Posts tagged ‘niets’

1 april 2015

Theodicee uit verlegenheid

door Jan Dirk Snel

[Woensdag 1 april 2015] Tot dusverre was het allemaal nogal saai geweest, maar de eerste vraag uit het publiek veranderde dat. Het was dinsdagavond 31 maart 2015 en de plaats van handeling was de zaal waar op 23 januari 1579 de Unie van Utrecht werd gesloten. De spreker vroeg nog of het een kerk was, hij vond het in ieder geval een mooie zaal. Net niet dus, wat nu fungeert als de aula van de Universiteit Utrecht was ooit de kapittelzaal van de Dom. Kortom, wel kerkelijk, geen kerk.

 –

Waardigheid
Die spreker was de Zwitserse filosoof Peter Bieri te Berlijn, bij sommigen beter bekend als de romancier Pascal Mercier. Inderdaad, die van de Nachtzug nach Lissabon. De man was naar Nederland gehaald om de vertaling van zijn boek over de menselijke waardigheid, Eine Art zu Leben. Über die Vielfalt menschlicher Würde (uit 2013) aan de man en de vrouw te brengen. Zo gaat dat. Een Nederlandse auteur krijgt een boekpresentatie met vrienden en bekenden, een auteur wiens werk uit een andere taal overgezet wordt, krijgt een tournee. En als het even lukt, een menigte kranteninterviews, want daar gaat het uiteindelijk om. Het merkwaardigste was overigens dat de man in het Engels sprak. Zal hem wel gevraagd zijn. Steeds vaker wordt het ons van kindsbeen vertrouwde Duits in Nederland vervangen door de vreemde taal die Engels heet.

BieriUtrechtHet was allemaal van een verpletterende braafheid. Bieri legde netjes uit waar zijn boek over ging. Dat menselijke waardigheid iets met zelfstandigheid of autonomie te maken had – Selbständigkeit staat er in de titel van het eerste hoofdstuk – maar dat het ook iets met ontmoeting te maken had. En met respect voor intimiteit, met het erkennen van de grenzen van de ander. En met nog wel meer. Het was keurig, maar ook verstoken van enigerlei inspanning om spannende vragen op te werpen. Ik bedoel maar, alleen al de verhouding tussen zelfstandigheid en ontmoeting zou allerlei dilemma’s op kunnen roepen. Maar het gebeurde niet.

Ik zat ondertussen vooral te bedenken dat filosofie zoveel beter moet kunnen. Dat aan wijsbegeerte doen niet per se uit hoeft te lopen op zelfbevestiging, op nog eens uitvoerig, analytisch en literair, uit de doeken doen van wat we met zijn allen toch al vinden, maar dat je ook zou kunnen proberen vraagtekens te zetten bij het inmiddels vanzelfsprekende. Maar misschien is het boek gewoon beter. Ik heb daar toevallig een zekere private geschiedenis mee, die ik nu niet uit de doeken zal doen, maar die komt er in ieder geval op neer dat ik het tot dusverre nog niet in handen heb gehad, dit laatste boek dan.

Lijden
Maar nadat ook het gesprek met Joep Dohmen – u weet wel, de man van de ‘levenskunst’ (volgens mij is filosoferen juist een teken dat men de kunst van het leven niet beheerst, maar dit terzijde) – even kabbelend was verlopen, zette de eerste vragensteller de boel op scherp. Terwijl het toch om een hele rare vraag ging. Omdat het om een hele rare vraag ging. Hij vroeg Bieri wat hij zou kiezen als hij twee opties had: de wereld zoals die nu is, scheppen of helemaal niets tot stand laten komen. Bieri reageerde wat ongemakkelijk. Hier was hij niet op voorbereid. Hij vond het ook een absurde vraag. Maar, dat was het aardige, hij maakte er zich vervolgens niet gemakkelijk vanaf. Hij wist niet wat hij moest antwoorden, maar enigszins stamelend – in materiële zin dan – probeerde hij met de vragensteller in gesprek te gaan. Kortom, hij ontweek de vraag niet, maar liet die op zich inwerken. Toch een echte filosoof.

