Archive for ‘Maatschappij’

15 februari 2016

De jankerd en de vicepremier – Leven in een pueriele cultuur

door Jan Dirk Snel

[Maandag 15 februari 2016] Peter Breedveld zou natuurlijk gewoon blij moeten zijn. Jarenlang scheldt hij zich verrot. En eindelijk krijgt hij dan erkenning doordat vicepremier Lodewijk Asscher ook zijn naam opneemt in een schrijven over, laten we zeggen, de geestelijk incontinente medemens. Maar dan is het nóg niet goed. In plaats van het eerbetoon in verwonderde dankbaarheid stilletjes te aanvaarden gaat de heer Breedveld zich uitgebreid beklagen.

Racist
Eerst maar even de feiten. In zijn vermakelijke facebookpost schreef Asscher: ‘Volgens Peter Breedveld cs ben ik zelfs de gevaarlijkste racist van Nederland.’ Let op dat cum suis. Onder zijn bericht had de minister onder meer een afbeelding opgenomen van een tweet van ene Kars Abbes die een stuk van Breedveld, ‘De krokodillentranen van Lodewijk Asscher’, aanprees met de woorden: ‘Asscher, gevaarlijkste racist van Nederland’. (De minister was zo vriendelijk om via de eenvoudig vindbare tweet dus ook zelf naar dat stuk te verwijzen, maar dit terzijde.) De belangrijkste vraag is dan niet of Asscher niet beter een gemakkelijk te vinden rechtstreeks citaat van Breedveld waarin deze hem uitscheldt, had kunnen gebruiken – denk ik op zich wel – de enige vraag die uiteindelijk relevant is, is of die typering recht deed aan het stuk.

Tweet

Peter Breedveld acht Lodewijk Asscher een van de architecten van de rellen in Geldermalsen en scheldt hem verder naar believen uit. Asscher signaleert terecht dat Breedveld hem als een gevaarlijke racist beschouwt. Dus eist Breedveld excuses van de minister. Logisch toch dat vele weldenkende mensen die oproep ondersteunen?

Het antwoord is niet zo moeilijk. Ja. Breedveld schrijft dat Asscher ‘gevaarlijker is dan de PVV’. En hij verwijst naar een eerder stuk waarin hij Asscher al eens ‘erger dan de PVV’ genoemd heeft. Maar waarin ligt nu dat gevaarlijke of erge van de PVV? Ook al niet moeilijk. Breedveld vindt het een ‘racistische partij’. En waaruit blijkt dat? Die partij is ‘gefixeerd op niet-westerse allochtonen, op allochtone broodgooiers, Marokkaanse (maar niet autochtone) voetbalrelschoppers, Turkse en Marokkaanse (maar niet Israëlische) dubbele paspoorthouders’. Voor Asscher geldt volgens Breedveld in feite hetzelfde:

‘Asscher wil te graag allochtonen stigmatiseren. Hij werkt er keihard aan. Ik schreef al eens dat de man gevaarlijker is dan de PVV. Geen gelegenheid laat hij schieten om zijn wantrouwen jegen[s] moslims en allochtonen te etaleren.’

Kortom, Asscher wil zo ongeveer hetzelfde als de racistische PVV, maar hij is gevaarlijker. De PVV is gefixeerd, maar Asscher stigmatiseert. Misschien is de conclusie dat hij volgens Breedveld de ‘gevaarlijkste’ – superlatief – racist van Nederland is, inderdaad net iets te snel getrokken – Breedveld heeft mogelijk ook nog Meindert Fennema op het oog, die ‘openlijk racistische theorieën aanhangt’ – maar een gevaarlijke racist vindt Breedveld de vicepremier natuurlijk wel – gevaarlijker dan de PVV in ieder geval.

Racistisch beleid
Vond hij althans tot 9 februari, toen Asscher dat opschreef. Want ineens draaide Breedveld bij als een blad aan de boom. Vond hij Asscher in december nog een ‘ongelofelijke smiecht‘, een ‘geile hond‘, een van de ‘architecten’ van de rellen in Geldermalsen, die ‘zijn waffel’ moest houden, nu denkt hij ineens dat Asscher ‘een heel fatsoenlijke vent’ is. Halleluja! Zo’n ingrijpende bekering ziet men zelden.

