Posts tagged ‘correspondentietheorie’

3 juli 2014

Wat is waarheid? – Over een relationeel begrip

door Jan Dirk Snel

[Donderdag 3 juli 2014] De vraag wat waarheid is, is allereerst een feitelijke vraag, die we naar waarheid zullen moeten proberen te beantwoorden. Uiteraard, waarheid is vooral een oordeel, een beoordeling. Als we zeggen dat iets waar is, spreken we daarmee een kwalificatie uit die een criterium impliceert, namelijk of het ‘zo’ is, zoals dat ook geldt als we iemand aardig noemen, of een luiaard, of van een gebeurtenis zeggen dat die afschuwelijk is of van een voornemen dat het alleszins reëel is. Maar de vraag hoe we dergelijke oordelen en criteria gebruiken, is allereerst weer feitelijk van aard: hoe gebruiken we die in de praktijk? Hoe fungeert een begrip als waarheid?

Overeenstemming
Woorden en begrippen staan nooit helemaal vast. Het woordenboek omschrijft wel allerlei gangbare betekenissen, maar volledig kan het daarin nooit zijn. Dat komt omdat woorden en begrippen telkens weer in andere omstandigheden in telkens nieuw zinnen gebruikt worden. Om een voorbeeld uit mijn vorige stukje te gebruiken: wie bij democratie vooral aan de tegenstelling met aristocratie denkt, gebruikt het begrip in een iets andere betekenis dan wie bij democratie primair aan de tegenstelling met dictatuur denkt, ook al kan hij het in concreto over hetzelfde politieke bestel, zeg het Amerikaanse, hebben.

Zandvoort raadhuis

Raadhuis te Zandvoort (foto: Rudolphous, Wikipedia)

Wat is waarheid? Er bestaat vanouds een omschrijving, die onder meer bij Thomas van Aquino te vinden is, en die in ieder geval klassiek mag heten:

‘Veritas est adaequatio rei et intellectus.’

Waarbij de volgorde van de laatste twee begrippen trouwens ook omgedraaid kan worden. Waarheid is de overeenstemming tussen zaak en begrip, tussen werkelijkheid en taal, daar komt het zo ongeveer op neer. Het is in feite de gewone woordenboekomschrijving. Mijn Van Dale uit 1976 opent de beschrijving zo:

‘het ware; het in-overeenstemming-zijn van het denkbeeld met de wetten van het denken of met zijn voorwerp, van een verhaal of bericht zoals zij is’

Dat klinkt al wat ingewikkelder, maar de kern is hetzelfde: het gaat om overeenstemming tussen een denkbeeld, een gedachte, die om erover te kunnen spreken, uiteraard wel geformuleerd moet zijn, en iets anders. Het Woordenboek Woordenboek der Nederlandsche Taal, dat in dit geval eens later was, sloot zich daar in 1988 kennelijk bij aan:

‘Het ware; datgene wat overeenkomt met de feiten of in overeenstemming is met de inzichten van het verstand, met de wetten van het denken, voorgesteld als enkelvoudig begrip: als eenige ware, juiste weergave van de feiten, van de dingen zooals ze zijn, gesteld tegenover alles wat er niet mee overeenstemt en om die reden wordt beschouwd als leugen of dwaling.’

Het opvallende is dat het in dit geval aanvankelijk open laat wat dat ‘wat’ is dat met de feiten et cetera ‘overeenkomt’, maar vervolgens kiest het daarvoor het woord ‘weergave’, dat op taal betrekking kan hebben, maar ook ruimer gebruikt kan worden. Er is ook een subtiel verschil met de twee voorgaande omschrijvingen. Die lokaliseren waarheid in de overeenstemming of het in overeenstemming zijn, terwijl het in het laatste geval in een onbepaald ‘wat’ gesitueerd wordt, dat vervolgens ergens mee overeenkomt. De eerste omschrijving lijkt me adequater en zeker vollediger en ik zal uitleggen waarom.

Verdubbeling
‘Waar is, van iets dat zo is, te zeggen dat het zo is, en van iets dat niet zo is, te zeggen dat het niet zo is’, merkte Aristoteles al op en zo is het. Je zegt iets en je zegt dat over of van iets. Er zijn dus twee polen en waarheid betreft de relatie tussen die twee. Twee dingen komen overeen: begrip en zaak, taal en werkelijkheid. Het is ook nooit moeilijk geweest om dat te begrijpen en gewone mensen snappen dat nog steeds onmiddellijk. Filosofen lijken echter in de afgelopen eeuw het spoor soms wat bijster geraakt te zijn en dat kon wel eens komen door de veelvuldige toepassing van tarskiaanse terminologie in gewone wijsgerige teksten, waar Alfred Tarski zelf overigens ook niets aan kon doen, want die waarschuwde al dat zijn formele systeem op zichzelf stond en dat men het niet in natuurlijke talen moest gebruiken. Maar veel filosofen deden dat, eigenwijs als ze zijn, toch, men kan het tegenwoordig alom constateren, en dat heeft soms enige verwarring veroorzaakt.

