Posts tagged ‘Mark Rutte’

6 april 2021

De waarheid van Rutte en het leugenframe van Wilders

door Jan Dirk Snel

[Dinsdag 6 april 2021] Hoe je van vier woorden honderdduizend woorden kunt maken, zo zou je het ‘debat’ dat op donderdag 1 april in de Tweede Kamer werd gehouden, kunnen typeren. Het bleek inderdaad één langdurig aangehouden groteske grap te zijn. Al jarenlang is de direct gekozen kamer van de Staten-Generaal een voorwerp van aanhoudende zorgen. Al jaren functioneert dit weliswaar zeker niet hoogste, maar toch belangrijke orgaan in ons constitutioneel bestel, belabberd. Iedereen weet dat en je zou denken dat de lieden die in de nieuwe Kamer zijn verkozen, zich daarvan bewust zijn. En dat ze zouden pogen het voortaan beter te doen. Niets van dat alles. Het was donderdag erger dan ooit.

Psychose
Een week heeft politiek volgend Nederland in een psychose verkeerd. Vanaf het bekend worden van de vier woorden, die iedereen kent, tot aan het debat, heerste er een irrationele opgewonden sfeer. Bijna niemand dacht nog nuchter na. En ook al ben ik gelukkig niet heel ver meegegaan in de irrationele gekte, ook ik moet achteraf bekennen me veel te veel door de ongerechtvaardigde en ongegronde sfeer van valse vooronderstellingen en wantrouwen te hebben laten meeslepen. Maar toen het debat even op gang was, en de fractieleider van de VVD een zeer plausibele, maar ook door mij niet voorziene uitleg gaf, toen vielen de schellen me van de ogen. En dat zal bij elk redelijk mens het geval zijn geweest. Maar de fractievoorzitters in de Tweede Kamer besloten de gekte nog een dag voort te zetten.

Op waarheidsvinding was de Tweede Kamer ostentatief niet uit. Terwijl het debat om ongeveer een half twee begonnen was, duurde het tot negen uur ’s avonds voor Kajsa Ollongren, een der twee oud-verkenners, eindelijk aan het woord kwam. Terwijl de hoofdvraag toch bekend was. Als de Kamer daarop echt een antwoord had willen weten, had ze Ollongren direct aan het woord kunnen laten en dan daarna zelf daarop door kunnen gaan. En als de praalhanzen dan toch per se eerst hun onwetendheid hadden willen etaleren, dan hadden ze de voorzitter kunnen verzoeken in de eerste termijn geen zogenaamde interrupties toe te staan. De voorzitter kan die immers toelaten, maar evengoed verbieden en de mogelijkheid daartoe in een latere termijn geven. Als zeventien fractieleiders allen vijf minuten spreektijd krijgen, kost dat bij elkaar toch al bijna een anderhalf uur. Lang zat. Daartoe had men, gegeven de kennelijk diep gevoelde behoefte aan loze ijdeltuiterij, kunnen besluiten en daarna de oud-verkenners op de vragen in kunnen laten gaan.

Elke analyse zal moeten beginnen bij de verklaring van Kajsa Ollongren, toen de helft van het aantal – merendeels volstrekt zinloze – woorden al gevallen was. De centrale vraag luidde: wat betekenen die vier woorden ‘Positie Omtzigt: functie elders’ op het blaadje dat op donderdagochtend 25 maart 2021 door Bart Maat gefotografeerd was? Het antwoord is ook duidelijk: niemand weet dat en het doet er niet toe. Het ging om een notitie die ten behoeve van geplande gesprekken door de twee verkenners die dag met Mark Rutte en Sigrid Kaag was opgesteld door de ambtelijke staf. Daarbij gaat het om twee ambtenaren van Algemene Zaken, plaatsvervangend secretaris-generaal Bart van Poelgeest en raadadviseur Irene Jansen, die ten behoeve van de formatie zijn uitgeleend en in die werkzaamheid in dienst staan van de Tweede Kamer. Op het moment dat Kajsa Ollongren de papieren mee griste en vertrok, had ze ze nog niet gelezen. Er is dus nooit iets mee gedaan, aangezien zij en Annemarie Jorritsma kort daarna hun ontslag als verkenner indienden. Ook Kajsa Ollongren weet dus niet wat de vier woorden precies betekenen. Dat is eigenlijk het hele verhaal en meer hoefde de Kamer ook niet te weten. Kortom, dit is een onbelangrijke zaak die in tien minuten afgedaan had kunnen worden. Het kladje was feitelijk irrelevant.

