Posts tagged ‘Hans Goslinga’

18 november 2011

Regels zijn regels – Over schikken en plooien

door Jan Dirk Snel

.:.

Het is nu ruim elf jaar geleden, dat op de dag voor Prinsjesdag, maandag 18 september 2000, een stuk in NRC Handelsblad verscheen, waarbij – die formulering is bewust, zal zo blijken – de tweede zin luidde:

‘Regels zijn regels en die moeten worden nageleefd.’

Ik heb de laatste tijd vaak aan dat stuk moeten denken en voor de gelegenheid heb ik het maar eens opgezocht. Dat regels regels zijn, hebben we het afgelopen decennium nogal eens gehoord. Het is een bekende mantra geworden, die – ik vermoed soms door dezelfde lieden afhankelijk van het onderwerp – op twee wijzen kan worden aangehaald. De ene keer om te vertellen dat regels dus écht regels zijn en nageleefd dienen te worden, zoals het er staat dus. En de andere keer om te vertellen dat de opvatting dat regels regels zijn, tekortschiet en van onbarmhartigheid of anders wel gebrek aan inzicht getuigt.

In 1994 verscheen in Der Spiegel (28 februari, nummer 9) een kritisch artikel van Erich Wiedemann over het einde van het Nederlandse gedogen.

Regels handhaven
Het artikel waar het om gaat, heette ‘Stop met het gedoogbeleid’. Het opiniestuk was ondertekend door voorzitters of vertegenwoordigers van zeven politieke jongerenorganisaties, die gelieerd zijn aan VVD, PvdA, CDA, D66, GL, CU en SGP. Bewust heb ik hier anachronistisch voor een ordening naar de huidige omvang van de fracties in de Tweede Kamer gekozen. Die laat namelijk zien dat het om het aanstormend talent van zeven partijen ging die ook nu nog een grotere of kleinere, maar allen zeker een opvallende, rol spelen. (Als ik het rijtje zo overzie, denk ik eigenlijk dat van al die partijen de PvdA relatief de minst opvallende rol speelt en dat kon wel eens haar probleem zijn, maar dit terzijde.) Twee van de partijen van heden bestonden toen nog niet. Waarom de SP ontbreekt, weet ik niet. De huidige jongerenorganisatie was toen nog niet meer dan een initiatief binnen de partij; misschien is dat de verklaring.

Veel belangrijker is echter de volgorde van de namen onder de brief, want de eerste twee waren de initiatiefnemers en zij hebben het stuk kennelijk ook samen geschreven en besproken en het vervolgens aan de anderen voorgelegd: Boris van der Ham – hé, die kennen we nog – die destijds voorzitter van de Jonge Democraten, gelieerd aan D66 dus, was, en Jelmer Uitentuis, die lid was van de jongerenfractie van Dwars, de jongerenclub van GroenLinks. Het opvallende is dat toen ik zocht naar een openbare versie van het stuk in NRC Handelsblad, dat daar in het archief zit en alleen voor abonnees toegankelijk is, ik het uitgerekend op sites van de jongeren van de SGP en de ChristenUnie volledig aantrof. Hoe je het wendt of keert, het was een knappe prestatie van deze twee voorlieden van gematigd links om jeugdige vertegenwoordigers van het hele politieke spectrum achter zich te krijgen, van links tot, alleen getalsmatig al, vooral rechts.

De zinsnede die ik aanhaalde, was overigens niet uit het stuk zelf afkomstig. Je weet dat als lezer nooit helemaal zeker, maar gelukkig is het artikel ook terug te vinden op de sites van Boris van der Ham, die ons een versie voorschotelt met alleen maar regels en dus zonder witlijnen – die is echt recht in de leer – en Jelmer Uitentuis, die gelukkig de alinea’s wel dwars met wit onderscheidt – en daar blijkt duidelijk dat het stuk pas na de intro echt begon. Maar op de redactionele lead valt weinig aan te merken, denk ik. Kennelijk had de Rotterdamse redactie bij de tweede zin van haar samenvattende introductie deze passage op het oog:

‘Regels zijn er echter niet voor niets. Soms kan een regel legitiem zijn terwijl een (ogenschijnlijke) meerderheid het nut hier niet van inziet. Identificatie met regels is van belang, maar uiteindelijk zal de overheid wel de knoop door moeten hakken. Dat is juist een van de belangrijkste taken van de overheid: het opstellen van regels en het zorgdragen voor de naleving daarvan.’

Volgens mij is ‘de knoop doorhakken’ daar inderdaad een soort eufemisme voor ‘opleggen’. Vereenzelviging is mooi, maar ook als mensen er niet aan willen, zal de overheid de regels moeten vaststellen en handhaven. Dat betekent inderdaad dat regels regels zijn.

Gedogen en geloofwaardigheid
Het is bekend dat mensen nogal eens de neiging hebben om te doen alsof zij altijd al dezelfde verstandige inzichten koesterden die ze ook nu nog naar voren brengen, en dat hoeven we niet altijd te geloven en ik geloof het ook van mezelf niet immer, maar in dit geval herinner ik me tenminste nog wel scherp dat het betoog me destijds al een ongemakkelijk gevoel bezorgde en dat ik het met de strekking regelrecht oneens was, en nu ik het opnieuw bestudeer, is dat nog precies zo.

