Posts tagged ‘Elsevier’

22 november 2013

Naslawerken – Over anglicismen, germanismen, gallicismen en de verdachte Verheugt

door Jan Dirk Snel

In zijn taalrubriek in Trouw, waarvan ik nooit goed weet of die nu taal of Taal heet – is de kleine letter een integraal onderdeel van de naam, zoals je ook stern en niet Stern en facebook en niet Facebook dient te schrijven, of gewoon een typografisch eigenaardigheidje van de vormgevers van de krant? – is Jaap de Berg vandaag toegekomen aan lezersvraag nummero 677. “Naslagwerk” en “impact”: woorden die niet iedereen op prijs stelt’, zo luidt de kop. Ik citeer de vraag en het begin van het antwoord:

Herhaaldelijk struikelen lezers over bastaardwoorden. “Impact”, laatst zelfs in een kop, zou ”een stuitend anglicisme” zijn. “Naslagwerk”, nota bene in deze rubriek aangetroffen, had vervangen moeten worden door het niet-germanistische “naslawerk”.
Wat volop ingeburgerd is, en dat is naslagwerk, verliest de reputatie van bastaardwoord. Zouden de critici ervan ook, pakweg, boter willen vervangen omdat middeleeuwers het Germaanse anke hebben ingeruild voor dit stuitende latinisme?’

Daarna gaat het verder over het woordje impact en over (Engelse) leenwoorden, maar mij gaat het nu om dat woordje naslagwerk.

DeVerdachteVerheugt

`

Strijd
Uiteraard heeft Jaap de Berg gelijk. Woorden die ingeburgerd zijn, behoren gewoon tot de taal. Je kunt bepaalde woorden persoonlijk verfoeien, het daadwerkelijke gebruik is toch het belangrijkste criterium bij de beoordeling van de vraag of een woord al dan niet tot de standaardtaal behoort. In dit geval is het zelfs zo dat het Groene Boekje, althans in de versie op internet, naslawerk niet kent en naslagwerk wel. Ook het grote Woordenboek der Nederlandsche Taal (WNT) biedt wel het lemma naslagwerk aan, maar van naslawerk heeft het nog nooit gehoord. Ook als je zoekt op ‘woord in artikel’, vind je het niet.

Wat mij altijd het meest verbaast, is de gedachtegang die de geërgerde lezers uit de vraag tot struikelen brengt. Het idee erachter is kennelijk dat er zoiets als een ‘zuivere’ taal bestaat. En die zou dan naar het woord van Tollens van ‘vreemde smetten’ vrij gehouden moeten worden. Voor sommige mensen is het predicaat germanisme, anglicisme of gallicisme dan ook al genoeg om hun afkeuring over het gebruik van een woord uit te drukken. In dit geval hebben ze, anders dan in het concrete geval van naslawerk, het WNT trouwens aan hun zijde.

Dat omschreef een anglicisme in 1949 als een ‘uitdrukking die aan het Engelsch eigen is en die in een andere taal wordt overgenomen, in strijd met het idioom van die taal’, een germanisme in 2001 als een ‘woord, uitdrukking of constructie dat/die, in strijd met het eigen taalgebruik, is gevormd uit het Duitsch of daaruit letterlijk vertaald is’ en een gallicisme, eveneens in 2001, als een ‘uit het Fransch in een andere taal overgenomen woord dat, uitdrukking of woordschikking die in strijd is met het idioom van die andere taal’. Ik citeer alle drie omschrijvingen maar even, omdat het wat curieus is dat ze allemaal net iets anders geformuleerd zijn – wat letterlijk knip- en plakwerk had volstaan, zou je zeggen – maar in alle drie staat wel dat het begrip een verschijnsel omschrijft dat ‘in strijd met’ het ‘idioom’ of ‘het eigen taalgebruik’ van de ontvangende taal is. Er zit dus duidelijk een negatief waarderend element in.

Leenwoord
Je kunt je afvragen of dat wel nodig is. Je zou onder een anglicisme, germanisme of gallicisme ook een leenwoord uit het Engels, Duits of Frans kunnen verstaan dat als zodanig nog duidelijk herkenbaar is –
überhaupt is een goed Nederlands woord, waarvan Huizinga terecht opmerkt dat we er ‘geen equivalent’ voor hebben, maar je ziet direct waar het vandaan komt – zonder daar verder een afkeurend oordeel over uit te spreken. De omschrijving van een latinisme, ook al uit 2001 – men was dat jaar kennelijk met een inhaalslag bezig – is bijvoorbeeld veel neutraler: ‘taaleigenaardigheid die ontleend is aan het Latijn maar afwijkt van de eigen taal, inz. in idioom en zinsbouw’.

Het grappige is dat al deze woorden zelf volgens het WNT ook uit de ons omringende drie grote talen afkomstig zijn. Anglicisme zou uit het Frans (anglicisme) of Neolatijn (anglicismus) komen, germanisme ook uit het Engels (germanisme, 1611), Frans (germanisme,1720) of Duits (germanismus) en gallicisme waarschijnlijk uit het Frans (gallicisme, 1578, in 1690 in de gedefinieerde betekenis), en daarbij verwijst men ook nog naar het Van Dale Etymologisch Woordenboek. dat ook varianten in het moderne Latijn (gallicismus), Engels (gallicism, 1656) en Duits (gallizismus) geeft.