Vanwaar deze ommekeer, die men uiteraard – stel je voor! – geen draaikonterij mag noemen? Waarom blijft Breedveld niet ferm bij zijn oude opvatting? Heel simpel, omdat hij vele kwaliteiten in zich verenigt. In het schelden, tieren en razen doet hij weliswaar enorm zijn best, maar de concurrentie is loodzwaar dezer dagen. De scheldmarkt is een moeilijke markt. Breedveld heeft echter meer in zijn mars. Hij is zonder meer de grootste jankerd van Nederland. Het lijkt onwaarschijnlijk dat een deskundige jury ergens in Nederland een larmoyantere figuur zal weten te vinden. Niemand draagt zijn zelfbeklag zo kinderachtig uit als Peter Breedveld. Daarin is hij onovertroffen. En die kwaliteit buit hij uit op fabuleuze wijze. Toen Elma Drayer hem eens een keer wat dubieus aanpakte, loste hij dat niet op met één stukje, maar wijdde hij er elf aan haar en vergat hij haar ook verder niet. Herhaaldelijk laat hij weten hoe zwaar hij het wel niet heeft en hoe vreselijk het toch wel niet is wat allerlei mensen hem aandoen. Enig verband met zijn eigen respectloze omgang met mensen heeft hij uiteraard nog niet weten te ontdekken.

In dit geval heeft Breedveld tot nu toe drie stukjes gewijd aan het vreselijke onrecht dat minister Asscher hem heeft aangedaan. Maar zijn fans kunnen ongetwijfeld gerust zijn. Er komen vast en zeker nog wel twintig stukjes over de ‘vice-premier-onwaardige misstap’. Iedereen die niet diep knipmessend instemt met zijn eis tot ‘excuses’ door de minister die hij uitschold – NRC Handelsblad en andere ‘apologeten’ – kan immers op een stukje rekenen. (Tip: zit u nog om wat aandacht verlegen, zeg iets redelijks tegen Breedveld en u krijgt gegarandeerd 1500 woorden vol warme, invectieve belangstelling terug.) De humoristische vondst is dat hij dit keer zijn toevlucht heeft genomen tot het zogenaamde ‘logisch redeneren’. Op de een of andere wijze moet hij van dit vreemde verschijnsel gehoord hebben. In één alinea heeft Breedveld G.E. Moore (1873-1958) en diens Principia Ethica (1903) weten te overtreffen met het lucide betoog dat erger nu eenmaal erger is en niet iets anders. Als hij Asscher ‘erger’ of ‘gevaarlijker’ vindt dan de PVV dan zijn dat gewoon op zichzelf staande, onherleidbare categorieën en dan gaat het heus niet om het voor de hand liggende punt van overeenkomst, hoor. Overigens, nog zo’n vlijmscherpe wijsgerige vondst, Asscher mag dan volgens Breedveld ineens wel geen racist zijn, zijn beleid ‘is dat zeker wél’. Kortom, Asscher is geen racist, maar hij handelt wel racistisch. Zeg niet dat Breedveld geen subtiele denker is.

Iets moois
Het is wel duidelijk wat Peter Breedveld dwarszit. Jarenlang doet hij zijn best om de Erkende Opperschelder van Nederland te worden en wat is het resultaat? Dat hij, de Grote Fuck- en Kutroeper, op één rij gesteld wordt met wat onnozele halzen. Dat doet natuurlijk pijn. Neem nou zo’n aandoenlijke Rico Schuurman. Dat je iemand niet met de dood mocht bedreigen, dat wist hij al wel, maar dat je een minister beter ook maar niet voor kuttenkop – ‘kut kop’ in zijn versie van het Nederlands – kon uitmaken, dat moest hem eerst even uitgelegd worden. Maar toen bood hij dan ook royaal zijn excuses aan. Deze jongen begreep het uiteindelijk toch. Maar of dat met Peter Breedveld ooit zover zal komen?

JaapJdeVriesAsscherbeter

Trefzeker registreerde dr. J.J. de Vries het verschil tussen de heer Breedveld en mij. Terwijl Frontaal Naakt, alias Peter Breedveld, in Asscher tot voor kort nog een geschikt object voor scheldpartijen zag, twijfelde ik geen moment aan diens goede bedoelingen. Maar sinds enkele dagen vindt ook Breedveld Asscher ‘een heel fatsoenlijke vent’, ook al verdraait hij volgens hem feiten en probeert hij critici de mond te snoeren – in zijn gulheid hanteert Breedveld bepaald geen kleingeestige opvatting van fatsoen – maar nu maakt juist het feit dat Asscher ‘geen racist’ is, hem gevaarlijker dan de PVV. Voorwaar, een groot dialecticus is de voorbije week opgestaan.

