere dood.

Nationale rouw is in dit geval vooral een daad. Het gaat meer om het handelen dan om het gevoel. Een gevoel erover kan best authentiek zijn. Toen minister Timmermans in de Veiligheidsraad zich de laatste ogenblikken van de inzittenden probeerde voor te stellen, leek me dat geen valse emotie. Juist dan gaat het om een kwestie van inleven. Maar het lijkt me niet wenselijk om dergelijke gevoelens voortdurend proberen op te roepen. En juist op dat punt gaat het in of met de media nogal eens mis. Onlangs, zaterdag denk ik, heb ik nog eens weer geprobeerd naar het NOS Journaal te kijken, maar het lukte me niet en binnen luttele ogenblikken was ik alweer afgehaakt. Het nieuws opende met een volstrekt willekeurig iemand die in zijn woorden verklaarde hoe erg het wel niet was. En even later ging men weer allerlei willekeurige voorbijgangers vragen wat zij ervan vonden, de beruchte techniek van de voxpopjes. Maar dat werkt dus niet. Of beter: het werkt volstrekt averechts. Het verdriet leiden wij af uit het nieuws zelf en wat we ons daarbij voor kunnen stellen en niet doordat we anderen horen verklaren hoe erg het is. Dat maakt het alleen maar vals. Al jaren volgen nieuwsmedia, waaronder het NOS Journaal – dat verder best zijn best zal doen de feiten te brengen – doelbewust een volstrekt verwerpelijke gedragslijn. Alsof de kijker zelf geen voorstellingsvermogen heeft.

Voorstellingsvermogen
Vanmorgen zette ik even Radio 1 aan. Een reportage vanuit Hilversum, over een katholieke kerk meen ik, die – heel goed – ook een plaats voor rouwenden bood. Maar ook in die reportage dezelfde overtrokken inauthenticiteit. De verslaggever meldde dat er wel drie gezinnen uit Hilversum waren omgekomen en dat dat een groot gat in de gemeenschap sloeg. Dan neem je dus het gebeuren niet serieus. De dood van die drie families is voor geliefden hartverscheurend, maar het slaat geen groot gat in een gemeente als Hilversum. We weten dat er elke dag in Nederland meer mensen sterven en dat er altijd verdriet onder medemensen is. Door grotesk te overdrijven speel je met gevoelens en emoties in plaats van ze een rechtmatige plaats te geven.

Mensen kunnen dat zelf wel. Geef ze de zakelijke informatie en dat zeker niet zonder gevoel. Maar laat mensen zelf de conclusies trekken, laat ze zelf hun gevoelens vormgeven. Door ze kunstmatig emoties van anderen voor te schotelen ontneem je ze eerder die kans. Wie de afgelopen dagen zag hoe de lijken lang in de velden bleven liggen, hoe bezittingen van passagiers er onbeschermd lagen en hoe daarmee gerotzooid kon worden, die reageerde daar vanzelf wel op met verbijstering en woedde. Dergelijke emoties vloeien voort uit het nieuws. De nieuwsbrengers hoeven die er niet nog eens los bij te leveren, al mag een verslaggever best zeggen wat hij bij de aanblik voelt. Dat is namelijk niet kunstmatig, maar maakt onderdeel uit van de situatie.

Vervals het verdriet niet. Roep het verdriet niet op een valse en geforceerde wijze op. We hebben geen voxpoppjes nodig. Laat nieuwsprogramma’s nu eens met dat opzichtige en beledigende wangedrag stoppen. Doe de feiten recht. Iedereen met een normaal voorstellingsvermogen kan daaruit het verdriet afleiden. Op een dag van nationale rouw hoeven we niet allemaal heel diep getroffen te zijn en we hoeven dat gevoel ook niet kunstmatig op te roepen. Het is een normale uiting van empathie dat we de nodeloos overledenen respect betuigen en dat we beseffen dat hun naasten verdriet hebben.