Merk overigens op dat de drie, nu dus vaak afkeurend gebruikte begrippen zelf tot op zekere hoogte, maar dan wel enigszins indirect, via het Frans dat in alle drie gevallen een bron lijkt te zijn, latinismen zijn of dat althans óók zijn. Anglicisme gaat terug op Anglia en dat is zowel Latijn als Engels, maar daarbij is het verband met Engeland en Engels nog wel direct duidelijk. Het gaat om een klankverschuiving of klankverschil. Maar we zeggen dus gallicisme en germanisme en niet francisme en duitsisme. De begrippen refereren duidelijk aan de Latijnse benamingen Gallia en Germania, al neem ik aan dat Tacitus en anderen die namen wel weer aan aanduidingen die door lokale stammen zelf gebruikt werden, ontleend hebben – ik ga dat nu niet nakijken. Maar het zal duidelijk zijn dat het langdurige gebruik van het Latijn zeker heeft bijgedragen aan de instandhouding ervan, zij het niet als enige. De aanduidingen zijn ook in andere talen blijven leven. In het Engels zegt men immers ook Germany.

Zuiverheid
Het meest opvallend zijn trouwens de jaren waarin de begrippen opgenomen zijn. De afleveringen over de A en de G verschenen al in de jaren tachtig van de negentiende eeuw. Het gaat om latere toevoegingen. Mogelijk dat de opname van anglicisme in 1949 toe te schrijven valt aan een plotselinge proliferatie van het Engels na de Bevrijding? Maar dan verbaast het toch dat men er zo lang niet aan gedacht heeft om het germanisme te omschrijven, want juist over dat verschijnsel werd met name in het Interbellum veelvuldig geklaagd. In 1931 werd het genootschap Onze Taal zelfs opgericht om de strijd met oprukkende germanismen aan te binden. Je zou toch zeggen, een tamelijk onschuldig verschijnsel vergeleken met het fysieke binnentrekken der troepen dat negen jaar later volgde. En aan de herkomst van de hier besproken woorden kunnen we al zien dat in vroeger eeuwen met name het Frans een grote rol speelt. Als je achttiende-eeuwse gerechtsstukken doorneemt, zie je dat ook gewone, ongeletterde mensen hun taal met gallicismen doorspekten.

Maar goed, ik zou dus de voorkeur geven aan een meer feitelijke beschrijving, waarbij anglicismen, germanismen en gallicismen omschreven worden als woorden waarvan de afkomst nog wel herkenbaar is, maar dan zonder daaraan een negatieve waardering toe te kennen. Het misverstand waar ook Jaap de Berg vanochtend tegen moest opboksen, is dat er zoiets als een ‘zuivere’ taal bestaat, die puristisch hersteld of in stand gehouden zou kunnen worden. Volgens Joop van der Horst, die in 2008 een mooi en onderhoudend boek over Het einde van de standaardtaal. Een wisseling van Europese taalcultuur schreef, is dat een typisch renaissancistisch idee, dat nu op zijn laatste benen begint te lopen. Natuurlijk is er in een taalgemeenschap enige regeling nodig. Men moet elkaar immers kunnen verstaan en kunnen begrijpen. En je wilt, vooral bij het schrijven, een beetje weten waar je aan toe bent, zodat je niet steeds zelf een keuze hoeft te maken. Vandaar dat er zekere regels nodig zijn.

Maar het idee van een zuivere taal is een kunstmatig idee. Taal, zo beschrijft Van der Horst, is een continuüm. Binnen wat we nu een taal noemen, zijn er overgangen, maar ook tussen talen zijn die er. Ook de grens tussen Nederlands en Frans of tussen de Germaanse en de Romaanse talen was nooit scherp. Buren spraken met elkaar en namen woorden, constructies, vormen en zo meer van elkaar over. Wie de isoglossen in een dialectatlas bekijkt, ziet dat elk verschijnsel eigen grenzen kent. En daar waar we een sterke bundeling van isoglossen zien, is dan kennelijk een zekere taalgrens. Die zijn de laatste eeuwen vooral politiek bepaald. Een taal is een ‘dialect met een leger en een vloot’ zeggen we dan met een geslaagde frase van de Jiddische geleerde Max Weinberger.

Nuttig
Je hoeft niet elk vreemd woord dat binnenkomt, onmiddellijk te omhelzen, maar soms vervullen woorden van elders een nuttige functie, omdat ze iets kunnen weergeven dat we zo nog niet goed konden zeggen. Of fungeren ze als een technische term voor iets waar we zelf ook wel een woord voor hebben, maar waarbij die ‘eigen term’ breder is, zodat het buitenlandse synoniem een specifiek en vaak nieuw gebruik kan aanduiden. Natuurlijk zijn er woorden die niet erg nodig lijken. Ik heb bijvoorbeeld nooit begrepen waarom ik ineens flyers voor bijeenkomsten moest maken – ook dat is trouwens al weer een jaar of tien of langer geleden, toen e-mailnieuwsbrieven (en wat daarna kwam) nog niet iedereen bereikten – en waarom politici gingen flyeren. Maar hoe zeiden we dat dertig jaar geleden nu? Ik denk dat we toen folders maakten en dat men bij de deur van de universiteit of de fabriek stond te folderen, maar helemaal zeker zou ik het echt niet meer weten.

