Posts tagged ‘Eerste Kamer’

19 maart 2015

Een systeemcrisis? Kom nou, eerder de terugkeer van werkelijk politiek dualisme

door Jan Dirk Snel

[Donderdag 19 maart 2015] Soms veranderen dingen. En daar moeten we dan aan wennen. Het getuigt echter van een nogal angstvallige levenshouding om elke verandering met wantrouwen te begroeten. De ervaring van de moderniteit, wat dat ook precies moge zijn, is immers ook dat dingen ten goede kunnen veranderen. De problemen waar de mensheid, talrijker dan ooit, voor staat, zijn immens, maar uit ervaring weten we gelukkig ook dat tal van vraagstukken opgelost kunnen worden. Vooruitgang bestaat onmiskenbaar, al is ze altijd ten dele.

 –

‘Een heuse systeemcrisis’
Binnen de globale verhoudingen zijn de wijzigingen in de Nederlandse politiek uiteraard minuscuul. Maar het gaat nu eenmaal om onze levenswereld en niet zonder reden vinden we die belangrijk. In de Nederlandse politiek doen zich al enkele decennia allerlei verschuivingen voor. En als we bijvoorbeeld het idee hebben dat het politieke bestel tussen pakweg 1918 en 1967 of daaromtrent tamelijk stabiel was, is dat misschien ook wel een wat gemakzuchtige indruk achteraf. De overgang van de oude coalitie van rechts – zonder nadere toevoeging vaak groot geschreven: de Coalitie – naar bijvoorbeeld de rooms-rode samenwerking was voor de tijdgenoot ook tamelijk opmerkelijk.

Kabinet-Den_Uyl

Het laatste niet werkelijk parlementaire kabinet: de nieuwe ministersploeg van Joop den Uyl op het bordes, 1973. In andere zin zou men ook de beide kabinetten-Rutte niet als volledig parlementair kunnen beschouwen: die typering geldt immers alleen voor een deel van de Staten-Generaal.

Het politieke bestel is al jaren, je zou kunnen zeggen sinds 1994, aan allerlei veranderingen onderhevig, nadat er – opnieuw: achteraf gezien – vanaf 1977 voor enige tijd weer een zekere mate van stabiliteit aangebroken leek te zijn. Het valt op dit moment dan ook moeilijk te zeggen of de Provinciale Statenverkiezingen van 18 maart 2015 een belangrijk omslagpunt markeren of eerder een bevestiging van een langere trend vormen. Maar om er nu een ‘illustratie van een heuse systeemcrisis’ in te zien, zoals NRC Handelsblad vandaag in het hoofdredactionele commentaar doet, dat lijkt me wel erg onbezonnen en paniekerig. Van een dagblad dat bekendstaat om zijn bedachtzaamheid, zou je een evenwichtigere reactie verwachten.

De krant heeft het over een ‘illustratie’. Normaal gesproken mag je bij opiniërende artikelen nooit op de kop afgaan, omdat die gemeenlijk niet van de auteur afkomstig is, maar bij een hoofdredactioneel commentaar ligt dat anders. De NRC gaat er kennelijk vanuit dat die crisis zich al langer voordoet. Maar de verkiezingen van gisteren zouden die hebben ‘blootgelegd’. Dat kan alleen met iets dat er in het verborgene al langer is.

Geen grote partijen meer
‘Grote partijen kent Nederland sinds gisteren niet meer’, constateert de krant terecht. Maar is dat erg? We kennen in Nederland een lange traditie van kabinetten, die op vier of zelfs vijf partijen steunden. Ik vermag niet in te zien waarom daardoor een situatie van ‘politiek surrealisme’ zou ontstaan. Op een zekere destructieve, vaak als populistisch aangeduide partij na kenmerken eigenlijk alle politieke partijen zich dezer dagen door een grote mate van redelijkheid en verantwoordelijkheidszin. In gemeenten en provincies doen ook al die partijen wel ergens mee aan coalities, met vaak verassende combinaties, zoals in Amsterdam, waar D66, VVD en SP samenwerken.