Wat de zeven jongerenorganisaties – ik denk dat we alle ondertekenaren gelijkelijk aan moeten spreken en het gaat me echt niet specifiek om de eerste ondertekenaar, die thans het meest bekend is, en van wie ik niet zou weten hoe hij nu over dit soort aangelegenheden denkt – destijds wilden, lijkt wel duidelijk: een eind aan gedoogpolitiek en daarvoor in de plaats een politiek die duidelijke keuzes maakt. ‘Willen de regering en het parlement oprechte politiek bedrijven, dan gedoogt zij niets meer.’ Dat is inderdaad: regels zijn regels. Maar waarom eigenlijk? Wat was eigenlijk het probleem waar het betoog een antwoord op probeerde te geven? Daar valt nog niet zo gemakkelijk achter te komen. Misschien is het het beste hier te beginnen:

‘In haar bereidwilligheid om compromissen te sluiten, gaat de Nederlandse polderpolitiek soms een stap te ver. Deze stap heet ‘gedoogbeleid’ en holt systematisch de geloofwaardigheid van de Nederlandse politiek en het democratisch rechtssysteem uit.’

Dat moet de gedachtegang ongeveer zijn: als je regels maakt, moet je ze ook handhaven, en als je dat niet doet, dan ben je niet geloofwaardig. Met name jongeren zouden daardoor ‘hun affiniteit met de politieke besluitvorming’ verliezen. Ze willen, zoals dat aan jeugdigen eigen is, duidelijkheid: wat mag, wat mag niet?

Als erom gaat wat de auteurs onder gedoogbeleid verstonden, komen we uit bij een tamelijk kleine, maar wel bonte verzameling: wetshandhaving door de Amsterdamse politie, vliegbewegingen rond Schiphol, softdrugs, euthanasie en tenslotte ‘Europese besluitvorming’ en samenwerking in de Verenigde Naties, waarbij zelfs het feit dat de Verenigde Staten intern wel eens iets uitspoken dat wij niet goed vinden, onder het Nederlandse gedoogbeleid geschaard werd – dat ging wel een beetje ver. Ik vraag me wel af of ook destijds al die voorbeelden wel onder één noemer geschaard konden worden. Voor een deel ging het om gewone ietwat gebrekkige wetshandhaving, niet per se om een heel doordacht beleid. Dat in Amsterdam sommige regels sinds de jaren negentig weer wat strenger gehandhaafd worden, is soms niet onprettig. Ik herinner me dat ik vroeger wel eens uitgescholden werd als ik gewoon voor een rood verkeerslicht stopte: dat hinderde andere fietsers maar die er doorheen wilden fietsen. Als regels zoals nu het geval is, wat meer gehandhaafd worden, is dat dikwijls ook ontspannener: je hoeft niet telkens allerlei overwegingen te maken, je volgt de regels en klaar is kees.

Norm en praktijk
Maar ik weet niet goed of alle voorbeelden wel goede voorbeelden waren. En wat belangrijker is: of wat we werkelijk gedoogbeleid noemen, wel zo verfoeilijk is als de politieke jongeren in 2000 deden voorkomen:

‘Het gevolg van het gedoogbeleid is een slappe vertoning, die het midden houdt tussen lafheid en laksheid. Het imago van de politiek komt het in ieder geval niet ten goede. Het gedoogbeleid toont dat regels blijkbaar arbitrair zijn. Feitelijk worden burgers opgeroepen om de wet te overtreden. Dat is een slechte zaak.’

Ik geloof daar niks van. Het tegendeel lijkt me namelijk waar. Er zit ook een merkwaardige omkering in de redenering: gedoogbeleid roept burgers niet op om de wet te overtreden, burgers doen dat al en dat wordt door de vingers gezien en hooguit dan kun je zeggen dat ook andere burgers zo hun conclusies trekken. Maar om nou over een oproep te spreken? Gedogen is gewoon een ander woord voor tolereren of verdragen, wat je ook onmiddellijk merkt als je een en ander in een andere taal moet uitleggen, waarbij het begrip wel een specifieke bijklank en toepassing heeft.

En wat gedoogbeleid juist helemaal niet laat zien, is dat regels arbitrair zijn. Het tegendeel, zou ik zeggen. Gedoogbeleid laat juist zien dat je regels laat bestaan ook op het moment dat je ze niet volledig kunt handhaven. Je past ze niet maar zo aan aan de praktijk, nee, als norm blijf je ze hooghouden, en je accepteert dat het geleefde leven daar wel eens wat vanaf kan wijken. Soms verschaft de regel de overheid namelijk wel de mogelijkheid om in te grijpen als het echt uit de hand loopt. Prostitutie was lange tijd een praktijk die gedoogd werd. Eind jaren negentig besloot men de zaak nu eens flink te gaan regelen door een mooie wettelijke regeling. Maar is daardoor vrouwenhandel en vrouwenmishandeling uitgebannen? Nee, het volhardende werk van Lodewijk Asscher in Amsterdam laat zien dat er nog heel wat te verbeteren valt. Ik zeg hiermee niet dat je alles maar via gedogen moet aanpakken en dat een heldere wettelijke regeling soms niet beter kan zijn. Maar het is nu eenmaal niet zo dat de werkelijkheid zich altijd onmiddellijk aan een wettelijke norm aanpast en omgekeerd is het ook niet altijd verstandig je dan in de wet meteen maar bij de praktijk neer te leggen, omdat je je dan meteen de kans op een betere aanpassing aan het ideaal in de toekomst ontzegt.