Naschrift (14.35 uur)
Via Twitter wees Jaap Janse me op een stuk op de site van NRC Handelsblad over de vliegramp op Tenerife in 1977, dat meldt dat er toen 248 Nederlanders omkwamen. Dat getal is precies gelijk aan het totale aantal passagiers- en bemanningsleden van het KLM-toestel dat hierboven al genoemd werd.

(161)

31 december 2011

Journalistieke zorgvuldigheid. Een persoonlijke nabeschouwing

door Jan Dirk Snel

.:.

Was het te veel? Ja, het was veel en misschien was het wel te veel. Wie zal het zeggen?

Maar zo gaat dat soms. Zojuist heb ik een overzicht geplaatst van de negen stukjes die ik aan de omstreden reportage in het NOS Journaal van zaterdag 25 november 2011 over gebeurtenissen in vriendelijk dorpje op de westelijke oever van de Nijl ten zuiden van Edfu gewijd heb. De verweren van de verslaggever zijn daarbij ook opgesomd. En ik heb daar een overzicht van stukken van Arab West Report (Kees Hulsman cum suis), Jos Strengholt en Maarten Jan Hijmans aan toegevoegd. Het is alleen bedoeld voor de liefhebbers, degenen die zich nog eens grondig in de affaire willen verdiepen, en dat zullen er niet veel zijn. En dat hoeft ook niet. Maar het biedt ook de mogelijkheid om snel één specifiek stukje op te zoeken en dat is misschien al aan iets meer mensen besteed. In het volgende geef ik geen links naar de individuele stukjes: die kan men in het overzicht vinden.

Journalistieke zorgvuldigheid
Hier wil alleen nog enkele persoonlijk woorden kwijt. Wat mij betreft ging dit over journalistieke zorgvuldigheid. Het was vrij toevallig dat ik de zaak uitzocht toen ik de dag na uitzending op Twitter allerlei uitingen van verontwaardiging waarnam. Ik ging op onderzoek uit en mijn eerste twee stukjes, de reactie op de reportage en mijn eerste reactie op de eerste webloguitleg van de verslaggever, waren dan ook tamelijk voorzichtig en vragend van toon. Het ging telkens om de vraag naar overtuigend bewijs.

Maar dat kwam niet. Daarna kwam de zaak, vooral vanaf woensdag 7 december 2011, in een stroomversnelling. In plaats van te erkennen dat hij zich kennelijk vergist had, begon de verslaggever zich in allerlei vreemde bochten te wringen. Nadat hij zich eerst in El Marinab van alles wijs had laten maken, probeerde hij nu in zijn latere verweren – zijn tweede weblogstuk, zijn optreden bij Dit Is de Dag (DIDD) en zijn reactie op mijn weblog – ook anderen van alles wijs te maken en dat op een zo doorzichtige wijze dat hij had moeten beseffen dat hij door de mand zou vallen. Er klopte telkens niets van en dat heb ik in diverse stukjes aangetoond (en ik zou zelfs nog meer kunnen uitdiepen, maar zo is het voorlopig wel genoeg geweest). Daarna kwam er nog wat nieuws over het gebruik – niet: misbruik – van de reportage door radicalen in Egypte en nadat ik sinds half december niet meer over de zaak geschreven had, heb ik deze week voor de volledigheid nog enkele aspecten uitgezocht.

Van fout naar grotesk falen
Het ging me bij die ene reportage om het principe van journalistieke zorgvuldigheid, niet om de persoon van de verslaggever. Veel meer zorgen moet men zich maken omtrent de houding van de hoofdredactie van het NOS Journaal die dit uit de hand heeft laten lopen. Ik betwijfel of dit onder Hans Laroes was gebeurd. Zijn opvolger Marcel Gelauff is blijven doen alsof hij niets doorheeft. Toen hem op vrijdag 16 december in een tweet toegevoegd werd dat de NOS een ‘uitmuntende publieke verantwoording’ kent, maar dat men nu – ‘dit is ècht een kwestie’ – zwijgt, antwoordde hij: ‘Ik begrijp het verwijt niet. Lex heeft in weblogs en op de radio uitgebreid uitgelegd.’