Valse vooronderstelling
Maar de Kamer was wantrouwend en wilde toch meer weten. Daarbij is één vrijwel alom gedeelde vooronderstelling van belang: dat die vier woorden daar niet hadden horen te staan. Daar kwam ook de verontwaardiging vandaan. Dat er een norm geschonden zou zijn, dat er iets oneerbaars geschied zou zijn. Erachter schuilt kennelijk een naïeve zuiverheidsgedachte: dat de verkenners in overleg met fractievoorzitters alleen maar over partijen, maar niet over Kamerleden hadden mogen praten. Maar waarom eigenlijk niet? Er stond helemaal niets over op papier. Dan staat het iedereen natuurlijk vrij te praten over welk onderwerp dan ook, ook over elke persoon. Met de eerste twee van de vier woorden is evidentelijk niets mis. De situatie in het CDA, met een lijsttrekker die slechts 44,14% van de stemmen op zijn partij behaalde, en een tweede man, die 34,57% scoorde, verdiende zeker aandacht. Logisch dus dat er over de positie van Omtzigt gesproken werd en zou worden.

Kortom, van de vier woorden behoeven er nog maar twee nadere uitleg: ‘functie elders’. Elders is niet ‘hier’. Of als het over een derde gaat die zich ergens bevindt, niet ‘daar’. De vraag is dus wat er onder de huidige positie van Omtzigt verstaan wordt: die van Kamerlid of bijvoorbeeld ruimer iets als ‘in de politiek’. Elders zou fractieleider, of Kamervoorzitter, of minister kunnen betekenen, afhankelijk van hoe men die plaats bepaalt, maar ook ‘een baan buiten de politiek’, bijvoorbeeld in Europa, kunnen beduiden. Het gevoelen van de meeste mensen lijkt te zijn dat je eerder aan dat laatste moet denken: een functie buiten de actuele Nederlandse politiek. Dat ligt misschien voor de hand, maar weten doen we het niet.

Maar dan nog. De verkenners betuigden dat ze de aantekening niet kenden en er niets mee gedaan zouden hebben. Kan. Maar stel nu eens dat ze die wel aan de orde gesteld zouden hebben. Met Rutte en met Kaag. Die zouden dan toch gewoon hun eigen antwoord hebben kunnen geven? Dat zij niet gaan over een eventueel andere baan van Pieter Omtzigt, die nota bene ook nog lid van een andere fractie is? Het valt eigenlijk niet in te zien dat er ooit iets concreets uit het ter sprake brengen van de ambtelijke krabbel had kunnen komen.

Geen ambtenaar
Bovendien, dat is essentieel, Pieter Omtzigt is Kamerlid. Die gaat over het behoud van zijn eigen functie. Hij is geen ambtenaar die weggepromoveerd of overgeplaatst kan worden (zoals Sandra Palmen bij de Belastingdienst overkwam). Als iemand hem al een ‘functie elders’ zou hebben aangeboden, zou hij daar zelfstandig op hebben kunnen reageren. Hij zou zo’n aanbod bovendien onmiddellijk openbaar hebben kunnen maken. Kortom, van het stiekem wegpromoveren van Omtzigt zou nooit of te nimmer sprake kunnen zijn geweest. Niemand heeft daar de bevoegdheid of de macht toe. Die overweging haalt eigenlijk elke mogelijke relevantie van het krabbeltje uit de lucht. Er was niets fouts mee.

Dat maakte in feite ook de verontschuldigingen die Kajsa Ollongren aanbood, overbodig. Ze zei: ‘Het past verkenners niet zich te bemoeien met interne partijaangelegenheden. Ik begrijp heel goed dat uw Kamer deze kwestie heel hoog opneemt. Mijn excuses gelden ook de heer Omtzigt persoonlijk, die ik dat ook heb laten weten, en de heer Hoekstra, die ik ook persoonlijk mijn excuses heb aangeboden.’ Binnen de valse vooronderstellingen die het debat ten onrechte beheersten, valt zo’n concessie op zich wel te begrijpen. Maar strikt genomen was zo’n excuus nergens voor nodig. Waarom zouden verkenners niet over interne verhoudingen van partijen, vooral als die van belang kunnen zijn voor coalitievorming, mogen praten? Er was geen norm die geschonden was.

Een reële aanleiding tot een debat was er dus niet en de fractievoorzitters hadden er verstandig aan gedaan het verzoek van Wilders niet te honoreren. Als er niets oneerbaars is gebeurd, als de eigen verkenners geen erkende norm hebben geschonden, dan is er geen reden een debat te houden. Het toevallig deels zichtbaar geworden briefje had de menselijke nieuwsgierigheid weliswaar geprikkeld, maar het had geen enkele rol in het formatieproces gespeeld en dat had men kunnen raden of anders door enkele gerichte schriftelijke vragen kunnen achterhalen.

Niet één reden
Er kwam een tweede punt bij. Dat Mark Rutte op donderdag 25 maart iets tegen de pers verklaard had, dat bij nader inzien niet bleek te kloppen. Dat was trouwens geen aanleiding tot het debat, want dat bleek pas op donderdagmorgen 1 april, ook voor hem onverwacht. Zelf kon ik aanvankelijk ook niet goed rijmen, dat Rutte stellig verklaarde op maandag 22 maart tijdens het gesprek met de verkenners niet over Pieter Omtzigt te hebben gesproken, terwijl uit aantekeningen later bleek dat dat wel het geval was geweest.