Zo rond de jaren zeventig en tachtig heerste in het buitenland, met name Duitsland, vaak het beeld dat Nederland zo verschrikkelijk progressief en tolerant was en de Nederlandse en vooral Amsterdamse omgang met drugs en de openbare orde – de lange haren van militairen kunnen er zo bij en er valt waarschijnlijk nog van alles te verzinnen – werden dan gezien als een uiting daarvan. Ik vond dat beeld toen al overtrokken. Het is uiteraard waar dat het in Amsterdam vaak om progressieve bestuurders ging, maar elders in Nederland en op nationaal niveau was dat lang niet altijd of zelfs meestal niet het geval en zoveel verschil in benadering was er niet. (Duitsers vermoedden er overigens vaak calvinisme achter: zij hebben een veel gunstigere opvatting van die stroming dan in Nederland gebruikelijk is.) En er is ook weinig specifiek progressiefs aan gedogen. Je kunt eerder betogen dat het om een oude, bij uitstek regenteske bestuurspraktijk gaat. Soms buig je wat mee en soms haal je de teugels weer wat aan. Dat is juist de ruimte tussen de norm en het leven die gedoogbeleid biedt. En het een kan even verstandig zijn als het ander. De tijdgeest verandert. Soms is het heel verstandig om zaken even op hun beloop te laten en twintig jaar later kan het net zo wijs zijn om de regels even weer wat fermer te handhaven.

Prinzipienreiterei
Er zat een merkwaardige tweeslachtigheid in de oproep uit 2000. Aan de ene kant verklaarden de jongeren dat ze niet terugverlangen naar de oude polarisatie en prezen ze het compromis. Maar aan de andere kant brachten ze het gelaakte gedoogbeleid wel erg nauw in verband met een politiek van het sluiten van compromissen. Alsof het zoeken naar een mogelijkheid om samen ergens uit te komen, meteen maar betekent dat je slap beleid voert. En alsof gedogen dus een uiting van laksheid is. Ik denk dat het vaak juist van een uiting van kracht is: van een overheid die dingen rustig aanziet en niet overal meteen op losgaat. Juist overdreven handhaving kan soms tot vormen van illegaliteit leiden, die veel schadelijker effecten hebben en veel moeilijker aan te pakken zijn.

Ik dacht de laatste tijd niet primair aan het jongerenbetoog omdat zoiets als gedoogbeleid momenteel zo in het middelpunt zou staan, maar wel vanwege de mentaliteit die er uit sprak, inderdaad die van regels zijn regels, de hang naar duidelijkheid, die naar mijn idee een verlangen toonde naar simpele vragen. We hebben gekregen waar de jongeren van vrijwel alle politieke partijen toen in hun mijns inziens jeugdige onbezonnenheid om vroegen, en ik ben er niet blij mee. Ik heb eens even in Picarta gekeken en de titel Regels zijn regels blijkt meer dan eens aan een boek of beschouwing mee te zijn gegeven. Een jaar voor het betoog van de jongeren, in 1999, verscheen een kinderboek onder die titel, dat in 2002 nog eens herdrukt zou worden. Het ging over een jongen, Tarik, die met zijn ouders al een paar jaar in Nederland woont en met de hele familie een uitwijzingsbevel krijgt. Deze context is ons vertrouwd. In 2006 verscheen een klein boekje onder dezelfde titel van het gesprek dat Paul Witteman in Buitenhof met de juriste Dorien Pessers had gevoerd over de daadkracht van de toenmalige minister voor vreemdelingenzaken en integratie. Als juristen de uitdrukking aanhalen, willen ze al snel uitleggen dat regels niet altijd regels zijn, maar dat ook dingen als redelijkheid en billijkheid een belangrijke rol spelen.

