Posts tagged ‘Geert Wilders’

1 juni 2014

Abschießen oder erschießen? – Wat bedoelde Philip Simon toen hij het over Geert Wilders had?

door Jan Dirk Snel

[Zondag 1 juni 2014] Er zijn veel misverstanden in de wereld, al dan niet moedwillig veroorzaakt. Zaterdag meldde de Gelderlander dat Geert Wilders aangifte wil doen tegen de Nederlands-Duitse satiricus Philip Simon. Die zou woensdag 28 mei 2014 in de ZDF-talkshow van Markus Lanz namelijk opgeroepen hebben ‘om de PVV-leider af te schieten’. ‘”Ongelooflijk dat dit zomaar kan op de Duitse tv en ook onweersproken blijft”, reageert Geert Wilders. “Het ZDF geeft blijkbaar graag een podium aan mensen die aanzetten tot moord en geweld. Walgelijk.”‘ Zo kennen we de grote leider van de minuscule, één lid tellende partij weer: aan grote woorden nooit een gebrek, zij het dat het vocabulaire wat beperkt is.

Philip Simon

Philip Simon als gast in de ZDF-talkshow van Markuz Lanz, woensdag 28 mei 2014

Abschießen
Maar klopt het ook? De oorsprong van de ophef ligt kennelijk in een bericht op de weblog van Joost Niemöller, befaamd verdraaikundige te Amsterdam, van vrijdag 30 mei: ‘”Komiek” op Duitse tv: “Wilders gerne abschiessen.”’ Niemöller, wiens culturele kennis niet overhoudt – hij had nog nooit van Simon gehoord, geen Deutschlandfunk-luisteraar kennelijk, die Niemöller – ziet daarin een oproep ‘om iemand af te laten schieten’. Hij noemt Simon een – waarschuwing: er volgt nu niemölleriaanse verhevenheid – ‘enorme lul’, die ‘voor de rechter’ gebracht zou moeten worden, ‘als de Duitse rechtstaat ook maar iets waard was’. En Niemöller besluit aldus: ‘Ach ja, zoals ze de Joden ook zo gerne wilden abschiessen, Herr Simon. Het nazi jargon heeft hij zich alvast eigen gemaakt.’ (Toelichting: ‘nazi jargon’ moet in gewoon, on-Engels Nederlands ‘nazi-jargon’ betekenen. Correct spellen, ach ja.)

Niemöller was wel weer zo attent om te verwijzen naar een YouTube-filmpje van GeertWildersMedia van een halve minuut met het fragment, merkwaardigerwijze overigens in spiegelbeeld en in een vreemde, gedempte belichting (was men analoog aan de in vroeger dagen omgekeerd afgedraaide vinylschijf op zoek naar een geheime boodschap?). Ik schrijf de tekst even uit:

Markus Lanz: Grundsätzlich, ist denn, Philip, die … sind die Holländer auch ins Visier der Geheimdienste geraten, bevor wir gleich ausführlicher über Deutschland sprechen?
Philip Simon: Da weiß ich eigentlich gar nicht soviel, wenn ich ehrlich bin. Ich habe es nicht so mitgekriegt.
Markus Lanz: Ruf doch mal die NSA an!
Philip Simon: Vielleicht haben sie Herrn Wilders ja ein bißchen ins Visier genommen, aber den können sie von mir so gern abschießen.
Markus Lanz: Den Rechtspopulisten?
Philip Simon: Ja, genau. [Tot het publiek:] Geert Wilders kennen Sie? Das ist ein bißchen so ein Typ wie Jörg Haider. Da mach’ ich mir wenig Sorgen. Der wird schon sein’ Weg finden. Aus Holland habe ich es nicht so mitbekommen, nee.’

Dat is alles, althans wat dit onderwerp betreft. De vraag is nu dus wat de zinsnede ‘den können sie von mir so gern abschießen‘ precies betekent. Doelt Simon daar werkelijk op het letterlijk afknallen, dus doodschieten van de politicus, zoals Niemöller, Wilders zelve, zijn trouwe page Harm Beertema – die er niet voor terugdeinst ook Duitsers met zijn onbegrip lastig te vallen – en een horde andere lieden schijnen te denken? Of gaat het om een gangbare uitdrukking in het Duits, waarbij ‘jemanden abschießen’ zoveel als ‘jemanden kündigen / um seinen Posten bringen’ betekent, zoals Walter van der Cruijsen onder verwijzing naar de Redensarten-Index betoogde?