De verklaring van Rutte is natuurlijk zeer plausibel: dat hij het zich niet herinnerde. Ook de verkenners herinnerden zich het niet. Het is uiteraard duidelijk dat hij het zich graag wel herinnerd had, omdat het zo pregnant staat tegenover de meest ongunstige, of zelfs sinistere, betekenis die velen aan de woorden ‘functie elders’ toekennen. Hij en de verkenners hadden natuurlijk met plezier verteld dat Rutte Omtzigt best als minister naast zich – ministers zijn gelijken en de premier heeft voorwaar geen hogere rang – had willen hebben. Het is ook verklaarbaar waarom hij en de verkenners zich dit kennelijk ondergeschikte punt, naar aanleiding van de vraag hoe stabiel het CDA was, niet konden herinneren. Omdat het voor de vraag hoe verder ging met de formatie, vooreerst niet van belang was. De positie van Omtzigt, die terecht besproken werd, zou daar geen belemmerende rol in kunnen spelen, dat was duidelijk. Rutte had dit punt al met Wopke Hoekstra besproken, zo heeft deze al bevestigd. En dan ligt het voor de hand dat hij zich niet herinnerde wat allang en breed duidelijk was.

Er is geen enkele reden aan de verklaring van Rutte te twijfelen. Niemand heeft daar ook maar één plausibele grond voor aangevoerd. Ik heb de hele tekst van ruim honderdduizend woorden teruggelezen en echt niemand voert ook maar één reden aan waarom er aan de woorden van Rutte getwijfeld zou moeten worden.

Leugenframe
Er is wel alle reden om te twijfelen aan de waarheidsliefde van diverse fractievoorzitters. Laten we niet vergeten dat het debat werd geopend door Geert Wilders. Hij begon aldus: ‘Mevrouw de voorzitter. Ik citeer uit het verslag van de oud-verkenners: “Je moet wat met Omtzigt: minister maken.” Getekend: Mark Rutte. Hij was het dus. Een weeklang heeft hij geprobeerd het in de doofpot te stoppen. Ik snap nu ook dat hij geen debat en geen verantwoording wilde, want hij heeft gewoon keihard gelogen. Tegenover de NOS zei hij vorige week donderdag letterlijk dat hij het bij de verkenners niet heeft gehad over de heer Omtzigt. Dat blijkt dus wel zo te zijn. De minister-president heeft dus niet alleen gelogen, maar ook geprobeerd om een uitstekend functionerend maar kritisch Kamerlid als de heer Omtzigt onschadelijk te maken, in de Kamer althans, door hem een ministerspost in het vooruitzicht te stellen.’

Wilders begon dus grof. Door Rutte als leugenaar neer te zetten. Het bleek het beslissende frame dat door andere sprekers werd overgenomen. Maar wat opvalt, is dat hij op geen enkele manier zijn harde beschuldigingen probeerde te onderbouwen. Rutte had niet geprobeerd om Omtzigt ‘onschadelijk’ te maken; een ministerspost achtte aanvaardbaar, maar hij ging daar niet over. En Rutte had inderdaad iets gezegd dat niet bleek te kloppen. Hij vergiste zich. Maar er is geen enkele aanleiding te denken dat hij loog. Liegen betreft de discrepantie tussen spreken en weten. Je weet A, maar je zegt –A. Zoiets, in ieder geval iets anders dan A. Terwijl de waarheid uitwendig, objectief vaststelbaar is, is de leugen altijd persoonlijk. Om iemand van liegen te kunnen beschuldigen, moet je dus weten dat hij iets anders zei dan hij wist. Maar nergens blijkt daar iets van. Terwijl iedereen kan zien dat als Rutte wel had geweten wat het geval was, hij dat graag verteld had.

Dat was ook het sterke van het optreden van Rutte. Bijvoorbeeld tegenover Lilianne Ploumen, die – uiteraard zonder enige onderbouwing – het onbegrijpelijk en ontluisterend noemde dat Rutte bleef ontkennen dat hij een herinnering had aan het noemen van Omtzigt: ‘En dat is wel de waarheid, mevrouw Ploumen. Ik sta hier niet te liegen.’ Op het moment dat sommigen op grond van de evidente tegenspraak tussen zijn woorden op donderdag 25 april en wat een week later uit de stukken bleek, twijfelden en hem van onwaarheid of, ongegrond, van leugen betichtten, stelde hij daar de waarheid tegenover. De waarheid als verklaring van een kennelijke ‘onwaarheid’, overigens een te groot en onhandig woord voor wat we in gewone taal een vergissing of zo noemen. Iedereen kent de gangbare definitie van waarheid: adequatio rei et intellectus. Waarheid als de overeenstemming tussen spreken en werkelijkheid. Maar eigenlijk is dat een vrij beperkte en suffige opvatting van waarheid. Tegenover deze algemene, objectief vaststelbare waarheid staat niet de leugen, zelfs niet ‘onwaarheid’ – toch al een wat gekunsteld begrip – maar eerder onwetendheid, vergissing of menselijke feilbaarheid. Een arts die jarenlang vertelde dat een medicijn tegen dit of dat behulpzaam was, maar op grond van nieuwe onderzoekingen tot de conclusie komt dat dat niet zo is, loog niet en sprak ook geen onwaarheid. Zijn kennis was alleen onjuist en feilbaar.