Het ging de vragensteller natuurlijk om alle ellende in de wereld. Wie deze wereld zoals die nu is, verkiest boven het niets, die kiest ook voor het ondraaglijke lijden van onnoembaar veel mensen. De vragensteller noemde die keuze ‘politiek incorrect’ – een inmiddels staande uitdrukking waarin het adverbium in ieder geval niets met staatkunde te maken heeft. Hij had in zijn omgeving een kleine, onwetenschappelijke steekproef gedaan en daarin koos zeventig procent voor de wereld zoals die nu is. Ook Bieri deed dat. Het alternatief was simpelweg ‘niet interessant’, zei hij bijna schouderophalend. Dat lijkt me het juiste antwoord. We weten eigenlijk niet wat het niets is. Als beperkte mensen kunnen we ook niet echt voor het niets kiezen.

De gedachte dat de keuze voor het niets moreel uitgaat boven die van het zijn met alle lijden vandien, is overigens nogal omineus. Wij mensen kunnen de wereld niet scheppen, maar wij kunnen de wereld wel vernietigen. Althans dat denken we. Er is ons altijd verteld dat de bestaande nucleaire wapens in staat zijn de gehele wereld te verwoesten en soms wordt er aan toegevoegd dat dat zelfs meerdere malen zou kunnen. Hoe het ook zij, technisch moet het in ieder geval mogelijk zijn. Ook zo’n vernietiging zou uiteraard veel lijden met zich meebrengen, maar als de mensheid echt collectief suïcide zou willen plegen, zou dat technisch zonder al te veel leed toe te voegen, vast en zeker te doen moeten zijn. Ik hoop niet dat iemand er een serieuze optie in ziet. (Dat we de komende eeuw nog een grote nucleaire ramp tegemoet kunnen zien, lijkt me helder. Alles wat mis kan gaan, gaat ooit een keer mis.) Maar iemand die zegt dat het niets moreel te verkiezen valt boven het zijn, inclusief alle lijden, komt in feite wel bij deze mogelijkheid uit.

 –

Niets
Het gaat hier over opties of keuzes die ons handelen te boven gaan. Maar dan gaan ze in feite ook ons denken te boven. We kunnen ons afvragen waarom er iets is en niet niets, maar in die vraag bekennen we onze beperktheid. We kunnen niet zinvol vragen of we het zijn of het niets verkiezen. Of beter: we kunnen de vraag wel opwerpen, maar we weten ook dat het daarbij blijft. De vraag, dat zal duidelijk zijn, stelt ons op de plaats van God.

Het is inderdaad, zoals Bieri opmerkte, een absurde vraag, maar dan wel vraag die ons op onze menselijke grenzen wijst. Ik denk ook dat Bieri’s aarzelende, tastende antwoord, dat het niets niet interessant is, uiteindelijk zeer raak is. Maar dan is met dat antwoord uit verlegenheid meteen een antwoord gegeven op de vraag naar de theodicee. (In vroeger eeuwen stelde men wat gedurfdere vragen dan vandaag de dag: de vraag naar de rechtvaardiging van God is natuurlijk veel brutaler dan de platte of hij misschien wel bestaat.)

Het niets, zou je er nog aan toe kunnen voegen, laat ook geen ruimte voor menselijke waardigheid. Aangezien het niets niets is, kan het ook niet moreel beter zijn. Natuurlijk, je kunt zeggen dat het dilemma kunstmatig is. Dat het niet gaat om de vraag naar lijden of niets, maar naar de vraag of het niet zonder lijden had gekund. Of met minder misschien. Maar je zou ook kunnen zeggen dat het dilemma de vraag naar het zijn juist in alle scherpte stelt.

 –

Loos
En dat ze scherp laat zien hoe het opwerpen van het lijden als iets dat tegen God zou pleiten, in feite volkomen loos is.

Naschrift (maandag 13 april 2015, 8.15 uur)
Het was niet de eerste, maar de op een na laatste vragensteller, die de vraag naar de opwierp zonder dat woord te gebruiken, vertelt een goede vriend me. Hij zat die avond naast me en hij heeft vast en zeker beter opgelet.

(187)

4 januari 2012

Van niets iets maken. Over een frivoliteit van Alvin Plantinga

door Jan Dirk Snel

.:.