Neem een tegenwoordig in allerlei boekjes gebruikelijke formulering als

‘Sneeuw is wit’ is waar dan en slechts dan als (desda) sneeuw wit is
‘Sneeuw is wit’ <=> sneeuw is wit

Wat gebeurt hier? Links staat een uitspraak of een propositie, intellectus dus in de klassieke definitie. En rechts staat de werkelijkheid, de res uit dezelfde klassieke definitie. Wat gebeurt er in de eerste regel hierboven? Waarheid wordt eenzijdig in de propositie gelokaliseerd. Maar die zin kan op zich helemaal niet waar zijn, dat geeft de verbindende formule al aan. Die is alleen waar als het tweede ook waar is, namelijk als sneeuw ook inderdaad wit is. Kortom, niet de propositie als zodanig is waar, die is slechts waar als we die in verbinding tot het tweede, de werkelijkheid, zien. Wie waarheid wil lokaliseren, moet dan ook niet de nadruk leggen op de uitspraak tussen aanhalingstekens, maar op het equivalentieteken <=> in de tweede regel. Alleen in onderlinge verstrengeling is de eerste uitspraak waar. Pas in de relatie is er sprake van waarheid.

Enigszins verwant hieraan lijkt de merkwaardige, soms opduikende gedachte dat waarheid een ‘afbeelding’ van de werkelijkheid zou zijn, een gedachte waar de jonge Wittgenstein, die ernstig in de war was en de rest van zijn leven heeft besteed om weer uit die verwardheid te komen, niet geheel onschuldig aan is. (Het levert trouwens soms aardige en ook wel amusante literatuur op: tobbers zijn het interessantst.) Het is wel het extreemste voorbeeld van een foutieve lokalisering van waarheid. Afbeeldingen, een tekening of een schilderij, noemen we trouwens meestal niet waar, maar eerder waarheidsgetrouw, wat in feite een dubbele relatie tot veronderstelt: tot een externe waarheid die op zich weer relationeel van aard is. Een schilderij is niet waar, maar kan iemand bijvoorbeeld uitbeelden ‘zoals hij is’. Dan doet het recht aan de waarheid.

Maar terug naar de sneeuw. In feite gaat het hier om een tamelijk onnodige verdubbeling. Aan beide kanten staat gewoon hetzelfde, in taal, maar in het eerste geval leggen we de nadruk op de talige pool, in het tweede op de werkelijkheid. Maar die werkelijkheid is nog steeds in taal geformuleerd. We weten pas dat sneeuw wit is, als mensen onder elkaar weten wat sneeuw is en wat wit is. Je kunt wel zeggen: je doet die uitspraak of iemand anders doet die uitspraak en je gaat vervolgens in de winter of boven de Poolcirkel of ergens hoog in de bergen naar buiten, ziet daar sneeuw en constateert met eigen ogen dat die wit is. Maar om het daar met elkaar over eens te worden, moet je nog steeds met elkaar praten. Natuurlijk is die sneeuw ook wit als we binnen blijven en die niet zien, maar dan kunnen we niet samen vaststellen dat dat ook waar is.

Verbinding
De verdubbeling is wellicht geschikt om twee polen te onderscheiden, maar als het om waarheid gaat, kunnen ze niet gescheiden worden. Ze horen bij elkaar. En als het om waarheid gaat, gaat het juist om de relatie tussen taal – of andere symbolen – en die werkelijkheid, om de onlosmakelijke verbondenheid of verstrengeling. Het idee dat je de formulering (intellectus) en zaak (res) afzonderlijk tegenover elkaar kunt zetten en vervolgens in alle rust kunt vergelijken, is simpelweg onjuist. Het gaat juist om de verwevenheid van beide, daarin ligt het waarheidskarakter. Sneeuw is wit en daarom is de uitspraak dat sneeuw wit is, waar. Als het niet waar was dat sneeuw wit is, was ook de uitspraak dat ‘sneeuw wit is’ niet waar. Het is zo en daarom is het waar.

Als ik iemand in Zandvoort opbel en die zegt dat hij heerlijk in de zon zit, en ik spoed mij direct naar Zandvoort en het regent er en er staan grote plassen en iemand op straat verhaalt me mij dat het al de hele dag stortregent, dan kan ik terecht uitroepen: ‘maar die en die vertelde me dat de zon scheen!’ – ook al heeft hij die formulering niet letterlijk gebruikt. Waarheid gaat dan over de vraag of de zon schijnt, niet over een exacte formulering en ook niet over de zon of over zonnestralen, want die kunnen niet waar zijn, maar over een toestand die op heel veel verschillende wijzen geformuleerd kan worden. Het gaat erom of die toestand zich voordoet. Of dat waar is.

Wie wil weten of iets waar is, wil niet slechts een oordeel over een uitspraak of een propositie, die wil weten of die bewering of propositie klopt. Die wil iets over de aangeduide werkelijkheid, waarnaar verwezen wordt, weten. Intellectus en res, begrip en zaak, taal en werkelijkheid staan niet los tegenover elkaar, die zijn innig en onlosmakelijk verbonden en over die verwevenheid gaat de kwalificatie waarheid.