 –

Unmöglich machen
Ik besloot de vraag aan mijn goede Duitse vriend Wolfgang te S. voor te leggen. Kan men ‘abschießen’ hier als ‘erschießen’ interpreteren, vroeg ik hem, of betekent het zoiets als ‘kündigen oder keine Aufmerksamkeit geben’? Zijn antwoord, waarvoor ik hem ook hier graag dank zeg, was helder en ondubbelzinnig:

‘abschießen heißt nie und nimmer erschießen.
Man kann nämlich Kanzler, Fußballtrainer, Politiker insofern abschießen, dass man versucht, sie durch Kritik und Lächerlich machen, das Aufdecken von Affären und andere (verbale) Angriffe unmöglich zu machen und sie so aus ihrem Amt zu jagen – oder von ihrem Platz in den Medien. Insofern ist die zweite Erklärung genau richtig!
Aber manche Spießer scheinen eben nicht in Bildern denken zu können!’

Zo, nu horen we het eens van een ander, iemand die het Duits als moedertaal heeft. Abschießen kan in dit verband dus nooit doodschieten betekenen. Het gaat erom iemand door middel van kritiek, door de spot met hem te drijven, misstappen aan het licht te brengen en met behulp van andere verbale middelen het leven zuur te maken, hem uit zijn functie te verdrijven of hem zijn plaats in het publieke debat te ontzeggen. Dat is dus uit wat mij betreft onverdachte en niet belanghebbende bron precies wat het management van Simons ook al aan de Gelderlander vertelde: ‘Simon uitte de wens dat de kiezers deze politici en stromingen weer uit het beeld laten verdwijnen.’ En dus ook wat het ZDF uitlegde: dat het gaat om ‘een houding van onverschilligheid ten opzichte van een politicus’.

Wenig Sorgen
Dat is ook precies wat Simon even later met zoveel woorden zegt. Hij maakt zich over Wilders helemaal niet druk (wenig Sorgen). En dat bedoelt hij ook met zijn vergelijking met Jörg Haider. De Gelderlander meent mijns inziens ten onrechte dat Simon zinspeelt ‘op het dodelijke ongeluk waarbij de omstreden Oostenrijkse politicus om het leven kwam’. Haider was namelijk allang voor zijn dood in 2008 over zijn nationale politieke hoogtepunt heen. En bovendien, na de verontrusting die zijn optreden in gans Europa veroorzaakt had, was toch al gebleken dat hij niet zo’n geweldig gevaar vormde. Simon bedoelt het allemaal geruststellend. Neem dergelijke lieden niet zo serieus!

Dat het Simon juist om een zekere achteloosheid ten aanzien van het belang van Wilders gaat, kan men ook aan de reactie van de presentator, de andere studiogasten en het publiek zien. Als hij echt grof gesuggereerd had om Wilders maar af te knallen, had men ongetwijfeld heftig, geschrokken misschien of zelfs verontwaardigd, gereageerd, maar daarvan is tijdens het gesprek geen sprake. De opmerking gaat rimpelloos voorbij. Men vindt het allemaal heel gewoon. En dat was het ook.

Maar ja, iemand die zich helemaal niet druk over hem maakt en hem eigenlijk geen woord waard acht, daar moet de Rechtspopulist met het ‘krankzinnige haar’ – aldus Freek de Jonge, een in Nederland wat bekendere satiricus, die zich gewoon komiek noemt, al in 2004, die eraan toevoegde: ‘Ik vind, als er iemand een hoofddoekje moet dragen, dan is het die Wilders wel’ – natuurlijk nog aan wennen. Gekwetste ijdelheid, dat moet het ‘em zijn.

Naschrift (11.20 uur, enkele keren aangevuld tot 14.10 uur)
Er zijn mensen die aankomen met woordenboekrijtjes en daaruit zou dan blijken dat abschießen soms wel degelijk letterlijk afschieten betekent en soms ook wel degelijk een fysieke handeling kan aanduiden. Tja, dat zal allemaal wel, maar de betekenis van woorden hangt primair af van de context en het gebruik. Wie bijvoorbeeld in Van Dale Groot woordenboek Duits-Nederlands – ik gebruik altijd nog een exemplaar uit de tweede oplage van 1985 – kijkt, ziet daar ook allereerst dat soort betekenissen staan. Het zou bijvoorbeeld soms wel degelijk om het doden van wild, wilde dieren dus, kunnen gaan.

