Archive for ‘Geschiedenis’

30 december 2015

De veroordeling van Lodewijk Pincoffs – een rectificatie

door Jan Dirk Snel

[Woensdag 30 december 2015] Ik heb een fout gemaakt. En er zit niets anders op dan dat maar op te biechten en recht te zetten. Waar gaat het over? Voor het laatste nummer van Christen Democratische Verkenningen, het winternummer van 2015 dat dezer dagen verschijnt, schreef ik een column onder de titel: ‘Forum privilegiatum: een Kamerlid voor de Hoge Raad?‘ De aanleiding wordt gevormd door de onderzoekscommissie die de Tweede Kamer heeft ingesteld naar het zogenaamde ‘lek’, dat trouwens nauwelijks een lek is, uit de CIVD, de Commissie voor de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten. In het historisch getinte stukje schrijf ik onder meer over de veroordeling van minister van marine G.Ch.C. Pels Rijcken in 1868 en over – toen inmiddels voormalig – senator Lodewijk Pincoffs (1827-1911), wiens fraude met de Afrikaanse Handelsvereeniging in 1879 en 1880 door de Hoge Raad behandeld werd.

WeekbladvanhetRegt1880

Een der vele artikelen die het Weekblad van het Regt wijdde aan het proces tegen Lodewijk Pincoffs en Henry Kerdijk.

Fout
Dit is de passage:

‘Het enige parlementslid dat tot dusverre voor de Hoge Raad werd gedaagd – onder dezelfde bepaling als Pels Rijcken – was het Rotterdamse Eerste Kamerlid Lodewijk Pincoffs, die zich als directeur van de Afrikaansche Handelsvereeniging aan grootscheepse fraude schuldig had gemaakt. Hij was allang naar Amerika gevlucht. Op 23 februari 1880 verklaarde de Hoge Raad hem ‘wederspannig aan de wet’. Tot een inhoudelijke uitspraak kwam het, anders dan veel geschiedschrijvers beweren, nooit.’

Dat laatste, dat klopt dus niet. Het kwam wel degelijk tot een inhoudelijke uitspraak. Mijn fout heeft verder geen enkel inhoudelijk gevolg voor wat ik in mijn stukje verder betoog, maar de slotzin, die er onmiddellijk op volgt, had ik dan wel anders moeten formuleren. Nu luidt die:

‘Ook nu zal het, om heel andere redenen, stellig niet tot een veroordeling komen.’

Daar blijf ik op zich inhoudelijk bij. Het huidige onderzoek van de Tweede Kamer zal hoogstwaarschijnlijk niet tot een rechtszaak leiden en als dat al het geval is, zal er zeker geen veroordeling uitkomen. Maar dit is niet de plek om dat nader uiteen te zeggen. Over deze merkwaardige affaire heb ik trouwens al twee keer eerder – eerst hier en vervolgens hier – iets opgemerkt en misschien doe ik dat nog wel eens. Maar qua formulering had ik deze stelling dan niet zo op een verwijzing naar Lodewijk Pincoffs kunnen laten aansluiten. Ik had dan, na de veroordeling van Pincoffs vermeld te hebben, iets hebben moeten schrijven als: ‘Maar dit keer zal het, anders dan toen, echter stellig niet tot een veroordeling komen.’

Wederspannig
Waarom maakte ik deze fout? Staat er immers in allerlei overzichten, zoals hier op parlement.com, niet dat Pincoffs op 6 maart 1880 door de Hoge Raad bij verstek tot acht jaar gevangenisstraf veroordeeld werd? Jazeker, en daar ging ik aanvankelijk ook vanuit. Maar ik wilde iets meer weten: hoe dat nu precies zat met die veroordeling en daarom begon ik in de gemakkelijkst beschikbare bronnen, oude kranten op internet, naar een verslag te zoeken. En het probleem was dat ik daarbij nergens iets kon vinden over een veroordeling bij verstek tot acht jaar. Na de uitspraak op zaterdag 6 maart 1880 schreven de dagbladen alleen maar over de veroordeling van Pincoffs’ mededirecteur Henry Kerdijk tot twee jaar. Geen woord over een straf voor Pincoffs. Pas in 1928 vond ik daarover een berichtje. (Het is mogelijk dat ik meer berichtjes vond, misschien ook iets eerder, maar toch allemaal van decennia na het proces.) Ook in de vele artikelen over het proces in het Weekblad van het Regt die ik doornam, vond ik geen spoor van een veroordeling van Pincoffs. In het nummer van maandag 8 maart, wordt eerst gezegd dat de Hoge Raad de voorafgaande zaterdag uitspraak heeft gedaan ‘in de zaak Pincoffs-Kerdijk’, maar vervolgens gaat het alleen maar over Kerdijk. Ik kreeg dus – ten onrechte – de indruk dat aan Pincoffs geen aandacht meer werd geschonken. En dat het dus bij zijn wederspannigverklaring van 23 februari 1880 was gebleven.