Formulering en zaak
Het accent kan wel verschillend liggen. Soms wil je weten of een specifieke uitspraak waar is. Alle aandacht gaat dan naar die ene pool. Bill Clinton zei dat hij … enfin, dat weet u zelf wel, en toen wilden we, althans nogal wat mensen, weten of hij gelogen had of niet. Alle aandacht ging naar de specifieke formulering en of die deugde. Wat er gebeurd was, was op zich van geen enkel belang, een volstrekt onnozele aangelegenheid, maar de vraag of de president van de Verenigde Staten betrouwbaar was in zijn uitingen, dat vonden sommigen, en vooral ene Kenneth Starr met een wat ziekelijke belangstelling, een punt. Bij juridische zaken, en dat was dit, gaat het vaak om de exacte formulering.

In andere gevallen gaat het juist om de zaak. Als ik wil weten of het loont een mooie strandwandeling in de zon te gaan maken, wil ik weten hoe de toestand in Zandvoort is. De formulering is dan van geen belang. Of iemand daar nu zegt dat hij in de zon zit of dat het zonnig is of dat hij na uren buiten gezeten te hebben helemaal verbrand is, doet er niet toe, ik wil weten hoe het weer daar in Zandvoort is.

Als een politieman aan omstanders vraagt welke kant een winkeldief opging, en getuigen vertellen hem dat hij richting centrum ging, maakt het weinig uit of de een zegt dat hij rende en de ander dat hij rustig kuierde, het gaat om de vraag welke kant hij uitging, om dat ene gegeven dus, die een zich in de tijd realiseerde handeling omschrijft. Het gaat dan om een bepaalde werkelijkheid. Of die zus of zo is.

Uitspraken en feiten
Interessant is in dit geval het onderscheid tussen bijvoorbeeld uitspraken of beweringen of kiest u maar een verwante term, en wat we feiten plegen te noemen. Soms gaat het om de precieze waarheid van een bewering, soms om een feit. Uitspraken kunnen waar of onwaar of iets er tussenin zijn, feiten zijn waar. Zijn feiten dingen die buiten de taal omgaan? Zo ervaren we ze wel. Een feit kun je verwoorden en dat op verschillende manieren. Maar dat feit moet nog steeds wel verwoord worden of anderszins weergegeven worden: een foto met je mobieltje vanuit Zandvoort kan ook een overtuigend bewijs vormen voor het feit dat daar de zon schijnt. De foto is op zichzelf niet waar, de foto vormt een bewijs voor een bepaalde waarheid.

Maar bij feiten hebben we de neiging het talige element te vergeten. We kunnen dat hierboven in de omschrijving in het WNT zien. Dat heeft het op een gegeven moment over waarheid als ‘als eenige ware, juiste weergave van de feiten’. Dan worden de feiten onderscheiden van de weergave, maar zonder weergave zijn die feiten helemaal niet bespreekbaar. Ook al ligt bij feiten de nadruk op de weergegeven werkelijkheid, in het begrip feit is nog steeds geïmpliceerd dat het meegedeeld en gecommuniceerd kan worden.

Feiten moeten geformuleerd worden. Uiteraard blijft het een feit dat de zon in Zandvoort schijnt, tenminste als dat zo is, ook al meldt niemand dat, maar over dat feit kunnen we toch pas spreken als iemand het uitspreekt of anderszins weergeeft. Feiten zijn ware beweringen. Ook hier zien we de innige verstrengeling tussen zaak, res, en begrip, intellectus, maar alle nadruk ligt op het eerste. En feiten worden telkens in weer andere bewoordingen weergegeven. Daar zit een creatief element in, want vrijwel elke menselijke zin is nieuw, en een element van gebondenheid in: die creatieve schepping die die uiting is, is gebonden aan de werkelijkheid. Ik kan wel beweren dat het gras achter mijn woning geel is, maar het is simpelweg niet waar, geen feit. De zon is niet waar, de zonnestralen zijn niet waar, Zandvoort is niet waar, maar dat de zon in Zandvoort schijnt, kan wel waar zijn: de omschrijving van die toestand is creatief en talig en tegelijk gebonden aan de realiteit.

Inhoud
Wie meent dat waarheid alleen maar op taal, op de intellectus betrekking heeft, heeft het duidelijk niet begrepen, zoals dat ook geldt voor wie meent dat feiten alleen maar op de res betrekking hebben. De klassieke definitie is helder genoeg. Waarheid gaat altijd om een relatie, een verbinding, een overeenkomst, een verstrengeling, een verwevenheid tussen twee elementen die we begripsmatig wel enigszins kunnen onderscheiden, maar die juist op elkaar betrokken zijn. De klassieke omschrijving die alle nadruk legt op de adequaetio en die uit de Van Dale, die ook de nadruk legt op het in overeenstemming zijn, zijn daarom iets adequater dan die uit het WNT, maar ook daarvoor geldt dat we alleen maar weten ‘wat’ er waar is als we meer weten over waarmee het ‘overeenkomt’.