Dat er geen echt grote partijen meer bestaan, konden we in feite weten sinds de Tweede Kamerverkiezingen van 2012. Ik zou eerder geneigd zijn om juist de uitkomsten daarvan als enigszins ‘surrealistisch’ te zien. Ook toen hadden VVD en PvdA in feite veel kleiner moeten worden, maar door de vraag welke van de twee partijen het grootst zou worden, wonnen ze allebei veel meer dan ze aan werkelijke sympathie genoten. Terwijl veel kiezers van beide partijen wilden voorkomen dat de ander de dienst zou gaan uitmaken, kregen ze die andere partij er dankzij hun gedrag juist bij – bij de vorming van het huidige kabinet, bedoel ik. We wisten toen al dat de kiezer ‘weinig fiducie’ kon hebben in de coalitie die gevormd werd. Kiezers zouden er van kunnen leren dat je maar beter op de werkelijke partij van je voorkeur kunt stemmen. Dan kunnen vervolgens meerdere partijen samen een coalitie vormen die niet zozeer op het volledig uitruilen van verschillende wensen, maar op het bereiken van werkelijke compromissen gebaseerd is.

De NRC heeft gelijk dat niet erg duidelijk is wat ‘het electoraat wél wil’. Maar dat lijkt me nu juist nogal geruststellend. Het nemen van regeringsverantwoordelijkheid mag dan tegenwoordig nog wel eens tot gevolg hebben dat de kiezer wegloopt, erg ver maakt die zich ook niet uit de voeten. Men ziet het aan de winst voor de drie gedogers van de coalitie, D66, CU en SGP. De kiezer zet hooguit in vrijheid een iets ander accent, hij blijft zich in of nabij het midden ophouden. Over bepaalde dingen is hij misschien een beetje ontevreden, hij kiest gemeenlijk niet voor een extreem alternatief. (Alleen de PVV moet extreem genoemd worden en het is nog maar de vraag of alle kiezers op die club zelf nu zo massief tegen ons bestel gekant zijn.)

 –

Stabiliteit
Compleet uit de bocht vliegt de liberale krant als ze stelt dat ‘dat de Eerste Kamer inmiddels zelf het “kwaad” is geworden’, waarbij ik overigens besef dat die typering betrekking heeft op de weerhoudende functie die minister van justitie Dirk Donker Curtius aan dat lichaam toeschreef. Ik zou zeggen dat het nut van de Eerste Kamer – die effectief niet ontbindbaar is, sinds het voorstel om de verkiezende Provinciale Staten ontbindbaar te maken in 1922 na verzet van de senaat ingetrokken werd – nu duidelijker dan ooit is: ze verschaft stabiliteit. Tot 2019 weet elk kabinet waar het aan toe is. De marges zijn gegeven.

Het nut van de Eerste Kamer, die zich in het algemeen overigens veel beter op de kern van het parlementaire werk, wetgeving, weet te concentreren dan de Tweede Kamer, die dezer dagen vaak het onaantrekkelijke en frivole aanzien van een maatschappelijke debatclub heeft gekregen, ligt niet in haar eigenheid, maar in de functie binnen het totale systeem. Het nut van twee kamers is, juist als de samenstelling nogal uiteenloopt, dat ze gezamenlijk meer draagvlak noodzakelijk maken. Het is het samenspel, de werking van het totale systeem, waar het op aankomt. Je zou net zo goed, of dezer dagen eigenlijk beter, naar het bestaansrecht van de Tweede Kamer kunnen vragen.

NRC19032015

.

De kiezer mag dan wel een klein stukje weglopen, het stelsel dwingt partijen toch weer om hun verantwoordelijkheid te nemen. Het stelsel, zou je kunnen zeggen, betrekt de kiezer er toch weer bij. We leven nu al in een tijd waarin de oude indeling in coalitiepartijen en oppositiepartijen in feite onderuit is gehaald. De aanduiding ‘constructieve oppositie’ voor drie partijen is in alle paradoxaliteit vooral humoristisch. Er bestaat geen scherpe tweedeling meer. Er zijn momenteel op zijn minst drie groeperingen in het parlement. Er is veel meer dualisme dan lange tijd het geval is geweest. Niet alles kan van tevoren in een regeerakkoord vastgelegd worden, er moet weer vanouds tijdens het proces onderhandeld worden tussen regering en Staten-Generaal. Dat is precies zoals democratie ooit bedoeld was.