Laat ik u direct maar even waarschuwen: in dit stukje gaat het flink regenen en sneeuwen, want ik ga het over proposities hebben en als logici proberen uit te leggen wat dat zijn – ik ga daar zo op in – dan weten ze meestal weinig anders dan sneeuw en regen te verzinnen. Het is dus niet het sombere januariweer, maar de logica die tot een overmaat aan neerslag leidt.

Alvin Plantinga
Ik wilde het maar eens hebben over Alvin Plantinga (1932), een bekend Amerikaans filosoof, jarenlang de John A. ‘O Brien Professor of Philosophy aan de University of Notre Dame, die de laatste tijd steeds weer overal opduikt, althans op sommige pagina’s die ik op internet pleeg te bezoeken, en wiens opvattingen met name via de facebookgroep Geloof en wetenschap, waar iemand mij om raadselachtige maar wat mij betreft niet onwelkome redenen aan toegevoegd heeft, nogal eens besproken worden. Ik heb dat lang niet allemaal gevolgd. Maar onlangs las ik een uitgebreid en op zich heel aardig interview met hem in of op Philosophy News, naar aanleiding de publicatie van zijn recente boek Where the Conflict Really Lies. Science, Religion, and Naturalism (New York, Oxford University Press, 2011). Jan Riemersma schreef er een mooie beschouwing over en ik geloof dat lezing daarvan genoeg is om te besluiten het boek niet te gaan lezen.

Sneeuw op bergtoppen in Californië (foto: Mindful One – Kathryn Harper)

Ik moet trouwens bekennen, maar dat is een bekentenis die me niet zwaar valt, dat ik maar heel weinig van Plantinga gelezen heb. Wat Jan Riemersma fraai typeert als een boekendrietal dat ‘in de smalle gangen van de academie bekend staat als de ‘warrant’-triologie’ – Warrant and Proper Function (1993), Warrant: The Current Debate (1993), Warranted Christian Belief (2000), allemaal ook uitgegeven door Oxford University Press in New York – heb ik ook al niet gelezen en ook dat was ik voorlopig niet van plan. Ooit heb wel een boek over zijn wijsbegeerte en die van Nicholas Wolterstorff, die ik wel graag lees – hij wil het nog wel eens over zoiets als Justice: Rights and Wrongs hebben en George Mavrodes, beroemd van de vraag of God een steen kan scheppen die hij niet kan optillen, onder redactie van Linda Zagbzebski, een filosofe die door Jan-Jaap van Peperstraten in zijn dissertatie Literary Intelligence naar verluidt uitvoerig en met waardering wordt aangehaald, Rational Faith. Catholic Responses to Reformed Epistemology (Notre Dame, University of Notre Dame Press, 1993) opgepikt en dat lijkt me vooralsnog wel voldoende. Ik heb namelijk wel één boek van Alvin Plantinga, Essays in the Methaphysics of Modality, verzameld door Matthew Davidson (New York, Oxford University Press, 2003), en daar heb ik me al voldoende aan geërgerd.

Nu wil ik me beperken tot enkele zinsneden uit het laatste, gelukkig erg korte stuk daarin, dat ‘Why Propositions Cannot Be Concrete’ heet en dat, ik ontdekte dat nu pas, afkomstig is uit het eerste Warrant-boek uit 1993. De tekst is op diverse plaatsen op internet beschikbaar, zodat u me kunt controleren. Allereerst is er de oorspronkelijke tekst in de vorm van de Gifford Lectures van 1987-88. Het gaat dan om de laatste twee paragrafen, ‘V. Why Propositions Cannot Be Concrete’ en ‘VI Back to the Causal Requirement’, van de zesde lezing over ‘A Priori Knowledge‘. Het boek uit 1993 is deels raadpleegbaar via Google Books en de essaybundel waar ik het over had, is op Scribd.com beschikbaar in twee uitgaven van 2003, eentje die ik hier fysiek bij de hand heb, en eentje met een andere, fraaiere omslag. Ik geloof dat er tussen al de teksten niet veel verschil is. In de versie van 2003 ontdekte ik alleen nog een voetnoot, de eerste, die in de Gifford Lectures nog ontbrak.