Tja. Alsof feiten, waarnemingen en argumenten er niet toe doen. Dit is een gemakzuchtige houding. Je legt iets uit en dan doet het er kennelijk niet toe of je argumenten ook deugen. Als je dus maar wat zegt, no matter what. Het zou best kunnen dat Marcel Gelauff nog steeds niet begrijpt hoe de vork in de steel zit. Maar dat zou alleen maar aantonen dat hij geen flauw benul heeft hoe hij toestond dat een eenvoudige fout werd uitvergroot tot een grotesk falen. Als hij iemand op de reactie die werkelijk kan lezen en analyseren – en zulke mensen zullen ze toch nog wel hebben? – een dag op de zaak had gezet, die de belangrijkste kritiek zorgvuldig bestudeerd had, had hij geweten dat er wel iets aan de hand was.

Het NOS Journaal had dan met een rectificatie kunnen komen – die is zeker noodzakelijk – en hoofdredacteur Gelauff of iemand anders had een weblogstuk kunnen schrijven waarin men toegaf dat er iets mis was gegaan. Nu echter heeft hij de geloofwaardigheid van een belangrijke nieuwsinstelling op het spel gezet. Door onachtzaamheid heeft hij zijn reporter in de modder laten zakken. Die had door een onafhankelijk onderzoek tegen zijn eigen halsstarrigheid in bescherming moeten worden genomen.

Rationaliteit en journalistieke verantwoording
Ook ik was misschien wel naïef. Ik ging er vanuit dat redelijkheid, of beter de combinatie van onderbouwde waarneming en rationele analyse, er toe doet in onze samenleving. Het is in feite een noodzakelijke vooronderstelling, op dezelfde wijze waarop waarheid dat ook is. En je hoeft dan nog niet eens aan te komen met het overbekende habermassiaanse adagium van de herrschaftsfreie Kommunikation en de zwanglose Zwang des besseren Argumentes, het is ook het uitgangspunt van elk boekje over argumentatieleer. Als je iets poneert en dat wordt met argumenten bestreden, dan kom je met tegenargumenten en de uitwisseling en vervolgens de weging van argumenten bepaalt de uitkomst. Ik ben zelf niet in Al Marinab geweest, ik kon alleen maar verschillende waarnemingen en beweringen vergelijken en analyseren, maar op hoofdpunten werd er wel degelijk het een en ander duidelijk.

Ik dacht: men zal wel op ingaan op argumenten en als dan blijkt hoe het zit, vanzelfsprekend rectificeren. Maar dat gebeurde niet en dat vind ik nog steeds een beetje onvoorstelbaar. O ja, ik heb veel bijval gehad en eigenlijk geen inhoudelijke tegenwerpingen gekregen. Ik weet van diverse verslaggevers en journalisten dat ze allang gezien hebben hoe het zit, en zij zullen de NOS en de verslaggever daar bij ontmoetingen echt wel eens mee confronteren. Er zijn ook kranten die zich met de zaak bezig hebben gehouden.

Maar, dat valt ook op, journalistiek is een vluchtige bezigheid. Op een gegeven moment heeft men het wel gezien en wachten nieuwe thema’s. Dat is natuurlijk ook zo. Maar waarheidsvinding is ook een taak van de journalistiek en men heeft niet altijd de lange adem om iets tot op de bodem uit te zoeken. Die had ik als simpele blogger, die over aandacht niet te klagen had, wel.

Negen stukjes besteden aan een zaak die begon met een reportage van twee minuten en eenendertig seconden en die inclusief ondertitels 414 woorden telde, is veel, maar het ging vervolgens meer om de ongenoegzame journalistieke verantwoording dan om de initiële reportage als zodanig. Dat maakte de affaire interessant en bracht mij ertoe om even vast te houden. Maar ik geef onmiddellijk toe dat het vasthouden aan rationaliteit en argumentatie op den duur zo ook iets irrationeels kan lijken te krijgen. Daarom is het nu echt wel even genoeg geweest. Althans, dat hoop ik maar.