Maar asielzaken zijn niet de enige waarbij het adagium klinkt. En, zoals ik in het begin al opmerkte, het opvallende is dat dezelfde mensen die de ene keer betogen dat regels lang niet altijd regels zijn, dat in een ander geval maar al te graag naar voren brengen. Ik verwijs nu alleen even naar een beschouwing van Hans Goslinga, nu bijna twee weken geleden in Trouw, over het verdwijnen van het politieke midden. Ik was het toen niet helemaal met hem eens, omdat in de asielzaak waar toen alles om draaide, de minister naar mijn idee het vooral zichzelf moeilijk maakte en de verwijten aan een Kamerlid, dat in de titel werd genoemd, me niet helemaal terecht leken, maar even afgezien daarvan klopt de strekking van het artikel behoorlijk, zelfs als je niet echt gelooft dat een politiek midden volledig aan het verdwijnen is. Wat Goslinga hekelde, was het zwart-witdenken. Je kiest óf dit óf het tegendeel. Alle politiek is wellicht symboolpolitiek en het woord is misschien wel een pleonasme, maar wat me momenteel vooral verbaast, is dat wel heel veel op zich kleine dingetjes, die zo pragmatisch te regelen zouden zijn of soms al geregeld zijn, tot principiële aangelegenheden worden gebombardeerd. En dan hoor je dus ook politici die zichzelf ruimdenkend of liberaal of progressief wanen, ineens zeggen dat regels nou eenmaal regels zijn. Ik zie dat ook in mijn tijdlijn op Twitter, hoe verbeten mensen waar je gezien hun zelfbeschrijving toch enige ruimdenkendheid van zou verwachten, ineens uit de hoek kunnen komen. Er is veel Prinzipienreiterei.

Schikken en plooien
Naar mijn uiteraard beperkte waarneming gaat de werkelijke tegenstelling in de maatschappij daarbij door alle partijen heen, maar in Den Haag zie je dat minder. Daar zie je dat bepaalde politieke partijen tegenwoordig regelmatig opkomen voor vrijheid, ruimte en liberaliteit, terwijl andere partijen steevast voor de begrenzing en de inperking kiezen, maar het zijn geen scheidslijnen die vanouds altijd al zo lagen. Concreet belang, minderheid, meerderheid spelen daarbij een grote rol, verhoudingen en houdingen zijn soms recent regelrecht omgedraaid en we zien dat huidige meerderheden vaak niet zoveel begrip meer voor minderheden hebben, zoals huidige minderheden dat vroeger niet immer toonden toen zij tot een meerderheid behoorden. Maar als ik op Twitter kijk, het maatschappelijk debat volg, zo eens met mensen praat, dan ligt het in werkelijkheid genuanceerder. Het gaat om twee verschillende mentaliteiten, waarbij de ene groep anderen graag maximale vrijheid gunt, en de andere groep vooral meent dat andere mensen soms maar aan de eigen normen moeten worden onderworpen. Regels zijn immers regels, nietwaar? Waarbij er dan ook nog weer allerlei tussenvormen zijn, want het gaat er juist om dat zaken niet zo digitaal vastgelegd zijn.

Misschien zit er toch iets meer in het verband tussen compromisbereidheid en gedogen dat de jongeren in 2000 zagen, dan ik direct zag. Bij gedogen gaat het om schikken en plooien, om de bereidheid dan eens wat te geven en dan weer wat te nemen. Het gaat om een pragmatische houding die rekening houdt met het gedrag en de wensen van mensen en ze niet alleen maar voorhoudt dat ze zich aan de wet moeten onderwerpen, maar soms ook begrip toont als ze dat net niet doen of als hun dat soms niet lukt. De houding, dat is het punt. En als het om de houding gaat, dan betekent dat soms ook dat je een vraagstuk net iets anders moet formuleren voor je ermee verder gaat. De vraag maakt veel uit. Mag je liegen? Nee. Mag je een vriend verraden? Ook nee. Er zijn situaties denkbaar waarin beide vragen toepasbaar zijn, maar wel tot tegengestelde uitkomsten leiden. Zo is het ook in de huidige politiek. Soms ligt een vraag voor en graven beide zijden zich met een keur aan argumenten in voor een eenduidig ja of nee. Maar bij wat meer bereidheid samen een uitweg te vinden, zou het wel eens zo kunnen zijn dat de vraag anders geformuleerd zou moeten worden en dat men het dan ineens wel eens is of elkaar redelijk kan naderen.

Afstand
In dit stukje ben ik op een aantal punten bewust niet al te concreet geworden. Maar lezers zullen misschien zelf aan een paar thema’s gedacht hebben en ik vermoed dat ze er dan vaak niet zo ver naast zaten. Maar ik wilde nu even wat afstand creëren. Ik merk dat de noodzaak daartoe ook bij mezelf. Er ligt een vraag voor. Ik vind het ene antwoord niet overtuigend, en dat is vaak het meer vrijheidsbeperkende antwoord, maar het gevaar bestaat dan ook al gauw dat ik me te veel met de tegenovergestelde optie vereenzelvig, terwijl als ik een stukje wegloop en het dilemma – als het dat al is – eens van een afstandje overschouw, ik al gauw denk: maar zo moet je het ook helemaal niet aanpakken. In werkelijkheid gaat het om heel andere keuzes. Ik besef daarbij overigens best dat het helemaal niet tegenstrijdig hoeft te zijn om de ene keer tegen het regels zijn regels te protesteren en het de andere keer als norm te hanteren, want als regels nooit regels zouden zijn, zouden het geen regels meer zijn, maar het is vaak wel de vraag om welke regels het gaat. Welke regels zijn de meest verdraaglijke?

Waar het momenteel op aankomt, is of we in dit land pragmatisch met verschillen kunnen omgaan en iedereen zoveel mogelijk recht kunnen doen.

(28)

7 november 2011

Een compromis? Ja, maar met wie? – Voorbij de mauromoeheid

door Jan Dirk Snel

.:.

