Posts tagged ‘Nederland’

22 februari 2014

De Nederlanden of Nederland? – Hoe heet ons land?

door Jan Dirk Snel

Nu het nieuws dezer dagen vaak over de Oekraïne gaat, komt steeds ook de vraag op of de formulering die ik in deze zin bezigde, wel correct is. Goed, ik besef dat de vraag hoe het in dat land verder gaat, heel wat belangrijker is, maar toch. Is het nu de Oekraïne of Oekraïne zonder lidwoord? Het Genootschap Onze Taal keurt vooralsnog beide aanduidingen goed, maar merkt wel op dat we namen van landen in principe zonder lidwoord gebruiken. We zeggen ook niet meer de Libanon, de Soedan of de Congo, maar Libanon, Soedan en Congo. Dat lijkt me juist, maar mij kost het nog steeds moeite om Oekraïne zonder lidwoord te zeggen of te schrijven. De macht der gewoonte.

De Nederlanden
In het Duits zegt men overigens nog steeds die Ukraine, maar in die taal noemt men Turkije ook altijd nog die Türkei. Toen Tjsechoslowakije in twee staten uiteenviel, ging men het overigens wel overigens over Tschechien hebben en niet over die Tschechei, omdat die aanduiding historisch nu eenmaal wat al te belast is. Maar wij hebben het weer wel over het Verenigd Koninkrijk en over de Verenigde Staten. Nu zijn dat ook wat merkwaardige gevallen. Het gaat in feite om afkortingen voor de volledige namen van beide staten. In het laatste geval zeggen we vaak ook Amerika en in het eerste geval weten we het eigenlijk niet. We zeggen vaak Engeland, maar we weten dat dat eigenlijk onjuist is, zoals Groot-Brittannië dat ook is. Maar we hebben het nu eenmaal zelden volledig over de Verenigde Staten van Amerika of over het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland.

Hogendorp

Gijsbert Karel van Hogendorp (1762-1834) was voorzitter van twee grondwetscommissies, die de Grondwetten van 1814 en 1815 opstelden. Standbeeld in het Beurs World Trade Center, Rotterdam. (foto Ivory, Wikipedia)

Landen hebben vaak, of waarschijnlijk meestal, een langere volledige naam en een kortere die we in de omgang gebruiken. Meestal zeggen we Duitsland, maar we kunnen het ook over de Bondsrepubliek Duitsland hebben. En zo heet ons land officieel ook het Koninkrijk der Nederlanden, maar zeggen we meestal Nederland.

Op dat punt nu doet zich een merkwaardigheid voor. Ongemerkt gaan we van een meervoud over op een enkelvoud. Hoe heet ons land? In het buitenland weet men het wel. Daar gebruikt men, als men niet Holland zegt – in feite hetzelfde als wanneer wij Engeland als pars pro toto voor het Verenigd Koninkrijk hanteren – gewoonlijk een meervoudsvorm: die Niederlande, the Netherlands, les Pay-Bas, i Paesi Bassi, los Países Bajos en zo verder. En in veel talen komt er dan in het gebruik vanzelf een lidwoord bij.

Nederland
Maar hoe heet ons land nu eigenlijk? De Grondwet is op dat punt een beetje warrig. Het opschrift is helder: daar gaat het volledig over het Koninkrijk der Nederlanden. Maar in het eerste artikel gaat het direct over Nederland in het enkelvoud, een aanduiding die in artikel 113 nog een keer gebruikt wordt. Maar in de artikelen 81, 118 en 142 wordt de meervoudsvorm gebruikt. Het lijkt erop dat de aanduiding de Nederlanden in de loop van de tijd een wijziging ondergaan heeft.

