Posts tagged ‘filosofie’

2 januari 2016

Waardensamenhang – Over waardenpluralisme, het goede, het ware en het schone

door Jan Dirk Snel

[Zaterdag 2 januari 2016] Het was op tweede kerstdag. In de toelichting door Max van Egmond bij cantate BWV 40 – van J.S. Bach natuurlijk, maar dat blijkt al uit de drieletterige aanduiding – die deel uitmaakte van de liturgie, las ik dit: ‘Het kwaad wordt uitgemaakt voor alles wat lelijk is.’

Esthetiek
Ik vond dat een opmerkelijke zin, een grappige vooral ook. Je verwacht nu eenmaal niet echt iets anders, in ieder geval niet dat er van het kwaad veel goeds gezegd zal worden. Daar kan alleen maar kwaad over gesproken worden. In die zin is de zin tautologisch. Maar bij nader inzien zit er nog een laag in. Het kwade is lelijk. Over het moreel afkeurenswaardige wordt hier, bijna zonder dat het opvalt, in esthetische termen gesproken. Het goede is schoon, het kwade is lelijk.

Thomaskirche

Op tweede kerstag 1723 werd de cantate ‘Darzu ist erschienen der Sohn Gottes’ (BWV 40) voor het eerst ten gehore gebracht in Leipzig, in de Thomaskirche, hier op de foto, en op dezelfde dag ook in de Nicolaikirche. (Foto: S-kay via Wikipedia)

Of de mededeling nu overigens erg trefzeker was, kun je je afvragen. Het ging over deze aria, gezongen door de bas, die voorafgaand aan de aangehaalde zin getypeerd wordt als ‘bijna agressief in zijn dramatiek’.

Höllische Schlange,
wird dir nicht bange?
Der dir den Kopf
als ein Sieger zerknickt,
ist nun geboren,
und die verloren,
werden mit ewigem
Frieden beglückt.

Ik zou zeggen dat over het kwaad als zodanig hier eigenlijk helemaal niets gezegd wordt, behalve dan dat het, in de gedaante van de ‘helse slang’, overwonnen is, de kop gebroken.

Goed, waar, schoon
Maar daar gaat het me nu even niet om. Het gaat me om die samenhang tussen het kwade en het lelijke als spiegelbeeld van het verband tussen het goede en het schone. We zijn daaraan gewend, aan die gedachte, bedoel ik. Het goede en het schone horen bij elkaar en vaak voegen we daar het ware nog aan toe: verum, bonum et pulchrum est unum. Het is dan gebruikelijk om naar Plato te verwijzen, of zelfs naar Socrates, maar ik geloof eigenlijk niet dat de drieslag zo ergens in het – in zekere zin gezamenlijke – werk van de Atheense wijsgeren te vinden is. Ik zou tenminste niet weten waar. Bij mijn weten duikt de drieslag pas bij middeleeuwse scholastici op.

Maar ook daar gaat het me nu niet om. Wel om de inhoud. We voelen direct aan dat er een verband is tussen dit drietal waarden, als ik ze tenminste zo mag noemen, hetgeen overigens nog maar zeer de vraag is. Het ware is ook mooi en goed. Het goede is ook waar en schoon. En het schone is ook goed en waar. Met drie begrippen kun je al zes eenvoudige prediceringen verrichten en negen als je de drie dubbele eraan toevoegt. Het gaat hier, zoals trouwens meestal, in die door ‘is’ aangeduide relaties immers niet om identiteit, maar om predicaties.

En ze zijn ook niet allemaal gelijk. Je kunt misschien net zeggen, zoals ik hierboven al deed, dat het goede waar is, maar de uitspraak dat het ware goed is, is duidelijk betekenisvoller. Van het ware en het schone kun je gemakkelijk zeggen dat ze goed zijn. En ook als is het goede in zekere zin ook wel waar of mooi, daarin gaat het om stellingen van duidelijk minder gehalte. Het goede is een hoger of universeler begrip. Dat had Plato al door. En daarom is het eeuwige gesteggel of morele uitspraken nu ook waar zijn, niet zo overdadig inzichtgevend. Waarheid is in het goede geworteld, niet omgekeerd. Feiten fungeren alleen binnen een moreel kader. Alleen een uit de hand gelopen ‘verwetenschappelijkte’ wijze van naar de wereld kijken – met de Wiener Kreis als vooral daarom herinnerd schrikbeeld – begint bij feiten en bij waarheid en stelt vervolgens de verkeerde vragen. De wereld is de omgeving waar we als morele wezens in leven. Met onze medemensen, de dieren en de dingen gaan we primair moreel, handelend om. Pas in latere instantie gaat het om iets dat we ook puur proberen waar te nemen. Dat de wereld dat is wat het geval is, is een abstractie.