‘Ben ik de enige die beetje #Mauromoe is? De kwestie verdringt mijn andere morele verontwaardigingen op disproportionele wijze’, twitterde de Utrechtse ethicus en moralist – de omschrijving is de zijne – Theo Boer afgelopen woensdag. Hij was niet de enige die het woord bedacht, maar de grote Van Dale zal het wel niet halen. Daarvoor was het gebeuren te eenmalig. Het gevoel zullen velen echter herkennen.

Elberta Alijda Haars (1913-1997). Als staatssecretaris van justitie (1977-1981) voerde zij een restrictief toelatingsbeleid (Collectie SPAARNESTAD PHOTO/NA/Anefo/H. van Dijk)

Twee zienswijzen
Vorige week woensdag belde Sjoerd Mouissie van het Nederlands Dagblad mij op om mijn commentaar op het optreden van CDA en SGP in de affaire rond de jongeling van Angolese herkomst te vernemen. Elke vraag is altijd net iets anders en hardop denkend heb ik het een en ander gerateld, waar hij de volgende dag iets uit gedestilleerd had, dat zeker recht deed aan wat ik zoal gezegd moet hebben. Ik citeer de passage maar even:

‘Historicus Jan Dirk Snel denkt dat deze redenering aan het electoraat voorbij zal gaan. ‘De verwikkelingen in de Tweede Kamer over Mauro zijn desastreus voor het imago van de christelijke politiek. Met name het CDA is dit aan te rekenen, omdat die partij erg draaierig overkomt.’ Dat het CDA voor een vergunning zou zijn, maar ertegen stemt, is volgens Snel niet uit te leggen. ‘De SGP is de imagoschade veel minder toe te rekenen, want die partij kan haar keuzes uitleggen. Die keuzes overtuigen me niet, maar ze zijn wel consequent.’
Wat het imago betreft, zit het CDA daarom in een uitzichtloze situatie, vindt de historicus. ‘Achteraf legt iedereen dit debat op de eigen manier uit. De een noemt het een overwinning, de ander een nederlaag. En beiden hebben gelijk. Op die manier krijgt de ‘nieuwsconsument’ alsnog geen duidelijkheid.’’

De vraagstelling – het imago van de christelijke politiek – is die van de krant en bij het artikel stond een illustratie waarin de C en de G uit de logo’s van CDA en SGP gescheurd zijn. Persoonlijk vind ik dat álle politieke partijen zich om hun geloofwaardigheid dienen te bekommeren en dat men aan VVD en PVV – en bij andere gevallen dus ook aan alle andere partijen – dus precies dezelfde redelijke eisen kan voorleggen als aan de twee partijen waar het artikel, gezien de ligging van de krant overigens terecht, op focust. De achtergrond is kennelijk dat veel mensen, zowel aanhangers als anderen, voor deze partijen strengere maatstaven aanleggen, gebaseerd op de uitgangspunten waar beide groeperingen zichzelf op beroepen. Persoonlijk acht ik dat iets minder relevant. De vraag is wat mij betreft of een gedragslijn als zodanig goed uit te leggen valt.

Ik had het misschien bij mijn uitlatingen van vorige week gelaten als pal voor mijn woorden geen andere redenering, waar de eerste zin uit het citaat hierboven naar verwijst, had gestaan, en wel van Willem Aantjes. Soms doet gezag er wat mij betreft wel degelijk toe en Aantjes behoort tot onze allerbeste politiek analisten. Het is een man die zijn bevlogen reputatie zum Trotz altijd een scherp oog heeft voor de reële machtsverhoudingen. Aantjes’ argumentatie is dat Ad Koppejan en Kathleen Ferrier in feite het onderste uit de kant hebben gehaald. Mauro mag blijven en de ‘zelfstandigheid van de CDA-fractie binnen het kabinet is toegenomen’. Kortom, het CDA heeft bereikt dat ‘de hoogst haalbare barmhartige oplossing werd gevonden’, zoals de krant Aantjes’ woorden samenvat. De SGP daarentegen valt wel degelijk aan te rekenen dat ze niet stemde voor een ‘barmhartige oplossing’ voor Mauro. Die partij is immers niet aan een akkoord gebonden.

Aantjes’ gelijk
Het punt is dat ik het in feite met Aantjes’ analyse eens ben, maar mijn kanttekeningen daar grotendeels – niet geheel, zoals nog zal blijken – compatibel mee acht. Wat betreft het bereikte heeft Aantjes volkomen gelijk. Toen hij dinsdag (1 november 2011) twitterde

‘Hoe dan ook, Mauro mag blijven. Voorlopig? Welnee. Dat was alleen nodig om Wilders gerust te stellen. Niets is zo blijvend als tijdelijk’

was ik dan ook, zie ik nu, de eerste die deze pregnante analyse retweette en dat niet alleen omdat ik het een interessante uiting vond, maar in dit geval ook omdat ik het er volkomen mee eens was. Voor Mauro Manuel en de mensen om hem heen blijft de zaak begrijpelijkerwijs nog even zenuwslopend, voor wie zich de luxe van wat meer afstand kan veroorloven, is het echter volstrekt duidelijk dat de jongeman nooit meer naar Angola zal worden uitgezet. Geen minister zal dat nog aandurven. Er zal, hoe dan ook en via welke juridische kronkelwegen ook, een oplossing worden gevonden. Wat betreft de praktische uitkomst ben ik het dus met Willem Aantjes eens.