Maar er volgt ook een derde, als informeel aangeduide betekenis: ‘wegwerken => uit de weg ruimen‘. Oei, dat klinkt ook nog vrij ernstig, zult u zeggen. Zeker, maar juist dan is het voorbeeldzinnetje dat erbij gegeven wordt, interessant: ‘seinen politischen Gegener abschießen zijn politieke tegenstander uitschakelen’. Daar hebben we nou net het voorbeeld dat hier uitkomst biedt en bijna rechtstreeks van toepassing is. Zo’n zegswijze over politieke tegenstanders kan alleen maar gangbaar zijn, als iedereen doorheeft dat het nooit fysiek bedoeld kan zijn. Dat was dertig jaar geleden dus al zo en het gaat nu in het geval van Simon precies op.

Uitschakelen is wat dat betreft een mooi voorbeeld. Dat woord geeft mooi aan hoezeer de betekenis van woorden van de context en de inhoud van de andere woorden in de zelfde en belendende zinnen afhankelijk is. Als een politicus zijn tegenstander uitgeschakeld heeft, dan gaan we ervan uit dat die man, de tegenstander, nog in leven is en zelfs dat hem geen haar gekrenkt is, maar wel dat hij in een bepaalde politieke rol uitgespeeld is. Als we van soldaten echter vernemen dat ze de vijand uitschakelden, dan weten we misschien nog niet precies wat er fysiek gebeurd is, maar we houden er zeker rekening mee dat vijandelijke soldaten de dood gevonden hebben. Kortom, zo is het ook hier met dat abschießen van een politicus; in het Duits gaat er dan alleen maar om dat hij politiek uitgeschakeld wordt en er niet meer toe doet. Over zijn verdere welbevinden zegt de uitdrukking niets.

Aan de tweede zin onder het kopje ‘Unmöglich machen’ heb ik voor de duidelijkheid het woordje ‘hier’ toegevoegd. Ik vroeg mijn goede vriend Wolfgang uiteraard niet wat abschießen in allerlei contexten kon betekenen, maar welke opties zich hier, in dit specifieke geval, aandienden. Daar had zijn ‘nie und nimmer’ uiteraard ook betrekking op. En Duitser die zo over een politicus hoort spreken, zal nooit ofte nimmer aan erschießen denken, dat is het punt.

ReggydeGrootOp Twitter kwam de germanist Reggy de Groot naar mijn idee met de perfecte vertaling van de zinsnede: ‘De juiste vertaling in deze context zou zijn: Wat mij betreft mag ie ophoepelen.” Ik noem die graag – ere wie ere toekomt – en geef ook de wijze les die hij eraan toevoegt, met plezier door: ‘Regel nummer 1 bij vertalen: vertaal niet de woorden maar de bedoeling van de zin.’ Zo is het. Sommige mensen blijven in reacties allerlei losse woordenboekbetekenissen aandragen, maar die zeggen juist niets. Mensen spreken in zinnen en woorden betekenen in verschillende contexten dus heel andere dingen, zonder dat we in verwarring raken. Dat is – dit ook tegenover sommige filosofen die de afgelopen eeuw klaagden over de ‘onnauwkeurigheid’ van onze natuurlijke taal en naar een formele taal met vastliggende betekenissen zochten – juist het aardige van de alledaagse taal: dat ze zo flexibel is en juist op die wijze heel nauwkeurig en precies. Ze maakt het ons mogelijk om met bestaande woorden toch steeds weer nieuwe en andere dingen te zeggen.

Tot slot nog iets anders. Het viel mij op dat het korte filmpje dat GeertWildersMedia op YouTube geplaatst had, wel een erg vreemde, duistere kleurstelling had en in spiegelbeeld was. Waarom dat zo was, wist ik niet en daarom maakte ik er maar een grapje over. (In zijn recente boek Van dorpsplein tot cyberspace meldt Joris van Eijnatten overigens dat Pink Floyd in 1979 in ‘Empty Spaces’ een boodschap verstopt had, die bij het achterstevoren afspelen te horen viel, en wel deze: ‘Congratulations. You have just discovered the secret message.’) Op Twitter kwam Petra Kramer met het verlossende woord, namelijk dat video’s in spiegelbeeld uploaden een trucje is ‘om automatische copyrightclaims te omzeilen’. Dank daarvoor. Zo wordt een mens via social media wijzer.