Nu is het natuurlijk de vraag of dit wel het goede voorbeeld is. Is flyer een anglicisme of gewoon een Engels woord? Het WNT is op dat punt niet helemaal helder. Bij het anglicisme zegt het dat dat een uitdrukking is ‘die aan het Engelsch eigen is en die in een andere taal wordt overgenomen’. Je zou zeggen: dan is flyer een anglicisme, want het woordenboek zegt niets over de wijze van overname. Dat geldt ook voor het gallicisme dat een ‘uit het Fransch in een andere taal overgenomen woord (…), uitdrukking of woordschikking’ zou zijn. Letterlijk, onveranderd overnemen telt kennelijk ook.

Maar ten aanzien van het germanisme zegt het dat het een ‘woord, uitdrukking of constructie’ is, ‘gevormd uit het Duitsch of daaruit letterlijk vertaald’. Dat laatste is duidelijk, maar ook dat ‘vormen’ veronderstelt kennelijk een zekere bewerking. Dat is, denk ik, ook waar mensen aan denken: aan woorden als voorwoord of nieuwbouw, die slechte, al te directe vertalingen uit het Duits zouden zijn, die zich niet zouden houden aan de regels voor Nederlandse woordvorming. Of dat ook zo is, laat ik nu maar even in het midden. Of toch maar niet. Het zijn uitstekend bruikbare woorden en ook de wijze waarop je woorden vormt, kun je desnoods aanpassen en uitbreiden. Niks mis mee.

Nachschlagewerk
Kortom, er lijkt me weinig mis met gallicismen, germanismen en anglicismen – in mijn neutrale en ruime omschrijving dan. Je moet gewoon per geval beoordelen of een woord een nuttige, verrijkende functie heeft en of er mogelijk een beter gevormd of te vormen Nederlands alternatief beschikbaar is. Veel modieuze woorden verdwijnen trouwens ook weer. Ik refereerde al aan achttiende-eeuwse verhoren door de schepenbank, waarvan ik ooit honderden of duizenden bladzijden heb doorgenomen. Veel aan het Frans ontleende woorden of uitdrukkingen waar die teksten van wemelen, kom je nooit meer tegen en soms moet je als lezer even puzzelen waar de Nederlandse vervorming nu in het Frans op teruggaat.

In mijn jeugd hadden we het bij het voetbal altijd over corners en zoiets als pennelties, maar ik geloof dat men allang weer over hoekschoppen en strafschoppen spreekt, al volg ik het voetbal te slecht om dat goed te kunnen beoordelen. Ook in het parlementaire en politieke jargon zijn uitdrukkingen weer verdwenen. In de negentiende eeuw noemde men de leider van een politieke formatie vaak de leader van zijn partij. Thorbecke was de leader van een liberale factie en wat later was Abraham Kuyper dat van de antirevolutionairen. Men sprak overigens ook over kamerclubs en het laatste deel van die samenstelling kwam uiteraard ook rechtstreeks van over de Noordzee. Verklaarbaar taalgebruik, want het Britse parlement was natuurlijk het grote voorbeeld, maar nu spreken we gewoon over fractieleiders en partijleiders. (Terzijde: ooit vroeg ik in Israël aan de gids van een Duitstalig gezelschap of hij de Führer dieser Reisegruppe was. Dat vond hij geen gelukkige uitdrukking. Hij was ook in het Duits liever de Guide.)

Maar terug naar het woord waarmee dit allemaal begon: naslagwerk. Dat komt inderdaad van het Duitse Nachslagewerk. Het is kennelijk ook nog vrij nieuw. Het WNT nam het pas bij de inhaalslag in 2001 op en het oudste verwijzing die daarbij gegeven wordt, dateert uit 1950. Die is wel naar het woordenboek van Van Dale en het moet dus al wel wat ouder zijn, want anders zou het woordenboek het toen niet als gangbaar Nederlands opgenomen hebben. Dat klopt ook wel. De oudste twee vermeldingen via Google Books vond ik in 1907, maar dan ook direct twee keer: in het ‘maandelyksch bibliografisch tydschrift’ De Boekzaal en in het ongetwijfeld spannende Maandblad voor het Boekhouden en Aanverwante Vakkenwaarin een Buchhaltungs-Lexikon ‘terecht veel geprezen’ wordt genoemd. Naslawerk volgt overigens al drie jaar later in een jaargang van De Navorscher uit 1910. Er zullen vast en zeker nog wel oudere vindplaatsen opduiken, maar het woord lijkt toch zo net na of omstreeks de vorige eeuwwisseling in zwang te zijn gekomen.

Sla
In 1980 bestond het boekenweekgeschenk van het CPNB uit een ‘politieroman’ – zo heette dat toen – van Janwillem van de Wetering, De verdachte Verheugt. Op een gegeven moment is het duo Grijpstra en De Gier op bezoek bij de uitgever Frits Verheugt, de naam uit de titel, om hem te vragen waar zijn verdwenen vrouw gebleven is. Die vertelt dat hij van een makker uit de kroeg, Hieuwer, die in de directie van Rozevier zit, een bod op zijn zaak had gekregen.