De oorspronkelijke tekst van de Grondwet uit 1815 was helder. In het eerste artikel werden de zeventien toenmalige provincies opgesomd. Het ging om het grondgebied in Europa zoals dat door het Congres van Wenen in dat jaar was vastgesteld. In 1840 werd dat artikel uiteraard aangepast en in 1848 bleef het ongewijzigd. Maar in 1887 trad er een belangrijke wijziging op. Nu werden ook ‘de koloniën en bezittingen in andere werelddeelen’ tot het Koninkrijk der Nederlanden gerekend. Maar terwijl de toen gekozen formulering in 1917 gehandhaafd werd, werd ze in 1922 opvallend aangepast. Nu werden de gebieden buiten Europa ineens veel concreter aangeduid:

‘Het Koninkrijk der Nederlanden omvat het grondgebied van Nederland, Nederlandsch-Indië, Suriname en Curaçao.’

Het begrip koloniën verdween toen uit de Grondwet. Bij mijn weten was dat de eerste keer dat de term Nederland in de Grondwet gebruikt werd. Sindsdien was het kennelijk de constitutionele aanduiding voor het Europese deel van het koninkrijk. Het artikel werd vanwege de ontwikkelingen nog enkele keren aangepast – in 1948 veranderde Nederlandsch-Indië in Indonesië en in 1956 maakte die aanduiding plaats voor Nederlands Nieuw-Guinea, om in 1963 tenslotte te verdwijnen, en eveneens in 1948 werd Curaçao vervangen door de Nederlandse Antillen – tot de omschrijving van het grondgebied in de Grondwet van 1983 geheel verdween. De eerste twee artikelen verdwenen toen en het derde schoof in aangepaste vorm ver naar achteren, zodat het oude artikel 4 in gewijzigde en uitgebreide vorm naar de eerste positie opschoof.

Nederland buiten Europa
Ondertussen deed zich een andere interessante ontwikkeling voor. In 1954 trad het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden in werking. Dat regelde toen de verhouding tussen Nederland, Suriname en de Nederlandse Antillen. In 1975 werd Suriname onafhankelijk en werd de statutaire band met dat land beëindigd en in 1986 kreeg Aruba een status aparte, zodat het Statuut toen gold voor Nederland, de Nederlandse Antillen en Aruba.

Interessant is echter de laatste wijzing uit 2010. Toen werden ook Curaçao en Sint Maarten landen binnen het Koninkrijk, zodat dat nu bestaat uit Nederland, Aruba, Curaçao en Sint Maarten. De Nederlandse Antillen werden als staatkundige eenheid opgeheven. De overige drie eilanden kwamen toen bij Nederland. En dus staat er nu in het tweede lid van het eerste artikel:

‘Bonaire, Sint Eustatius en Saba maken elk deel uit van het staatsbestel van Nederland.’

Daarmee is het begrip Nederland dus uitgebreid tot buiten Europa. In datzelfde artikel wordt tot twee keer toe nadrukkelijk gesproken over ‘het Europese deel van Nederland’, wat dus impliceert dat de drie Caribische eilanden tot het niet-Europese deel van Nederland behoren. We zien dus dat wat in 1887 gebeurde, namelijk dat het Koninkrijk der Nederlanden tot buiten Europa werd uitgebreid, nu gebeurde met Nederland als zodanig. Was dat sinds 1922 de aanduiding voor het Europese deel van het Koninkrijk, nu bevat ook Nederland grondgebied buiten Europa.

Woordenboek
Het is op zich duidelijk dat het enkelvoud Nederland al heel lang in de omgangstaal gebruikt werd. Het Woordenboek der Nederlansche Taal geeft voorbeelden uit de zestiende eeuw. Maar het is wel opvallend dat het eerst de meervoudsvorm de Nederlanden behandelt en pas daarna het enkelvoud Nederland, ‘in ruimer opvatting, hetzij al of niet als politieke naam’. Maar het lijkt duidelijk dat het woord ook als politieke aanduiding al in de zestiende eeuw werd gebezigd. Het lemma werd in 1910 gepubliceerd en toen kon het WNT nog schrijven: ‘In ’t bijzonder, als naam van de noordelijke gewesten, en thans bepaaldelijk als gewone, maar niet officieele naam voor het Koninkrijk der Nederlanden, in tegenstelling met het Koninkrijk België.’