Het maakt daarbij niet uit of het nu overeenkomt met bijvoorbeeld een wiskundig gegeven, als dat drie keer drie negen is, of met iets in de buitenwereld, bijvoorbeeld dat België eergisteren met 2-1 van de Verenigde Staten won of dat Helsinki de hoofdstad van Finland is. Ik geef toe de voorbeelden zijn wat simpel. maar dat zijn ze in de boekjes ook: altijd weer blijkt de Eifeltoren in Parijs te staan, sneeuw wit te zijn en regent het er voortdurend in vele talen.

De sterke nadruk op het propositiebegrip in nogal wat hedendaagse, analytische filosofie heeft het relationele karakter van waarheid soms uit het oog doen verliezen, omdat men alle nadruk op éen van de twee verbonden polen legt. Toch is dat bij nadere beschouwing niet nodig. Wat is een propositie? De inhoud van een bewering. In het overbekende voorbeeld staan ‘es regnet’, ‘il pleut’, ‘it is raining’ en ‘het regent’ als vier verschillende formuleringen voor dezelfde propositie. Maar wat zegt dat? Dat de inhoud niet identiek is aan de formulering, maar naar een externe werkelijkheid verwijst. Een propositie is pas waar in de verbinding met die werkelijkheid, nooit op zichzelf.

Correspondentie
Wat ik hier uiteenzette, wordt wel eens de correspondentietheorie genoemd, maar die uitdrukking is misleidend. Een theorie wordt het pas als er veel meer aan vastgeknoopt wordt. Correspondentie, overeenstemming, is simpelweg de ware, zij het ongetwijfeld onvolledige omschrijving van hoe het waarheidsbegrip in het leven van alledag meestal functioneert en dat is geen theorie, die je kunt aanhangen of verwerpen, maar een kwestie van feitelijkheid.

Uiteraard is hiermee niet alles over waarheid gezegd. Het begrip functioneert als alle of althans vele woorden en begrippen in allerlei contexten. Maar dit is wel de kern. Waarheid is een zaak van verbinding van twee elementen die niet los van elkaar gezien kunnen worden.

En ik heb veel buiten beschouwing gelaten. Hoe meer het gaat om de werkelijk grote vragen, de grote waarheden, hoe meer de waarheid iets is dat van buiten komt. De waarheid overkomt ons of die vinden wij, die verzinnen we niet, hoe creatief we ook zijn in het formuleren van waarheden. De waarheid is groter dan wij zijn. Als het er werkelijk op aankomt, kunnen we die hooguit stamelend of tastend formuleren. Waarheid is heel wat meer dan iets dat in de taal besloten is. Hoe belangrijker de waarheid is, hoe minder het accent in de verbinding, de overeenkomst, ligt op de woorden, de intellectus, en hoe meer het op de zaak, de res, ligt.

Maar altijd gaat waarheid, zoals de klassieke traditie terecht zegt, over adequaetio, een overeenkomst, een relatie. Dat wilde ik er tegen hedendaagse misverstanden in even inhameren.

(155)

11 juni 2013

Waarheid als verbinding

door Jan Dirk Snel

Wat is waarheid? Het antwoord is niet moeilijk: adaequatio rei et intellectus. Waarheid is de overeenkomst tussen ding en intellect, tussen zaak en begrip, tussen werkelijkheid en woord. Zoiets. Je kunt die twee termen op meerdere manieren vertalen en de relatie op diverse wijzen weergeven, maar de gedachte blijft duidelijk. De taal of de menselijke geest zijn in harmonie met de wereld zoals die zich aandient.

Overeenstemming, coherentie, werking
Het is het antwoord dat vanouds gegeven wordt. Thomas van Aquino (1225-1274) dacht – hier een Engelse vertaling – dat hij het van Isaac Israeli (ca. 855- ca. 955) had, maar daarin schijnt hij zich te vergissen. Hij had het mogelijk van Avicenna (ca. 980-1037), maar nog waarschijnlijker van een van de vele denkers die het inzicht in de tussentijd doorbriefden. (Tussen haakjes: over joods-christelijk-islamitische interactie gesproken…) Het is het antwoord dat woordenboeken nog steeds geven. De tiende druk van de Van Dale uit 1976 geeft als eerste twee betekenissen:

1. ‘het ware; het in-overeenstemming-zijn van het denkbeeld met de wetten van het denken of met zijn voorwerp, van een verhaal of bericht met de zaak zoals zij is’
2. ‘getrouwdheid aan de werkelijkheid’

De vele voorbeelden die erbij gegeven worden, laat ik nu maar achterwege. Het grote Woordenboek der Nederlandsche Taal begint in 1988 ongeveer op dezelfde wijze:

‘Het ware; datgene wat overeenkomt met de feiten of in overeenstemming is met de inzichten van het verstand, met de wetten van het denken, voorgesteld als enkelvoudig begrip: als eenige ware, juiste weergave van de feiten, van de dingen zooals ze zijn, gesteld tegenover alles wat er niet mee overeenstemt en om die reden wordt beschouwd als leugen of dwaling.’