Liegen is de discrepantie tussen spreken en weten. Wie liegt, zegt iets anders dan hij weet. Daarom is de leugen altijd persoonlijk. Wie te goede trouw een leugen doorvertelt, liegt niet. Maar wie tegenover de leugen of de beschuldiging van liegen de waarheid vertelt, doet meer dan de overeenkomst tussen begrip en werkelijkheid verwoorden, die brengt het spreken in overeenstemming met het eigen weten. Ook dat is persoonlijk. Het is op deze tweede, hogere relatie die in het waarheidsbegrip opgesloten ligt, dat Rutte een beroep deed. Wie hem van liegen wilde beschuldigingen, moet dus aantonen dat hij iets anders gezegd had dan hij wist. Waarbij dan nog bijkwam dat hij ook nog iets anders gezegd zou hebben dan zijn belang hem ingaf.

Bezweringen
Een verdere analyse is eigenlijk niet nodig. Niemand, in al die veertien uren, heeft ook maar één poging gedaan aan te tonen dat Rutte iets anders gezegd had dan hij wist. Niemand. De eerste die in de val liep, die Wilders met zijn ongefundeerde leugenframe gezet had, was Lilian Marijnissen: ‘Ik heb in de afgelopen uren na dit debat echt gedacht: welke verdediging zou hij hier vanmiddag brengen? Met welk verhaal zou hij komen? Maar het verhaal “ik heb er geen herinneringen aan” en “ik heb naar eer en geweten de pers te woord gestaan”, dat had ik echt niet kunnen bedenken. De duidelijkste vraag die ik aan Mark Rutte zou willen stellen, is: hoe ziet hij eigenlijk zelf dat hij nog geloofwaardig verder zou kunnen?’ Ze had het niet kunnen bedenken, maar ze had het natuurlijk wel moeten bedenken, zoals ook ik het eerder had moeten bedenken. Als iets onbegrijpelijk is, is er meestal een logische verklaring. Ruttes antwoord was dan ook de genadeslag: ‘Ik lieg niet over wat mij bijstaat van dat gesprek van afgelopen maandag.’ Vanaf dat moment kon ze nog zo vaak bezweren dat ze Rutte ongeloofwaardig vond en dat hij loog, ze wist natuurlijk dat ze daar geen enkele grond voor wist aan te voeren. En dat haar eigen geloofwaardigheid vanaf dat moment aan flarden lag.

Zo is het verder gegaan. Er werd niets aangetoond, het hele debat bestond uit een litanie aan bezweringen. Toen ik de tekst van het debat doorlas, ben ik begonnen de passages waarin de woordvoerders Rutte voor ongeloofwaardig verklaarden of van liegen betichtten, te markeren. Ik had in mijn hoofd zo een soort leugenmeter op te kunnen stellen. Welke fractievoorzitter maakte zich het vaakst aan grove insinuaties en leugenachtige betichtingen schuldig? Maar het werd me te veel werk en het beeld is ook wel duidelijk. Er waren fractieleiders die voortdurend over de schreef gingen, en er waren er die het fatsoenlijker hielden, maar toch blijk bleven geven van onverklaard wantrouwen.

Al die fractievoorzitters die doorgingen met Rutte in de meest grove bewoordingen aan te vallen, weten nu dat ze bij een gesprek met het schaamrood op de kaken tegenover hem zullen zitten. Hij sprak de waarheid, zij logen er maar wat op los. Urenlang. Of zullen ze dat wel beseffen? Iedereen die het debat nog eens nagaat, weet dat diverse fractieleiders niet de waarheid spraken. Maar ook dan geldt de eis: zeiden ze bewust iets anders dan ze wisten? Of is het misschien eerder zo dat zich niet afvroegen wat ze wisten? Dat ze ook helemaal niet in inzicht geïnteresseerd waren? Omdat ze niet in termen van waarheid dachten, maar in termen van macht; hoe kan ik hier eens lekker tekeer gaan tegen Rutte? Dat laatste zou wel eens het geval geweest kunnen zijn. In normale menselijke termen zouden we het debat moeten bestempelen als een orgie van leugens, maar in de politiek gelden nu eenmaal andere waarden – macht doet gekke dingen met mensen en de Tweede Kamer is een machtsorgaan en geen antimachtsorgaan, zoals sommigen abusievelijk denken – en daarom wil ik voorzichtig zijn. Het wangedrag van de Kamer werd er ondertussen niet minder om.