Twaalf jaar later werd dat kennelijk anders. Toen werd Nederland kennelijk de constitutionele aanduiding voor wat een ruime eeuw eerder nog de Nederlanden had geheten. Eerst was die benaming uitgebreid en vervolgens werd ze vervangen door het enkelvoud, daar lijkt het op neer te komen.

Duits
Het aardige is ondertussen dat andere talen de ooit officiële meervoudsvorm gehandhaafd hebben, terwijl we die in Nederland zelf in de praktijk hebben laten varen. Maar goed, elders denkt men ook dat wij dutch spreken, terwijl wij zelf Duits als de gewone aanduiding voor onze taal allang ingeruild hebben voor een aanduiding die de staatsnaam draagt, al zou het voor de Vlamingen en Surinamers misschien aardiger geweest zijn, als we op dat punt wat behoudender waren geweest. Maar dan hadden we wat we nu Duits noemen, wel steeds als Hoogduits moeten blijven aanduiden.

Naschrift (woensdag 26 februari, 16.15 uur)
Dit stukje heb ik aangevuld. Het stukje onder het kopje ‘Nederland buiten Europa” is nieuw en ook in de alinea erboven heb ik een tussenzin toegevoegd en een werkwoordsvorm gewijzigd. Het was Jaap de Vries die mij er op Twitter op wees dat Nederland bestaat uit het Europese deel en de drie Caribische Nederlanden. Dat wist ik uiteraard wel, maar ten onrechte had ik de implicaties voor dit stukje niet overdacht en de ontwikkelingen na 1922 te snel afgedaan. Het gegeven dat eerst het Koninkrijk der Nederlanden tot buiten Europa werd uitgebreid en dat dat later met het land Nederland daarbinnen gebeurde, is te aardig om niet te noemen.

(132)

Advertenties
24 juni 2013

De verzuiling wordt overschat

door Jan Dirk Snel

Het valt op hoezeer sociologen, filosofen en andere geleerden die het huidige Nederland proberen te typeren, dat doen in termen van het verleden. Het viel me gisteren bij het zogenaamde Filosofisch Kwintet weer op. De verzuiling is voorbij, wordt er dan steeds gezegd. Maar toch kennelijk niet helemaal, want de herinnering, of de veronderstelde herinnering, leeft nog wel. En soms lijkt het erop dat de verzuiling begrijpelijker was dan de hybride maatschappij van heden.

Zuilen en verzuiling
Het grappige daarbij is dat men ten tijde van de zogenaamde verzuiling niet in die termen over de eigen samenleving sprak, althans voor wat betreft het grootste deel van die tijd. Het woord zuil in de betekenis van een levensbeschouwelijk bepaald segment van de samenleving werd pas in 1935 van overheidswege ingevoerd in verband met de organisatie van de jeugwerkloosheidszorg. Het woord is kennelijk afkomstig uit socialistische hoek. Binnen de arbeidersbeweging sprak men ook wel over de drie zuilen van die beweging: de politieke partij, de vakbond en het scholingswerk. Binnen een paar jaar ontstond er discussie over de zogenaamde vierzuilentheorie. Men onderscheidde dan een katholieke, een protestants-christelijke, een socialistische en een neutrale zuil, waar men verder niet goed raad mee wist.

Exif_JPEG_PICTURE

Wolvega, hervormde kerk. In de Republiek was de gereformeerde kerk, later puristisch hervormd genoemd, een van de belangrijkste overheidsinstrumenten om de algemene cultuur vorm te geven.

Het begrip verzuiling kwam pas goed vijftien jaar later op, begin jaren vijftig, en het klonk niet alleen beschrijvend, maar ook een beetje negatief waarderend. Denk aan verwording. J.P. Kruijt slaagde er nog wel in om het begrip vrij neutraal als sociologisch analysebegrip te gebruiken, maar iemand als Willem Banning kon het in feite nooit laten om erbij te vertellen dat het toch om een kwalijk verschijnsel ging. Vandaar dat nogal wat lieden die als verzuild werden beschouwd, het als een scheldwoord zagen. Eigenlijk pas nadat Arend Lijphart en andere politicologen, gevolgd door historici, het begrip eind jaren zestig overnamen, ging het werkelijk als neutraal analyserend begrip functioneren.