Degenen die zich met name om het specifieke geval van Mauro bekommerden, doen er dan ook goed aan, om de verdedigingen die Kathleen Ferrier en Ad Koppejan publiceerden, eens grondig te lezen. Ferrier schreef ondermeer dat ‘de voltallige CDA Tweede Kamerfractie vindt dat

1. Mauro hier moet kunnen blijven,
2. dat we na alles wat er gebeurd is van hem niet kunnen vragen dat hij nu naar Angola reist om een studievisum aan te vragen, dus dat de minister zijn discretionaire bevoegdheid aan moet wenden om hem hier te houden en
3. dat de regelgeving rond AMA’s, kinderen zoals Mauro, aangepast moet worden.’

Daar heeft ze volkomen gelijk in. Ad Koppejan schreef woensdag in zijn column in NRC Handelsblad en daarna in een gepubliceerde e-mail soortgelijke dingen. Terecht wijst hij erop dat hij en Ferrier daarbij echt niet alleen staan:

‘De hele CDA-fractie is van mening dat Mauro moet kunnen blijven. Mijn Limburgse collega’s Raymond Knops en Ger Koopmans zetten zich hier al tijden voor in.’

Zo is het. Maar hij en Ferrier zorgden er wel voor dat de fractie de eenmaal ingezette lijn praktisch ook bleef volgen. In die zin heeft Trouw-columnist Hans Goslinga dan ook gelijk als hij schrijft:

‘Die uitkomst was niet het resultaat van politiek gokken, maar van politieke strijd en vasthoudendheid van de CDA-Kamerleden Koppejan en Ferrier.’

En praktisch had dus ook Willem Aantjes gelijk in een volgende tweet (die ik, hier niet beperkt tot 140 tekens, even aanvul):

‘Uitkomst Maurodebat mager? Ja, maar was niet mogelijk geweest zonder vasthoudendheid Kathleen F[errier] en Ad K[oppejan], taai geduld V[an] H[aersma] B[uma] uitspraak congres’

Compromis
Allemaal juist. Dat was het gelijk van Aantjes, Ferrier, Goslinga en Koppejan. Maar nu de andere kant van de zaak. Minder overtuigend is namelijk waarom de CDA-fractie – maar dit geldt dus in feite ook voor de overige 57 leden uit drie andere fracties die dezelfde keuze maakten – tegen de twee moties stemde die dinsdag voorlagen. Ferrier schrijft er bijvoorbeeld over dat ze

‘overtuigd niet voor wilde stemmen, omdat ze eerder de minister binden dan hem de ruimte te bieden een en ander snel op te lossen. Ik vind dat de minister de ruimte moet hebben snel met structurele oplossingen te komen voor de groep kinderen die net als Mauro goed participeren in onze samenleving omdat ze beter hier ingeburgerd zijn dan in hun land van herkomst.’

Wie de tekst van de motie-Gersthuizen/Dibi en de gewijzigde motie-Voordewind/Spekman – de tekst is vooreerst gemakkelijker te vinden in het voorlopig verslag – bekijkt, zal dit zakelijk gesproken een ongerijmde redenering achten. Beide moties drukken namelijk precies uit wat ze zelf optekende in haar drie punten die het standpunt van de hele fractie zouden weergeven: dat Mauro moet blijven en dat er op zijn minst een aanvang met het vinden van een structurele oplossing gevonden moet worden. Over de motie-Gersthuizen/Dibi kun je in zoverre nog zeggen dat die de minister zou binden, dat die namelijk de meest voor de hand liggende weg, die de minister wel degelijk zou kunnen kiezen, voorstelde: het gebruik van de discretionaire bevoegdheid – waarmee deze concrete zaak dus met een pennenstreek, zonder verder toekomstig gedoe, uit de wereld zou zijn. Merk overigens op – je zou er bijna overheen lezen – dat Ferrier die in haar tweede punt trouwens wel degelijk noemt. Over de motie-Voordewind/Spekman, waar elke verwijzing naar één concreet geval uit was gehaald, kun je alleen maar zeggen dat die in wel zeer ruime termen een meer algemene oplossing aanduidde, waar de CDA-fractie inhoudelijk niets tegen kon hebben.

Hier hebben we dus het punt waar ik in mijn commentaar op duidde: hoe leg je iets uit dat niet uit te leggen valt? Waarom moeilijk doen als het makkelijk kan? Waarom omwegen kiezen als de rechte weg open voor je ligt? Daar moet je dus een goed verhaal over kunnen houden. En dat is het probleem hier. Dat je in de politiek compromissen moet sluiten, dat weten we allemaal en dat is ook onvermijdelijk. Het hoort erbij. Er zijn vele actoren die allemaal iets willen. De een wil dit, de ander dat en heel vaak zijn er heel wat meer partijen in het spel die allemaal iets nastreven, en dat de uitkomst er dan vaak niet zo fraai uitziet, dat valt dan ook goed uit te leggen: niemand helemaal zijn zin, iedereen iets dat van belang is, bij elkaar niet mooi, maar het meest haalbare voor alle betrokkenen. Dit hebben we verloren, maar dat hebben we binnengesleept. Zo werkt politiek, geen enkel probleem.