Proposities
Ik beperk me als aangekondigd nu tot het uit het boekbetoog gelichte afzonderlijke essay. Dat begint met een stelling over proposities:

‘I should next like to offer an argument for the conclusion that propositions (the things, whatever their nature, that can be believed or disbelieved, are true or false, and stand in logical relations) cannot be concrete objects of any sort—at any rate, they can’t be concrete objects that do not exist necessarily.

En het verhaal loopt uit op deze slotwoorden:

‘And in my event, the view in question—that propositions, sets, properties, and their like are outside space and time and cannot stand in causal relations—is only one view among others. Theists, for example, may find attractive a view popular among medieval philosophers from Augustine on: the view that abstract objects are really divine thoughts. More exactly, propositions are divine thoughts, properties divine concepts, and sets divine collections. But then these objects can enter into the sort of causal relation that holds between a thought and a thinker, and we can enter into causal relation with them by virtue of our causal relation to God. It is therefore quite possible to think of abstract objects as capable of standing in causal relations, and in causal relations with us; hence the causal objection to a priori knowledge can be easily sidestepped.’

Als ik het goed begrijp, neemt Plantinga de aan Augustinus toegeschreven opvatting dat proposities goddelijke gedachten zijn, dat eigenschappen goddelijke begrippen zijn en dat wiskundige verzamelingen goddelijke verzamelingen zijn, daar over.

Aan de bespreking van Jan Riemersma ontleen ik dit citaat uit het nieuwste boek:

‘The sense in which the laws of nature are necessary, therefore, is that they are propositions that God has established or decreed, and no creature (…) has the power to act against these propositions, that is, to bring about that they are false.’

Dat lijkt me in dezelfde lijn te liggen. Maar laat ik het eenvoudig houden: wat verstaat Plantinga nu eigenlijk onder proposities? Hij omschrijft ze als ‘the things, whatever their nature, that can be believed or disbelieved, are true or false, and stand in logical relations’. Maar is dat een bevredigende omschrijving? En wat doet hij er vervolgens mee?

Woordenboeken
Ik sla er maar eens een paar hedendaagse filosofische woordenboeken op na. The Penguin Dictionary of Philosophy (1996, in Penguin vanaf 1997, mijn herziene editie is van 2000) van Thomas Mautner zegt dit:

‘Different sentences are said to express the same proposition: for instance, the French “il pleut” and the German “as regnet” express the same proposition as the English “it is raining”. Propositions are commonly said to be bearers of truth and falsity. Sentences used to express commands, questions, etc. do not express propositions. When we say that a person knows that p, denies that p, etc. the letter p stands for a proposition.’

Dat is het bekende werk en ik had u al voorspeld dat het zou gaan regenen. Volgens mij staat hier niet veel meer dan dat proposities de inhoud, misschien de zakelijke inhoud, van beweringen vormen en dat die waar of onwaar kunnen zijn. Het is de gangbare omschrijving.

The Oxford Companion to Philosophy (Second Edition, 2005) onder redactie van Ted Honderich begint zo:

‘The precise formulation varies, but a proposition, or propositional content, is customarily defined in modern logic as ‘what is asserted’ when a sentence (an indicative, or declarative, sentence) is used to say something true of false, or as ‘what is expressed by’ such a sentence.’

Het stuk gaat nog verder, maar de kern lijkt me hetzelfde: het gaat om de inhoud van zinnen, afgezien van de exacte, variërende formulering.

The Shorter Routledge Encyclopedia of Philosophy (2005 en ondanks de titel toch altijd nog 1077 bladzijden) onder redactie van Edward Craig kent alleen een lemma over ‘propositional attitudes’ en zet zo in:

‘Examples of propositional attitudes include the belief that snow is white, the hope that Mt Rosea is twelve miles high, the desire that there should be snow at Christmas, the intention to go to the snow tomorrow, and the fear that one shall be killed in an avalanche.’