Ik beperk me nu tot een twee- of drietal korte observaties of opmerkingen. De eerste is dat ten onrechte vaak verondersteld wordt dat de gehele maatschappij verzuild was, in hokjes opgedeeld was. Dat was niet zo. Wie de maatschappelijke ontwikkelingen in de eeuw tussen 1870 en 1970 overziet, ziet ook dat het om een buitengewoon dynamisch tijdvak ging. Het lijkt dan wat onwaarschijnlijk dat de hele maatschappij in vaste levensbeschouwelijke categorieën was ingedeeld. De tweede is dat de zuilen, of wat we daar dan onder verstaan, veel minder hecht afgeschotte blokken waren dan men nu veelal denkt. De derde is dat het idee dat de basis vooral verzuild was en dat de toppen met elkaar praatten en accommodeerden, me in diverse opzichten een omkering van de werkelijkheid lijkt te zijn.

Algemeen en bijzonder
De indeling in vier zuilen lijkt me in ieder geval onjuist. Het probleem daarbij was trouwens dat er op allerlei maatschappelijke terreinen meestal maar drie organisaties waren: een katholieke, een protestants-christelijke en een zogenaamde neutrale.

Het idee dat er vier of soms drie gelijkwaardige georganiseerde groeperingen bestonden, miskent de maatschappelijke werkelijkheid. Beter is het te beginnen bij een onderscheid dat al veel langer gangbaar was, namelijk dat tussen algemeen en bijzonder. Je had de algemeenheid die nationaal, maar die ook lokaal of regionaal kon zijn. En daarnaast had je organisaties op een bijzondere, nader gespecificeerde grondslag. Daarvan waren er eigenlijk maar twee of drie, althans als het om de grotere levensbeschouwelijke blokken gaat.

Je had de katholieken die bijna tweevijfde van de bevolking uitmaakten en die in een decennia durend proces zo tussen 1870 en 1920 een geheel eigen deelcultuur met een eigen organisatienetwerk opzetten, waar net niet alle katholieken zich altijd onder schaarden, maar wel het overgrote deel. Het gaat dan altijd om iets tussen de dertig en veertig procent van de nationale bevolking.

Daarnaast had je de gereformeerden. De kern, zo’n acht procent van de totale bevolking, werd gevormd door de leden van de Gereformeerde Kerken in Nederland (1892), het kerkgenootschap dat in 1892 werd gevormd uit twee kerkgenootschappen die bestonden uit mensen die in 1834 en 1886 en in de tussentijd de Nederlandse Hervormde Kerk hadden verlaten. Maar daaromheen zat een groep van lieden die zich ook als gereformeerd beschouwden en die of wel lid waren van de hervormde kerk of van kleinere afgescheiden kerkgenootschappen. Je komt dan uit op pakweg zo’n dertien procent van de bevolking, maar over een paar procenten meer of minder zal ik nu niet gaan steggelen.

En daarnaast had je dan misschien nog een soort socialistische zuil. Maar zoals de eerste en de tweede al niet gelijk van opzet waren, was ook deze weer anders. Als ik het goed zie, kun je lang niet van alle arbeiders en anderen die op de SDAP stemden of die aangesloten waren bij het NVV, zeggen dat ze nu echt voluit deel uitmaakten van de Rode Familie. Er bestond eerder een soort socialistische kernzuil, de lieden die wel geheel opgingen in een socialistische leefwereld. Dat waren, zeg maar, de lieden die hun kinderen naar de AJC stuurden. Deze kernzuil kon soms quasireligieuze trekjes vertonen. De omvang valt moeilijk te bepalen. De kern was hecht, de grenzen diffuus.