Muisstil
Maar met wie werd hier eigenlijk een compromis gesloten? Met welke andere wensen moest men rekening houden? In zijn NRC-column duidde Ad Koppejan het probleem haarscherp aan:

‘Zelfs de meest geharnaste voorstanders van een streng asiel- en immigratiebeleid hielden zich muisstil.’

Exact, de spijker op zijn kop! Maar hier begint dus ook de schimmigheid. Er was geen tegenstander zichtbaar tegen wie men het opnam en met wie men een compromis moest sluiten. Met wie hadden Ferrier en Koppejan en het CDA-congres nu eigenlijk iets te stellen? Met de eigen fractie? Maar die was eigenlijk altijd al voor een oplossing voor Mauro en bij implicatie alle ‘gevallen’ als de zijne. Met de minister? Ja, in zekere zin wel, omdat die de meest voor de hand liggende aanpak ook onder druk niet wenste te verkiezen, waarbij ik overigens best besef dat het voortdurend zwaaien met ‘discretionaire bevoegdheid’ ook niet altijd een panacee is, al zou die hier de hele ophef in een keer uit de weg geruimd hebben. Maar waarom lag de minister dwars, ja waarom eigenlijk? In die zin geloof ik nog steeds dat mijn analyse in een eerder stukje, dat het namelijk de gedoogpartner is, die voor de druk zorgde, nog staat als een huis. Het is een gedachtegang die ook door Wouter Beekers in Trouw en door Frank Verborg op zijn eigen website naar voren is gebracht. Zeker is in ieder geval dat de discretionaire bevoegdheid wel degelijk in het Gedoogakkoord genoemd wordt. Daar staat dat ‘terughoudendheid’ uitgeoefend zal worden. Dat is het begin van de politieke druk op de minister, daar gingen Kamerfracties dus al op de stoel van de minister – om de uitdrukking van Kees van der Staaij te gebruiken – zitten. Dat mag politiek misschien best, maar dan kun je je vervolgens niet meer beklagen als ook andere leden van de Tweede Kamer zich met de uitoefening gaan bemoeien.

En hier ligt ook het structurele probleem: de vaak vrijwel onzichtbare aanwezigheid of zelfs zichtbare afwezigheid van de gedoogpartner. Er was op enigszins de minister na niemand zichtbaar met wie men openlijk een compromis kon sluiten, waarna men dus in de woorden van Koppejan in alle openheid kon uitleggen waarom het belabberde te verkiezen viel boven het allerbelabberdste. Als men de PVV had kunnen dwingen of in ieder geval bewegen om zich zeer open uit te spreken voor het uitzetten van Mauro en tegen elke poging om voor lastige gevallen een humane uitweg te vinden, als er van de andere kant zichtbaar hard spel was gespeeld, dan had men de huidige lijn kunnen verklaren, dan had iedereen kunnen zien dat er nu eenmaal een compromis moesten worden gesloten, nu niet. Het structurele probleem ligt in de gedoogconstructie en de onzichtbaarheid van Wilders en zijn club. Sommige waarnemers worden er wel eens boos over dat Nederlandse journalisten de man nooit zo kritisch zouden benaderen als de BBC en CNN wel kunnen doen, maar de verklaring is eenvoudig: hij en de zijnen laten zich nauwelijks kritisch ondervragen. Ze ontlopen de publiciteit als het lastig wordt. Ik ben er daarom ook niet van overtuigd dat de CDA-fractie er het uiterste uitgesleept heeft. Wat was er gebeurd als men nu eens wél voor beide moties of alleen voor de meer algemene motie-Voordewind/Spekman had gestemd? Was het kabinet dan gevallen? Bij een meerderheid voor de motie in de Kamer? Ik geloof er niets van. De CDA-fractie had dan nog meer zelfstandigheid verworven, om Aantjes aan te halen, dan nu het geval was. Dan had de andere kant eens duidelijkheid moeten verschaffen. Nu bleef die uitdaging achterwege.

Kortom, er is wel degelijk materieel iets bereikt, maar ook niet veel meer dan het meest voor de hand liggende, en het veld waarin dat gebeurde, is enorm diffuus en daarin ligt dus het presentatieprobleem. Waarbij ik de moeilijkheden ook weer niet overdrijven wil. Dit was op zich inderdaad een opgeklopte zaak – vooral door de halsstarrigheid van de minister – en deze zaak ebt wel weer weg en meer mensen zullen op den duur inzien dat Ferrier, Koppejan en de CDA-fractie wel degelijk bereikt hebben wat ze willen. Daarin ligt trouwens ook meteen de reden dat Hans Goslinga en anderen geen gelijk hebben in hun kritische houding ten opzichte van de oppositie. Die had, nu de buit materieel, maar wel erg halfslachtig, binnen was, geen enkele reden om bij zoveel gekluns ook nog eens coulanter te zijn. Moeten de coalitiepartijen zichzelf maar niet zo in de nesten werken.