Dit stukje schrijf ik uiteraard ook niet voor hem – al weet je nooit of hij er niet toch stof voor een heerlijke scheldkanonnade aan kan ontlenen – ik schrijf het wel voor anderen. Het gaat me nu om de lieden die tegen beter weten in Breedveld verdedigen. Taal die ze van hun kinderen niet zouden verdragen, accepteren ze van deze hele grote vent ineens wel. Want hij bedoelt het toch zo goed? Inderdaad, tussen het getier en geraas door kan men bij Breedveld soms wel een zeker betoog ontwaren, al moet je daarvoor wel vele hindernissen nemen, die ik meestal niet haal. En het komt me voor dat ik het met de zakelijke strekking, voor zover men die er uit kan pellen, soms nog eens ben ook – en dat geldt zelfs voor diverse bezwaren tegen het beleid van minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid Lodewijk Asscher. (In alle welwillendheid wees de zeer gereformeerde en zeergeleerde doctor in de econometrie Jaap J. de Vries Peter Breedveld daar zaterdag reeds op, hetgeen mij weer werk bespaart. Verwaarloosbaar verschil is slechts dat ik nooit aan de goede bedoelingen van Asscher twijfelde en Breedveld daar tot enkele dagen geleden heel anders over dacht.) Vergeleken bij tien jaar geleden, toen Breedveld even luidruchtig zo ongeveer het tegenovergestelde van nu verkondigde en hij nog doodsbenauwd was voor alles dat ook maar een beetje vreemd was, islam en moslims voorop, lijkt hij er inhoudelijk enigszins op vooruit te zijn gegaan. Maar waarom zou je zo iemand serieus nemen? Iemand die altijd, toen en nu, op dezelfde toonhoogte zijn gelijk haalt? In zijn laatste stukje schrijft Breedveld:

‘Ik chargeer weleens en pas allerlei stijlvormen toe om er iets moois van te maken. Ik wil dat mensen helemaal tot aan het einde komen.’

Welja, iets moois! Stof voor een dissertatie: Het schone in het oeuvre van Frontaal Naakt met bijzondere nadruk op de jaren van het kabinet-Rutte II. Met wat goede wil zou je even aan de zogenaamde hyperbool kunnen denken, maar over een dergelijke stijlfiguur spreken heeft alleen zin als er afwisseling in de toonzetting zit. Breedveld is zo’n type dat niet één keer een zandneger tegenkomt in NRC Handelsblad, nee, de zandnegers vliegen hem bij het openslaan van de krant dagelijks om de oren. (Voor u verder leest: probeer dit even te visualiseren.) Hij moet zijn eigen versie hebben. Eén dingetje simpelweg constateren is voor hem echt te ingewikkeld, alles moet altijd uitvergroot worden. Maar dat heeft een doel: meneer wil dat mensen ‘helemaal tot het einde komen’. Aha, daarvoor is dat geweldig gevarieerde en rijke taalgebruik dus bedoeld!

‘Ik gooi er weleens een krachtterm uit, ik kan de verleiding zelden weerstaan om te schrijven “daar is geen kut van waar” in plaats van “daar klopt niets van”‘.

VriesBreedveld

Pueriele cultuur? Dit de grote tijd van het fatsoen! Een fatsoenlijke blogger, een zeker zo fatsoenlijke retweeter en een nog fatsoenlijkere krant, wat wil een mens nog meer? Goeie Suske en Wiske-titel overigens: De Boze Blogger.

Fuck, kut, dat is natuurlijk ver voorbij het schone, dat is ronduit subliem. De opmerking getuigt in ieder geval van enig zelfinzicht. Natuurlijk, pubers die altijd nog rode koontjes krijgen bij vieze woordjes, komen bij Peter Breedveld ruimschoots aan hun trekken. Zij zullen het eind van die stukken wel halen. En zulke puberale figuren, ook op gevorderde leeftijd, zijn er dezer dagen volop. Maar geldt het ook voor mensen die op zoek zijn naar een serieuze bijdrage aan het maatschappelijk debat? Van hen verlangt de heer F. Naakt wel een enorm uithoudingsvermogen, afgezien nog van de vereiste diepgaande kennis van de stijlleer.