 –

Dualisme
Kortom, we komen, naar het zich laat aanzien, in een nieuwe fase waarin dualisme gelukkig weer veel meer kansen krijgt. Het lijkt me ook de vraag of het wel zo wenselijk is om na de volgende Tweede Kamerverkiezingen door te gaan met het systeem van parlementaire kabinetten. In de jaren tussen 1926 en 1946 kenden we vooral extraparlementaire (of in ieder geval niet-parlementaire) kabinetten en ook daarvoor zagen we al dat de Coalitie – die met de hoofdletter dus – lang niet altijd als één gesloten blok optrad. Het is een verademing om debatten uit het begin van de jaren twintig in de Handelingen na te lezen: Kamerleden durfden nog vaak zelf een eigen positie in te nemen. Ook het roemruchte kabinet-Den Uyl (1973-1977) was slechts halfparlementair. PvdA, D’66 en PPR achtten zich weliswaar met het kabinet verbonden, KVP en ARP, uit wier kringen ook ministers afkomstig waren, stonden er veel vrijer tegenover.

Het zou heel goed kunnen – en ik hoop het – dat we weer de kant van een werkelijk dualisme opgaan. De politieke richting wordt dan niet tijdens de weken van de kabinetsformatie achter gesloten deuren bepaald, maar gaandeweg de zittingsduur van een kabinet, waarbij de deuren uiteraard ook wel eens dicht zullen gaan, maar waarbij we per thema veel beter kunnen volgen welk compromis men nu bereikt. Reden om aan de ‘daadkracht’ van een kabinet te twijfelen, zoals de liberale avondkrant doet, lijkt op voorhand geenszins te bestaan. Je kunt van het huidige kabinet van alles zeggen, maar niet dat het niet veel voorstellen door de Staten-Generaal heeft weten te krijgen – en dat dus zonder een eigen senaatsmeerderheid uit de twee partijen die bewindslieden leveren.

 –

Vertrouwen
Kortom, een systeemcrisis vermag ik niet te zien. Een systeemwijziging mogelijk wel, al is dat woord eigenlijk te groot. Het eigenlijke bestel verandert immers niet, het gaat, naar het zich laat aanzien, alleen weer beter functioneren. Een verandering ten goede dus, naar democratie zoals die bedoeld is: levendig en open. Politiek is compromissen sluiten. Het is goed als die niet allemaal in één keer bedisseld worden, maar telkens openlijk tot stand komen op het moment dat ze nodig zijn. Er lijkt me alle reden om de toekomst van ons politieke bestel met vertrouwen tegemoet te zien.

 ♦

Naschrift (17.45 uur)
Zoals gebruikelijk is, heb ik enkele kleine correcties doorgevoerd en een enkele formulering lichtelijk gewijzigd.

(185)

17 juni 2013

Eerste Kamer moet De Graaf vragen te blijven

door Jan Dirk Snel

Zaterdagmorgen had ik onderstaand stukje aan Trouw aangeboden. Zojuist, aan het eind van de middag, kreeg ik te horen dat mijn stukje was afgevallen. Het nadeel van het aanbieden van opiniebijdragen aan kranten is nu eenmaal de enorme vertraging die, misschien wel onoverkomelijk, optreedt. Het stukje was een logisch vervolg op mijn weblogstuk van donderdag, waarin – in dat stukje, bedoel ik – ik nog eens puntig uiteenzette wat nu de belangrijkste zakelijke benadering inzake de gecreëerde affaire rond de voorzitter van de Verenigde Vergadering is.

Het is me de laatste dagen opgevallen hoe diverse lieden zich in allerlei bochten wrongen om maar net te doen alsof De Graaf zich niet aan zijn eigen criteria had gehouden. Uit alle macht probeerden ze van de logische eerste selectie van De Graaf van zeven leden van de Staten-Generaal naar anciënniteit een grotere groep te maken, zodat ze vervolgens konden doen alsof er iemand was ‘overgeslagen’. Alleen al omdat we inmiddels weten wat De Graaf in zijn achterhoofd had – de waardigheid van de vergadering, waar een aandachtstrekker niet bij paste – was het onwaarschijnlijk dat hij met zijn eigen criteria ‘gerommeld’ zou hebben en dat was dan ook niet zo. Daar had ik in een kort naschrift bij mijn vorige weblogbijdrage zaterdag ook al beknopt iets over geschreven.