Waardenpluralisme
De hoogste waarden, om die verdachte, van oorsprong nogal nihilistische term toch nog maar even te gebruiken, hangen duidelijk samen. Dat hebben mensen altijd geweten en niet voor niets. Toch lijkt dit oude inzicht tegenwoordig in diskrediet geraakt te zijn, met name door het waardenpluralisme dat iemand als Isaiah Berlin onvermoeibaar uiteenzette en, sterker, uitdroeg. Er zijn verschillende waarden, ze kunnen met elkaar in conflict komen en dan zul je moeten kiezen, dat is zo ongeveer de gedachte. Berlin benadrukte daarbij altijd dat er misschien wel veel waarden zijn of in ieder geval een groot aantal, maar dat dat aantal uiteindelijk ook weer begrensd is, ook al kon hij niet alle waarden opsommen. Communicatie tussen mensen, groepen en culturen is mogelijk, zei Berlin in gesprek met Ramin Jahanbegloo ‘because the values of men are not infinitely many; they belong to a common horizon – the objective, often incompatible values of mankind – between which it is necessary, often painfully, to choose.’ En in zijn allerlaatste essay, enkele maanden na zijn dood in 1997 gepubliceerd, schreef Berlin nog: ‘the number of human values, of values that I can pursue while maintaining my human semblance, my human character, is finite — let us say 74, or perhaps 122, or 26, but finite, whatever it may be.’

Een bekend voorbeeld, dat in de politieke theorie en trouwens ook wel de politieke praktijk altijd weer naar voren gebracht wordt, betreft de spanning tussen vrijheid en gelijkheid. Het zijn allebei waarden die dezer dagen hoog genoteerd staan. Vaak gaan ze ook wel samen. Je hebt zelfs auteurs die een mogelijke tegenstelling zoveel mogelijk ontkennen. In zijn drie dikke delen over de Radicale Verlichting – dus niet primair over de hoofdstroom van de Verlichting, waar hij niet veel van moet hebben – neigt Jonathan Israel er bijvoorbeeld toe om vooral de compatibiliteit te benadrukken. Dat komt door zijn nogal mathematisch aandoende opvatting van de rede die eigenlijk altijd maar één ding kan zeggen. En als die verondersteld spinozistische rede ons zowel naar de vrijheid als naar de gelijkheid leidt, dan kunnen beide elkaar eigenlijk alleen maar aanvullen.

Maar dat is toch niet hoe de meesten, denk ik, deze begrippen – en trouwens ook de rede – zien. Natuurlijk, op allerlei wijzen kunnen maatschappelijke vrijheid en sociale gelijkheid elkaar bevorderen en aanvullen, maar als het specifieker wordt, dan zal er vaak toch gekozen moeten worden, is de gedachte. Politieke denkers onderscheiden daarbij vaak een meer republikeinse en een meer liberale oriëntatie. De eerste traditie legt vooral de nadruk op vrijheid in het economisch handelen en de noodzaak van een zekere hiërarchie. Gelijkheid is eerder een uitgangspunt dan een doel. De tweede traditie hecht meer waarde aan maatschappelijke gelijkheid en zal bij vrijheid vooral de nadruk op geestelijke waarden leggen. Gelijkheid is hier eerder een zeker doel. (Tussen haakjes: de VVD past meer bij de republikeinse traditie, maar het Nederlandse liberalisme wijkt nu eenmaal sterk af van wat daar internationaal onder verstaan wordt. Maar ik voeg eraan toe dat het, vooral in wat langeretermijnperspectief, kennelijk ook mogelijk is om de beide richtingen precies omgekeerd aan te duiden.)

Redeneringen
Waardenpluralisme houdt niet alleen in dat er vele waarden zijn en van velerlei aard, maar ook dat ze niet noodzakelijkerwijs met elkaar in harmonie zijn. Dat kan soms, maar ze kunnen ook botsen. En dan zal er gekozen moeten worden.