Exif_JPEG_PICTURE

Weesperplein, Amsterdam. Een waarheidsgetrouwe afbeelding. Waarheid is overeenstemming, geen afbeelding.

Filosofen noemen dat vaak de correspondentietheorie van de waarheid. Op zich is dat een nuttige benaming, want het gaat over een overeenkomst of relatie, maar er sluipt zo ook al snel een misverstand in: alsof het slechts over een van de vele mogelijke theorietjes over waarheid zou gaan en alsof je die ‘theorie’ ook zou kunnen verwerpen. Dat kan namelijk niet. Het gaat hier om een tamelijk adequate beschrijving van hoe het begrip waarheid daadwerkelijk functioneert. Die beschrijving is uiteraard niet volledig, omdat woorden en begrippen in natuurlijke talen vaak op meerdere wijzen functioneren en er nog meer betekenissen en gebruikswijzen bij komen – en dat is hun sterke punt en geen zwakte – maar daarmee kun je de kernbetekenis nog niet maar zo aan de kant schuiven.

In feite wordt dat in de twee andere ‘theorieën’ die vervolgens meestal genoemd worden, ook niet gedaan. De tweede is de coherentietheorie en die gaat vooral over de onderlinge samenhang van wat we voor waar houden. Maar dat waarheid en dat ware uitspraken onderling consistent dienen te zijn, vloeit voort uit het gegeven dat waarheid in overeenstemming met de werkelijkheid is of daar recht aan moet doen. De eis van coherentie fungeert dan ook vooral negatief, als check. Het is het idee waar veel detectives of thrillers op gebouwd zijn. Als er zich in verhalen of getuigenissen tegenspraken voordoen, weet je dat er iets niet kan kloppen. De vraag is dan vervolgens welke uitspraken wel waar zijn en welke niet. Een onheilspellende kop als die zaterdag op Spiegel Online verscheen, ‘Drohnen-Affäre: De Maizière im Dickicht der Widersprüche’, doet dan ook een beroep op de gedachte dat de waarheid coherent moet zijn: als iemand zich in tegenspraken verliest, is de waarheid geweld aangedaan. Er is geen volledige overeenstemming met de werkelijkheid. Alleen moet dan nog even uitgezocht worden op welke punten dat het geval is.

Met de derde ‘waarheidstheorie’, die van het pragmatisme, die men eigenlijk de pragmatistische waarheidsopvatting zou moeten noemen, maar die gelukkig vaak wat beter bekkend de pragmatische waarheidstheorie wordt genoemd, is het al niet anders. Het gaat er dan vooral om hoe waarheid praktisch functioneert, over wat de waarde van waarheid in het alledaagse en ook wel niet zo alledaagse leven is. Ook die ‘theorie’ gaat volledig uit van de correspondentiegedachte. In zijn Pragmatism. A New Name for Some Old Ways of Thinking (1907) zegt William James dat ook met zoveel woorden:

‘Truth, as any dictionary will tell you, is a property of certain of our ideas. It means their “agreement,” as falsity means their disagreement, with “reality.” Pragmatists and intellectualists both accept this definition as a matter of course. They begin to quarrel only after the question is raised as to what may precisely be meant by the term “agreement,” and what by the term “reality,” when reality is taken as something for our ideas to agree with.’

Sneeuw en regen
Ik beperk me nu tot enkele mijmeringen over de vraag wat nu de aard van de overeenstemming of overeenkomst tussen woord en werkelijkheid is, waar het bij waarheid om gaat. Mijn indruk is dat vooral onder invloed van Alfred Tarski (1901-1983) daarbij het accent tegenwoordig ietwat verkeerd komt te liggen. Zoals bekend, begint het zodra het om waarheid gaat, tegenwoordig ook altijd al spoedig te sneeuwen. En dat komt door meneer Tarski zelf. In zijn befaamde opstel ‘Der Wahrheitsbegriff in den formalisierten Sprachen‘ uit 1935, dat twee jaar eerder in het Pools was verschenen, gebruikte hij al het voorbeeld:

‘”es schneit” ist eine wahre Aussage dann und nur dann, wenn es schneit

En in ‘The Semantic Conception of Truth and the Foundations of Semantics‘ uit 1944 figureert het verwante voorbeeldzinnetje dat we ad nauseum nog steeds langs zien komen. Ik citeer ook even het een en ander uit de omliggende passage:

‘Consider the sentence “snow is white.” We ask the question under what conditions this sentence is true or false. It seems clear that if we base ourselves on the classical conception of truth, we shall say that the sentence is true if snow is white, and that it is false if snow is not white. Thus, if the definition of truth is to conform to our conception, it must imply the following equivalence:

  • The sentence “snow is white” is true if, and only if, snow is white.

Let me point out that the phrase “snow is white” occurs on the left side of this equivalence in quotation marks, and on the right without quotation marks. On the right side we have the sentence itself, and on the left the name of the sentence. Employing the medieval logical terminology we could also say that on the right side the words “snow is white” occur in suppositio formalis, and on the left in suppositio materialis.’