Malligheid
De conclusie is duidelijk. Er lag een motie van wantrouwen die verworpen werd. Voor dat wantrouwen is tijdens het debat geen enkele harde grond aangevoerd. Dat ook een gemeenlijk gouvernementele partij als de SGP die steunde, blijft onbegrijpelijk. Je zou toch een fundering van het wantrouwen verwachten. Er werd wel een motie van afkeuring aangenomen, ingediend door Sigrid Kaag en Wopke Hoekstra. Maar ook voor die motie werd geen enkele redelijke grond opgegeven. Kaag zei: ‘Ik keur ook af dat de heer Rutte over collega Omtzigt heeft gesproken.’ Wat is dat voor malligheid? Waarom zou Rutte niet over Omtzigt hebben mogen spreken? Kortom, vrijwel de gehele Kamer heeft zich mee laten slepen door groteske dwaasheid. Men ging uit van een norm die niet bestond en een deel gaf ook nog eens uiting aan ongefundeerd wantrouwen. De Kamer liet zich als een mak schaap meetronen in het leugenframe dat Wilders opgezet had.

Er is vaak verwondering over Rutte. Dat hij een teflonlaag zou hebben. Ik denk dat ik wel weet waar die teflonlaag in bestaat: uit het feit dat hij de waarheid spreekt. Altijd. Dat hij, hoe grof zijn opponenten ook tegen hem tekeer gaan, nooit met gelijke munt terugbetaalt, maar rustig en beleefd blijft. O ja, allerlei mensen voeren nu allerlei gevallen uit het verleden aan. Rutte zegt zelf dat hij die allemaal kan verklaren. Dat denk ik ook. Als Rutte zich dingen niet herinneren kan, is dat niet omdat hij zo’n slecht geheugen heeft, maar omdat de Kamer zulke malle vragen stelt. Als je erop uit bent iemand in de hoek te zetten, dan lukt dat zo wel. Maar met waarheidsvinding heeft het niets te doen.

Naschrift
[13 augustus 2021] Ik heb de titel gewijzigd. Tot vandaag luidde die: ‘De waarheid van Rutte en het leugenframe van Wilders en de Tweede Kamer’. Wat mij bij het zien telkens weer stoorde, was de overdreven hang naar volledigheid. Met dat ‘en de Tweede Kamer’ was de balans weg. Vandaar dat hier nu boven staat, wat daar staat. Korter, maar evenwichtiger.

(212)

18 juli 2013

Religie als doelwit? – Over een betoog van Arnold Huijgen en Bart Jan Spruyt over vaccinatiedwang en oproepen door politici

door Jan Dirk Snel

Toch maar. Vanmorgen, donderdag 18 juli 2013, verscheen er in de Volkskrant een betoog van de hand van Arnold Huijgen en Bart Jan Spruyt onder de kop ‘Staat moet zich niet bemoeien met keuze vaccineren’. Op de website gaf de redactie er het opschrift ‘“Waarom zouden burgers niet zelf beslissen of ze hun kinderen laten vaccineren?”‘ aan. Beide auteurs schreven de afgelopen dagen eerder over dit onderwerp. Bart Jan Spruyt deed dat op vrijdag 12 juli in een column, ‘Mazelen en de biblebelt’ in het Nederlands Dagblad, die hij ook op zijn weblog plaatste, en een dag later nog eens in een column, ‘Rutte en de mazelen’ op De Dagelijkse Standaard. Arnold Huijgen deed dat op dinsdag 16 juli in een column, ‘Oproep’, in het Reformatorisch Dagblad, die ook hij een dag later op zijn weblog plaatste.

Met de hoofdintentie van de auteurs ben ik het wel eens, denk ik, maar toch vrees ik dat het betoog eerder verwarring sticht door met name één onjuiste veronderstelling die waarschijnlijk onder het hele betoog ligt. Dat is de reden dat ik er toch een afzonderlijk stukje aan wijd, want voor de meeste punten zou ik zo naar mijn vorige stukje over dit onderwerp kunnen verwijzen. Ik loop nu toch maar even alle punten in het betoog die me van belang lijken, systematisch af.

Exif_JPEG_PICTURE

Buitenhof – ook een huisartsenpraktijk

1. Dwingen en oproepen
Het zal de aandachtige lezer niet ontgaan zijn dat er een groot verschil in strekking is tussen de redactionele keuzes bij het maken van de beide koppen. In de krant staat er boven het artikel dat de staat zich helemaal niet moet bemoeien met de keuze omtrent al dan niet vaccineren. Op de website wordt geopperd dat burgers zelf wel kunnen beslissen in deze zaak. Het gaat hier om het verschil tussen het doen van een oproep en dwang.