RIMG0479

De twee in mijn stuk aangehaalde boeken, alsmede de nieuwe en de oude uitgave van het werk waarin Berlins beroemdste essay is opgenomen.

De vraag is dan natuurlijk: hoe? Willekeurig? Of ligt er aan een keuze ook een redenering ten grondslag? Ik zou zeggen: ja. Iemand die uitlegt waarom hij de vrijheid van ondernemers een groot goed – hè, nu komt die morele term zo maar binnenvallen, ook al lijkt het in de gedaante van een handelswaar – acht, kan gemeenlijk ook wel zo ongeveer uitleggen waarom hij dat vindt. Hij kan bijvoorbeeld uitleggen dat mensen pas dan echt tot hun recht kunnen komen. Of dat een dergelijke vrijheid uiteindelijk voor meer welvaart zorgt. Enzovoorts. Hoe het ook zij, hij zal redeneringen beschikbaar hebben. En hetzelfde geldt natuurlijk voor iemand die hecht aan een zekere maatschappelijke gelijkheid. Die zal er mogelijk op wijzen dat alle mensen van waarde zijn, een eigen waardigheid bezitten en dat de een zich niet boven de ander behoort te verheffen. Of dat juist een zekere maatschappelijke gelijkheid de beste ontplooiingskansen voor zoveel mogelijk mensen biedt. En dat juist zo’n gelijkheid vrijheid betekent – de klassieke liberale gedachtegang. Zoiets. Hoe het ook zij, duidelijk lijkt me dat het niet om willekeurige keuzen gaat, maar om voorkeuren die meer of minder adequaat, afhankelijk van wie je spreekt, nader gefundeerd kunnen worden.

Kortom, waarden zijn geen vrij rondvliegende monaden die willekeurig uit de lucht geplukt kunnen worden. Ze zijn onderdeel van redeneringen, van vertogen, voor het geval u die term graag nog eens hoort. Ze verwijzen naar andere waarden. In het hier gegeven voorbeeld naar opvattingen over menselijke waardigheid, menselijke bloei en zo meer. Naar de vraag ook wat goed is voor mensen. Goed, schreef ik.

Waardenmonisme
En daarbij zijn we van het waardenpluralisme weer bij het eerste punt van dit stukje beland. Het lijkt me daarom niet juist om waardenpluralisme tegenover waardenmonisme te stellen. Waarden zijn onderling verbonden en waarschijnlijk in een zekere hiërarchie. Vrijheid en gelijkheid – nogmaals, hier slechts als voorbeeld gebruikt – zijn slechts relatieve waarden. Het zijn zeker geen ultieme waarden. Wat hebben we aan vrijheid? Op zich niet veel, zou je zeggen. Je hebt eigenlijk alleen wat aan vrijheid als je er iets mee kunt doen. Je kunt natuurlijk zeggen: gevrijwaard te zijn van dwang is ook al iets. Dat is natuurlijk zo. Maar die dwang houdt dan kennelijk in dat je iets moet doen wat je niet wilt. Of niet kunt doen wat je wel wilt. Je wilt je vrijheid om dingen te doen die jij wilt. Die dingen, daar gaat het om. En bij gelijkheid is het al niet anders. Dat is geen waarde op zichzelf, maar eerder een voorwaarde voor iets anders. Waarbij dit voorbeeld naar mijn idee trouwens al aangeeft dat het een waarde van net iets lager allooi – of om hetzelfde nog eens anders te zeggen: van net iets fundamentelere aard – is dan vrijheid: gelijkheid kan bijvoorbeeld dienen om vrijheid te verwezenlijken.

We zoeken vrijheid om dingen te doen die goed zijn. Waardenpluralisme bestaat als feitelijkheid: er zijn meerdere waarden en ze kunnen soms een keuze, een beredeneerde keuze, vergen. Waardenpluralisme dus niet als nastrevenswaardig ideaal, maar als factische waardenpluraliteit. Maar het lijkt me niet verstandig om daarin een irrationele keuze voor onberedeneerbare waarden te zien. En het is al helemaal niet verstandig om de oude opvatting, die we toch maar platoons zullen noemen, daar als waardenmonisme tegenover te stellen. Juist op dat punt is er immers geen echte tegenstelling tussen de veelheid, de pluraliteit aan waarden, en het besef dat ultieme waarden een zekere samenhang vertonen.