Zie daar, drie levensbeschouwelijke groeperingen, allemaal anders van opzet, die zich soms uit de algemeenheid losmaakten en zelfstandig iets opzetten. Maar niet vergeten moet worden dat er daarnaast een grote algemene, nationale ruimte bestond en dat ook leden van de zuilen daar soms wel degelijk aan meededen. Er was maar één ANWB, om maar eens wat te noemen. Het beste voorbeeld bieden altijd nog de vier omroepverenigingen over wie in 1930 de zendtijd verdeeld werd. Je had de algemene AVRO en je had de katholieke KRO, de protestants-christelijke NRCV en de socialistische VARA. De AVRO had op dat moment ongeveer evenveel leden als de andere drie samen. Dat was de omroep van de algemeenheid en alle Amsterdamse hervormde predikanten spraken zich dan ook uit voor de AVRO en tegen de NCRV. Zij wilden een algemene omroep voor het gehele volk. En veel mensen wilden dat zo. De minister gaf echter elke omroep ongeveer een kwart van de totale zendtijd en bij twee radiozenders kwam dat neer op ongeveer de helft van de zendtijd op een zender in de week. (De VPRO telt hier niet mee. Die had aan twee uur per week genoeg en was een godsdienstige aanvulling op de algemeenheid.)

Nederland was vanouds een gereformeerd of hervormd land met een grote katholieke minderheid. Die gereformeerde, vanaf het eind van de achttiende of het begin van de negentiende eeuw met een purisme hervormd genoemde meerderheid, stempelde lange tijd de algemene cultuur: niet zeer strikt afgebakend, maar wel met een zeker algemeen protestants karakter. Liberalen, socialisten, antirevolutionairen, christelijk-historischen hadden in overgrote meerderheid een hervormde of protestantse achtergrond, waar men meer of minder mee verbonden was of waar men op den duur soms zelfs nadrukkelijk afstand van nam. Maar er bestond een algemeenheid, waarbinnen men dan een specifieke kerkelijke, levensbeschouwelijke en politieke kleur kan hebben. En daarnaast of beter daarbinnen had je dan groeperingen die tal van activiteiten zelfstandig ter hand namen. Bij elkaar vormden die ongeveer de helft van de bevolking, maar gezien de grote concentratie van katholieken in twee zuidelijke provincies – waar ze in feite de regionaal dominante cultuur vormden – was de algemeenheid in de overige, vooral noordelijke provincies (met Zeeland erbij) vaak tamelijk groot en vanzelfsprekend.

Subcultuur en organisatienetwerk
De drie zuilen waren allemaal anders. Ze bestonden uit een hechte subcultuur en een bijbehorend organisatienetwerk. De katholieken waren zo’n grote groep dat je beter van een deelcultuur kunt spreken. In Limburg en het grootste deel van Noord-Brabant en een deel van Twente vormden ze bovendien de dominante cultuur. Elders vormden ze een minderheid binnen de algemene, protestants getinte hoofdcultuur. Het episcopaat probeerde zoveel mogelijk alle katholieken binnen rooms-katholieke organisaties te krijgen en dat lukte in hoge mate, al stribbelde met name een deel van de katholieke maatschappelijke elite vrij lang tegen. Er was een rand die zich niet altijd liet gezeggen en ook katholieken leidden hun leven lang niet altijd uitsluitend binnen katholieke organisaties. Willem Mengelberg dirigeerde geen katholiek orkest, maar het Concertgebouworkest.