Het is niet mijn bedoeling hier verder uitgebreid op in te gaan en in die zin ook niet om een formele kritiek te geven. Het is best mogelijk dat binnen een meer geformaliseerd systeem dit allemaal heel aardig is, voor wie zin heeft zich daarmee te vermaken. Let overigens wel op dat Tarski hier een onderscheid maakt tussen de naam van de zin (links) en de zin zelf (rechts). Hij blijft hier binnen de wereld van de taal. Ik kan me niet aan de indruk onttrekken dat sommigen de tweedeling tegenwoordig ook wel anders en meer in overeenstemming met de klassieke correspondentiegedachte gebruiken, waarbij de zin (dan links) tegenover een ‘feit’ (rechts) wordt geplaatst.

Dat nu geeft het probleem misschien ook wel een beetje aan. Zo heb je dus in combinatie al een driedeling. Je hebt eerst de werkelijkheid dat sneeuw zoals die op hoge bergtoppen ligt en soms ook gewoon op straat of in onze tuin ligt, wit is, ten tweede een uitspraak daarover en vervolgens weer de ‘naam’ van die zin en een oordeel erover, namelijk dat die waar is. Als je wilt, kun je nog wel even doorgaan met het aanbrengen van nadere onderscheidingen, want je kunt bijvoorbeeld een onderscheid maken tussen de zin als zodanig en de inhoud die daar achter ligt en die ook op andere wijzen en in andere talen weergegeven kan worden. Hier is de regen vaak het voorbeeld. ‘It is raining’, ‘Es regnet’ en ‘Il pleut’ zijn heel andere klanken en woorden, maar ze drukken allemaal dezelfde propositie uit, namelijk dat het regent.

Samenhang
Het is niet onmogelijk dat dergelijke onderscheidingen in bepaalde contexten en anders wel binnen bepaalde spelletjes een zeker nut hebben, maar ze kunnen ook ons het zicht op wat waarheid is en hoe waarheid functioneert, benemen en daar wil ik het nu over hebben.

Het is in feite het idee dat waarheid uitsluitend in taal, en dat mag je dan best breed opvatten en er ook symbolische systemen en gebaren (een hoofdknik, een gezichtsuitdrukking) bij betrekken, gelokaliseerd is. Ik heb dat vroeger zelf ook wel met klem beweerd, maar ik geloof dat het een gedachte is die ons op dwaalwegen voert, en ik ben er dan ook op teruggekomen. Niet dat ze volkomen onjuist is. Waarheid gaat óók over taal, althans over beweringen die in taal gedaan worden. Hierboven had ik het zelf nog over uitspraken die al dan niet waar kunnen zijn. Als je zegt dat wat iemand zegt, onwaar is, doe je een uitspraak over wat hij net in taal uitte. Maar het is wel een onvolledige opvatting van wat waarheid is.

En de omschrijvingen die ik hierboven aanhaalde, helpen ons daar al bij. Waarheid is een kwestie van overeenstemming, adaequatio. We kunnen twee elementen, intellectus en res, begrip en zaak, onderscheiden, maar bij waarheid gaat het er nou net om dat ze niet volkomen gescheiden zijn, maar met elkaar verbonden zijn. Waarheid gaat niet alleen over taal of wat daarin uitgedrukt wordt, maar om de verwevenheid van taal, van zinnen en teksten, met de werkelijkheid en de wereld waar we deel vanuit maken. Juist het rijke idee van de adaequatio en de eigenheid daarvan die veel meer dan een isgelijkteken (=) is, dreigt in de tarskiaanse weergave wat uit het zicht te raken.

Als iemand je vertelt dat het een paar graden boven nul is en je gaat daarom zonder handschoenen de deur uit en je ontdekt vervolgens dat het wel degelijk vriest en dat je wel erg koude handen op de fiets krijgt, neem je hem misschien kwalijk dat hij je niet goed ingelicht heeft. Maar het gaat je er dan niet alleen om dat iemand je een aantal minuten terug een onware mededeling deed, het gaat je ook om de situatie waarin je je bevindt. Dat het niet waar is dat het niet vriest en dat je handen wel erg koud en stijf worden. Het gaat je niet alleen om een uitspraak, maar om de werkelijkheid. Natuurlijk kun je dan methodisch een zeker onderscheid maken tussen de waarheid van de zin en de werkelijkheid waar die betrekking op had, maar waar het op aankomt, is de samenhang. De uitspraak is niet meer dan een middel om iets over de werkelijkheid te weten te komen. En bij waarheid gaat het om die werkelijkheid.

Waarheid is niet iets dat tot taal beperkt blijft, het gaat juist over de wijze waarop onze woorden met de werkelijkheid verbonden zijn. In die zin zet zelfs James ons op verkeerde been als hij in zijn initiële Zugeständnis waarheid een eigenschap noemt van bepaalde ideeën die we er op nahouden. De eigenschap laat zich alleen in de relatie van die ideeën tot de buitenwereld kennen, ze is geen opzichzelfstaande eigenschap. Waarheid verbindt de taal met de wereld waar ze deel vanuit maakt. Waarheid is wat we in het dagelijks leven veronderstellen. Alleen als we twijfelen, vragen we naar de waarheid. ‘Weet je dat wel zeker?’ Of bij thuiskomst: ‘Je hebt me anders wel behoorlijk voor de gek gehouden met je bewering dat het helemaal niet vroor.’