‘Grijpstra wilde weer door het appartement gaan dwalen maar wist zich te beheersen. “Rozevier? Dat is een grote. Boden ze een beetje een redelijk bedrag?”
“Jawel.”
“Rozevier?” vroeg De Gier. “Ik dacht altijd dat die in groente deden.”
“Groente?” vroegen Grijpstra en Verheugt gelijktijdig.
“Ja. Sla. Iets met sla. Doen ze daar niet in?”
Verheugt keek verbaasd, Grijpstra geërgerd.’

Het gesprek gaat nog even door. Verheugt wilde de zaak niet verkopen en zijn vrouw was daar boos over. Het was een mooi bedrag, Verheugt zou nooit meer hoeven te werken, maar hij zei dat hij iets om handen moest hebben.

‘”Uw vrouw geloofde dat niet?’
“Nee, ze werd sarcastisch. Ze ziet niets in boeken over sla verbouwen op het balkon. Ze houdt meer van uitgaan en luxe, en dat heb ik haar eigenlijk nooit gegeven, we leefden altijd heel eenvoudig.”
“Sla,” zei De Gier, “zie je wel, daar heb je het weer.”
“De Gier, alsjeblieft.” Grijpstra keek zorgelijk naar Verheugt maar de verdachte scheen de onderbreking niet gehoord te hebben.
“Nou zie ik toch dat Ria gelijk had. Wat heb ik nou voor elkaar gekregen? Wat doet het ertoe wie die collectie boeken over geiteharen sokken en hallucinerende padddestoelen en piskijken, daar had ik een mooi boekje over, dat heb ik vier keer herdrukt in éen seizoen, wat doet het ertoe wie dat beheert? Als Rozevier het graag wil hebben en ik mag dan ter ruste, waarom niet?”
“Nasla,” zie De Gier.
“Nou weet ik het. Als je de stad binnen komt rijden zie je het. In neonletters. Rozevier naslawerken. En die andere zaak doet in beren. Ook in boeken natuurlijk maar voornamelijk in beren. Waarom gaat u ook niet met die firma praten? Misschien bieden die meer.”
Verheugt knikte gehoorzaam. “Dat zal ik zeker doen, er zijn vast nog meer uitgeverijen die interesse hebben. Ik zal mijn huid duur verkopen.”

Elsevier naslawerken
Het was natuurlijk duidelijk waar Rozevier voor stond: Elsevier, destijds een bekende algemeneboekenuitgever, een fonds dat men later aan de kant heeft gedaan toen het niet de winstmarges opleverde die Pierre Vinken wilde. Die zoog liever met publiek geld betaalde universiteitsbibliotheken uit met veel te dure en in feite monopolistische wetenschappelijke tijdschriften. Maar destijds was Elsevier nog de trotse uitgever van onder meer de grote Winkler Prins, een mooi naslagwerk. Het concern zetelde destijds aan de Amsteldijk in het grote gebouw Rivierstaete. Welnu, dat Elsevier had iets verderop, op het dak van het ook al grote gebouw Casa Academica, later Casa 400, des zomers hotel, des winters studentenhuisvesting, grote neonletters laten plaatsen, waarop Elsevier naslawerken stond. Als je in de tijd dat Janwillem van de Wetering zijn boekje schreef, de stad vanaf Muiden en Diemen binnen kwam rijden over de Gooiseweg, zag je het onvermijdelijk in de laatste bocht van de weg staan. En altijd verbaasde ik me over die ontbrekende g.

Veel lezers van zijn boekje zullen de zinspeling direct begrepen hebben. Waar die ‘beren’ in de passage op duiden, zou ik trouwens niet (meer) weten. Misschien op een reclame die ernaast stond? Maar waarvan dan? Ik kom alleen maar op een merk berenburg, maar dat lijkt toch niet echt waarschijnlijk. Maar misschien zou ik het daarvoor het hele boekje moeten herlezen. Hoe het ook zij, later in het verhaal keert het thema nog eens terug:

‘De Gier stond bij de tafel. “Rozevier. Die doen in sla.”
“Sla?”, vroeg Hieuwer.
“Niet nog een keer, brigadier.” Grijpstra’s wijsvinger stak bezwerend omhoog.
“Naslawerken,” zei De Gier. “In Neonletters. Dat lees ik als ik de stad binnenrijd op de Utrechtseweg. Hele grote letters.”
Hieuwer dacht na. “Ah juist. Ik begrijp u. Daar is destijds nog over gediscussieerd, tijdens een directievergadering. Dat was om te besparen. Onze Neerlandicus, die is niet van de directie maar die hebben we er altijd bij, zei dat het wel kon. En het bespaarde inderdaad een neonletter. Weet u wat een neonletter kost?”
“Nee.”
“Ik weet het ook niet meer. Veel, geloof ik. Het fietsenhok hebben we dat jaar ook niet gebouwd.”‘

Van de Wetering verplaatste de locatie een slagje van het oosten naar het zuidoosten naar een andere invalsroute. De reden voor de ontbrekende letter was trouwens anders. Er had aanvankelijk wel degelijk ‘naslagwerken’ op het dak gestaan, maar dat was ooit als lagwerken op een krantenfoto gekomen, zo wil het verhaal, en toen zou men tot wijziging besloten hebben, al ontgaat mij enigszins wat er nu zo erg is aan dat woord. Als er nou iets met een ch had gestaan. De wijziging, die kennelijk al voor of in 1970 zijn beslag had gekregen, hielp overigens niet echt. Een ander verhaal wil dat men toen vanuit een bepaalde hoek aslawerken kon lezen. De merkwaardige schrijfwijze trok in ieder geval wel de aandacht en je zou je kunnen afvragen of het daar eigenlijk niet om te doen was.