We zoeken een zekere gelijkheid omdat die recht doet aan de menselijke waardigheid. We zoeken vrijheid omdat zo mensen tot ontplooiing kunnen komen. Politiek bakenen we zo voor mensen een eigen gebied af: negatieve vrijheid. Maar waar is die voor? Voor positieve vrijheid: opdat mensen die vrijheid voor goede doelen kunnen invullen. In die zin is Berlins klassieke tegenstelling tussen negatieve en positieve vrijheid er vooral een tussen het publieke terrein en de private sfeer.

Eenheid
Al die verschillende waarden beoordelen we uiteindelijk toch op de vraag wat ze bijdragen aan een goed leven. Dat geldt ook voor het ware en het schone. Het ware draagt bij aan het goede en wordt ook vandaaruit beoordeeld. Daarom is puur feitelijke waarheid ook geen waarde op zich. Het bekende kantiaanse dilemma of je tegen iemand die erop uit is om een persoon die jij in je woning verstopt hebt, te vermoorden, mag zeggen dat die er helemaal niet is, of je dus zogenaamd mag ‘liegen’, is bij nader inzien helemaal geen dilemma en in feite zelfs geen serieuze vraag. Kant verloor in zijn rigorisme even de verhoudingen uit het oog. De bescherming van een medemens gaat voorop. Op dat criterium moet ook hier de vraag naar de waarheid en haar plaats beoordeeld worden. Waarheid als feitelijkheid staat in dienst van het goede, niet omgekeerd.

En zo belanden we dan bij de vraag wat goed is of wat het goede is. Is dat wel een waarde? Kan een criterium een waarde zijn? Is het goede wel een criterium? Of is het weer een generieke aanduiding voor andere waarden die elke keer weer ingevuld dienen te worden? Het goede is natuurlijk ook steeds dat wat van dingen geprediceerd wordt. Het is niet één ding, het geeft de samenhang tussen een veelheid aan realisaties en waarderingen aan. Vrijheid kan goed zijn, gelijkheid kan goed zijn, maar in sommige omstandigheden misschien ook niet. Wat ik hier maar wilde betogen, is dat waardenpluralisme niet tegenover de oude gedachte hoeft te staan dat hogere waarden een zekere eenheid vormen. En eenheid is dan iets dan anders dan identiteit. Het is een kwestie van samenhang en misschien van hiërarchie.

Het is in feite ook wat Berlin probeert te betogen als hij opmerkt dat er zonder een begrensd aantal waarden geen communicatie, want begrip, tussen mensen en culturen mogelijk zou zjin. Maar ook tussen die waarden is er dus, anders dan hij benadrukt, wel degelijk samenhang – onderlinge communicatie, zou men kunnen zeggen. En omdat ze niet zo afzonderlijk onderscheiden kunnen worden als hij denkt, wijl ze immers geen zelfstandig monadisch bestaan leiden, zijn ze ook niet zo telbaar als Berlin doet voorkomen. Als er werkelijk maar zo’n 74, of misschien 122 or 26, waarden zouden zijn, zou je weliswaar misschien geen uitputtend, maar toch wel een redelijk volledig lijstje kunnen opstellen. En dat lukt natuurlijk in geen jaren. Hooguit kunnen socialewetenschappers, van het type Geert Hofstede of de Tilburgse en Nijmeegse waardenonderzoekers, een poging doen een redelijke adequate beschrijving op hoofdlijnen te bieden, maar het blijft altijd gaan om hun pragmatische indeling die zij aan de sociaal-morele werkelijkheid opleggen. Als er al een geschil is tussen de platoonse en de berliniaanse wijze van kijken, dan gaat die in feite niet over de eenheid of veelheid aan waarden, maar over de aard van de menselijke rede: leidt die tot één enkele slotsom of laat die meerdere redeneringen toe?

Goed
Het goede, het ware en het schone vormen een eenheid, vooral omdat het ware en het schone goed genoemd mogen worden. Identiek zijn ze niet. Er bestaat een pluraliteit aan waarden, maar we kunnen ook steeds vragen hoe ze bijdragen aan het goede. We zullen niet allemaal hetzelfde kiezen, maar onberedeneerd hoeven onze voorkeuren bepaald niet te zijn.