Creatieve gebondenheid
Waarheid is een van de voorwaarden voor onderlinge communicatie. Gewoonlijk is ze impliciet. Maar meer dan een van de veronderstelde normatieve aspecten van onderlinge uitwisseling is ze nu ook weer niet. In verhandelingen over waarheid wordt ook vaak gedaan of hele zinnen alleen maar waar of onwaar kunnen zijn. Maar mensen gebruiken heel veel zinnen die op zich helemaal niet waar of onwaar zijn. Ironisch genoeg liggen die juist in verhandelingen over waarheid al voor het oprapen. De twee zinnen ‘Consider, for example, the belief that Ramey sings. Let us grant that this belief is true.’ kunnen als zodanig helemaal niet waar of onwaar zijn. Het gaat hier over een denkmogelijkheid, niet over een werkelijkheid. Sla een willekeurig boek op, prik een zin – dit is nu eens een praktische en nuchtere vorm van bibliomantie – en vraag je af of die waar of onwaar kan zijn. Soms kan dat, soms niet en soms – als we de Faust van Goethe open slaan (‘Mich an deine Seite zu schmiegen, Das war ein süßes, ein holdes Glück!’) – moet je eerst even uitleggen wat waarheid in dit verband zou kunnen betekenen.

Waarheid is slechts een aspect van bepaalde zinnen. Als je het over de waarheid met elkaar oneens bent, kun je dat aspect er vaak uithalen en het daar dan afzonderlijk over hebben. Maar zo werkt normaal taalgebruik meestal gelukkig niet. Het idee van een propositie als de inhoud van een bewering die niet nader meer geïnterpreteerd hoeft te worden en die alleen maar waar of onwaar kan zijn, kan in een geval van strijd om een bepaalde aanspraak op waarheid misschien een zekere methodische, richtinggevende waarde hebben, in de praktijk van alledag kan het geen vertrekpunt zijn, want als we het over de waarheid oneens zijn, gaat het juist wel over de interpretatie van concrete formuleringen en over ons perspectief op de betreffende werkelijkheid. En daar moeten we dan verder over praten. We moeten dan nadrukkelijk wel interpreteren. En ons doel is dan om tot een beter inzicht omtrent de werkelijkheid te komen. Alleen als we er samen uit komen, hebben we het over een propositie die de interpretatie als het ware voorbij is. In die zin kan de gedachte misschien een methodisch ideaal vertegenwoordigen, een einddoel, geen uitgangspunt.

Waarheid wordt voorondersteld en ze wordt alleen gethematiseerd als er verschil van menig over rijst. Of als iemand een tot dan toe onbekende waarheid, die niet onmiddellijk inzichtelijk lijkt, komt vertellen. Dan gaat het meer over twijfel of scepsis dan om regelrechte tegenspraak. En als iemand er uit zichzelf al bij vertelt dat hij de waarheid of de ‘echte waarheid’ komt vertellen, is de bijbehorende gedachte al: ‘u gelooft me vast en zeker niet maar zo’. Waarheid gaat dus over onze relatie tot de werkelijkheid. Waarheid is een kwestie van harmonie met de ons omringende werkelijkheid. Ook het onderscheid tussen feiten en waarheden die die feiten tot uitdrukking zouden brengen, is hooguit kunstmatig. Een feit is altijd waar. Dat hoort nu eenmaal bij onze bepaling van een feit. Maar dat feit kennen we pas en kunnen we pas ter discussie stellen als we het eerst formuleren. Het is niet zo dat er in een werkelijkheid buiten ons een verzameling ‘feiten’ is, waar we vervolgens dan ook nog iets over zeggen kunnen. Pas door onze beweringen worden die feiten als ‘geïsoleerde eenheden’ ook pas geschapen. Maar dat scheppen is niet volkomen vrij of willekeurig. In die scheppende daad moeten we recht doen aan de werkelijkheid. Ook al heeft niemand een bepaald feit eerder zo onder de loep genomen, wil het een feit zijn, dan moeten anderen die er kennis van nemen, er in alle redelijkheid mee kunnen instemmen. Waarheid is een creatieve daad in gebondenheid.

Oordelen
Bovendien kunnen we feiten en waarheid niet beperken tot een zuiver fysieke werkelijkheid. Dat sneeuw wit is, wil er in het algemeen nog wel in, maar ook díe uitspraak is van de context afhankelijk. Sneeuw kan wel degelijk gelig of grijzig zijn. Ja, zal men zeggen, dat is dan niet de sneeuw zelf, maar iets bijkomends, maar juist dat punt moet verduidelijkt worden, want iemand die opmerkt dat de sneeuw op straat onderhand wel erg vies is, kan een volkomen juiste en ware uitspraak doen. Die heeft het niet over sneeuw ‘als zodanig’. En als je het daar wel over hebt, zal dat toch uit de context duidelijk moeten worden. Het is geen absolute uitspraak die altijd waar is. Soms is ze dat, maar ook dat moet uit de situatie blijken.