Hoe het ook zij, voor mijn artikel maakte het eigenlijk niet uit of Pincoffs nu wel of niet veroordeeld werd, maar hierna durfde ik dat eerste niet meer stellig op te schrijven. Waren de berichten over zijn verstekstraf wel op de bronnen gebaseerd? Bovendien vond ik het in het boek Rotterdamse juristen uit vijf eeuwen door G.Chr. de Kok uit 2009 wel het verhaal over Pincoffs wederspannigverklaring en nog wat bijkomende dingetjes, maar ook de opmerking: ‘kennelijk kon toen in een verstekzaak geen straf worden opgelegd’. Ook die auteur ging er in een vrij recent werk dus vanuit dat het niet tot een uitspraak was gekomen.

OosterwijkPincoffsMaar ik had natuurlijk beter moeten weten. Bovendien, wist ik dan niet dat er een moderne biografie over Pincoffs was van Bram Oosterbeek, Ik verlang geen dank. Lodewijk Pincoffs (1827-1911) uit 2011? Jazeker wel en ik probeerde dat boek ook direct te pakken te krijgen. Maar ik had beter naar de openbare bibliotheek hier te plaatse kunnen gaan – de Amsterdamse universiteitsbibliotheken hebben het boek niet – want ik probeerde het te bestellen bij een firma die weliswaar de volgende dag levering beloofde, maar waarbij het er uiteindelijk op neerkwam dat ik het boek pas na meer dan een week in huis had. En toen had ik mijn stuk allang ingeleverd.

Arrest
Oosterwijk citeert in zijn boek het arrest (pagina 225). Henry Kerdijk werd veroordeeld ‘tot een correctionele gevangenisstraf van 2 jaar, te ondergaan in eenzame opsluiting, in 7 geldboeten van 50 gulden en betaling van de kosten’. Zijn mededirecteur Lodewijk Pincoffs werd bij verstek veroordeeld tot ‘een tuchthuisstraf van acht achtereenvolgende jaren, tot betaling van honderd en acht boetes, elk ten bedrage van vijftig gulden en in de kosten van het regtsgeding, desnoods executabel bij lijfsdwang.’ De overige details zal ik u besparen, maar terwijl Kerdijk bij niet betalen voor elke boete twee dagen extra celstraf zou krijgen, waren er dat bij Pincoffs drie. Ook waren zijn kosten al bij al veel hoger.

Geheim was de veroordeling overigens bepaald niet, want de Hoge Raad bepaalde dat een extract in Rotterdam en Den Haag op de gebruikelijke plaatsen zou worden aangeplakt, alsmede aan de koopmansbeurs in Rotterdam. Ook zou het worden gepubliceerd in de Nieuwe Rotterdamsche Courant. Ik had waarschijnlijk ook pech dat deze jaargangen van die krant kennelijk nog niet in Delpher zijn opgenomen. Maar misschien had ik ook verder beter moeten zoeken. Hoe het ook zij, Bram Oosterwijk ontleent de tekst van de arresten, waar hij meer over zegt, aan het archief van de Hoge Raad der Nederlanden. Ik hoop binnenkort tijd te vinden om dat zelf nog eens te raadplegen.

Kortom, ik had voorzichtiger moeten zijn. Toen ik mijn stukje begin deze maand schreef, had ik te weinig materiaal bij de hand om te kunnen beweren dat Pincoffs daadwerkelijk veroordeeld was. Maar ik had ook te weinig positieve aanwijzingen voor mijn stelling dat het nooit tot een uitspraak was gekomen, ook al kon ik die toen niet vinden. En ik had al helemaal geen reden om andere geschiedschrijvers te beknorren. Dom, dom.

Onwaarheid
Dit wilde ik maar even gezegd hebben. Aan de verdere strekking van mijn column doet de rechtzetting van één slordige zin gelukkig niets af, maar het besef een onwaarheid de wereld in geslingerd te hebben blijft vervelend. Ik had voorzichtiger moeten zijn.