Slag
Ook al lijkt het op zich correct of op zijn minst mogelijk, dat naslawerken, het klinkt raar en het staat ook vreemd, al kan men er nog wel met ‘droge ogen‘ naar kijken. In het voltooid deelwoord komt de g trouwens wel voor. Het is geslagen en nageslagen. En men slaat een slag. Een taalkundige, Geert Booij, heeft trouwens wel eens enige regels aan die Elsevier naslawerken gewijd, al geloof ik dat hij de wijziging van het woord juist verkeerd om vertelt.

Als je erover nadenkt, is dat hele woord naslaan trouwens een beetje vreemd. Slaan klinkt zo gewelddadig. Met boeken zou men liefdevol moeten omgaan. Voor dit stukje heb trouwens meer anglicistisch gesurft en gegoogeld, maar dat boekje van Janwillem van de Wetering heb ik er toch germanistisch op nageslagen.

Naschrift (21.07 uur)
Enkele fouten, met name typefouten en spellingfouten, heb ik inmiddels uit het stukje gehaald. Ook veel dank aan een lezeres die mij op een aantal typo’s wees. Ook heb ik een paar zinnen inhoudelijk nog wat gewijzigd of aangevuld, al zijn de veranderingen beperkt gebleven.

(122)

20 november 2012

Hoe De Telegraaf desinformatie verspreidde – Kees Hulsman over wat Dries van Agt wél zei

door Jan Dirk Snel

.:.

Een week geleden publiceerde ik hier een stukje over Afshin Ellian en zijn aantijgingen tegen Dries van Agt. Ik ontving daarop een een e-mail van Cornelis (Kees) Hulsman, hoofdredacteur van de bekende site Arab West Report, die bij de bijeenkomst in Museumpark Oriëntalis (Heilig Landstichting, gemeente Groesbeek, nabij Nijmegen) aanwezig was geweest. In een reactie onder het bericht had ik daar al voorzichtig aan gerefereerd, zonder de naam te noemen overigens. Afgelopen zaterdag reageerde Kees Hulsman openbaar met een uitvoerig commentaar onder mijn stuk (dat ik na een afwezigheid van enkele dagen pas later toegankelijk kon maken).

Kees Hulsman (foto: Wikipedia)

De Telegraaf
Vanwege het belang van dit verslag en commentaar van een ooggetuige heb ik besloten het hieronder nog eens afzonderlijk te publiceren. Het valt dan hopelijk iets meer op. Ik heb de tekst volledig intact gelaten [dat is nu niet meer zo: ik heb nu enkele passages geschrapt, zie het naschrift], maar het wel even op spelling, verschrijvingen en dergelijke geredigeerd; iedereen kan de oorspronkelijke versie desgewenst ook bekijken [nu niet meer, zie ook hiervoor het naschrift]. En voor de helderheid heb ik tussenkopjes aangebracht (en in de e-mail die wordt weergegeven, heb ik ze voor de zekerheid tussen rechthoekige haken geplaatst).

Wel is duidelijk dat De Telegraaf bewust desinformatie verspreidde en dat dat maar al te gretig door andere media, waaronder Elsevier en het Reformatorisch Dagblad werd opgepikt en aangedikt; zie daarover ook mijn vorige stukje. Het bericht op de voorpagina van De Telegraaf van vrijdag 9 november 2012 onder de kop ‘Joodse staat in Duitsland’ , dat als zodanig slechts 167 woorden telt, begon als volgt:

‘De pro-Palestijnse activist Dries van Agt heeft gisteren het bestaansrecht van Israël afgewezen en gesuggereerd dat na de Tweede Wereldoorlog een deel van Duitsland had moeten worden ingeruimd als Joodse staat. Joden hebben een veilige plek nodig. Waarom hebben de Joden indertijd geen veilige thuishaven in Duitsland gekregen. Waarom moest dat zonodig Palestina zijn, zei Van Agt, die applaus oogstte van de aanwezigen, onder wie veel traditionele moslims.’

Een interview in het Reformatorisch Dagblad
Het is volstrekt duidelijk dat hier van bewuste desinformatie sprake was, om het maar eens erg voorzichtig te formuleren. Van Agt had het bestaansrecht van Israël niet afgewezen. Tot eer van het Reformatorisch Dagblad – en verslaggever Jacob Hoekman – moet gezegd worden, dat het in het geval aanleiding zag nadere helderheid te verschaffen door Van Agt zelf te interviewen. Dat stuk verscheen vrijdagavond op de website onder de titel ‘Oud-premier Van Agt “zag het licht” in Bethlehem’. Ik raad een ieder aan dat vooral te lezen. De tekst hieronder is verder volledig van de hand van Kees Hulsman.