Ik plaats nu hier het korte stukje van 445 woorden dat ik aan Trouw had aangeboden, onveranderd, maar wel van enkele tikfouten gezuiverd. Daarmee is mijn bemoeienis met deze zaak, dunkt mij, ook wel genoeg geweest. We hebben de afgelopen week weer eens gezien hoe de kritiekloze meute eensgezind een beschuldigende vinger hief. Het is verstandiger niet al te zeer de buzz van de napraters – met als culminatie wel Frits Wester bij Knevel & Van den Brink vrijdagavond – te volgen, maar zelf de documenten te bestuderen en zich af te vragen aan welke staatsrechtelijke normen politiek handelen afgemeten dient te worden, ook met het oog op kritische verslaggeving daarover. Maar nu dus het stukje.

Eerste Kamer moet De Graaf vragen te blijven

Het benoemen van de commissie van in- en uitgeleide van de nieuwe koning bij diens inhuldiging was volgens artikel 54 het reglement van de Verenigde Vergadering de (exclusieve) bevoegdheid van de voorzitter, Fred de Graaf. Voor de samenstelling bestaan verder geen regels. De voorzitter had kunnen kiezen voor elke mogelijke combinatie uit de 221 leden van de Staten-Generaal die tijdens de vergadering op 30 april aanwezig waren.

Exif_JPEG_PICTURE

Versiering op 30 april 2013. Amsterdam, aan de Amstel.

Over de commissie die hij die dag benoemde, was geen enkele ontevredenheid. Naast de voorzitter van de Tweede Kamer benoemde hij vier leden: twee uit elke Kamer, van vier verschillende partijen, twee vrouwen en twee mannen, die behoorden tot degenen met de langste zittingsduur. De voorzitter was absoluut niet verplicht zijn overwegingen openbaar te maken, maar De Graafs keuze voldeed aan de criteria die hij voor zichzelf opgesteld had en die hij tijdens die discussie die de afgelopen week ontstond, meegedeeld heeft.

Het is dus absoluut niet zo dat iemand ‘recht’ zou hebben op lidmaatschap van de commissie en het is ook niet zo dat iemand zich terecht ‘overgeslagen’ zou kunnen voelen. Er bestaan geen regels waaruit men dat kan afleiden. De Graaf had de benoemden van tevoren gepolst, maar zelfs daar was hij volgens het reglement niet toe verplicht. Hij had ze ook staande de vergadering zo kunnen aanwijzen.

De fractieleiders uit de Tweede Kamer moeten zich dan ook diep schamen dat ze afgelopen week donderdag een speciale vergadering belegden over een zaak die hun totaal niet aangaat. Ze wekten daarbij de indruk alsof hun collega Wilders was gepasseerd, maar daarvoor ontbrak elke staatsrechtelijke grond, zoals die ook ontbrak voor de beschuldiging in het hoofdredactionele commentaar van Trouw (12 juni) dat De Graaf ‘manipuleerde’. De constatering van de voorzitter achteraf dat men niet iemand moet benoemen die te veel ‘aandacht’ trekt, is daarbij een juiste. Het gaat die dag immers om de koning. Het is de taak van de voorzitter de waardigheid van de plechtigheid te bewaken.

Fred de Graaf heeft laten weten dat hij voornemens is het voorzitterschap van de Eerste Kamer dinsdag neer te leggen. Dat niet omdat hij onjuist gehandeld zou hebben, maar omdat de discussie ‘voortduurt’ en daarmee zijn ‘integriteit in het geding is’. De Eerste Kamer zou er goed aan doen er dinsdag bij de voorzitter op aan te dringen op dit voornemen terug te komen. Hij heeft immers volgens zijn bevoegdheid gehandeld op een wijze waarover iedereen tevreden was. Over zijn integriteit kan op geen enkele wijze redelijke twijfel bestaan. Met een dergelijke actie zou de Eerste Kamer veel doen aan het herstellen van zuivere verhoudingen op het Binnenhof, die door de fractievoorzitters uit de Tweede Kamer zo grof geschonden zijn.

Naschrift (vrijdag 21 juni 2013)
Dinsdag verzocht de opinieredactie van het Reformatorisch Dagblad mij om een opiniestuk over de zaak voor de krant van donderdag 20 juni 2013. Daartoe heb ik het stukje dat hierboven staat, aangepast en uitgebreid. Het resultaat is hier te vinden.

(109)