Posts tagged ‘Jezus’

16 april 2017

De opstanding en de afgewentelde steen – Of hoe Pasen en Hemelvaart op één dag vallen

door Jan Dirk Snel

[Zondag 16 april 2017] Je kunt mensen tegenwoordig van alles wijsmaken. Zelfs dat Max Pam niet weet wat Pasen is. Donderdag circuleerde er op Twitter een knipsel uit de Volkskrant van een column over Pasen waarin één zin was onderstreept: ‘Dat Jezus toen ten hemel is gevaren, behoort echter niet tot de basiskennis.’ De twitteraar van dienst, Rimme Mastebroek, gaf als begeleidend commentaar: ‘De @volkskrant schrijft een artikel dat niemand meer weet waar Pasen over gaat. Misschien moeten ze het nog eens proberen.’

Veel mensen vonden dat kennelijk aardig, en het moet gezegd, de ingehouden formulering was ook geestig. Het knipsel werd dan ook honderden keren geretweet. Een Belgische hoogleraar haalde de ‘pijnlijke vergissing’ zelfs aan in een serieuze beschouwing over hedendaagse godsdienstige onkunde, die inderdaad groot is, zij het wellicht niet minder groot dan in vroeger dagen. Onwetendheid is immers de conditio humana.

Opgestaan
Kennelijk namen slechts weinig mensen de moeite om de gehele column eens op te zoeken. Als je dat wel doet, zie je dat de heer Mastebroek ter wille van het effect nogal selectief geknipt had. Zo luidt de inmiddels gecorrigeerde versie:

‘In 2009 bleek dat 45 procent van de Nederlandse bevolking geen idee heeft waar Pasen over gaat en dat percentage is sindsdien alleen maar gegroeid. Bijna de helft van de Nederlanders associeert Pasen niet meer met het christendom. Dat Jezus uit de dood is opgestaan, is hen onbekend. Ongeveer 15 procent denkt bij Pasen aan de kruisiging, maar die vond plaats op Goede Vrijdag. Niet goed, wel warm. Dat Jezus met Hemelvaart ten hemel is gevaren, behoort ook niet tot de basiskennis. Of om met Aart Staartjes te spreken: “Van een weiland had ik weleens gehoord, maar ik had geen idee wat een Heiland was.”‘

Kortom, net voor de geïncrimineerde zin is de centrale gedachte van Pasen reeds correct omschreven: ‘Dat Jezus uit de dood is opgestaan’. De auteur wist het dus wel degelijk en de knippende twitteraar wist ook best dat de auteur het wist. Het corrigendum onder het stuk zegt nu:

‘In een eerdere versie van deze column is een fout geslopen. De zin “Dat Jezus toen ten hemel is gevaren, behoort echter niet tot de basiskennis” is vervangen door “Dat Jezus met Hemelvaart ten hemel is gevaren, behoort ook niet tot de basiskennis.”‘

Dat lijkt een verlegenheidsoplossing. Waarom ineens over de onbekendheid met een andere christelijke feestdag beginnen? Dat Hemelvaart over de hemelvaart gaat, is bovendien geen erg spannende mededeling; dat kan zelfs een volstrekte ignorant nog wel raden. Het lijkt er eerder op dat de auteur tijdens het schrijven een kleine black-out heeft gehad en dat hij Pasen nog eens in andere bewoordingen dan hij zojuist gebezigd had, wilde omschrijven en daarbij de fout inging. Dat hij Aart Staartjes even later tot Aartjes inkortte, wijst ook al op een slordigheid van dien aard.

Nu hoeven we met Pam, dunkt me, niet al te veel medelijden te hebben. Hij staat nu eenmaal bekend als een uitermate platte geest en dat is ook wat hij ambieert, gelijk zijn aanhaling van enkele woorden van Aart Staartjes al laat zien. Verderop haalt hij een zogenaamd rapport, getiteld ‘Risico inventarisatie religieuze handelingen Pasen’, van de arbeidsinspectie aan, een ‘satirisch’ verzinsel van de website Goedgelovig van vijf jaar geleden, dat hij al eens eerder heeft gebruikt, en je kunt je afvragen hoeveel mensen echt zo goedgelovig zijn dat ze in de echtheid daarvan geloven. Te veel, vrees ik. Dat anderen, van iets meer inhoudelijk kaliber, dan weer denken dat een zo platte geest ook wel tot enorme domheid in staat is, is natuurlijk niet zo gek. Wat wel vreemd is, dat de dienstdoende redacteur bij de roomsearbeiderskrant de verschrijving niet heeft opgemerkt. In die zin was het dan ook terecht dat de twitteraar de krant en niet de auteur aansprak.