Pueriel
Peter Breedveld is niet meer dan een exempel van een pueriele cultuur die geen grenzen kent. Beschaving is een kwestie van onderscheidingsvermogen, van grenzen weten te trekken, tussen het particuliere en het publieke, tussen het verborgene en het openlijke, tussen verschillende sferen in het openbare én het persoonlijke leven. Het is een kwestie van rekening houden met tijd en gelegenheid. Alles past ergens, maar niet alles past altijd overal. De obsessie met naakt op de website is niet toevallig: Breedveld weet niet wat waar hoort. Hij is een bandeloos figuur. Hij kent de regels niet. Hij kent ze, vermoed ik, echt niet. Het is geen kwestie van ze doelbewust niet erkennen, hij mist elk besef ervoor. Hij beseft ook niet dat als hij geen enkel respect voor medemensen toont, hij ook wel eens onwelwillende reacties terug kan krijgen. Hij is het centrum van de wereld, hij wil naar hartenlust kunnen schelden, tieren, razen, janken en huilen en hij wenst niet onaangenaam getroffen te worden door afkeuring van anderen. Voor de narcist is dat volkomen logisch. De wereld is niet meer dan materiaal voor zijn lusten. Wederkerigheid bestaat niet.

In een zekere welwillendheid zou men de tolerantie jegens het getier van Breedveld zelfs als een uiting van beschaving kunnen zien. Dat joch weet dan wel niet hoe het hoort, hij misdraagt zich gruwelijk, maar hij weet niet beter. Wij doorzien het wel, het gekrijs negeren we en we doen de moeite de boodschap eruit te halen, want hij heeft toch heus wel een beetje zijn best gedaan. Het is een nobele, lankmoedige houding, maar in het huidige tijdsgewricht lijkt ze me niet verstandig. Sinds een jaar of tien teistert de haat- en scheldcultuur het publieke debat. Je zou denken dat de lol er een keer af zou moeten zijn, maar voorlopig lijkt het eind nog niet in zicht.

Brendel3

Blijft irritant, vakbekwame journalisten die opmerken dat je dingen na moet trekken.

Of het nou om Peter Breedveld gaat, of om GeenStijl of Wilders, het gaat om dezelfde anomische anticultuur. Als die op zichzelf stond, kon je die negeren. Maar ze dringt diep door in het publieke vertoog. Ze is populair. Ook ogenschijnlijk keurige lieden met respectabele functies zie je op Twitter genoeglijk vloeken en schelden. Als allerlei lieden Breedvelds oproep om excuses aan de minister die hij uitschold, ondersteunen, is dat uiteraard niet omdat ze na zorgvuldige studie tot de conclusie gekomen zijn dat die op hun plaats zijn, maar omdat ze dwarsigheid wel geinig vinden. Heel wat mensen vinden het simpelweg leuk, zo’n zich misdragende Peter Breedveld, ze genieten ervan. En wat ze nog veel leuker vinden is een jankende, zeurende en huilende Peter Breedveld. Zijn fans gaan heerlijke, fantastische weken tegemoet. Ze zullen hem ongetwijfeld trouw steunen.

Lijdzaamheid
Tegen zo’n pueriele cultuur valt simpelweg niets te doen. Oproepen deze anomische anticultuur te negeren komt gezien de omstandigheden er in feite op neer het hele publieke debat maar te negeren. Het kwaad is diep ingevreten. Men kan proberen zijn ziel in lijdzaamheid te bezitten. Meer zit er voorlopig niet in.

Naschrift
[26 februari 2016] Van donderdag 18 januari 2016 tot vrijdag 26 februari 2016 stond hier een vrij uitvoerig naschrift, dat nu is uitgewerkt tot het volgende stukje op deze weblog.

(203)

23 juli 2014

Nationale rouw – Over het vervalsen van verdriet

door Jan Dirk Snel

[Woensdag 23 juli 2014] Midden in het leven zijn wij door de dood omgeven. Neem de krant. Vanouds bevat die een pagina met overlijdensadvertenties. Iedereen die aan het begin van de dag, bij het ontbijt, nog ouderwets zo’n ding op papier doorneemt, komt daarin ook de dood tegen. Beter gezegd: komt doden tegen. Vaak laat ik mijn ogen even over de advertenties gaan, ook in de avondkrant overigens, omdat die sociologisch gezien weer een ander milieu vertegenwoordigt. En met die laatste opmerking verraad ik meteen al hoe vertrouwd en gewoon de dood, de dood op een zekere afstand, voor ons is.