Bij de gereformeerden was het al anders. De gereformeerden uit de GKN en de andere gereformeerden waren vooral actief binnen protestants-christelijke organisaties, die ze trouwens zelden gereformeerd noemden en heel vaak gewoon christelijk. Duitse vrienden van me viel het onmiddellijk op: christelijk betekent in Nederland protestants – ‘evangelisch’ in het Duits, maar ook weer net niet. En vaak betekende het in feite gewoon gereformeerd. Historici maken daar nu vaak ‘orthodox-protestanten’, al dan niet met streepje, van, maar dat is toch een beetje een constructie achteraf. Bij de gereformeerden was de subcultuur veel kleiner dan het bijbehorende organisatienetwerk. Van het CNV – overigens interconfessioneel begonnen, maar door het episcopaat van roomsen ontdaan – of de NCRV werden op den duur veel meer mensen lid. Naar christelijke scholen stuurden veel meer mensen hun kinderen. Dat kwam doordat veel hervormden en andere protestanten die tot de dominante algemene cultuur behoorden, soms wel met zulke organisaties meededen en soms niet. Sommigen dingen deden ze liever in algemeen verband, andere zaken liever in een meer specifiek verband. Maar die mensen zaten dus niet vast in een hecht blok, een zuil waar ze niet uit konden. Ze stelden zelf hun eigen pakket samen. Ik heb wel eens de nevenfuncties of andere functies van antirevolutionaire en christelijk-historische gemeenteraadsleden in Amsterdam op een rij gezet. ARP’ers waren vrijwel alleen binnen verzuilde organisaties actief. CHU’ers niet: die waren ook in veel algemene organisaties zonder specifiek christelijke grondslag werkzaam.

Bij de socialisten is het enigszins vergelijkbaar. Alleen was er daar geen kerk als kern. Je had een kleine, harde kern die helemaal opging in het socialistische leven en die een groot deel van de vrije tijd doorbracht in een van de drie zuilen van de arbeidersbeweging: politiek, vakbond en vooral scholingswerk dan. Maar er was een enorme groep eromheen die misschien wel SDAP stemde of lid van het NVV was, maar daarbinnen verder niet actief was. Men was misschien nog wel lid van de VARA, maar men las ondertussen ook het Nieuws van den Dag of een algemene lokale krant. Men stuurde kinderen naar openbare scholen en soms ook wel naar bijzondere en men nam veelal deel aan het algemene culturele leven.

Kortom, er was veel dynamiek. Alleen de katholieke zuil was tamelijk hecht afgepaald, maar de twee andere subculturen kenden zeer poreuze wanden. Of beter: het was eigenlijk helemaal niet duidelijk waar de grens was. Er waren tal van organisaties, waar mensen soms wel lid van werden en soms niet. Mensen bewogen zich op en neer tussen de algemene cultuur en tussen bijzondere uitingsvormen daarbinnen.

Elite en achterban
Derde punt, de mythe van de toppen die accommodeerden. Uit de door enkele politicologen begin jaren zestig veronderstelde lijdelijkheid van de Nederlands bevolking in politicis, werd het verhaal geboren dat de achterbannen trouw volgden, maar dat de toppen van de zuilen ondertussen steeds samenwerkten. In allerlei bewoordingen kom je dit verhaal steeds weer tegen. Het is natuurlijk niet helemaal onzin. Uiteraard werkten de elites van de verschillende organisaties samen. Ze moesten wel. In de politiek en het maatschappelijk leven had nu eenmaal geen enkele groep of organisatie een meerderheid en alleen uit praktisch oogpunt moest men dus steeds met vertegenwoordigers van andere minderheden om de tafel gaan zitten en met hen samenwerken.

Maar verder lijkt het me dat juist de zuilelites veel verzuilder waren dan hun achterban. Het boekje van Lijphart laat het in feite ook al zien. Dezelfde bestuurders doken in allerlei organisaties op. Die mensen brachten vaak hun hele leven door binnen verzuilde organisaties. Natuurlijk overlegden ze vaak met vertegenwoordigers van andere verzuilde organisaties, maar ondertussen brachten ze nog veel en veel meer tijd door met mensen uit eigen kring. Dat geldt voor katholieken, voor geformeerden of antirevolutionairen en voor socialisten.