En het komt me voor dat de auteurs beide zaken al te snel door elkaar halen, althans onvoldoende onderscheiden. Direct in de eerste zin hebben Huijgen en Spruyt het over de ‘discussie over al dan niet verplichte vaccinatie’, maar daar beperken ze hun betoog vervolgens niet toe. En daar gaat het grootste deel van de huidige discussie ook niet over. Er is een groot verschil tussen het plaatsen van een oproep en het instellen van een verplichting. Afgelopen vrijdag begon de discussie juist met een oproep door Els Borst (D66) en Heleen Dupuis (VVD), waar minister-president Mark Rutte zich vervolgens ’s avonds bij aansloot. Het opvallende is juist dat een deskundige als Roel Coutinho, directeur Infectieziektebestrijding van het RIVM, niets ziet in het verplicht stellen van inenting. En dat is voor zover ik kan zien, ook de algehele lijn onder politici: ze zijn tegen dwang. En dat loopt van Kees van der Staaij (SGP) maandag in Knevel en Van den Brink via Alexander Pechtold (D66) tot en met Henk van Gerven (SP): eensgezind zijn ze tegen vaccinatiedwang.

De enige die zaterdag wel een enigszins ander geluid liet horen, was de door Huijgen en Spruyt genoemde Heleen Dupuis en ook zij deed dat vooral aarzelend: ze vroeg zich meer af of men op de langere termijn niet over verplichten na moest denken, dan dat ze stellig was. Ze noemde dwang ook ‘tricky’. Het lijkt me niet onverstandig om te bedenken dat vaccinatiedwang eerder, in de negentiende en twintigste eeuw, ook gewoon bestond.

Het gaat hier om twee heel verschillende discussies. Zoals ik mijn vorige stuk (‘Overgevoelig‘) al betoogde, streeft de overheid simpelweg naar een hoge vaccinatiegraad. Conform staand beleid kan ze niet anders dan mensen oproepen hun kinderen te laten inenten. Dat oproepen via predikanten in plaats van zich rechtstreeks tot mensen te wenden van een mogelijk wat knullige aanpak getuigen – waarom zou je mensen niet serieus nemen en ze zelf aanspreken? – en mogelijk averechts werken, dat kan zo zijn, maar punt blijft dat de overheid op dit punt niet neutraal kan zijn. Zij is vanouds voor inenting. Ze is immers verantwoordelijk voor een goede volksgezondheid. Een discussie over vaccinatiedwang dient men zorgvuldig te onderscheiden van een debat over het plaatsen van oproepen en dat onderscheid maken Huijgen en Spruyt onvoldoende. Van de discussie over verplichten gaan ze ongemerkt over op een discussie over oproepen.

2. Kerk en staat
Nog merkwaardiger is wat Spruyt en Huijgen schrijven over de scheiding tussen kerk en staat, al klopt hun omschrijving van dat beginsel wel: ‘Die houdt in dat de kerk niet over de staat mag heersen en de staat niet over de kerk’ – waarbij ik overigens graag aanteken dat het laatste in de Nederlandse Republiek de praktijk was en dat het eerste veel minder voorkwam. Maar Huijgen en Spruyt zeggen eerst dat premier Rutte op dit punt ‘een onjuiste definitie’ hanteert en verwijten hem vervolgens dat hij zich daar niet aan houdt. Ik zou zeggen: ze zouden blij moeten zijn dat hij zich niet aan een in hun ogen foutieve opvatting houdt.

Eerlijk gezegd zou ik trouwens niet weten of Rutte werkelijk van mening is dat de scheiding tussen kerk en staat neerkomt op de ‘absolute scheiding van religie en het publieke domein’, de opvatting die zij hem toeschrijven. Heeft hij dat ooit ergens zo stellig geschreven of gezegd? Een absolute scheiding? Er is trouwens een groot verschil tussen de vraag of iemand zijn politiek handelen baseert op een godsdienstig, ‘confessioneel’ uitgangspunt of dat hij, zoals Rutte vrijdag deed, vanuit een persoonlijk standpunt, dat in dit geval een geloofsovertuiging is, maar waarbij het natuurlijk om elke persoonlijke overtuiging zou kunnen gaan, nog eens een zekere aanvulling biedt bij het officiële overheidsstandpunt.

Het zou logischer zijn als Huijgen en Spruyt zich aansloten bij wat Lex Oomkes gisteren in Trouw schreef, namelijk dat het ‘eigenlijk heel verfrissend’ is ‘dat Rutte zijn eigen geloof gebruikte als argument in de discussie over nut, noodzaak en rechtvaardiging van inenten’, of bij wat Gert-Jan Segers (CU) vanmorgen in de Volkskrant opmerkt:

‘Het kan helemaal geen kwaad dat Mark Rutte heeft gezegd: God heeft er ook voor gezorgd dat er vaccins zijn en het kan niet zo de bedoeling zijn dat kinderen zo lijden. Dat kan mensen aan het denken zetten. Rutte is zelf ook gelovig, dat maakt hem geloofwaardig.’

Als Huijgen en Spruyt het eerste amendement op de Amerikaanse Constitutie aanhalen – ‘Congress shall make no law respecting an establishment of religion, or prohibiting the free exercise thereof’ – reageren ze daarmee dan ook op iets waar de minister-president helemaal niet op uit is – hij is niet met het maken van wetten bezig – nog afgezien van het feit dat de Amerikaanse opvatting over de verhouding tussen kerk en staat én godsdienst en politiek helemaal niet maar zo naar de Nederlandse verhoudingen overgebracht kan worden.