Ook inzake onze oordelen over de wereld maken we aanspraak op waarheid. Een verslaggever die bij een demonstratie staat en die zegt dat de stemming erg gespannen of juist uitgelaten is, kan daarmee een bewering doen die volkomen waar is. Maar natuurkundig nauwkeurig kun je zoiets niet vaststellen. Toch kan hij groot gelijk hebben, als je ziet hoe de mensen er bij staan. Iemand kan bij het gedwongen aftreden van een politicus opmerken dat hoogmoed voor de val komt en een gesprekspartner kan dat beamen met de woorden: ‘dat is waar’. Meetbaar? Nee. Waar? Ja. Iemand kan opmerken dat ondanks alle kritiek Barack Obama een uitstekende president is. En anderen kunnen daar mee instemmen of juist tegenwerpen dat dat niet waar is. Daar kan men vervolgens argumenten voor of tegen bij aanvoeren. Maar de vraag naar waarheid speelt bij een dergelijk oordeel wel degelijk mee, al is het terecht vaak impliciet. De vraag naar waarheid kun je dan alleen in een ruimere context – wat heeft hij gedaan? waarmee vergelijk je hem? – beantwoorden.

Exif_JPEG_PICTURE

In 1978 schreef Václav Havel de tekst van dit boekje in het Tsjechisch. In januari 1980 verscheen het in het Duits. Dit is de Originalausgabe. Let ook op de ondertitel. Waarheid kan een krachtig middel tegen machtsmisbruik zijn.

Verhaal en geschiedenis
Het is niet toevallig dat woorden als verhaal en geschiedenis in vele talen een dubbele referentie hebben. Neem de geschiedenis van de Tachtigjarige Oorlog. Die kun je op onnoemlijk veel verschillende wijzen vertellen. Aan elk boek kan een nieuw boek toegevoegd worden, waarin weer andere aspecten aan bod komen en bepaalde dingen weer niet genoemd worden. Maar alle moeten ze toch recht doen aan een bepaalde historische werkelijkheid. Ze moeten kloppen. De Tachtigjarige Oorlog heeft zijn eigen geschiedenis. Het levensverhaal van Angela Merkel wordt in heel veel boeken verschillend belicht, maar toch is er dat ene verhaal van haar leven dat op verschillende wijzen verhaald kan worden, maar waarbij de feiten – en die ken je alleen als ze verwoord worden – er toe doen en een zekere hardheid bezitten. Dergelijke geschiedenissen en verhalen zijn waar en ze bestaan uit de relatie tussen boeken en historische werkelijkheid.

Ook bij verhalen die als fictief aangekondigd worden, kan de waarheidsvraag overigens nog op diverse wijzen een rol spelen, bijvoorbeeld of iets zo in werkelijkheid ook zou kunnen gebeuren. Het geeft wel aan dat de relatie op diverse wijzen gekwalificeerd kan worden. In onze verbeelding kunnen we iets aan de werkelijkheid toevoegen, verhalen die we verzinnen, ideeën die we bedenken. Zo scheppen we nieuwe werkelijkheden, juist omdat taal veel meer is dan een beschrijving van de werkelijkheid. En ook in de verbeelding verhouden we ons nog steeds op een bepaalde, maar nog creatievere wijze tot de werkelijkheid. Het gaat dan om meer dan om simpele feiten. Taal is onderdeel van de werkelijkheid, ze staat er niet tegenover, maar ze is ook een onderdeel dat nieuwe werkelijkheden kan scheppen.

Waarheid bindt ons aan de werkelijkheid en daar mag je de wetten van het denken, die ook aan de werkelijkheid gebonden zijn, ook bij meenemen. Juist de aangehaalde woordenboekbetekenissen wezen daar op, maar ik laat dat aspect hier nu rusten. We kunnen ook onwaarheid spreken, omdat we ons vergissen, maar ook omdat we liegen. Juist dan zijn we niet in harmonie met de wereld en met de werkelijkheid, hetzij zonder dat door te hebben, hetzij bewust. Dat is een menselijke mogelijkheid. Waarheid is harmonie. Onwaarheid is disharmonie.

Verbinding
Waarheid is dus niet een tegenoverstelling van woord en werkelijkheid, maar een verbinding. En die wordt verondersteld. Alleen als we aan de waarheid twijfelen, dan nemen we even een stapje terug en kijken naar de verhouding tussen de omstreden uitspraak en de werkelijkheid. Dan kijken of het begrip en het ding, intellectus en res, wel in overeenstemming zijn. Maar ook dan gaat het niet om één zijde, die waar zou zijn, maar juist om de aard van de relatie: of het daarmee in orde is. Wie zegt dat een uitspraak waar is, wijst daarmee tegelijk boven die uitspraak uit. Zo hebben mensen ook de mogelijkheid om in waarheid te leven, zoals Václav Havel dat ooit, maar zeker niet als eerste of enige, thematiseerde in zijn beroemde boekje Poging om in de waarheid te leven.

Veritas est adaequatio rei et intellectus.

(105)