Ook dat voorspelde ik al: hele bergen sneeuw. Logica is bij uitstek geschikt voor de wintersportvakantie. En vervolgens wordt nog uitgelegd dat men houdingen – overtuiging, verlangen, intentie, vrees en zo meer – kan onderscheiden van de inhoud ervan – dat sneeuw wit is en zo verder, ik ga dat niet herhalen. De term propositional attitude, wordt nog toegevoegd, is van Betrand Russell en ook dat is bekend. Opnieuw gaat het om de inhoud.

The Stanford Encyclopaedia of Philosophy tenslotte zegt bondig en helder:

‘Propositions, we shall say, are the sharable objects of the attitudes and the primary bearers of truth and falsity.’

Alledaagse waarheid
Kortom, hetzelfde verhaal. Een enkele opmerking nog. Proposities staan dus voor de harde inhoud van beweringen, die qua formulering iets kunnen verschillen, en ze kunnen waar of onwaar zijn. Zoals ik eerder in mijn stukje over Historische waarheid en tijdelijkheid (zie met name het stuk onder het kopje ‘Waarheid’) al opmerkte, wijkt de concentratie op proposities als dingen die waar of onwaar kunnen zijn, enigszins af van onze alledaagse omgang met waarheid en vooral het gebruik van het bijvoeglijk naamwoord waar als een van de vele adjectieven die we als typering kunnen gebruiken.

In het dagelijks leven gaat het bij waarheid primair om de overeenkomst of verbinding tussen taal en werkelijkheid (van welke aard die ook is). Het gaat dan niet alleen om de vraag of de inhoud van beweringen waar is, maar ook om de vraag of iets het geval is of was. Die twee staan dan niet los van elkaar. Als je wilt weten of iemand werkelijk ergens was, gaat het niet alleen om de vraag of de opmerking daarover waar was, maar of die persoon daar ook echt aanwezig was. Dat is wat je wilt weten: het gaat niet om de taal, maar wat er met behulp van zinnen en woorden of soms gebaren (een knikje) gezegd wordt over de wereld. Dat verstaan we in het dagelijks leven onder waarheid. De eenzijdige concentratie op de bewering en derzelver inhoud is dan meer een grensgeval of een variant. En er zijn in het dagelijks leven geen twee waarheidwaarden, maar vele op een gevarieerde schaal. Iets kan een halve waarheid zijn of net niet waar zijn of grotendeels waar en nog veel meer.

Deze logische opvatting is een puur theoretische exercitie. Voor hetzelfde geld zou je een tabel kunnen maken van zogenaamde klappels die flip of flop kunnen zijn. Heeft evenveel met onze dagelijkse omgang te maken: niets namelijk. Het gaat om een puur formeel systeem en dat benadrukte Alfred Tarski (1901-1983), de belangrijkste bedenker, ook zelf. Het is nogal verwarrend en misleidend dat dit filosofisch-logische systeem tegenwoordig zomaar onkritisch op ons gewone doen en laten en vooral ons dagelijkse en ook wel eens wat minder alledaagse spreken wordt toegepast. Alleen in bepaalde gevallen kan het enig nut hebben, verder niet.

Geen mensen
Maar nu Plantinga’s vervolg. Hij gaat een zelfverzonnen concretist, nog een vrouw ook, een uiting van Amerikaanse ‘correctheid’, waarbij mannen en vrouwen in teksten zorgvuldig afgewisseld worden, maar in dit geval een beetje onsympathiek, weerleggen omdat ze volgens hem ongelijk heeft. Die mevrouw denkt dit:

‘For definiteness, suppose propositions are human mental acts or perhaps brain inscriptions. ‘’

Dit is ineens een heel andere definitie. De beginomschrijving sloot nog wel bij de gangbare omschrijvingen aan, maar hier zijn proposities ineens ‘human mental acts or perhaps brain inscriptions’. Dat is flauw, natuurlijk zijn er mensen die denken wat ze zeggen en dat zal ook wel in hun hersenen opgeslagen liggen of eruit voortkomen, maar waar we het over kunnen hebben, is wat ze zeggen: de inhoud van hun beweringen of houdingen, die we eerst maar eens moeten vernemen voor we er iets over kunnen zeggen. Bij propositional attitudes, we zagen het net nog, is het juist de gewoonte om een onderscheid te maken tussen de houdingen – en dus wat mij betreft ook tussen de human mental acts en wat er zich in hun hersenpan afspeelt – en hun mededeelbare inhoud. Plantinga laat zijn zelfverzonnen tegenstandster alles direct door elkaar halen. En hij gaat verder:

‘It follows that if there had been no human beings, then there would have been no propositions. But doesn’t that seem wrong? If there had been no human beings, one thinks, then it would have been true that there are no human beings—that is, that there are no human beings would have been true—in which case there would have been at least one truth (and thus one proposition): that there are no human beings.’