De reactie van Kees Hulsman

 

Achtergrond
Ik was bij de presentatie van Van Agt aanwezig. Allereerst mijn achtergrond ten aanzien van de lezing. Ik ben op 8 oktober uitgenodigd door de Egyptisch-Nederlandse zakenman Dr. Wahaab Abdallah om in Nijmegen over ons werk in Egypte te spreken (www.arabwestreport.info). 8 oktober was de dag dat de Egyptische ambassadeur een welkomsreceptie gaf voor een Egyptische meerpartijendelegatie die Nederland bezocht. Van Agt was op deze receptie, Hanneke Gelderblom was hier voor D66 en zelf was ik er ook, naast Kamerleden, partijvertegenwoordigers van verschillende Nederlandse politieke partijen en individuele partijleden. Voor de goede orde: Van Agt en Gelderblom waren beiden door mij uitgenodigd voor deze receptie. Ik kon dat doen omdat ik de hoofdorganisator van deze delegatie was. Abdallah, ook uit Nijmegen, reed Van Agt naar Den Haag en bracht hem weer terug.

De bijeenkomst van 8 november
Het doel van de Egyptische delegatie naar Nederland was dialoog met Nederlandse partijen en Abdallah reageerde daarop door Van Agt, Gelderblom en mij uit te nodigen voor een dialoogbijeenkomst in Nijmegen. Hanneke Gelderblom zegde toe om na de presentatie van Van Agt over de dialoog Joden-Moslims te spreken. Zij behoort tot de Joods Liberale Gemeente van Nederland. Op geen enkele manier zouden zij of Van Agt namens een organisatie spreken, maar hun bijdragen waren persoonlijk.

Hanneke Gelderblom liet me een week van tevoren weten dat zij haar belofte tot haar grote spijt niet waar kon maken. Zij zou de presidentsverkiezingen in de VS waarnemen en zag dat haar vliegtuig op 8 november ‘s ochtends zou aankomen en niet de avond tevoren als eerder verwacht. Zij gaf me de namen van Harry Polak en Esther Voet (CIDI) om hen uit te nodigen om in plaats van haar aanwezig te zijn. Ik heb beiden gevraagd en beiden waren bereid geweest om te komen, ware het niet dat de vraag zo kort voor de betreffende datum kwam. Dat heb ik alle begrip voor.

Van Agt hoorde dit alleen op 8 oktober [dit moet november zijn, denk ik, jds] ’s ochtends en en ging direct naar huis om snel zijn standaardpresentatie over het Israëlisch-Palestijnse conflict op te halen. Het gevolg van het ontbreken van Joodse vertegenwoordiging, die dus heel duidelijk was uitgenodigd, was dat Van Agt de tijd van Gelderblom kreeg en die kon opvullen. Er was op dat moment ook niets anders mogelijk. Er was geen andere spreker en je kon niet verwachten dat de genodigden een uur, dat voor Gelderblom was ingeruimd, niets zouden doen.

Een journalist van De Telegraaf
Ik zat met Dr. Abdallah op de eerste rij en hoorde op een gegeven moment dat er een journalist van De Telegraaf was binnengekomen, foto’s had gemaakt en klaarblijkelijk ruzie had gemaakt met iemand die bij de ontvangst van de genodigden stond. Ik heb geen idee wie dat was, maar de ruzie ging over het feit dat hij niet was uitgenodigd en niet vooraf had gemeld dat hij zou komen en plotseling zich opdrong aan de organisatie, die daar niet op was voorbereid. De journalist vertrok weer nadat Van Agt zijn woordje had gezegd en that was it, dachten we op dat moment. Ik had er geen idee van dat deze journalist […] deze vuilspuiterij en leugens zou verspreiden. Toen ik op 11 november hiervan hoorde, schreef ik mw. Hanneke Gelderblom, Esther Voet en Harry Polak deze e-mail, die ik hier volledig weergeef:

Verzonden: zondag 11 november 2012 1:10
Aan: Hanneke Gelderblom; Esther Voet; Harry Polak
Onderwerp: wat is Federatief Joods Nederland […]

Beste Hanneke, Esther en Harry,

Ik was totaal verbaasd over artikelen in De Telegraaf en Reformatorisch Dagblad dat Federatief Joods Nederland aangifte heeft gedaan tegen oud-premier Van Agt. Voor zover ik weet, was niemand van hen aanwezig. […]

Van Agt heeft op de bijeenkomst in Nijmegen heel expliciet gezegd dat de Holocaust de grootste misdaad in de menselijke geschiedenis is. Hij maakte duidelijk het Zionisme niet te willen afwijzen. Hij heeft gezegd het dom te vinden dat Arabieren het delingsplan van 1947 niet hebben geaccepteerd en dat het daarom begrijpelijk is dat voor een tweestatenoplossing, Israël en Palestijnse staat, uit wordt gegaan van de grenzen van voor 5 juni 1967. Bezetting van in de Zesdaagse Oorlog veroverde gebieden vindt hij onacceptabel.

De berichtgeving was er klaarblijkelijk alleen op gericht om sensationeel en negatief over Van Agt te kunnen berichten.

[Bestaansrecht]
Het eerste bericht verscheen klaarblijkelijk in De Telegraaf van 9 november […]. Dat is niet op het internet terug te vinden, wel een verwijzing daarnaar door het ANP. Volgens het ANP zou De Telegraaf geschreven hebben dat Van Agt het bestaansrecht van de staat Israël afwijst. Ik ben bij de gehele presentatie van Van Agt aanwezig geweest en dit heeft hij beslist niet gezegd. De Telegraaf beweerde volgens het ANP ook dat Van Agt ‘heeft gesuggereerd dat na de Tweede Wereldoorlog een deel van Duitsland had moeten worden ingeruimd als Joodse staat.’ Van Agt heeft gezegd ‘dat het ‘logischer’ was geweest om de Joden een staat in Europa aan te bieden omdat hier de basis voor de Tweede Wereldoorlog lag. ‘Het Midden-Oosten had er helemaal niets mee te maken!’’