Rapenburg_Leiden_1807

Drie dagen na de buskruitramp van maandag 12 januari 1807, waarbij 151 doden vielen, er 2000 gewonden waren en velen hun woning verloren, bezocht koning Lodewijk Napeleon Leiden. Precies een jaar na de ramp werd er een dank- en bededag gehouden. Schilderij door Carel Lodewijk Hansen (1765–1840).

Doden kennen
Ook de dood is een bron van informatie. Soms ken ik de naam van de overledene in de advertentie. Een enkele keer gaat het om iemand met die ik persoonlijk kende of althans een beetje kende. Neem dat ‘persoonlijk’ vooral niet te zwaar op. Soms zie je een overlijdensadvertentie van iemand van wie je vroeger op school les hebt gehad of bij wie je op de universiteit college hebt gevolgd of met wie je ooit op de een of andere wijze, in je werk of je vrije tijd, te maken hebt gehad. Er zijn vele manieren waarop je ooit mensen gekend kunt hebben, van dichtbij tot meer op afstand, en er zijn ook vele manieren waarop mensen in jouw leven voorbijgangers bleken te zijn – of jij in het hunne – en je jaren niet meer aan ze gedacht hebt. Iets vaker zie je een overlijdensadvertentie van iemand wiens naam je indirect, bijvoorbeeld uit de media, vanwege boeken die iemand schreef, hoe dan ook, kent. Soms ook zie je bij de ondertekenaren iemand die je kent en ineens besef je iets als: ‘o, maar zij is dus de dochter van die en die’ of ‘nooit beseft dat die twee broers waren’.

Maar vaker ken ik de overledenen en hun nabestaanden dus helemaal niet. Maar de schaal is variabel, omdat een naam, een woonplaats, een ander gegeven toch soms enige bekendheid of een zekere vertrouwdheid oplevert. Kennis is een gradueel gegeven. Overlijdensadvertenties bieden voor wie ze lezen kan, veel sociologische informatie. De ontwikkelingen in de Nederlandse samenleving tijdens de laatste halve eeuw laten zich uitstekend beschrijven aan de hand van de advertenties van nabestaanden in de landelijke en misschien nog wel meer de regionale kranten. Het verschil in tempo en gestalte van de katholieke en gereformeerde secularisering kon je uitstekend zien aan de hand van advertenties in de Volkskrant en Trouw. Het enorme verschil in geloofsbeleving, althans in de collectieve uiting daaraan, die met die ‘beleving’ overigens wellicht op gespannen voet staat, kon je goed zien aan de hand van de berichten in het Reformatorisch Dagblad en het Nederlands Dagblad. En hoe het de vroegere gereformeerde of protestantse elite uit de tijd van de Republiek en de begindagen van het Koninkrijk is vergaan, kon je altijd uitstekend in het liberale NRC Handelsblad volgen. De pagina met overlijdensadvertenties leek de afgelopen decennia vooral een naschrift op de alom gekende geschiedenis uit de negentiende en de achttiende eeuw. Regionale kranten bieden een nog weer veelkleuriger, vooral ‘gewoner’ en ‘gemiddelder’  beeld.

De dood is er altijd. Elke dag worden we herinnerd aan het sterven van anderen en zijn we ons van onze sterfelijkheid bewust. En toch leven we door. Je ziet dat al op begrafenissen. Op de koffiemaaltijd of de bijeenkomst na afloop van het eigenlijke gebeuren zie je vaak geanimeerde gesprekken ontstaan. Mensen hebben er zin in, in doorgaan met leven, tot ook hun dood zich aandient.