3. Afleidingmanoeuvres
Dan zijn er nog twee inmiddels bekende, maar naar mijn idee nu irrelevante afleidingsmanoeuvres. Ten eerste merken de auteurs op dat ‘veel ouders die hun kinderen niet laten vaccineren’ helemaal niet uit ‘de reformatorische, maar bijvoorbeeld uit de antroposofische hoek’ komen. Juist. Maar wat zegt dat? Als er op vrije scholen een epidemie zou uitbreken of er als er onder kinderen van andere ‘kritische prikkers’ een epidemie zou uitbreken, zou de overheid dan ook geen oproep doen en dan ook niet op de argumenten uit die hoek mogen ingaan? Natuurlijk zou de overheid dan ook met passende, toegesneden tegenargumenten komen.

Ook hebben de auteurs volkomen gelijk dat er ook andere gevaren zijn – ‘survivals, bergbeklimmingen en wildwatertochten waaraan ouders hun kinderen in deze vakantie blootstellen’ en ‘ongezonde levensstijlen’ – en ik zou daar graag met Malou van Hintum het gevaar van ouders die zelf hun kinderen mishandelen, nog aan toevoegen. Maar dat zegt toch niet dat de overheid hier niets mag zeggen? Het geeft hooguit aanleiding tot een zekere relativering. En soms zijn andere waarschuwingen en oproepen wellicht ook op hun plaats. Overigens verliezen de auteurs ook hier het verschil tussen oproepen en dwang weer uit het oog door nogal karikaturaal over ‘controleurs voor stopcontactbeveiliging en traphekjes in gezinnen met jonge kinderen’ te beginnen.

4. Religie en cultuur
De vraag is bovendien of Huijgen en Spruyt de godsdienstige bezwaren bij bepaalde reformatorische groepen – vergeet nooit dat het om een deel gaat en de opvattingen intern juist verschillend zijn – tegen vaccineren zelf wel voldoende serieus nemen. Ze schrijven bij voorbeeld dat niet-vaccineren ‘vooral een cultureel protest is tegen een wereld die het lot in eigen hand denkt te kunnen nemen en in die waan steeds minder ruimte wil laten aan “achtergebleven” subculturen’. (En ja, ik zie dat de betreffende zin conditioneel geformuleerd is, maar er is geen twijfel aan dat de auteurs de opgeworpen mogelijkheid onderschrijven.) En dat het ‘zeker niet alleen om de uitleg van bepaalde bijbelteksten’ gaat. Dat zal zeker zo zijn, maar zijn die meer algemene culturele bezwaren tegelijk ook niet godsdienstig?

Het is zeker mogelijk om van religieuze of theologische bezwaren een cultuursociologische verklaring te geven, maar daarbij ga je tevens aan de feitelijke argumentatie voorbij. Die kan nooit volledig vervangen worden door een analyse vanuit een ander, op zich mogelijk best geldig perspectief. De betrokkenen zelf zijn wel degelijk van mening dat hun gewetensbezwaren uit hun godsdienstig standpunt voortkomen. Neem ze dan ook op hun woord, zou ik zo zeggen. Huijgen en Spruyt erkennen ook zelf dat er wel degelijk een ‘religieuze dimensie’ aan de zaak zit. Waarom zou de overheid dan in haar oproepen daar niet op in mogen gaan, waarbij de vraag of dat niet juist averechts werkt, vooral een pragmatische en geen principiële is. Het gaat dan vooral om prudentie: hoe benader je mensen het beste? Hoe neem je ze het meest serieus? Ik zou zeggen: niet door ze bevoogdend via predikanten aan te spreken, maar door ze rechtstreeks te benaderen, zoals Mark Rutte met zijn persoonlijke ontboezeming in feite ook deed.

5. Tegen de godsdienst?
En daarmee ben ik bij mijn belangrijkste punt. Huijgen en Spruyt gaan al te gemakkelijk uit van kwade trouw bij de overheid en bij politici die een oproep deden. Zo schrijven ze:

‘Door de oproepen van Heleen Dupuis en Els Borst aan predikanten – overgenomen door Mark Rutte – lijkt het alsof hier een theologisch probleem aan de orde is, waardoor deze politici ook maar aan het theologiseren slaan. Aardig geframed, maar feitelijk is dit een rookgordijn, opgetrokken door een overheid die haar bevoegdheden wil uitbreiden.’

‘Het punt is dat er religieuze argumenten in het spel zijn in combinatie met kinderen. Zo krijg je de mensen mee.’

‘Religie is altijd een makkelijk doelwit. Onder het mom van al dat getheologiseer is de overheid bezig opnieuw zijn bevoegdheden op te rekken en die van de burger te verminderen.’