(198)

24 oktober 2014

De oplichter – Of waarom proposities niet in de filosofie thuishoren

door Jan Dirk Snel

[Vrijdag 24 oktober 2014] Dit is een verhaal over een onbeduidend voorval. Het gaat over een onverwachte confrontatie met iemand die volstrekt loog. Maatschappelijk is dat geen gebruikelijke situatie. Maar het zette me aan het denken. Waarom hanteren filosofen zo vaak een begrip dat de waarheid krampachtig in het midden laat? En is dat wel verstandig?

Oplichter
Woensdagavond belde er rond kwart over tien iemand bij me aan. Dat was merkwaardig. Ik verwachtte niemand en na tien uur ’s avonds komt er eigenlijk niemand spontaan langs. Bovendien werd er niet beneden aangebeld, maar boven, bij de deur van mijn appartement. Het meest waarschijnlijk leek het dat het om een buurman of buurvrouw zou gaan. Ik checkte nog even snel of ik misschien luide muziek aan had staan, maar dat was zeker niet het geval. (Er is een tijd geweest waarin een vorige buurman mij van geluidsoverlast verdacht en herhaaldelijk boos aanbelde, tot hij mij een keer uit bed belde en ik zo slaperig voor hem verscheen dat hij eindelijk doorkreeg dat ik echt niet de bron van overlast kon zijn. Het bleek de bakkerij beneden te zijn die hem telkens stoorde.)

OplichterIk deed open en voor me stond een meneer, die vertelde dat hij hier op de trap woonde. Ik kende hem niet, maar hij beweerde dat hij hier al negen maanden woonde en dat hij mij wel degelijk eerder gezien had. Nu moet ik toegeven dat ik in de loop der jaren het overzicht soms wat verloren heb. In de beginjaren kende ik iedereen goed, maar naarmate er meer mensen vertrokken en kwamen, hield ik het minder scherp bij. Bovendien, ook buren die je verder best aardig kent, kom je soms weken- of maandenlang niet tegen, om ze dan ineens vijf dagen achtereen tegen het lijf te lopen. Ook op allerlei geliefden, vrienden, logé’s heb je niet altijd onmiddellijk zicht. Maar dat deze meneer hier echt woonde, dat kwam me niet waarschijnlijk voor. Hij gaf bovendien een nummer op de bovenste verdieping op en ik kon me voor de geest halen dat ik alle bewoners daar recentelijk nog wel gezien had. Hij kon daar simpelweg niet wonen.

De man vertelde dat hij zichzelf buitengesloten had. Hij had per ongeluk de deur dichtgetrokken en nu moest er een sleuteldienst komen. Ik vroeg hem of hij soms wilde bellen, maar dat had hij al gedaan, zei hij. (Ik moet altijd nog aan het bestaan van mobieltjes wennen.) Nee, het ging om het betalen van die sleuteldienst. Hij had het geld nu niet. Hij had bovendien eten op het vuur staan en de situatie was gevaarlijk: er kon zomaar brand uitbreken. Hij had 28 euro nodig. Op de een of andere manier maakte juist dat bedrag het verhaal er naar mijn idee niet geloofwaardiger op, omdat de bedoelde service bij mijn weten aardig wat duurder is. Maar alla, het zou natuurlijk kunnen dat hij een deel wel had en juist dat bedrag nog tekort kwam.

Leugenaar
Ik zei tegen hem dat ik dan eerst de situatie wel eens wilde bekijken. Ik sloot mijn woning af en liep met hem de trap op naar de bovenste verdieping. Daar belde ik aan bij het nummer dat hij opgegeven had. De bewoner deed open. Ik vertelde hem dat de meneer naast me beweerde dat hij daar woonde. Die mompelde vervolgens iets als dat hij zich kennelijk in het nummer vergist had en dat alles toch zo op elkaar leek. Mijn buurman, mijn echte buurman dus, reageerde resoluut en zei: ‘dan zullen we u even naar buiten geleiden’. Samen hebben we de meneer naar de voordeur gebracht en daarmee was voor ons de kous af. Om 22.27 uur meldde ik op Twitter: ‘Net grappige oplichter aan de deur. Wilde geld lenen voor sleuteldienst (“buitengesloten”). Bewoner waar hij beweerde te wonen, deed open.’