Dit was in de context van het verhaal dat de Palestijnen de prijs voor deze grote Europese misdaad moesten betalen. Jodenvervolgingen in Europa en de Holocaust hebben een stroom van migratie op gang gebracht, die vanuit het zicht van de migranten begrijpelijk was, maar voor de Palestijnen desastreus.

[Applaus en dialoog]
Het ANP bericht dat De Telegraaf schreef dat Van Agt met zijn uitspraken veel applaus onder de aanwezigen, ‘onder wie veel moslims’, oogstte. Van Agt heeft applaus geoogst, maar niet op het onderdeel waarin hij over Duitsland sprak.

Met ‘onder wie veel moslims’ wordt gesuggereerd dat Moslims tegen Israël zijn. Wat een vertekening. Dit waren moslims die voor dialoog waren!

Volgens […] Elsevier van 9 november zou Van Agt gezegd hebben: ‘Een dialoog tussen de Palestijnen en de Israëliërs is volgens Van Agt niet mogelijk. Een tweestatenoplossing komt er volgens de oud-premier dan ook niet: ‘Volslagen onzin om dat te hopen of te denken.’’

Wat een verwrongen weergave. Van Agt heeft niet gezegd dat een dialoog tussen Palestijnen en Israëliërs niet mogelijk is. Hij heeft ook aangegeven dat hij niet tegen het Zionisme in het algemeen is. Hij prees Een Ander Joods Geluid. Zijn ongeloof in een tweestatenoplossing was gekoppeld aan de verregaande settlementpolitiek waardoor de Westbank nu in vele onleefbare kleine eenheden is opgesplitst.

[Kristallnacht]
[Elsevier] belt met CDA-lid en communicatieadviseur Jack de Vries, die niet in Nijmegen aanwezig was, die dan zegt ‘Vooral met oog op de Kristallnacht (vanavond 74 jaar geleden) getuigen deze uitspraken van weinig respect voor de geschiedenis.’ Heeft De Vries dit echt spontaan gezegd of heeft de interviewer zijn verwrongen weergave van Van Agts woorden gegeven en dan De Vries gevraagd wat hij daarvan vond in het licht van de Kristallnacht-herdenking?

In ieder geval lijkt de verwijzing naar de Kristallnacht effect te sorteren. Het Reformatorisch Dagblad bericht vrijdagavond dat Federatief Joods Nederland (FJN) aangifte tegen Van Agt heeft gedaan. Voorzitter prof. mr. H. Loonstein vindt de uitspraken van Van Agt ‘een grove opzettelijke belediging.’ Opzet is voor hem evident, omdat hij deze vermeende uitspraken gedaan zou hebben kort voor de herdenking van de Kristallnacht. Van Agt zou volgens Loonstein aanzetten tot haat.

[Vertrouwen]
Jammer dat Loonstein alleen reageert op basis van hearsay en zelf niet bij de presentatie van Van Agt was. Het is ook heel jammer dat niet een van jullie zelf aanwezig kon zijn en zelf konden horen wat Van Agt te vertellen had. […]

Kennen jullie […] Federatief Joods Nederland? Wat is FJN voor een organisatie? De houding van prof. Loonstein lijkt veel op dat van activistische Koptische advocaten in Egypte; er wordt ergens iets beweerd, uitspraken worden niet geverifieerd, maar direct worden juridische stappen ondernomen. Ik vind dat niet erg sympathiek.

Met vriendelijke groet,

Kees

Heisa
Hanneke Gelderblom, Esther Voet en Harry Polak hebben daar in mails naar mij op gereageerd.  Gelderblom is op reis en schreef een korte mail: ‘nog steeds ontzettend jammer dat ik er niet bij kon zijn. moeten we beslist een andere keer overdoen.’ Esther Voet en Harry Polak schreven me hun commentaar dat ze het ook niet eens zijn met de standpunten van Van Agt, zoals ik ze in mijn email aan hen heb opgetekend. Dat is hun goed recht.

Belangrijk is echter dat we niet over meningen van anderen spreken op basis van wat media beweren, maar dat die contacten rechtstreeks zijn. […] Een totaal verwrongen weergave van de woorden van Van Agt. Natuurlijk is dat goed voor je eigen boterham. Je creëert een heisa en kunt dan weer meer daarover schrijven en dat betaalt natuurlijk. Ik hoop van harte dat de suggestie van Hanneke Gelderblom wordt opgevolgd: een nieuwe discussie tussen haar en Van Agt en dan wel een fatsoenlijke weergave daarvan!

Organisatie
Nog een opmerking over de organisatoren. Ik heb vooraf met ze gesproken, ze wilden uitdrukkelijk Joodse, Moslim en Christelijke bijdragen horen. Dat is positief. De organisatie liet echter nogal te wensen over. Het is veel te veel op het laatste moment georganiseerd. Met een langere voorbereiding en veel vroegere afspraken met sprekers had veel van dit voorkomen kunnen worden.