Mattheüs
Maar er is nog iets. Logici zullen ongetwijfeld opmerken dat de omstreden bewering volkomen waar is: dat Jezus op Pasen ten hemel is gevaren, behoort inderdaad niet tot de basiskennis. Taalfilosofen en linguisten kunnen vervolgens uitleggen hoe taal werkt: het verschil tussen de letterlijke uitspraak en de onderliggende geïntendeerde of vooronderstelde bewering – of iets in die richting. (Niet dat wij dat niet allen weten, maar het vergt soms enig denkwerk om dat adequaat te formuleren.)

Er waren donderdag ook meer bedachtzame reacties. Coen Wessel twitterde bijvoorbeeld: ‘Max Pam heeft geen ongelijk als je Paulus volgt. Volgens Paulus had de opstanding plaats in een hemels, verheerlijkt lichaam (1 Kor 15).’ En Matthijs Schuurman merkte via hetzelfde medium op: ‘Veel kritiek op dat zinnetje in de @Volkskrant, maar Lukas 24 en Johannes 20:17 laten zien dat Pasen en hemelvaart ook samengaan’.

De opstanding wordt in alle vier evangeliën verhaald: Markus 16:1-8, Mattheüs 28:1-10, Lukas 24:1-12 – de drie synoptici – en Johannes 20:1-18. Mij viel op hoe Mattheüs het verhaal vertelt:

(1) Laat na de sabbat, toen het licht begon te worden op de eerste dag van de week, kwamen Maria Magdalena en de andere Maria om naar het graf te kijken.
(2) En zie, er vond een grote aardbeving plaats, want een engel van de Heere, die uit de hemel neerdaalde, ging erheen, rolde de steen van de opening weg en ging erop zitten. (3) Zijn gedaante was als een bliksem en zijn kleding wit als sneeuw. (4) De bewakers beefden van angst voor hem en werden als doden.
(5) Maar de engel antwoordde en zei tegen de vrouwen: U hoeft niet bevreesd te zijn, want ik weet dat u Jezus zoekt, Die gekruisigd was. (6) Hij is hier niet, want Hij is opgewekt, zoals Hij gezegd heeft. Kom, zie de plaats waar de Heere gelegen heeft. (7) En ga haastig heen en zeg tegen Zijn discipelen dat Hij opgewekt is uit de doden; en zie, Hij gaat u voor naar Galilea; daar zult u Hem zien. Zie, ik heb het u gezegd.
(8) En zij gingen haastig van het graf weg, met vrees en grote blijdschap, en zij snelden weg om het Zijn discipelen te berichten.
(9) Toen zij weggingen om het aan Zijn discipelen bekend te maken, zie, Jezus kwam hun tegemoet en zei: Wees gegroet! Zij gingen naar Hem toe, grepen Zijn voeten en aanbaden Hem. (10) Toen zei Jezus tegen hen: Wees niet bevreesd; ga heen, bericht Mijn broeders dat zij naar Galilea moeten gaan, en daar zullen zij Mij zien.

Gelijk bekend had Mattheüs daarbij de tekst van Markus bij de hand:

(1) En toen de sabbat voorbijgegaan was, hadden Maria Magdalena, Maria, de moeder van Jakobus, en Salome specerijen gekocht om Hem te gaan zalven. (2) En heel vroeg op de eerste dag van de week kwamen zij bij het graf, toen de zon opging.
(3) En zij zeiden tegen elkaar: Wie zal voor ons de steen van de ingang van het graf wegrollen? (4) En toen zij opkeken, zagen zij dat de steen weggerold was, want hij was heel groot.
(5) En toen zij het graf ingegaan waren, zagen zij aan de rechterzijde een jongeman zitten, gekleed in een wit, lang gewaad, en zij waren ontdaan. (6) Maar hij zei tegen hen: Wees niet ontdaan. U zoekt Jezus de Nazarener, de Gekruisigde. Hij is opgewekt! Hij is hier niet; zie de plaats waar ze Hem gelegd hadden. (7) Maar ga heen, zeg tegen Zijn discipelen, en Petrus, dat Hij u voorgaat naar Galilea; daar zult u Hem zien, zoals Hij u gezegd heeft.
(8) En zij gingen haastig naar buiten en vluchtten bij het graf vandaan, want beving en ontsteltenis had hen aangegrepen; en zij zeiden tegen niemand iets, want zij waren bevreesd.

Leeg graf
Het is nu niet mijn bedoeling om alle wijzen waarop Mattheüs op Markus varieert, aan te wijzen. Slechts op één enkel aspect wil ik de aandacht vestigen. Terwijl bij Markus de vrouwen op weg gaan om het dode lichaam te zalven, gaan ze bij Mattheüs alleen maar op pad om het graf opnieuw te bezien. Ze vragen zich ook niet af wie de steen kan wegrollen, want ze weten (Mattheüs 27:65, 66) dat het graf bewaakt wordt. De vrouwen maken iets heel onverwachts mee. Ze zien hoe een engel uit de hemel afdaalt, de steen wegrolt en erop gaat zitten. (Dat, dat zitten bedoel ik, is dus iets anders dan we zien in allerlei plaatjes waarop een rechtopstaande steen slechts opzij is gerold, doch dit terzijde.) De engel vertelt de vrouwen vervolgens dat Jezus er niet is. Hij is immers opgewekt. En hij nodigt hen uit om de plek te bezien waar hij gelegen heeft.

Wat is nu het opvallende? Dit, dat de weggerolde steen, zoals het zo vaak wordt voorgesteld, geen teken van de opstanding is. Bij Markus zou je dat nog kunnen denken. Maar hier lijkt dat niet het geval te zijn. De engel rolt de steen weg, opdat de vrouwen kunnen zien dat het graf leeg is. Jezus is al eerder opgestaan. Als de vrouwen op de terugweg zijn, komt hij hen tegemoet.

Zo ben ik althans geneigd het verhaal a prima vista te lezen. Het is hierboven al aangehaald: Paulus maakte enkele decennia eerder in de eerste Korinthebrief (15:44) een onderscheid tussen een natuurlijk en een geestelijk lichaam. Ook Lukas, die het opstandingsverhaal van Markus weer op zijn eigen wijze verwerkte, gaat daar in de verhalen die er bij hem op volgen, vanuit. De Emmaüsgangers herkennen Jezus aanvankelijk niet, maar als hij het brood breekt, ineens wel. Op dat moment verdwijnt hij uit hun gezicht (24:31). Later, nog steeds op dezelfde dag, vertoont hij zich plotseling aan de elf discipelen in Jeruzalem. Hij toont hun zijn handen en voeten (24:39, 40) en hij eet iets, ‘een stuk van een gebakken vis en van een honingraat’ (24:42). Jezus zegt daar met zoveel woorden: ‘Raak Mij aan en zie, want een geest heeft geen vlees en beenderen, zoals u ziet dat Ik heb.’ Kortom, Jezus is geen geest, want een geest kan men niet aanraken en een geest kan niet eten, maar hij heeft wel een geestelijk lichaam, dat niet aan de wetten van de fysicaliteit is gebonden en zich ook niet door een steen voor een graf laat beletten.

Ecce
Men moet natuurlijk oppassen een dergelijke voorstelling al te snel in een andere tekst, in dit geval die van Mattheüs, in te lezen, maar ik zou toch zeggen dat het voor de hand ligt dat ook Mattheüs van deze onderliggende gedachte uitgaat. Dan zou de afgewentelde steen dus niets met de opstanding als zodanig te maken hebben, want daarbij ging het dan om een transformatie van een natuurlijk in een geestelijk lichaam, maar wel met de mogelijkheid om getuige te zijn van het lege graf.