Gelukkig was een twitteraar zo verstandig om te vragen of ik de politie ingelicht had. Daar had ik nog niet aan gedacht. Ik had ook geen enkele schade geleden, was alleen een paar minuten lastig gevallen met flauwekul. Het drong ineens tot me door dat de kans groot was dat hij hetzelfde trucje nog wel vaker zou uitproberen. Ik besloot eerst om even de straat op te gaan: wellicht kwam ik hem nog weer tegen. Toen ik buiten was, zag ik twee agenten die iets verderop ergens naar binnen wilden gaan. Ik sprak ze aan en ze waren zeer geïnteresseerd. Een van beide noteerde mijn verhaal en mijn gegevens. Vanochtend werd ik opgebeld door de politie. Men verzocht mij om het verhaal nog eens te vertellen en vroeg ik of daarna even naar het bureau wilde komen om een aangifte te ondertekenen. Dat heb ik gedaan. Men is bewijsmateriaal aan het verzamelen en men is hier kennelijk scherp op. Goed werk.

Op zich is het geen belangrijk incident. Ik besefte bijna vanaf het begin dat er iets niet kloppen kon, en ik geloof niet dat ik me gauw had laten oplichten. Maar waar ik achteraf eigenlijk het meest verbaasd over ben, is hoe iemand zonder blikken of blozen een volkomen onwaar verhaal tegen je kan vertellen. Uiteraard, mensen zullen in de maatschappelijke omgang niet altijd de volle waarheid vertellen. Ze zullen wel eens ergens omheen draaien, zich met een smoes ergens vanaf maken, een leugentje om bestwil gebruiken. Al dat soort dingen zijn denkbaar en misschien niet eens ongebruikelijk. Maar als het al om ‘liegen’ gaat, gaat het dan vooral om zelfbescherming. Mensen zijn niet altijd bereid om de ‘volle waarheid’ te vertellen en daar hebben ze soms groot gelijk in. Alleen kunnen ze niet altijd openlijk vertellen dat ze niet de volle waarheid kunnen of willen vertellen, omdat ze dan al te veel over die waarheid, die ze juist, om welke reden dan ook, geheim willen houden, los zouden laten.

Proposities
Maar dat iemand je van a tot z een verzonnen, gelogen verhaal vertelt, in dit geval met het doel om je geld af te troggelen, dat maak je toch niet zo vaak mee. (Nou ja, reclame, maar dat is toch net iets anders.) Zo ongeveer elke zin die deze op het oog keurige meneer uitsprak, was gelogen en dat wist hij. Hij was niet mijn buurman, hij had zich niet buitengesloten, hij had zich echt niet vergist. Ik wist eigenlijk direct dat er iets niet klopte. Ik heb dus vooral vragen gesteld. En ik ben dus met hem gaan kijken of hij ook echt woonde waar hij beweerde te wonen. De conclusie was toen duidelijk. Maar ik heb geen moment tegen hem gezegd dat hij een leugenaar was. Je bent dat ook niet gewend. Eerder dit jaar heb ik meegemaakt dat een hoogleraar allerlei denigrerende opmerkingen over een stuk dat ik geschreven had, maakte, die me nogal raar voorkwamen, en pas de volgende dag drong het tot me door dat hij domweg loog en het zelfs niet eens bekeken had. Op echte harde leugens ben je in het maatschappelijk verkeer niet voorbereid, omdat ze buiten de conventies vallen.

Waarheid en onwaarheid, waarheid en leugen zijn geen gelijkwaardige categorieën. Waarheid is de norm, onwaarheid de grote uitzondering. Daarom hoeven we van allerlei beweringen ook niet steeds te zeggen dat ze waar zijn. Daar gaan we vanuit. Dat is de maatschappelijke norm: dat mensen de waarheid vertellen, naar eer en geweten. De waarheidsvraag komt daarom pas in het geding als er twijfel ontstaat. Klopt iets wel? Is een bewering wel waar? Onwaarheid en leugen hebben geen rechtmatige plaats.