Maar hun achterban? Daaruit brachten de mensen hun alledaagse leven voortdurend door in gezelschap van anderen. Dat geldt misschien alleen niet voor sterk katholieke streken waar het katholicisme in alle opzichten de overheersende cultuur was. Maar verder? Op het werk kwam men andersdenkenden tegen, op de trap, op straat of in het dorp. Voortdurend sprak men andere mensen. Alleen de echt overtuigde leden van de zuilen zagen vooral geestverwanten. Ja, er waren bazen die alleen personeel uit eigen kring aannamen, er waren mensen die alleen bij geloofsgenoten kochten. Maar zo ongeveer de helft van de Nederlanders behoorde niet tot een hechte zuil en trok zich van al die codes dus al niets aan. En ook sterk georganiseerde katholieken, gereformeerden en socialisten in het noorden hadden in het alledaagse leven voortdurend met mensen die er anders over dachten te maken en vaak zaten ze ook met elkaar op hetzelfde muziekkorps of organiseerde men elk najaar samen het lokale oogstfeest.

Het is uiteraard waar dat de aanhang van politieke partijen relatief stabiel was, althans vergeleken met nu. Maar verkiezingen waren toch altijd weer spannend. Ook de meest verzuilde partijen hadden toch altijd met een rand te maken die per verkiezing zelf besliste. En het lijkt me bepaaldelijk een vergissing om te denken dat de aanhang van politieke partijen maatschappelijk ook altijd in dezelfde hokjes zat. De maatschappelijke werkelijkheid was veel dynamischer dan het idee dat het grootste deel van de bevolking in vaste kaders leefde, ons diets wil maken.

Dynamiek
De verzuiling was geen statisch geheel, maar juist onderdeel van een dynamische samenleving die volop in beweging was. En het was geen allesbepalend overkoepelend verschijnsel, maar een deelverschijnsel binnen een maatschappij in verandering. Uit de ooit gereformeerde hoofdcultuur van de Republiek groeide een gediversifieerde, pluriforme protestantse cultuur die deels langzaam onkerkser en onkerkelijker werd, maar tegelijk lokaal soms ook orthodoxer en hechter, en die uitliep op de sinds kort met een van oorsprong kerkelijke term veelal als seculier getypeerde dominante cultuur. De drie zuilen hebben het daarbij cultureel grotendeels begeven, organisatorisch overigens lang nog niet in alle opzichten.

Doordat in het interbellum twee verzuilde partijen, de RKSP en de ARP, de kern van de regeringscoalities vormden, samen met de op zich niet verzuilde CHU, werd de verzuiling soms ook organisatorisch verder doorgevoerd en enigszins aan de samenleving opgelegd. We zagen dat bij het omroepbesluit van 1930, maar ook in de werkloosheidszorg in de jaren dertig. Men moet daarbij nooit uit het oog verliezen dat het hier om twee groepen ging die vanouds eigenlijk het verst van elkaar stonden. Juist de in eigen ogen meest rechtzinnige protestanten vormden een monsterverbond met de oude katholieke vijand. Tegelijk zag je dat juist christelijk-historischen en liberalen, de deftigste vertegenwoordigers van de algemene, toen nog protestantse cultuur, vaak sterk protest aantekenden tegen het idee dat de natie in groepen of zuilen verdeeld kon worden. En ook de zuilen waren ondertussen niet alleen op zichzelf gericht. Ze putten zich vaak ook uit in hun aanhankelijkheid aan de natie.

Duidelijk is wel dat een simpel idee van de verzuiling als een maatschappelijk systeem waarbinnen iedereen zijn plaats kende en die in feite toegewezen kreeg, niet klopt. Dat gold slechts voor ongeveer de helft van de bevolking en ook leden van de zuilen konden nog vele kanten op en zelf bepalen in welke mate ze meededen en ook wel voor activiteiten buiten verzuilde verbanden kiezen. En ook binnen de zuilen was veel dynamiek. De andere helft van de bevolking vormde een zeer pluriforme algemene cultuur die trouwens ook steeds in wisselwerking stond met de twee of drie verzuilde subculturen.

De verzuiling was belangrijk, maar ze wordt vooral overschat.

(110)