Tweede naschrift (donderdag 4 juni, 17.20 uur)
Twee vragen nog. Klopt, eerste vraag, mijn interpretatie van Simons verwijzing naar Jörg Haider eigenlijk wel? En heeft dat, tweede punt, gevolgen voor de interpretatie van het woordeke abschießen?

1. Op zich lijkt me dat de gemiddelde tv-kijker niet per se kan weten wat Philip Simon hier bedoelt. Ineens vraagt hij zich af of de toeschouwers wel weten wie Geert Wilders is. Hij wendt zich tot het publiek en vraagt dat. En dan zegt hij: ‘Das ist ein bißchen so ein Typ wie Jörg Haider. Da mach’ ich mir wenig Sorgen. Der wird schon sein’ Weg finden.’ Kortom, hij vergelijkt Wilders met Haider, ook een beetje zo’n figuur, en dan zegt hij dat hij zich niet erg druk over hem maakt. Die zal zijn weg wel vinden, die zal wel terecht komen. Kan de onbevangen toehoorder daar veel van maken? Lijkt me niet.

Maar is het mogelijk dat hij toch aan de dood van Haider door een auto-ongeluk denkt? Zoals bekend, reed Haider zich in 2008 zelf dood. Met te veel alcohol op verloor hij bij een veel te hoge snelheid de macht over het stuur en raakte hij van de weg, waarna zijn auto meerdere malen over de kop sloeg. Hij overleed aan de verwondingen. Is het onvermijdelijk dat een een tv-kijker hier aan denkt? Ik denk van niet. Daarvoor is de uiting te kort en te weinigzeggend. Is het mogelijk? Jazeker wel. De betekenis van het vage ‘sein’ Weg finden’ wordt verder simpelweg niet ingevuld en dus is het zeker mogelijk aan Haiders dood te denken.

En is het mogelijk of denkbaar dat Simon zelf aan dat ongeluk dacht en erop zinspeelde, zoals de Gelderlander dacht? Ja, anders dan toen ik het artikel schreef, denk ik dat de krant daarin wel eens gelijk kon hebben. In de aankondiging van Simons voorstelling Ende der Schonzeit worden namelijk een aantal vragen opgeworpen en daaronder is ook deze:

‘Warum Rechtspopulist Geert Wilders seinen Weg finden wird und Multikulti gar nicht scheitern kann.’

Zelfde formulering dus. In een recensie van een voorstelling in Mainz in 2012 verklapt de journalist Jan-Geert Wolff het antwoord en hij citeert daarbij eerst Simon:

‘”Kennen Sie Geert Wilders? So eine Art Haider.’ Aber der mache ihm keine Angst, meint Simon: “Wir haben in Holland viele lange Straßen mit genügend Bäumen – der findet seinen Weg.”‘

De suggestie is helder. En de grap is hard en niet vriendelijk. Het zit er dus dik in dat Simon in feite zijn woorden uit zijn programma herhaalde, maar tevens is dan duidelijk dat hij aan de ‘grap’ niet toekwam.

2. Maar heeft de mogelijke zinspeling gevolgen voor de interpretatie van abschießen? Nou nee, niet direct. Ten eerste is het nog maar de vraag of Simon hier al aan dacht toen hij, gevraagd naar wie de NSA in Nederland mogelijk op de korrel nam, de naam van Wilders noemde. De presentator stelt immers een verduidelijkende vraag, of Wilders de Rechtspopulist is, een hint om nadere uitleg te geven. Maar Markus Lanz had ook een heel andere vervolgvraag kunnen stellen. Als Simon dan bevestigend antwoordt, vraagt hij zich ineens af of het publiek Wilders wel kent. Dat kan natuurlijk gespeeld zijn, maar hij doet het onderwerp ook snel af en hij maakt de harde grap uit het theaterprogramma in ieder geval niet.

Maar stel dat hij daar wel op zinspeelt, wat zegt dat dan? Alleen dit, dat het ‘probleem’-Wilders zich net als bij Haider vanzelf wel oplost. Nee, niet aardig, hard, grof misschien, maar in ieder geval geen oproep tot ingrijpen of schieten. De man doet het zelf wel. Een ‘leuke’ zinspeling is het op zich niet, maar als Simon er ook in de tv-uitzending al bewust op doelde of als toeschouwers er aan dachten, een nadere ‘uitleg’ van abschießen is het zeker niet. Eerder het tegendeel.