Ik weet alleen niet of mijn simpele lezing klopt. Het valt me op dat enkele commentaren die ik raadpleegde, geheel aan dit punt voorbijgaan. En ik besef dat er commentatoren zijn die een geheel andere visie hebben. Een geleerde als Theodor Zahn (1838-1933) schrijft bijvoorbeeld: ‘Es ist daher auch nicht gemeint, daß die Frauen Augenzeugen aller v. 2. erwähnter Vorgänge am Grabe waren.’ En hij beroept zich vervolgens onder meer op de werkwoordtijden. Mijn kennis van het Grieks is te gering om dat te kunnen beoordelen. Ik kan alleen maar vaststellen dat vrijwel alle vertalingen die ik onder ogen heb gekregen, de aoristus ἐγένετο in het zinnetje καὶ ἰδοὺ σεισμὸς ἐγένετο μέγας, als een gewone onvoltooid verleden tijd weergeven. Na dat καὶ ἰδοὺ kun je je eigenlijk ook nauwelijks iets anders voorstellen.

Maar ook Jos. Keulers schrijft in een commentariërende noot in zijn Synopsis van de eerste drie evangeliën (Roermond 1958) dat Mattheüs in de verzen 2-4 verhaalt ‘wat er aan de aankomst van de vrouwen bij het graf voorafging’. Mijn enige vraag is dan waarom hij dan in zijn vertaling – ‘En zie, er ontstond een grote aardbeving’ – een geheel andere indruk wekt. Elke onbevangen lezer zal toch denken dat eerst de vrouwen naar het graf tijgen en dat daarna de engel neerdaalt. De NBV, die wel erg vrij vertaalt, maar toch enigszins poogt recht te doen aan wat er staat, maakt van het καὶ ἰδοὺ zelfs levendig ‘plotseling’. (Het nadeel van de NBV is dat die wel erg veel voorkennis bij de lezer veronderstelt: alleen als je weet hebt van wat het Latijn met et ecce weergeeft, wordt zo’n alledaagse weergave ineens interessant, want anders is die zo plat als een dubbeltje.)

Sitz im Leben
Vrijdag, op Goede Vrijdag dus, besloot ik vanwege het karakter van die dag, tijdens een lange treinreis het boekje The Passion van Géza Vermes (1924-2013) te lezen, over de lijdensverhalen dus, zoals de titel al zegt. Het is een kort en charmant boekje, simpel vooral ook, maar ondanks de onmiskenbare scherpzinnigheid vond ik het toch tegenvallen. Het recept is werkelijk eenvoudig: leg de teksten naast elkaar en noteer wat je aan verschillen opvalt. Maar juist daarin schiet het boekje ook nogal tekort. Dat de drie synoptici en Johannes afwijken, weten we a priori. Maar waarom Mattheüs en Lukas welbewust van Markus afwijken, terwijl ze zijn tekst voor zich hebben liggen, dat vraagt Vermes zich al te weinig af. Kortom, al te veel blijft hij filologisch bij de letterlijke teksten hangen en al te weinig vraagt hij zich af wat daar in het werkelijke leven, de befaamde Duitse Sitz im Leben, schuil achter gaat.

Eigenlijk vind ik dan een meer harmoniërende benadering, zoals men die bijvoorbeeld in de kanttekeningen op de Statenvertaling aantreft, intellectueel nog bevredigender: daar is immers meer intellectuele vindingrijkheid voor benodigd. En het moet uiteraard gezegd: in dit geval ben ook ik geneigd tot een dergelijke harmoniërende lezing. Het lijkt me echt dat als je Mattheüs leest vanuit dezelfde grondgedachte die ook Paulus in de jaren vijftig van de eerste eeuw aanhing en die Lukas enkele decennia later deelde, je de tekst het beste recht doet. Een afwijkende lezing zou, dunkt mij, al te veel kunstmatige vindingrijkheid vergen.

Het klopt dus dat de opstandig en de hemelvaart volgens Lukas 24 op dezelfde dag plaatsvonden. Terwijl dezelfde auteur in Handelingen (1:3) stelt dat er veertig dagen tussen beide gebeurtenissen zaten. ‘The author of Luke-Acts was an artistic writer, and he thought that repeating himself was not good style’, merkt E.P. Sanders op in The Historical Figure of Jesus (1993). ‘That Jesus’ followers (and later Paul) had resurrection experiences is, in my judgement, a fact’, schrijft hij vervolgens. Dat lijkt mij onomstreden.