 –

Empathie
Vandaag is er een dag van nationale rouw afgekondigd vanwege het afschieten van een vliegtuig met 298 mensen, onder wie vrij veel Nederlandse passagiers, 193, in het oosten van Oekraïne afgelopen donderdag, 17 juli 2014. Het is als ik het goed begrijp, de eerste keer sinds de moord op John F. Kennedy in 1963 dat een dergelijke dag werd uitgeschreven. Kort daarvoor was dat ook al gebeurd bij de dood van prinses Wilhelmina. Veel lijn schijnt er in ieder geval niet in te zitten. Bij de veel grotere vliegramp op Tenerife in maart 1977, waarbij 583 mensen om het leven kwamen, waaronder kennelijk ook een groter aantal Nederlanders – hun getal kan ik nu zo snel niet vinden, maar aan boord van het KLM-toestel, waarvan alle inzittenden omkwamen, waren 234 inzittenden en 14 bemanningsleden – is zo’n dag klaarblijkelijk niet afgekondigd. Nu dus wel. (In nog oudere tijden zou de regering gewoon een biddag hebben uitgeschreven. Op 28 november 1918 gebeurde dat tenminste nog, al werd die bededag omdat de oorlog, die op het moment van uitschrijven in oktober nog woedde, inmiddels beëindigd was, meteen ook een soort dankdag.)

Maar wat betekent zo’n dag nou en hoe moeten we ermee omgaan? Ik heb de lijst met namen die de regering gisteren in de dagbladen publiceerde, doorgenomen, maar ik kende, denk ik althans, niemand persoonlijk. Bij de combinatie van enkele namen en woonplaats dacht ik wel: ‘dat zou wel eens familie van die en die kunnen zijn’, maar ik weet dat verder simpelweg niet. De enige naam die mij vrijdag direct al veel zei, was die van Willem Witteveen, niet omdat ik hem persoonlijk kende, maar omdat ik een aantal boeken van hem las en in de kast heb staan, titels als Het theater van de politiek (1992), De geordende wereld van het recht (1996, in 2001 herzien) en De denkbeeldige staat (2000). Het zou naar mijn idee overigens ook wat merkwaardig zijn als ik van dergelijke titels niet had kennis genomen. (Waarom zulke boeken dan nooit hoog in de bestsellerlijsten staan, blijft een raadsel. Sommige mensen moeten er een merkwaardig leesbeleid op nahouden.) Maar omdat ik met de boeken van Witteveen nogal wat uren heb doorgebracht, zei zijn dood me ineens toch meer. Ook al kende ik hem niet persoonlijk, zo’n auteur is op een bepaalde wijze toch vertrouwd. Overigens had ik tot aan vrijdag nooit beseft dat hij een zoon van de zeker bij iedereen bekende minister Johan Witteveen was.

Maar hoe gaan we nu om met zo’n nationale rouw? Met empathie dunkt mij, maar dat wil juist daarom ook zeggen: vrij zakelijk. De dood van anderen raakt ons vaak niet erg, maar tegelijk beseffen we dat ze anderen, verwanten, naasten, wel raakt. Mensen staan nu eenmaal in verschillende verhoudingen tegenover elkaar. Empathie impliceert dat je beseft dat wat jou niet zo raakt, anderen wel raakt, dat wat voor jou een interessante advertentie in de krant is met boeiende gegevens over de ontwikkeling van een familie en een blik in de Nederlandse geschiedenis, op dat zelfde moment voor andere mensen, de ondertekenaars in de advertentie bijvoorbeeld, diep verdriet betekent.

Valse sentimenten
Maar ik zou ook zeggen: roep geen valse sentimenten op. De dood van deze 298 mensen, onder wie 193 Nederlanders, was volstrekt onnodig. Iemand, waarschijnlijk gezeten in zo’n Buk-systeem, had zo wijs moeten zijn om niet te drukken, om niet te schieten. Terecht wordt het geval politiek hoog opgenomen, waarbij het trouwens ook nuttig is om te bedenken wat onze reactie geweest zou zijn als de raket een Antonov-toestel met, zeg, vijftig jonge Oekraïense militairen getroffen zou hebben. Veel meer dan een klein berichtje, waar we zelfs de schouders niet over opgehaald zouden hebben, zou het dan waarschijnlijk niet geworden zijn. Soldaten sneuvelen nu eenmaal, dat is hun vak.

Maar dramatiseer ook dit geval niet bovenmatig, want dat doet de zaak geen goed. Er zijn ook op dit moment meer mensen in Nederland droevig om andere overledenen. Elke dag overlijden er volgens het CBS ongeveer 390 mensen. Jazeker, er is een verschil. De ruim tweeduizend Nederlanders die sinds afgelopen donderdag ‘zo’ overleden zijn, zullen in het algemeen een ‘natuurlijke dood’ gestorven zijn, vaak aan het eind van een lang en rijk leven. Maar ook dan is er verdriet, legitiem verdriet. En het is dus waar dat de dood van de 298 mensen in het vliegtuig niet nodig was geweest, niet onvermijdelijk. Dat maakt het terecht om er collectief aandacht aan te besteden. Het was een andere dood.