 ♦

(142)

23 april 2014

Geert Wilders’ stem, Maurice de Honds handen

door Jan Dirk Snel

[Woensdag 23 april 2014] Laat ik u maar vast waarschuwen: dit wordt een heel saai stukje en aan het eind leg ik uit waarom. Op Goede Vrijdag legde Maurice de Hond aan 2500 Nederlanders een serie vragen voor. Daaronder waren twee vragen die hij, kennelijk zonder dat de deelnemers dat wisten, in opdracht van Geert Wilders, politiek ondernemer te Den Haag, stelde. De eerste luidde:

Vindt u dat Geert Wilders strafrechtelijk vervolgd moet worden naar aanleiding van zijn uitspraken over Marokkanen op de avond van de gemeenteraadsverkiezingen?

Ik heb het vraagteken maar even toegevoegd. Op die vraag kon men antwoorden met ‘ja’, ‘nee’ en ‘weet niet/geen antwoord’. De volgende vraag luidde: ‘Wat is uw eigen standpunt ten aanzien van Marokkanen in Nederland?’ Op deze vraag kon men kiezen uit de volgende vier opties:

– Mij maakt het niets uit hoeveel Marokkanen er in Nederland zijn.
– Voor mij mogen er ook meer Marokkanen in Nederland komen.
– Ik heb liever minder Marokkanen in Nederland
– Weet niet/geen antwoord.

 –

Twee vragen
Laten we de vragen en antwoorden eens nader bekijken. Het valt op dat de opties ‘weet niet’ en ‘geen antwoord’ samen genomen worden. Gebeurt dat alleen bij de presentatie? Of wordt die combinatie zo voorgelegd? Er is immers een groot verschil. Als men de vragen bijvoorbeeld onzinnig vindt, dan staat ‘geen antwoord’ voor een heel andere houding dan ‘weet niet’.

De eerste vraag bestaat uit een stelling waar men mee in kan stemmen of die men kan afwijzen (of waar men dus geen antwoord op wil geven of waarvan men niet weet wat men ervan moet vinden). Is dat een zinnige stelling? Mij dunkt, in zeer beperkte mate. Het is bekend dat diverse mensen onlangs aangifte tegen Geert Wilders hebben gedaan naar aanleiding van diens uitspraken over Marokkanen en dat is op zich iets waar men zinvol een mening over kan hebben: bijvoorbeeld of men het strafrecht in dit geval een geschikt middel acht, waarbij men zowel pragmatische als principiële overwegingen kan opvoeren. Maar we weten nu dat die aangiften gedaan zijn en nu is het een vraag voor het Openbaar Ministerie of er ook vervolging plaats dient te vinden. Kortom, we zijn nu in een stadium waarin het vooral om een juridische vraag gaat. Uiteraard is het begrijpelijk dat mensen daar zo hun gevoelens over kunnen hebben, maar heel erg relevant is het allemaal ook niet.

DeHond

De tweede vraag is van geheel andere aard: geen stelling, maar een open vraag, waar men allerlei soorten antwoorden op zou kunnen geven en waarbij de meest voor de hand liggende reactie waarschijnlijk zou zijn: ‘Huh, wat bedoelt u?’ Heeft een normaal mens een ‘standpunt’ ten aanzien van advocaten, Turken, warme bakkers, tieners, vakkenvullers of Friezen om Utens? Een standpunt over een hele groep? Kan dat? Of gaat het dan toch al gauw over vooroordelen? (Waar we, zeg ik er maar bij, vaak niet aan ontkomen, maar die we, als we althans verstandig zijn, wegens hun evidente ontoepasbaarheid of ongefundeerdheid eveneens terecht voor ons plegen te houden.)

 –

Andere vraag
Maar goed, ondanks de open geformuleerde vraag blijken er inhoudelijk maar drie opties te zijn: het maakt je niets uit hoeveel Marokkanen er in Nederland zijn, er mogen er ook meer komen of je hebt er liever minder.