De nieuwtestamentische opvatting van opstanding past duidelijk niet in de simplistische wijsgerige opvattingen van dualisme of – alleen in oppositie daarmee verstaanbaar – monisme die nog immer gangbaar zijn. Maar of mijn eenvoudige lezing van Mattheüs klopt, dat moeten de beoefenaren van de regina scientiarum maar zeggen.

(210)

Advertenties
16 februari 2015

Afscheid van Trouw – Over een krant die de journalistiek laat varen

door Jan Dirk Snel

[Maandag 16 februari 2015] Dit keer was de reactie verrassend snel. Gisteren had ik het stukje dat ik nu hierbeneden plaats (over de Trouw-affaire rond de historiciteit van Jezus), aangeboden aan de opinieredactie van het dagblad Trouw. Het ging vergezeld van het volgende mailtje:

‘Het stukje dat jullie wisten dat zou komen. Ik hoop dat jullie het kunnen plaatsen.
Trouw is er door de verwarring die de krant zelf stichtte, nogal gekleurd op komen te staan. Daar kan men naar mijn idee alleen maar wat aan doen door de gemaakte fouten – errare humanum est – openlijk onder ogen te zien.
Het weblogstukje dat ik dinsdag over de affaire schreef en die avond plaatste, is op dit moment exact 3904 keer aangeklikt – ik durf niet te stellen dat elke bezoeker het ook helemaal uitgelezen zal hebben – en dat is voor mijn doen veel. Aan de bekendmaking ervan heb ik zelf vrijwel niets gedaan: alleen de oorspronkelijke automatische aankondiging op Twitter dinsdagavond (en zo ook facebook) en woensdag nog een keer een verwijzing naar een nieuw naschrift waarin ik het essay van Sam Janse aankondigde. Maar nogal wat lieden verspreidden de verwijzing ernaar verder. Uit de reacties kan ik niet anders concluderen dan dat ik verwoordde wat velen dachten.
Ik kreeg wel te horen dat mijn stuk in verkorte vorm in de krant thuishoorde, maar dat vond ik zelf eigenlijk niet. Het wachten was vooral op een stuk als dat van Sam Janse, dat uitlegde hoe het wetenschappelijk gezien nu zat. Maar na de teleurstellende brief van Cees van der Laan van zaterdag lijkt het me toch tijd te worden voor een staaltje mediakritiek. Als Trouw deze over zichzelf afgeroepen affaire niet op een goede wijze afsluit, zal het verwijt van onbetrouwbaarheid en slonzigheid de krant blijven achtervolgen. Schoon schip maken is in zo’n geval het enige dat erop zit.
Overigens zijn de opmerkingen over Bert van der Spek en Jona Lendering afkomstig uit een openbare bron: opmerkingen van Lendering op zijn eigen en op mijn weblog (en ook nog op facebook trouwens).’

Mediakritiek
Al rond half elf vanmorgen wist de opinieredactie mij te melden dat mijn bijdrage ‘helaas afgevallen’ is. Dat kan natuurlijk. Een redactie ontvangt inderdaad dagelijks vele stukken en ze kan niet anders dan een keuze maken. Wat echter minder klopt, is de reden die opgegeven werd: ‘We hebben de afgelopen week veel gepubliceerd over dit onderwerp, op de redactionele én de opiniepagina’s dat we nu weer ruimte willen geven aan andere onderwerpen.’

RIMG0119

Trouw in de zon, achter de spijlen van het balkon. Het zeventiende (of dertiende, afhankelijk van hoe men telt – zie bijlage bij mijn vorige bericht) artikel in een affaire die de krant zelf gecreëerd had, was eindelijk terzake. Helaas maakte de hoofdredacteur er dezelfde dag weer een potje van. Trouw heeft afscheid genomen van de gebruikelijke journalistieke criteria.