Cui bono?
Wat me bij de zaak het meest opviel, is hoe zwak het idee dat waarheid een waarde als zodanig is, vandaag de dag soms staat. Velen kunnen zich kennelijk nauwelijks voorstellen dat het mij om journalistieke zorgvuldigheid te doen was en dat het niet ging om ideologische belangen.

Het is niet onbegrijpelijk dat sommigen, bijvoorbeeld door een zekere betrokkenheid bij de lotgevallen van kopten in Egypte, specifieke belangstelling voor deze zaak toonden. Het is wel opvallend hoe anderen dan onmiddellijk denken dat er wel allerlei specifieke belangen mee moeten spelen. Als de kritiek vooral uit een bepaalde hoek komt, kan die dan wel deugen? Moet je die dan wel serieus nemen?

De bekende meesters van het wantrouwen (of de achterdocht), zoals Paul Ricoeur ze noemde, hebben wat dat betreft hun werk wel gedaan. En als we aan het illustere trio Karl Marx, Friedrich Nietzsche en Sigmund Freud dan voor onze dagen Michel Foucault nog toevoegen, dan kunnen we misschien wel zeggen dat we tegenwoordig met een soort vulgair foucaultianisme te maken hebben. Ooit was het cui bono een nuttig ijkpunt, maar nu lijkt het de vraag naar de waarheid van concrete beweringen geheel te overvleugelen.

Er waren lieden die meenden tegenover dit geval onmiddellijk iets wat in hun ogen vergelijkbaar was, een aantal moskeebranden op de Westelijke Jordaanoever bijvoorbeeld, te moeten stellen, terwijl de vraag naar de daders in die gevallen toch niet omstreden leek te zijn. Alsof het om aanslagen op religieuze gebouwen in het algemeen ging en niet om een casus waarin alles draaide om journalistieke betrouwbaarheid en de geloofwaardigheid van wat je wel een gezaghebbend nationaal instituut mag noemen.

Ik zag het ook aan de bijval. Ineens meldden zich allerlei medestanders uit onverwachte hoek. Ook lieden die mij vorig jaar vanwege mijn inzet voor het Comité voor de Rechtsstaat nog verfoeid hadden, lieten me nu ineens weten mijn analyse zeer te waarderen. Sommigen deden dat op een vriendelijke en beschaafde wijze. Anderen uitten zich echter ook wel op een manier over of tegen de verslaggever en de NOS, waar ik allerminst in kan meegaan. Sommigen zagen ook een meer algemeen wantrouwen tegen het NOS Journaal bevestigd. Dat koester ik allerminst, maar in dit concrete geval kon ik hun geen ongelijk geven. Dat is nu eenmaal de schuld van de NOS zelf.

Ideologie
Vaak werd de zaak daarbij meteen in termen van ‘links’ en ‘rechts’ geduid, hoewel het verband met deze traditionele politieke indeling inhoudelijk toch moeilijk te zien valt en het niet in te zien valt waarom je een verslaggever die zich te slecht voorbereidt en die zich vervolgens van alles op de mouw laat spelden, nu zo nodig links zou noemen. Ik geloof niet dat naïviteit, vooringenomenheid en onkunde exclusief linkse eigenschappen zijn. Wel heeft het er alle schijn van dat de reporter net zo bevooroordeeld was als de beelden die hij wilde bestrijden. Hij draaide ze alleen maar honderdtachtig graden om en bleef daarbij in hetzelfde kader denken in plaats van de gebeurtenissen zowel onbevangen als grondig voorbereid door kennisname van al beschikbare documentatie te benaderen.

Ook viel mij op dat sommigen bij deze zaak onmiddellijk over de verslaggeving over Israël en over andere correspondenten begonnen, hoewel het verband met deze zaak, waarin bepaalde lokale moslims niet wilden dat een tot dusverre niet erg als zodanig zichtbaar, maar wel bekend kerkgebouw in hun woonplaats werd vervangen door een uiterlijk beter herkenbare kerk en dat gebouw in aanbouw daarom aanvielen, inhoudelijk toch bepaald niet erg duidelijk is. Het is er ook niet, maar het laat zien hoezeer verslaggeving over het Midden-Oosten een heikel thema is en dat mensen al snel veel te grote verbanden leggen.