Is dat zo een goede vraag? Ik denk van niet. Het maakt mij wel degelijk uit hoeveel Marokkanen er in Nederland zijn, want er wordt buitensporig veel over deze bevolkingsgroep gekletst en dan is het handig om te weten dat er op 1 januari 2013 bijvoorbeeld 368.838 Marokkaanse allochtonen in Nederland waren. Dat is bijna 2,2% van de totale bevolking. Omdat allochtonie in de krankzinnige definitie van het CBS een asymmetrisch begrip is en je met één elders geboren ouder allochtoon bent, zullen waarschijnlijk niet al deze mensen zich als ‘Marokkaan’ beschouwen of door anderen zo gezien worden en ook zullen er autochtonen zijn (wier beide ouders dus in Nederland geboren zijn) die zich wel als Marokkaan zien, maar het cijfer geeft toch een zekere indicatie: het gaat hier om een kleine bevolkingsgroep.

Nu kun je natuurlijk zeggen dat het hier om een andere betekenis gaat: niet of je de hoeveelheid Marokkanen cognitief van belang acht, maar hoe je gevoelsmatig tegenover de aldus aangeduide bevolkingsgroep staat. Zoiets ongeveer. Het gaat er dan kennelijk om wat men van Marokkanen vindt en in feite gaat het om de vraag of men ze mag, niet mag of eigenlijk geen oordeel heeft. Maar het blijft een beetje onduidelijk. (Tussen haakjes: dat hele gebruik van ‘Marokkanen’ voor Marokkanen in Nederland, die meestal Nederlandse burgers zullen zijn, is nogal dubieus, maar omdat het op zich duidelijk is wie er bedoeld worden, sluit ik me, met deze kanttekening erbij, hier toch maar bij het gebruik aan.)

Wat wel duidelijk is, is dat het net om een ander soort vraag gaat dan die Wilders op de avond van de gemeenteraadsverkiezingen stelde. Hij vroeg het publiek toen of men meer of minder Marokkanen wilde en toen dat ‘minder, minder, minder’ scandeerde, zei hij dat hij dat ging regelen. Toen ging het om een beleidsvoornemen, de actieve vermindering van een bevolkingsgroep, waarvan we uiteraard weten dat Wilders, bekend om zijn klaploperij, er verder niets aan gaat doen. Nu gaat het echter niet om handelen, maar om een attitude: wat men liever zou zien. Dat kan ook het verschil verklaren tussen de 72% die vond dat de uitspraak van Wilders niet acceptabel was, en de 43% die nu zegt liever minder Marokkanen te ‘hebben’. Niet alles wat je denkt, hoeft ook tot handelingsconsequenties te leiden.

Propaganda
Deugt het eigenlijk wel om onderzoek te doen voor de PVV? Heeft Maurice de Hond de vragen van Wilders terecht tot de zijne gemaakt? Op zijn persoonlijke site heeft hij zich gisteren proberen te verdedigen.

Op de eerste vraag zegt hij dat hij onderzoek voor ‘vertegenwoordigers van alle partijen van Nederland’ heeft gedaan. ‘Juist gezien mijn positie vind ik dat ik bij partijen vertegenwoordigt [sic] in de Tweede Kamer geen selectie mag toepassen, voor wie ik dat onderzoek wel of niet doe.’ Daar lijkt op zich iets in te zitten, maar je kunt er ook vraagtekens bij zetten. De PVV is immers geen democratisch gestructureerde partij, de club staat bekend om zijn afkeer van fundamentele Nederlandse, rechtsstatelijke waarden – enkele Kamerleden droegen vorig jaar zelfs NSB-speldjes – en alleenheerser Wilders is eigenlijk alleen maar bekend om zijn veelvuldige gescheld. Het zou niet moeilijk zijn om hier een principiële grens te trekken. De Hond geeft zelf overigens voldoende aan hoezeer hij het gedrag van Wilders verfoeit.

Maar goed, daar zou je nog overheen kunnen stappen. Onderzoek is onderzoek, zou je kunnen zeggen. Maar dan is dus de vraag of de kennelijk door Wilders aangeleverde vragen deugen. Ik gaf hierboven al een eerste beoordeling. Beide zijn ze zo geformuleerd weinig zinvol. En vooral bij de tweede is dat kwalijk, want Wilders gebruikt die vraag als propaganda. ‘Deze cijfers spreken boekdelen, miljoenen Nederlanders zijn het dus met me eens’, betoogt hij. En dat is precies wat er boven het Telegraaf-bericht – die krant kreeg kennelijk de ‘primeur’ – staat: ‘PVV: 43% eens met minder Marokkanen’. Maar dat is dus niet zo. Het gaat om net iets anders.