Juist daarom is het veelvuldige gebruik van het begrip propositie in de filosofie dezer dagen, niet door alle wijsgeren uiteraard, maar wel bij velen, zo merkwaardig. Een propositie is kort gezegd de inhoud van een bewering die waar of onwaar kan zijn. De Stanford Encyclopedia of Philosophy zegt het net iets omslachtiger: ‘Propositions, we shall say, are the sharable objects of the attitudes and the primary bearers of truth and falsity.’ Het barbaarse taalgebruik, waarin ‘waarheidsdragers’ een prominente rol spelen, geeft al een zekere indicatie van de wijze van denken. Zolang het gaat om een formeel logisch systeem, is er niks aan de hand. Daarin kan men naar believen met waarheidstabellen met enen en nullen spelen. Gevaarlijk wordt het pas als een dergelijk begrip in gewone wijsgerige teksten wordt gebruikt.

Waar en onwaar
Er zijn twee bezwaren. Het eerste is uiteraard dat er, althans in de gebruikelijke logische en wijsgerige omgang met het propositiebegrip, maar twee ‘waarheidswaarden’ zijn: waar en onwaar. Dat is natuurlijk een perversie van het gewone waarheidsbegrip, waarin er allerlei gradaties van waarheid zijn: iets kan ook enigszins of half of grotendeels waar zijn. En onwaarheid is niet één eenduidig begrip. Een leugen is iets anders dan een vergissing. De reden waarom een bewering niet waar is, kan sterk verschillen. De bewering dat de huidige keizer van Duitsland roodharig is, is op een andere manier onwaar dan de stelling dat de huidige president van Duitsland rood haar heeft. Maar op dit eerste punt wil ik nu niet al te zeer ingaan. Ik kom daar nog wel eens op terug.

Het gaat me nu om het tweede aspect: de veronderstelde gelijkwaardigheid van waarheid en onwaarheid. Alsof mensen voortdurend dingen zeggen die weliswaar informatief zijn – dat is de term die Wim de Jong in zijn omschrijving in zijn basisboek logica Argumentatie en formele structuur hanteert – maar waarvan we nog niet weten of ze waar of onwaar zijn. Of waarvan dat niet uitmaakt. Het lijkt me een misvatting. Het maakt wel degelijk iets uit of we de waarheid spreken. Het is geen toeval dat feiten alleen maar waar kunnen zijn. Als we zeggen dat iets een feit is, claimen we daarmee dat wat we beweren, waar is. Onze taal is aangelegd op waarheid als regel en op het ontmaskeren van onwaarheid als inbreuk daarop. En die onwaarheid wordt dan op verschillende wijzen nauwkeurig omschreven: een vergissing en een leugen zijn allebei niet ‘waar’, maar het verschil tussen een rekenfout en de bewering dat iemand bij mij op de trap woont, terwijl dat niet zo is, is nogal helder en dat maken we ook duidelijk.

Natuurlijk zijn er soms stellingen waarvan je nog niet weet of ze waar of onwaar zijn. Hypotheses bijvoorbeeld. Er zou een verband tussen dit en dat kunnen zijn. Maar het gaat dan om vragen. Is het ook zo als je vermoedt? En een negatief antwoord kan dan ook verder helpen: dat dat verband er niet is. Ooit dachten sommige mensen dat roken goed was voor de gezondheid, nu weten dat we dat roken schadelijk is. Maar de bewering dat roken gemeenlijk slecht is voor de gezondheid, is een stellige, ware, onderbouwde bewering en niet de toevallige negatieve ‘waarheidswaarde’ van de propositie ‘roken is goed voor de gezondheid’.

Midden
Waarheid is geen neutraal begrip. En de waarheid dien je dus ook niet in het midden te laten en al helemaal niet in wijsgerige teksten. Zodra het niet over formele logica gaat, is er zelden of nooit een goede aanleiding om over proposities te beginnen. Filosofen dienen gewoon te staan voor wat ze zeggen. Een bewering pretendeert in het maatschappelijk verkeer juist of waar te zijn. Als we dingen zeker menen te weten, noemen we ze feiten. Het heeft geen enkele zin om dan heel neutraal over ‘proposities’ te gaan spreken, die zowel waar of onwaar zouden kunnen zijn. Meestal weet je wel wat het geval is.

De oplichter wist dat zijn beweringen onjuist waren. Hij heeft van liegen zijn vak gemaakt. Ik wist het bij de eerste zinnen uiteraard nog niet zeker, maar al snel begon er iets bij mij te dagen. De bewering dat hij bij mij op de trap woonde, kon waar of onwaar zijn. Even was dat een simpele propositie. Toen wist ik al snel dat het onwaar was. Proposities dient men te elimineren. In alle opzichten.

(165)