Het spijt me, maar ik kan hier niet anders dan sofisterij in zien. Als er geen mensen geweest waren, was dus de bewering dat er geen mensen zijn, nog wel waar geweest en dan zou er dus op zijn minst één waarheid, een ware propositie dus, bestaan hebben. Het is flauwekul. Over wat er niet is, kun je niets zeggen, omdat het er niet is. Je kunt dan ook wel zeggen dat er dan geen auto’s of huizen geweest waren geweest en nog veel meer: nog veel meer ware proposities in een mensenloze wereld dus. Maar proposities bestaan niet los van mensen en menselijke uitingen (die ook op kleitabletten of USB-sticks vastgelegd kunnen zijn, die dan wel ooit weer door mensen ontcijferd moeten worden). Het eenvoudige punt is dat we over die situatie helemaal niets kunnen zeggen. Wat er niet is, kennen we niet. En als we wel zeggen dat iets niet bestaat, dan hebben we al een voorstelling geschapen, die als zodanig, als voorstelling bestaat. Maar over datgene waar we ons geen voorstelling van kunnen maken, kunnen we niets zeggen.

Van niets iets maken
Als er geen mensen geweest waren, waren er geen zinnen en waren er geen beweringen, die een inhoud hebben. Het is gewoon onzin om te zeggen dat dan de inhoud van de bewering dat er geen mensen zijn, nog waar is, want er is niemand om die bewering in te brengen. Beweringen en proposities zijn ‘dingen’ – dat nogal massieve woord, dat op zich best bruikbaar is als losse aanduiding, kan ons al misleiden, als we het te serieus als werkelijk op zichzelf staande dingen gaan opvatten -, die door mensen in hun omgang met de wereld geschapen worden en alleen daar kunnen we nu als mensen iets over zeggen.

Het niets is ondenkbaar. We kunnen ons wel een wereld voorstellen waarin er geen mensen meer zijn. Denk aan een boek als The Fate of the Earth (1982) van Jonathan Schell. Maar daar kunnen we ons nu iets over voorstellen. Als het eenmaal zover zou komen, is er niemand meer die nog iets zou kunnen opmerken. En het is volkomen nonsens om dan toch nog over proposities die waar of onwaar zouden kunnen zijn, te gaan fantaseren. Zonder mensen en taal is het onzin. Proposities worden nu telkens geschapen en ze zijn in het verleden gecreëerd en soms aan ons overgeleverd op schrift of in de herinnering en alleen over wat zich concreet aandient, kunnen we discussiëren.

En natuurlijk kunnen we wel iets zeggen over dingen uit het verleden die er ooit waren, maar die er nu niet meer zijn. Dinosaurussen bijvoorbeeld bestaan nu niet, maar bestonden ooit en dat weten we omdat ze sporen hebben nagelaten en we kunnen ze reconstrueren. En van de dodo kennen we afbeeldingen. Dat zijn dieren die niet bestaan, niet meer bestaan, maar ooit bestonden. En omdat we daar weet van hebben, kunnen we over die ooit bestaande, maar niet nu meer bestaande wezens iets zeggen.

Maar als er geen mensen meer zijn, kunnen mensen daar ook niets meer over zeggen en is de bewering dat de propositie er dan geen mensen meer zijn, dan waar zou zijn, dan zinloos. Niemand zal het erover hebben. Alleen nu kunnen we er met het oog over de toekomst over praten. Wat Plantinga doet, is van niets via een trucje toch weer iets maken. Ik kan ook wel zeggen dat er geen kalumanikels bestaan, maar zolang ik niet weet wat dat zijn, zegt dat niets. En zodra ik ze omschrijf, praten we over een verzinsel dat ik nu bedenk. Maar over het niets, het echte niets zal ik maar eens enigszins paradoxaal zeggen, kunnen we helemaal niets zeggen. Dat ligt buiten onze voorstellingswereld, zoals we ook niet buiten de grenzen van de tijd – wat was er, oude kantiaanse vraag, vóór de tijd en de Big Bang of de schepping? – kunnen treden. Het is filosofische hubris toch te doen alsof dat wel kan. Plantinga verliest zich in onzinnigheden.