Daar ging dat stukje nu net over: dat Trouw wel erg veel aandacht had besteed aan de nonsensvraag of Jezus nu wel echt bestaan had, maar dat de balans daarbij wel erg ongelukkig was uitgevallen. (Een lijst met alle artikelen vindt men, met aanvulling, onder mijn vorige stukje.) Natuurlijk, de opinieredactie hoeft echt niet per se mijn stuk te plaatsen, maar dan zou ze in ieder geval een soortgelijk stuk van iemand anders moeten plaatsen. Ook de leden van de opinieredactie zullen immers gezien hebben dat de hoofdredacteur er zaterdag een potje van maakte en de krant grote schade toebracht. Het is ook gewoon niet waar dat er in de krant al ‘veel gepubliceerd’ is over het onderwerp. Mijn stukje bevatte mediakritiek of, zo men wil, journalistiekkritiek. Pas zaterdag kwam het beleid van de krant inzake dit thema in de hoofdredactionele brief van Cees van der Laan ter sprake. Hij scheef dat er op het interview met Edward van der Kaaij kritiek kwam, ‘onder andere van deskundigen die verklaarden dat er aanwijzingen zijn binnen en buiten de context van de Bijbel, waaruit zou blijken dat Jezus wel degelijk een historische figuur was’, maar hij zag daarin geen aanleiding het boetekleed aan te trekken.

Nogal eens zie ik op Twitter berichten langskomen waarin een stuk aangeprezen wordt dat door de een of andere krant ‘geweigerd’ is. Ik vind dat vaak wat flauw, omdat een krant nu eenmaal uit de aard der zaak veel stukken moet weigeren. Het ziet er nu echter naar uit dat Trouw de discussie over het gevoerde beleid ook niet aandurft. Tenzij men deze week alsnog een kritisch stuk van iemand anders hierover plaatst.

Hoe het ook zij, Trouw heeft inmiddels duidelijk genoeg gemaakt dat men het klassieke concept van journalistiek, waarbij waarheidsvinding en het getrouw informeren van de lezer centraal staat, heeft laten varen. Men produceert dagelijks een aantal pagina’s met woorden en plaatjes, en vaak ook best interessante verhalen en afbeeldingen, maar de lezer moet er vooral niet op rekenen dat men ook nog natrekt of het allemaal wel klopt. Afgelopen week beschreef de theoloog Maarten Aalders in een humoristische column hoe hij er eindelijk in geslaagd was zijn abonnement op te zeggen. Ik heb mijn abonnement nu ook opgezegd. Van een krant die afscheid genomen heeft van de klassieke journalistiek, kan men zonder pijn afscheid nemen.

En dan volgt nu het stuk dat ik aan Trouw had aangeboden en dat precies 599 woorden telt.

Eindelijk!’, zal menig lezer verzucht hebben. Na twee weken intense verwarring in de kolommen van Trouw bracht nieuwtestamenticus Sam Janse zaterdag dan toch het verlossende woord: aan de historiciteit van Jezus twijfelt geen serieuze geleerde. En hij liet uitgebreid zien waarom dat zo is.

Eind goed al goed? Nou nee, jammer genoeg toch niet helemaal. Want op dezelfde dag maakte Cees van der Laan zich er in zijn brief van de hoofdredactie met een jantje-van-leiden vanaf. Hij deed slechts een kleine concessie. De conclusie uit het hoofdredactionele commentaar van vrijdag 6 februari – of Jezus ‘al dan niet ooit werkelijk heeft rondgelopen’ op aarde, was ‘onbeslist’ – zou ‘nuancering’ behoeven. Nuancering? Ach kom nou, die conclusie was fout, hartstikke fout. Nog steeds doet Van der Laan of er werkelijk een serieuze discussie oplaaide ‘over de vraag of Jezus werkelijk geleefd heeft’, maar zo’n debat bestaat nergens. Het is een verzinsel van Trouw, meer niet. En alleen ongeïnformeerde lieden trappen erin. De minimale vraag naar de historiciteit van Jezus is een heel andere dan die naar wat we verder over de historische Jezus kunnen weten.