Nationale rouw is in dit geval vooral een daad. Het gaat meer om het handelen dan om het gevoel. Een gevoel erover kan best authentiek zijn. Toen minister Timmermans in de Veiligheidsraad zich de laatste ogenblikken van de inzittenden probeerde voor te stellen, leek me dat geen valse emotie. Juist dan gaat het om een kwestie van inleven. Maar het lijkt me niet wenselijk om dergelijke gevoelens voortdurend proberen op te roepen. En juist op dat punt gaat het in of met de media nogal eens mis. Onlangs, zaterdag denk ik, heb ik nog eens weer geprobeerd naar het NOS Journaal te kijken, maar het lukte me niet en binnen luttele ogenblikken was ik alweer afgehaakt. Het nieuws opende met een volstrekt willekeurig iemand die in zijn woorden verklaarde hoe erg het wel niet was. En even later ging men weer allerlei willekeurige voorbijgangers vragen wat zij ervan vonden, de beruchte techniek van de voxpopjes. Maar dat werkt dus niet. Of beter: het werkt volstrekt averechts. Het verdriet leiden wij af uit het nieuws zelf en wat we ons daarbij voor kunnen stellen en niet doordat we anderen horen verklaren hoe erg het is. Dat maakt het alleen maar vals. Al jaren volgen nieuwsmedia, waaronder het NOS Journaal – dat verder best zijn best zal doen de feiten te brengen – doelbewust een volstrekt verwerpelijke gedragslijn. Alsof de kijker zelf geen voorstellingsvermogen heeft.

Voorstellingsvermogen
Vanmorgen zette ik even Radio 1 aan. Een reportage vanuit Hilversum, over een katholieke kerk meen ik, die – heel goed – ook een plaats voor rouwenden bood. Maar ook in die reportage dezelfde overtrokken inauthenticiteit. De verslaggever meldde dat er wel drie gezinnen uit Hilversum waren omgekomen en dat dat een groot gat in de gemeenschap sloeg. Dan neem je dus het gebeuren niet serieus. De dood van die drie families is voor geliefden hartverscheurend, maar het slaat geen groot gat in een gemeente als Hilversum. We weten dat er elke dag in Nederland meer mensen sterven en dat er altijd verdriet onder medemensen is. Door grotesk te overdrijven speel je met gevoelens en emoties in plaats van ze een rechtmatige plaats te geven.

Mensen kunnen dat zelf wel. Geef ze de zakelijke informatie en dat zeker niet zonder gevoel. Maar laat mensen zelf de conclusies trekken, laat ze zelf hun gevoelens vormgeven. Door ze kunstmatig emoties van anderen voor te schotelen ontneem je ze eerder die kans. Wie de afgelopen dagen zag hoe de lijken lang in de velden bleven liggen, hoe bezittingen van passagiers er onbeschermd lagen en hoe daarmee gerotzooid kon worden, die reageerde daar vanzelf wel op met verbijstering en woedde. Dergelijke emoties vloeien voort uit het nieuws. De nieuwsbrengers hoeven die er niet nog eens los bij te leveren, al mag een verslaggever best zeggen wat hij bij de aanblik voelt. Dat is namelijk niet kunstmatig, maar maakt onderdeel uit van de situatie.

Vervals het verdriet niet. Roep het verdriet niet op een valse en geforceerde wijze op. We hebben geen voxpoppjes nodig. Laat nieuwsprogramma’s nu eens met dat opzichtige en beledigende wangedrag stoppen. Doe de feiten recht. Iedereen met een normaal voorstellingsvermogen kan daaruit het verdriet afleiden. Op een dag van nationale rouw hoeven we niet allemaal heel diep getroffen te zijn en we hoeven dat gevoel ook niet kunstmatig op te roepen. Het is een normale uiting van empathie dat we de nodeloos overledenen respect betuigen en dat we beseffen dat hun naasten verdriet hebben.

Naschrift (14.35 uur)
Via Twitter wees Jaap Janse me op een stuk op de site van NRC Handelsblad over de vliegramp op Tenerife in 1977, dat meldt dat er toen 248 Nederlanders omkwamen. Dat getal is precies gelijk aan het totale aantal passagiers- en bemanningsleden van het KLM-toestel dat hierboven al genoemd werd.

(161)