Verzinsels
Binnen zijn onzinnige, grensoverschrijdende kader laat Plantinga de concretist nog een tijdje verder redeneren en zich verstrikken in tegenspraken. En zijn redenering loopt hier opuit:

‘The conclusion, I think, is that propositions can’t be concrete, contingently existing objects such as human mental acts, or brain inscriptions or other arrays of neural material, or sentence tokens, or anything else of that sort.’

Tja, als je eenmaal een valse start maakt, is de rest ook onzin. Het is geredeneer in het luchtledige, waar je je hersens wel op kunt pijnigen, maar dat nergens toe leidt. Al het volgende geredeneer over contingentie en noodzakelijkheid slaat gezien het absurde uitgangspunt nergens op. Wat ook onsympathiek is, Plantinga gaat niet in op voorliggende, controleerbare beweringen van andere filosofen, maar verzint zelf een tegenstandster die hij vervolgens vloert. Zo kan ik het ook. Maar met werkelijk debat of de uitwisseling van argumenten heeft het opzetten van absurde stropopredeneringen niets te maken. Maar je ziet dat vaker bij zogenaamde analytische filosofen: ze boksen in de lucht. Dan kun je nog beter luchtgitaar gaan spelen.

Plantinga maakt in zijn eigen alternatieve gedachtengang waar het essay op uitloopt, proposities helemaal los van de concrete, tijdelijke, eindige menselijke ervaring, dat is de makke. Ik denk niet dat we zo’n filosoof, hoe spitsvondig en humoristisch misschien ook, verder nog serieus hoeven te nemen. Natuurlijk kan het wel zinvol zijn om over God of eeuwigheid, begrippen die boven of buiten onze menselijke ervaring staan, verder te denken. Maar dan niet op zijn manier die de alledaagse redelijkheid tart. Ik kan in die hele redenering die van niets toch weer iets maakt, namelijk één ware propositie, zonder dat er mensen zijn die die ter discussie stellen, niets anders dan een frivoliteit zien.

Bergen
In het interview dat ik al noemde, vertelt de op dat moment nog 78-jarige Plantinga overigens, het is algemeen bekend, dat hij erg van bergbeklimmen houdt. Hij ging de afgelopen zomer in Californië klimmen met zijn vrienden Ric Otte – ken ik niet, maar ik weet veel niet – en Bas van Fraassen. Tijdens het interview was dat nog toekomst, maar ik neem maar aan dat de plannen gerealiseerd zijn.

De laatstgenoemde, Bas van Frassen, is toevallig in een bepaalde kringen wereldberoemde filosoof, die ik ooit op een feestje ontmoette. We waren al een kwartier of misschien wel een half uur aan de praat, over van alles en nog wat en met name over de merkwaardige Nederlandse uitvinding van de ‘allochtoon’, herinner ik me, toen we besloten ons maar eens voor te stellen. Ik was aangenaam verrast, al moet ik bekennen dat het heel lang geleden is dat ik me een ietsiepietsie in zijn werk verdiept heb. Ook daar weet ik dus niets (meer) van. Maar het was een leuke vent, zoals Alvin Plantinga dat kennelijk ook is. Juist daarom verbijstert zijn frivole wijze van filosoferen me zo.

Ik hoop dat de heren in de ijle hoogten van bergen vooral genoten en genieten van het fraais dat onze wereld, die we ook wel schepping noemen – we hebben de wereld immers niet zelf bedacht, maar treffen die aan, zoals we onszelf in die wereld aantreffen – te bieden heeft.

Ik denk dat je vanuit die concrete ervaringen een stuk verder komt dan met wat logische spitsvondigheden, die in strijd met wat we in het leven van alledag onder logica verstaan, verre van redelijk zijn.

(49)