De krant was gewaarschuwd. Binnen een mum van tijd had Trouw een schrijven van Bert van der Spek, emeritus hoogleraar oude geschiedenis, binnen, die uitlegde dat de uitspraken van de Nijkerkse kleinestadsdominee Edward van der Kaaij nergens op sloegen, alsmede een aanbod van oudhistoricus Jona Lendering een en ander uit te leggen. Maar de krant deed er niets mee, zoals men ook de opmerkingen van briefschrijver Barend F. Drewes en opiniebijdrager Jan Offringa – wiens woorden Van der Laan abusievelijk aan een ander toeschrijft – omtrent de wetenschappelijke consensus negeerde. Kortom, Trouw sloeg alle waarschuwingen in de wind en publiceerde willens en wetens een onzinnig commentaar. Wetenschappers en geleerden kunnen de pot op, dat was de impliciete boodschap.

Dat valt allereerst de hoofdredactie aan te rekenen. Maar de redactie religie & filosofie deed het niet veel beter. In de vijf stukken die deze vakredactie aan de affaire wijdde, legde ze wel steeds de nadruk op het aspect van het belijden, maar vergat ze de lezer geschiedkundig in te lichten. Het interview met Van der Kaaij was volstrekt onkritisch. Nergens werd hij geconfronteerd met de wetenschappelijke bezwaren tegen zijn verzinsels. Nu blijkt uit het gesprek ook zonneklaar dat de man niet in staat is tot zindelijk denken – uit het voorkomen van een mythe concludeert hij dat een bepaalde persoon niet bestaan kan hebben – en men kan zich inderdaad afvragen of het zin heeft een mythomaan met wetenschappelijke gegevens te confronteren. Maar dan had men de lezer toch dezelfde of volgende dag afzonderlijk in moeten lichten, ongeveer op de wijze waarop dat nu pas na twee weken door een andere deelredactie geschiedde.

De columnisten maakten het er al niet beter op. Sylvain Ephimenco gaf er argeloos blijk van dat de wetenschappelijke kant van de zaak hem totaal niet interesseerde en Willem Pekelder verwonderde zich erover dat tv-programma’s de verzinsels in Trouw niet de moeite waard achtten. Alleen Stijn Fens reageerde wat nuchterder, maar ook hem ging het om het geloof, niet om de historische feiten.

Wie de dertien artikelen en acht ingezonden brieven die de afgelopen twee weken over de uitspraak van Edward van der Kaaij verschenen, op een rij zet, moet concluderen dat de balans ernstig zoek was. Een krant moet allereerst de waarheid brengen. Daar hoort ook bij dat iemand zo af en toe onzin uitslaat, maar dat dien je dan als krant wel duidelijk te maken. Tijd dus voor nóg een hoofdredactioneel schrijven, waarin de fouten ruiterlijk erkend worden. Anders zal het verwijt van slonzigheid Trouw blijven achtervolgen.

Naschrift (15.40 uur)
Graag verwijs ik de geïnteresseerde lezer nog naar twee stukjes die Jona Lendering vandaag plaatste. Allereerst het leerzame ‘Authenticiteit en stalking‘, dat hij vanmorgen op zijn eigen weblog plaatste en waarin hij het stuk van Sam Janse zaterdag in Trouw aanvulde wat betreft opmerkingen over bronnen en methode. En ten tweede het stuk dat een minuut of tien geleden op Sargasso verscheen en waarvan de titel al zegt waar het over gaat: ‘Wetenschap en journalistiek‘.

Het is dezer dagen overigens niet zo moeilijk om zich wat nader in de materie te verdiepen. Men hoeft niet (meer) per se een boekenkast vol te hebben staan, om zich toch wat te kunnen oriënteren. Gewoon op Wikipedia vindt men ook al lemmata over de historiciteit van Jezus en over de bronnen daarbij, waarin men ook weer nadere verwijzingen vindt. Die had de betreffende deelredactie van Trouw dus ook even snel kunnen raadplegen. Maar ja.

Overigens is dit wat mij betreft nu ook weer geen zaak om me al te druk over te maken. Een vriend merkte tegen me op dat ik weliswaar gelijk had, maar dat hij zich afvroeg of het nu de moeite waard was me hier druk over te maken. Daar zit iets in, al moet ik tevens zeggen dat ik de strijd van Jona Lendering voor – hoe zal ik het zeggen? – correcte wetenschapsrepresentatie in de media maar al te begrijpelijk en vooral lofwaardig acht. Zelf heb ik Trouw jarenlang met groot plezier gelezen, maar de mentaliteit van de huidige hoofdredactie is nu eenmaal weinig bemoedigend. Misschien is het trouwens gewoon naïviteit, wie zal het zeggen?