Werkelijkheid
Maurice de Hond verdedigt zich met een verhaal over zijn familie. Over hoe politieagenten die zijn vader voor de oorlog ‘persoonlijk kenden’, jodenjagers werden. ‘Ik denk dat mijn ouders liever voor de oorlog al hadden geweten hoe de wereld er werkelijk uitzag’, schrijft hij. Werkelijk? Zouden ze dat niet geweten hebben? Zouden ze echt niet geweten hebben dat er antisemitisme – ‘risjes’ – bestond? Natuurlijk wel. Maar het is de vraag wat het verband daartussen en het handelen van mensen in een crisissituatie, een situatie van bezetting met andere machtshebbers en andere bevelen, is. Die verhoudingen liggen veel ingewikkelder. Ook mensen die voor de oorlog keurige antwoorden gaven, konden dan ineens toch dodelijke instructies opvolgen. En het omgekeerde kon ook voorkomen.

WildersVragen

De vragen van Geert Wilders, voorgelegd door Maurice de Hond

In Dit Is De Dag deed de Hond gisteren alsof het bij zijn onderzoekje voor Wilders zou gaan om resultaten waar mensen ‘gevoelsmatig moeite’ mee zouden hebben. Ze zouden niet willen weten wat er uitkomt. En in zijn verdediging schrijft hij dat ‘dit uitgevoerde onderzoek laat zien dat onder de oppervlakte een forse problematiek leeft. En die gaat niet weg door dat niet zichtbaar te maken via onderzoek. Noch door te stellen dat dit onderzoek schandelijk is.’

Nee, er is inderdaad niets op tegen om uit te zoeken hoe de maatschappelijke werkelijkheid in elkaar zit. Het kan heel goed zijn om te weten hoe mensen over allerlei groepen denken. Maar dat was hier niet het doel. Dan zou het om een heel ander, veel breder onderzoek gaan. Hier ging het de facto om het verschaffen van propagandamateriaal aan de politieke hooligan die Geert Wilders nu eenmaal is. Wilders heeft de ‘waarheid’ gekocht waar hij zich steeds op beroept. Hij deed zelfs alsof zijn ophitsing ‘de waarheid spreken’ was, wat toch op zijn minst van een gebrekkige wijsgerige scholing getuigt. En nu heeft hij de onderbouwing die hij wenste. Hij presenteert de gekochte gegevens, niet De Hond.

 –

Oppervlakte
De Hond denkt ook dat ‘de wereld in de werkelijkheid onder de oppervlakte er anders uit kan zien dan aan de buitenkant blijkt’. Dat kan, maar hier lijkt me dat een foute inschatting. Oordelen over andere groeperingen, of het nu om Friezen in Groningen, mensen van de Zuid-Hollandse eilanden in Rotterdam, Hollanders in Brabant, om Turken, Ghanezen, Antillianen, Surinamers, Marokkanen, inwoners van Laren of Rijssen, studenten of Nederlandse pensionado’s aan de Spaanse kusten gaat, zijn buitengewoon oppervlakkig. Als zodanig hoeven ze ook helemaal niet erg verontrustend te zijn.

Met persoonlijke ervaringen heeft het in dit geval ook (vrijwel) niets te maken. Zoveel Nederlanders komen niet elke dag Marokkanen – meestal trouwens ook Nederlanders, mogen we aannemen – tegen en met persoonlijke ervaringen heeft het zelfs dan nog niets te maken. Met racisme – hoe ook opgevat – hoeft het ook niet direct iets te maken te hebben. Iedereen hoort nu al 25 jaar lang allerlei dingen over Marokkanen en Antillianen en criminaliteit, ook al worden de cijfers meestal erg overdreven en worden Marokkanen en Antillianen volgens het CBS ‘na correctie voor verschillen in sociaaleconomische achtergrondkenmerken’ niet meer dan ‘twee keer vaker verdacht van een misdrijf dan autochtonen’. (Ik heb dit via Flip van Dyke: leest u vooral zijn stuk over ‘Marokkanen – de cijfers‘.) Het gaat vooral om oppervlakkige mediawijsheid. Zelf kom ik wel zo ongeveer dagelijks Marokkanen tegen – dat denk ik althans, ik ga dat uiteraard niet steeds vragen – maar zo ongeveer alles wat ik in deze trant over Marokkanen opgevangen heb, komt uit de media, niet uit persoonlijke waarneming of ervaring. In dit weinig nuchtere land worden sommige dingen nu eenmaal al sinds jaar en dag duizend keer op dezelfde wijze ‘benoemd’ en uitvergroot.