Dat nu lijkt me werkelijk een omkering van wat er feitelijk aan de hand is. Het gaat helemaal niet om voor of tegen godsdienst. Er is simpelweg een probleem en in het geval van de mazelen wil ik er ook nog graag bij opmerken dat het een relatief klein probleem is. De inenting ertegen bestaat pas sinds 1976 en vroeger kreeg elk kind die wat betreft de gevolgen meestal tamelijk onschuldige ziekte. Je wist niet beter. Maar achter deze discussie doemt natuurlijk de vrees voor ernstiger ziekten zoals de polio, met vaak wel vreselijke gevolgen, op. De overheid maakt zich vanuit haar eigen taak, volksgezondheid, simpelweg zorgen om de gezondheid van kinderen en alleen daarom roept ze op wel aan vaccinatie mee te doen. En daarom doen politici als de minister-president een oproep.

Hierachter gaat naar mijn idee een gedachte schuil die je tegenwoordig wel meer ziet, namelijk dat het om een tegenstelling tussen een seculiere en een religieuze moraal zou gaan. Vandaar dat ook de jongensbesnijdenis nog als voorbeeld voorbij komt. Je zou ook aan de door de auteurs nu niet genoemde discussie over ritueel slachten kunnen denken. In al die gevallen wordt vaak gedacht dat het om een tegenstelling tussen een seculiere meerderheidsmoraal en een godsdienstige minderheidsmoraal zou gaan en ik zou werkelijkheid niet met zekerheid durven te beweren dat ik die tegenstelling zelf ook nooit zo geformuleerd heb. Maar ze onjuist. In dit geval gaat het om bepaalde religieuze opvattingen, waar andere opvattingen die ook godsdienstig kunnen zijn, zoals bij minister-president Mark Rutte, maar die dat evengoed ook niet kunnen zijn, tegenover staan. En zo is het ook bij besnijdenis en rituele slacht: ook daar doen de meeste mensen die godsdienstig zijn, niet aan. Kortom, het gaat wel om verschillende opvattingen, maar niet om de tegenstelling tussen religie of niet.

Hoe het ook zij, Huijgen en Spruyt gaan veel te gemakkelijk uit van kwade wil bij de overheid. Die trekt geen ‘rookgordijn’ op, want het gaat wel degelijk (ook) om godsdienstige of theologische opvattingen en het lijkt me wenselijker dat de overheid die serieus neemt en daar respectvol op in gaat, dan dat ze net doet alsof die eigenlijk op iets heel anders neerkomen. En het is in dit geval ook niet waar dat de overheid ‘de vrijheden van burgers steeds minder’ respecteert. Dat doet ze juist wel door niet tot dwang over te gaan, maar wel oproepen te plaatsen. Ik zie hier dan ook geen ‘fundamentele verschuiving van grondrechten’. Die deed zich misschien wel even voor toen de Tweede Kamer in eerste instantie voor een verbod op ritueel, onverdoofd slachten stemde, maar daarin werd ze gelukkig door de Eerste Kamer gecorrigeerd. Nu is zoiets feitelijk niet aan de orde.

Vrijheid
Het betoog van Huijgen en Spruyt is principieel liberaal. Het gaat hun om vrijheid, vrijheid van de ouders in de eerste plaats. Vrijheid, gewetensvrijheid met name, is een groot goed. Maar ze zijn al te wantrouwig. En ze overdrijven als ze schrijven:

‘Onder het mom van al dat getheologiseer is de overheid bezig opnieuw zijn bevoegdheden op te rekken en die van de burger te verminderen.’

Nee, de overheid rekt in dit geval helemaal geen bevoegdheden op en juist door zich tot oproepen te beperken respecteert ze die van de burger volkomen. De overheid is helemaal niet bezig met het rechtvaardigen van ‘allerlei aantastingen van klassieke grondrechten’.

Het is goed om alert te zijn op de fundamentele vrijheden en het is maar al te goed mogelijk dat minderheden in het nauw raken. Maar het is dan ook zaak om zorgvuldig te zijn en geen ‘ach en wee’ te gaan roepen als de overheid zich juist wel zorgvuldig tot haar taak beperkt, zoals nu het geval is en het bij vrijwilligheid en bij oproepen laat. En we mogen juist blij zijn als de overheid bezwaren van mensen serieus neemt en daar met argumenten op in gaat. De bereidheid tot luisteren is momenteel groot. En die beperkt zich niet tot de overheid. De aandacht voor de mazelenepidemie is misschien wat overdreven groot, maar wat de laatste week vooral opviel, is hoezeer juist mensen uit reformatorische hoek – die nogmaals op dit punt niet één standpunt innemen – in de media een kans kregen om hun zegje te doen.

Door onvoldoende te onderscheiden tussen een oproep en dwang en door de overheid en politici theologiseren te verwijten, schieten Huijgen en Spruyt in dit geval hun doel voorbij. Met hun pleidooi tegen dwang en voor vrijheid kan ik het alleen maar eens zijn en daarbij hebben ze de overgrote meerderheid van de politici aan hun kant. Daar zouden ze meer op hebben moeten letten.

(113)