Individuele gevallen
Over de houding van de SGP moet ik mijn mening wel herzien. Aantjes had meer gelijk dan ik. In het verhaal dat men niet over individuele gevallen wil beslissen, zit iets, al overtuigt mij dat ook niet: soms liggen er namelijk concrete keuzes voor, die je kunt verfoeien en waarvan je misschien terecht kunt zeggen dat die je zo niet voorgelegd hadden mogen worden, op het moment dat ze voorliggen, zul je toch moeten kiezen. Wegblijven is dan naar mijn idee principiëler dan toch stemmen. En ik geloof ook niet dat het standpunt vol te houden valt. Echt nooit over individuele gevallen debatteren of stemmen? Nooit? Niet over de Drie van Breda destijds, niet over Menten, niet over Hirsi Ali? Nooit? Dat valt nooit vol te houden. Maar het punt was dat de SGP ook tegen de motie-Voordewind/Spekman stemde en dat in 2010 ook al gedaan had tegen de motie-Spekman/Anker, die in ieder geval dit gedoe beoogde te voorkomen. Kortom, ik geloof best in de oprechtheid van de verdediging, maar logisch overtuigend is de opstelling niet.

Alleen roepen dat je nooit over individuele gevallen wilt beslissen, is trouwens sowieso niet overtuigend. Ik bedoel dit nu als algemene opmerking, die de hele Kamer betreft. Als een algemeen probleem door misschien vrij toevallige omstandigheden een concreet menselijk gezicht krijgt, dan is de logische weg om achter dat gezicht de algemene problematiek weer op te zoeken en daar een eerste aanzet voor een oplossing voor te zoeken. De weg van de motie-Voordewind/Spekman was in dat opzicht dan ook de juiste. En het was juist de CDA-fractie die donderdag voor een week (27 oktober 2011) met de motie-Knops over een studievisum voor Mauro dus precies de tegengestelde weg insloeg, waar overigens alle andere fracties, ook de SGP dus, terecht tegen stemden. Dat was echt een geval van pontificaal met je achterwerk op de zetel van de minister plaatsnemen. Het was dus zeker niet alleen de oppositie die te veel op één geval focuste, het was vooral een regeringspartij die dat deed.

Eindeloos
Ik begon dit stukje met de ‘morele verontwaardigingen’ – ik zie het er wel van komen dat het Groene Boekje het meervoud nog eens opneemt – van Theo Boer, maar ik geloof niet dat ik van morele verontwaardiging zoveel last heb gehad, al heb ik me soms wel opgewonden, maar dan vooral over het gekluns en het onvermogen om helder te denken en te handelen. Dat is het punt waar de minister en de CDA-fractie het meest door de mand vielen. Simpele zaken los je op door scherpe vragen te stellen en even duidelijke antwoorden te geven, niet door alles zelf in de mist te laten verdwijnen en dan uiteindelijk triomfantelijk uit te roepen dat de lucht weer opgeklaard is.

Ik koester trouwens absoluut niet de illusie dat gevallen als deze structureel te voorkomen zijn. Je kunt kleine verbeteringen doorvoeren, die voor concrete mensen een kwestie van levensgeluk kunnen zijn, altijd zullen er weer nieuwe grensgevallen opduiken. Dit was naar mijn idee duidelijk en als iets duidelijk is, moet je een heldere keuze maken en daar de logische consequenties, die hier overzienbaar zijn, uit trekken. Maar alleen de getallen in de motie- Voordewind/Spekman al: jonger dan elf jaar, langer dan acht jaar hier. Hoe dan als het om een leeftijd van twaalf jaar, een termijn van zeven jaar gaat? Of om een paar dagen? Eindeloos. En ik geloof ook niet in opmerkingen als dat je een hele procedure in een half jaar geregeld moet kunnen hebben. Kan dat binnen het bestuursrecht, waar termijnen ook uit het oogpunt van rechtsbescherming ingebouwd zijn? Kun je rechtbanken verplichten zo snel te werken? Zal er dan niet toch weer een beroep op andere rechtswegen gedaan kunnen worden?

Dit blijven lastige zaken. Een definitieve oplossing zal nooit gevonden worden. Maar je kunt wel proberen om het beter te doen, stukje bij beetje. En je kunt vooral proberen om heldere vragen helder te beantwoorden, zodat je het vervolgens over de dan overblijvende lastige gevallen kunt hebben.

Mauro Manuel en de mensen om hem heen zullen het de eerstkomende tijd nog niet gemakkelijk hebben, maar die jongen redt het wel. Maar CDA en SGP, de twee partijen waar ik het op verzoek over had, hebben voorlopig nog wel wat uit te leggen. Maar zij worstelen tenminste openlijk met de zaak. VVD en PVV, die zich zo angstvallig in de luwte ophouden, hebben nog heel wat meer uit te leggen.

Misschien dat daar het debat eens over zou moeten gaan.

(19)