Maar het gaat hier dus niet om een ‘forse problematiek’ die onder de oppervlakte verborgen is en die nu eindelijk aan de kaak gesteld wordt. Hier wordt vooral een nieuwe werkelijkheid gecreëerd. Dat Marokkanen geen goede pers hebben, dat weten we. Maar wat is dat nou voor een rare vraag of er meer of minder Marokkanen zouden moeten komen of dat ons dat niets uitmaakt? Is dat een relevante vraag, waar over besloten kan worden? Nee dus. Er bestaat gewoon een groep Marokkaanse Nederlanders en het is volstrekt onzinnig daar in in termen van kwantitatieve gewenstheid over te spreken. Woorden beschrijven niet alleen de werkelijkheid, ze scheppen die ook. En door vragen te stellen kun je andere mensen daar in mee laten gaan. Je kunt ze dingen laten zeggen waar ze zelf nooit opgekomen zouden zijn.

Oppervlakkige, globale indrukken van bepaalde bevolkingsgroepen zeggen uiteindelijk heel weinig hoe mensen concreet met elkaar omgaan. De ervaring dat er – vaak kleine – verschillen tussen mensen en tussen groepen mensen bestaan, is misschien een fundamentele, maar racisme of wat daar aan doet denken, is eerder een oppervlakkig verschijnsel. Mensen die rond 1960 nog rustig in een advertentie voor kamers zetten dat bepaalde groepen niet welkom waren, waren in pakweg 1980 vaak enorm verontwaardigd over discriminatie, domweg omdat de publieke opinie ondertussen gewijzigd was.

Saai
Het lijkt me dus niet dat Maurice de Hond een ‘forse problematiek’, waar we tot dusverre nog niets van wisten, aan het licht gebracht heeft. Alsof het zijn opdrachtgever daar om te doen was! Iedereen die een beetje opgelet heeft, weet dat er niet zo veel Marokkanen zijn, dat er al jaren niet of nauwelijks sprake is van immigratie door Marokkanen en soms eerder van emigratie, dat er iets meer problemen rond Marokkaanse jongens zijn dan rond andere en dat het verder allemaal niet zoveel om het lijf heeft en dat al dat geklets vooral erg vervelend is voor het overgrote deel van de Nederlandse Marokkanen en dat het verder vooral aantoont dat de Nederlandse samenleving de veronderstelde oude nuchterheid nogal kwijt is geraakt.

Maar wat je ook van Maurice de Hond kunt zeggen, niet dat hij forse vergelijkingen schuwt. De houding nu tegenover Marokkanen vergelijkt hij met die tegenover joden voor en tijdens de Tweede Wereldoorlog. Ik weet niet of zijn opdrachtgever Geert Wilders daar nu echt blij mee is. Ik weet ook niet of het zakelijk zo sterk is. Maar het siert hem dat hij geen blad voor zijn mond neemt.

Dit is dus een heel saai stukje geworden en dat is bewust. Het heeft naar mijn idee weinig zin om bij dit soort thema’s grote woorden te gebruiken. Mensen die al sinds jaar en dag in de wereld van het cliché leven, riepen bijvoorbeeld direct dat kritiek op de medewerking van Maurice de Hond van linkse taboeïseringsreflexen zou getuigen. Als ik me niet vergis, was het juist Frans Weisglas, die al al vrij snel kritische vragen stelde. Met de kop in het zand steken, met niet willen weten heeft kritiek op de vragen dan ook niets te maken. Het gaat immers niet om onbevangen onderzoek, maar om het verschaffen van materiaal voor propagandistisch gebruik door een vijand van onze vreedzame samenleving en van onze Nederlandse waarden.

Het gaat juist niet om de werkelijkheid, maar om het creëren van een andere werkelijkheid. Hoe de maatschappelijke werkelijkheid in elkaar zit, daar wordt in Nederland sinds jaar en dag vrijuit over gesproken. Het enige sprookje dat hardnekkig in stand wordt gehouden, is dat daar niet over gesproken zou kunnen worden.

Naschrift (12.00 uur)
Ik heb enkele kleine wijzigingen in de tekst aangebracht.

(137)