Ik wil nu alleen opmerken dat ook als het over Israël en de Palestijnse gebieden gaat, het zaak is om zorgvuldig te letten op wat de feiten zijn. En ik zou iedereen aan willen raden om juist dan van verschillende perspectieven kennis te nemen. De beschuldiging van eenzijdigheid valt al gauw, maar elke individuele reportage is in zekere zin per definitie eenzijdig. Waar het op aankomt, is of de feiten kloppen en of die in een verhelderend perspectief geplaatst worden. Pas door van verschillende benaderingen kennis te nemen en daarbij steeds nauwkeurig te kijken naar de harde, feitelijke kern kun je zelf verantwoord een beeld opbouwen.

Waarheidsvinding
Journalistiek is geen kwestie van voor postbode spelen, maar van waarheidsvinding, waarbij je wel zoveel mogelijk mensen moet spreken en allerlei perspectieven moet afwegen. Hoor en wederhoor betekent niet: elke mening of alle mogelijke zotteklap opschrijven. Het betekent wel: bij beschuldigingen – en daar gaat bij de zaak van de kerk in El Marinab over, maar dat is lang niet altijd het geval – alle partijen horen. En hier is dat beginsel zeker in het geding. De verslaggever had in dit geval dus zeker de voor de vervangende nieuwbouw verantwoordelijke vader Salib uit Edfu moeten spreken, waarna hij vervolgens goed onderbouwd zelfstandig een conclusie had kunnen trekken omtrent de kern van de zaak en daarbij echt wel verheldering had kunnen brengen. Het is niet zo moeilijk om je in de verschillende partijen in te leven.

Ik heb een specifiek geval uitgezocht waarbij het even flink misging, maar waarbij het daarna bij het afleggen van verantwoording nog veel ernstiger fout ging. Ach, menigeen die de reportage gezien heeft, zal die allang weer vergeten zijn en die toen misschien maar met een half oog bekeken hebben. En wat doet een bericht in een nieuwsuitzending in een klein land als Nederland er nu toe? Ook nu we weten dat extremisten in Egypte de video gebruiken, zal de impact nog wel meevallen, wat de verantwoordelijkheid van degenen die dat mogelijk maakten, overigens niet wegneemt.

Omdat het mij om een journalistieke casus ging, heb ik de affaire vanuit die hoek benaderd. Allerlei aspecten van de gebeurtenissen in Egypte heb ik daardoor laten liggen. De aanval op de vervangende nieuwbouw in El Marinab dient op zich in het ruimere kader geplaatst te worden van spanningen tussen moslims en kopten in de provincie Aswan. Vanuit Aswan waaiden de protesten na een week ook over naar Cairo, waar bij de Maspero-demonstraties op 9 oktober 2011 27 doden en vele gewonden vielen. Dat verdient allemaal veel meer aandacht, maar in mijn stukjes ging het nu eenmaal vooral over het principe van journalistieke zorgvuldigheid en verantwoording.

Tot slot
Op dit moment is de afloop nog wat onbevredigend. En de vraag die mij het meest bezighoudt, is waarom de hoofdredactie van het NOS Journaal simpelweg niet voor feiten zwicht. Wat zegt dat over de mentaliteit en de bedrijfscultuur?

Maar dat zijn niet allereerst mijn problemen. Ik heb een bijdrage geleverd door een specifiek geval tot op de bodem en met een zekere vasthoudendheid, die sommigen wel eens wat te veel werd, uit te zoeken. Ik heb er nog steeds alle vertrouwen in dat de meeste journalisten uit persoonlijke gedrevenheid en vanuit hun beroepseer hun werk naar eer en geweten doen. Ik die zin maak ik me dan ook niet veel zorgen. Maar het is ook geboden dat de journalistiek scherp blijft.

Door één casus grondig uit te diepen hoop ik daar een kleine bijdrage aan geleverd te hebben.

(45)

[Gepubliceerd: 31 december 2011, 16.01 uur]