Nog een punt: Ik was dus op 8 november aanwezig. Ik ben op 9 november terug naar Egypte gevlogen in verband met werk voor ons kantoor in Caïro en ben in de afgelopen week extreem druk geweest met afspraken. Ik heb mijn e-mail aan Gelderblom, Voet en Polak aan Jan Dirk Snel gestuurd om hem daarmee te laten weten wat mijn weergave van de presentatie van Van Agt was. Ik heb Jan Dirk niet de antwoorden van de genoemde personen gestuurd. Dat moeten ze zelf doen. Ik heb alleen het antwoord van Hanneke Gelderblom doorgegeven waarin zij schrijft dat we dit nog een keer over moeten doen. Dat steun ik van harte! Dus door de zeer drukke reeks van presentaties die ik hier voor studenten in Caïro moest geven alsmede werk op kantoor, heb ik nu pas gereageerd. Vandaag is zaterdag, dat is ook een vrije dag in Egypte en dus eindelijk een moment om deze tekst te schrijven.

Naschrift 19 januari 2013
In het bovenstaande schrijven van Kees Hulsman heb ik enkele passages verwijderd. Ze zijn aangegeven door […].

Kees Hulsman ging er in zijn schrijven vanuit dat de onbekende journalist van De Telegraaf en de redacteur van Elsevier die als vervolg daarop twee korte berichten schreef, een en dezelfde persoon waren. Mij leek dat direct al een voorbarige conclusie. In mijn inleiding had ik in de derde alinea, die ik nu geschrapt heb, al geschreven dat ik daar ‘zonder nadere aanwijzingen’ zeker niet vanuit zou willen gaan; en daaraan toegevoegd: ‘mij komt dat vooralsnog zelfs ietwat onwaarschijnlijk voor’. En bij de eerste keer dat zijn naam in het schrijven van Hulsman viel en hij voor dezelfde persoon als de journalist van De Telegraaf werd gehouden, had ik al tussen haken toegevoegd: ‘deze conclusie, ook verderop, lijkt mij vooralsnog voorbarig’.

In december plaatste de genoemde Elsevier­-webredacteur een reactie onder dit bericht, waarin hij zijn verbazing over de identificatie uitte. Hij meldde dat hij alleen bij Elsevier werkte en zeker niet voor De Telegraaf, volgens hem een ‘ridicule suggestie’. Hij verzocht mij ‘de onterechte aantijgingen die hierboven worden geuit te rectificeren’. Dat heb ik vervolgens con amore gedaan. Aan mijn hierboven vermelde opmerking in de tekst van Hulsman had ik nu toegevoegd: ‘nadere opmerking december 2012: en inmiddels weten we dat ze volstrekt onjuist is; zie naschrift’.

In dat naschrift had ik nog eens geschreven dat de identificatie in het artikel volstrekt onjuist is. ‘Alles wat er dienaangaande over hem gezegd wordt, is dan ook ongegrond. ‘ Ik voegde daaraan toe: ‘Achteraf gezien had ik Kees Hulsman beter kunnen vragen zijn stuk te herschrijven met weglating van deze suggestie. Het punt waar het om ging, veranderde er immers niet door.’ Waarop ik de redacteur mijn excuses aanbood.

Een aantal dagen geleden ontving ik een e-mail van de betreffende redacteur, waarin hij overigens niet op de rectificatie inging, maar wel een nieuw verzoek deed. Hij verzocht mij nu vriendelijk het bericht te verwijderen. Het lijkt mij dat algehele verwijdering van gehele stuk te ver gaat. Daarvoor bevat het te veel waardevolle informatie. Maar ik kan heel goed begrijpen dat hij het onaangenaam vindt dat zijn naam bleef figureren in een stuk waarin het op die manier geen functie had. De kans bestaat dan immers altijd dat iemand bij snel googelen enkele zinnen leest en niet de rectificatie ziet. Ik heb daarom besloten alle passages waarin hierboven zijn naam viel, te verwijderen en door […] te vervangen en in één geval, waar dat zakelijk juist is, door [Elsevier].

De naam komt zo niet meer in het document voor. Dat is ook de reden dat ik zijn naam hier niet noem en zijn eigen reactie, die hieronder stond, nu verwijderd heb. Mijn oorspronkelijke rectificerende naschrift  en de rectificerende opmerking in het stuk van Hulsman heb ik ook verwijderd, en door dit nieuwe nawoord vervangen.

Ook de oorspronkelijke reactie van Kees Hulsman, die ik hierboven citeerde, heb ik nu onder het vorige stuk weggehaald. Een andere reactie daar van Kees Hulsman, waarin hij een e-mail aan de Elsevier-redacteur weergaf waarin hij deze om nadere informatie vroeg (en waar hij toen geen antwoord op ontvangen had), had ik in december, tegelijk met het plaatsen van de rectificatie, al verwijderd.

Ik hoop dat de zaak zo naar tevredenheid afgedaan is. Het ging in dit stuk en het vorige om de goede naam van een medemens, Van Agt, die door De Telegraaf en de daarop volgende publiciteit door het slijk was gehaald. Het was uiteraard niet de bedoeling daarbij de goede naam van een ander vervolgens aan te tasten. Vandaar al de aanvankelijke behoedzaamheid en vervolgens de rectificatie. Door de naam nu geheel weg te laten hoop ik dat ik ook aan het nieuwe verzoek naar de intentie daarvan voldaan heb.

(80)