Tweede naschrift (19.40 uur)
In de eerste zin heb ik tussen haakjes nog maar even ingevoegd waar dit over gaat, en ik heb daarvoor de omschrijving gekozen die ik ook in de berichtregel van mijn mail aan de opinieredactie gebruikte. Op zich besefte ik bij plaatsing wel dat het even duurt voor de lezer te weten komt waar het over gaat, maar in de huidige context zullen de meesten die dit stuk aanklikken, dat wel weten. Dat kan met verloop van tijd echter anders worden. Vandaar alsnog deze korte aanvulling.

Derde naschrift (dinsdag 17 februari 2015, 10.40 en 11.00 uur)
De onvermoeibare Jona Lendering zette alles nog eens keurig op een rij in een nieuw stuk: ‘3x Jezus: vragen en antwoorden‘. Ik vind dat hij iets te kritisch is over Sam Janse en Fik Meijer, omdat naar mijn idee de gewone uitleg die zij bieden, voldoende is om de modale lezer, die uiteraard zal beseffen dat er veel meer te zeggen en te onderbouwen valt, op weg te helpen. Bovendien had Van der Kaaij zijn ‘methode’ ook niet in de media uitgelegd, zodat de lezer misschien ook niet direct op een weerlegging daarvan zit te wachten. Maar Lendering heeft de moeite genomen het boek van Van der Kaaij wél te lezen en dus is hij uitstekend in staat op de achtergrondsvragen in te gaan. Dat doet hij dan ook met een bewonderenswaardig uithoudingsvermogen. Ik vind dus zeker dat zijn opmerkingen over de methode en de consistentie van de aangelegde criteria een waardevolle aanvulling vormen. En meer dan dat. Hij tilt een en ander echt op een hoger niveau en dan ook nog zo dat de gewone lezer het uitstekend kan volgen. Het moet overigens gezegd dat voor zover ik me Lenderings artikelen herinner, hij van dit punt altijd veel werk maakt en dat valt zeer in hem te prijzen. Hij is kritisch én fair.

En verder was ik eigenlijk van plan het hier maar bij te laten. Hoewel ik de hoofdlijnen van het onderzoek wel zo’n beetje ken, althans in passieve zin – lezende herken je altijd veel meer als bekend dan wat je zelf actief uit kunt leggen – heb ik op dat punt steeds bewust naar meer gezaghebbende lieden verwezen en me opzettelijk niet aan eigen uitleg gewaagd. Sommige dingen moet je echt overlaten aan mensen die terzake veel deskundiger zijn. Mij ging het eigenlijk alleen om het aspect van de mediakritiek: hoe een krant met desinformatie – dat is het woord dat Jona Lendering terecht gebruikt – omging. Ik maak me echt niet druk om één wat eenzijdig uitgevallen interview. Ik maak wel wel druk, althans een beetje, als zo’n krant de zaak vervolgens tegen alle waarschuwingen in verkeerd blijft behandelen. Waarom blijft trouwens een raadsel.

Wat mij persoonlijk niet helemaal bevalt, is dat ik toch weer in de rol van criticus terecht ben gekomen. Rond de jaarwisseling had ik voor mezelf het voornemen ontwikkeld om daar zoveel mogelijk mee op te houden. Dat wil natuurlijk niet zeggen dat ik nooit meer een kritische opmerking zou willen maken, maar dan wel het liefst in een kader dat ook iets positiefs biedt. Zo’n stukje als ik op nieuwjaarsdag schreef en dat uit pure nieuwsgierigheid voortkwam, is me eigenlijk veel liever. In de drie stukjes naar aanleiding van de aanslag in Parijs zat uiteraard ook wel een kritisch element, maar ik probeerde toch vooral reflexief te zijn of de aandacht te vestigen op een bepaald aspect. Ik zal mijn best doen vooral in die richting voort te gaan. Maar of het ook zal lukken?

(182)