Naschrift (donderdag 31 december 2015)
Ook de twee volgende stukjes gaan over de CIVD-zaak. Direct hierna verscheen: Drijfzand – Het betoog van Gerard Spong over de parlementaire onderzoekscommissie naar het ‘lek’ in de CIVD. En vandaag voegde ik daaraan toe: Geen wettelijke grondslag voor de parlementaire onderzoekscommissie-CIVD-lek, zoals het hieraan voorgaande, Een overzicht van mijn in totaal zes stukjes over de zaak geef ik onder die bijdrage van vandaag.

(194)

22 oktober 2015

Willem Aantjes en de Zes Werken der Barmhartigheid

door Jan Dirk Snel

[Donderdag 22 oktober 2015] Als een ‘geslagen hond’ reed Piet Steenkamp zaterdagavond 23 augustus 1975 vanuit Den Haag terug naar zijn woonplaats Eindhoven. Het was de dag waarop het eerste CDA-congres was gehouden in het Nederlands Congresgebouw, maar het was niet goed gegaan. Toch staat die bijeenkomst nu altijd nog om iets heel anders bekend: om een van de beroemdste redes uit de Nederlandse politieke geschiedenis, de zogenaamde ‘Bergrede’ van Willem Aantjes.

Sinds 1967 waren de Katholieke Volkspartij (KVP), de Anti-Revolutionaire Partij (ARP) en de Christelijk-Historische Unie (CHU) aan het onderzoeken of het mogelijk was één politieke partij te vormen. In juni 1973 kreeg het samenwerkingsverband een eigen naam, het Christen Democratisch Appèl (CDA) met een eigen bestuursorgaan en een eigen voorzitter, Piet Steenkamp. Hij was het die het eerste congres van de partij in onzekere wording opende. Daarna volgden toespraken van de drie voorzitters van de Tweede Kamerfracties, Frans Andriessen (KVP), Willem Aantjes (ARP) en Roelof Kruisinga (CHU), in die volgorde.

Christelijke politiek
Willem Aantjes begon het eind van zijn rede te naderen, toen zijn betoog een wending nam:

‘Het evangelie geeft geen rechtstreekse richtlijnen voor het politieke handelen, maar het geeft wel richtlijnen voor het rechtstreekse politieke handelen, en soms wel degelijk heel concreet. Leest u er Mattheüs 25 maar eens op na: hongerigen voeden, dorstigen te drinken geven, vreemdelingen huisvesten, naakten kleden, zieken en gevangenen bezoeken.’

Wim_Aantjes

Willem Aantjes (1974). (Foto: Hans Peters / Anefo – Nationaal Archief, via Wikipedia)

De duizend toehoorders in de prins Willem-Alexanderzaal hadden die bijbelse woorden die ochtend eerder gehoord. Steenkamp had zijn openingswoord – ‘peptalk’, schreef een journalist – laten volgen door een gedeelte uit Mattheüs 25. Maar Aantjes ontleende er nu, als in een klassieke preek, de toepassing aan, letterlijk:

‘Maar dat moeten wij dan wel nú vandaag toepassen. Intussen zijn wij 2000 jaar verder, en kijk eens om u heen!
De hongerigen worden niet gevoed; zij sterven als ratten langs de wegen van hun uitgedroogde landen. En als wij 1 procent van ons nationaal inkomen voor ontwikkelingssamenwerking uitgeven, hebben wij meer zorgen over de vraag of die ene procent wel goed wordt besteed, dan over de vraag of die 99 procent die wij voor onszelf reserveren wel goed wordt besteed.
De dorstigen worden niet gelaafd. Zij worden aan hun lot overgelaten. En als wij ons aan ons televisietoestel volzuigen met het vergif van de consumptiereclame, dan zit ons de verhoging van de alcoholaccijns meer dwars dan de ellende van de dorstigen in de wereld.
En de vreemdelingen worden niet gehuisvest. Zij worden gediscrimineerd en uitgewezen. En wij laten ze uitwijzen, tenzij we ze nodig hebben om het werk te doen waaraan geen Nederlander ondanks honderdduizenden werklozen zijn handen vuil wenst te maken.
De naakten worden niet gekleed. Zij worden uitgestoten.
En de gevangenen wórden niet bezocht. Zij worden gemarteld. En wij vinden dat wij al heel wat doen – ik spreek over mezelf – als wij een kaart van Amnesty International als kerstgroet rondzenden in plaats van een zoete afbeelding van de herdertjes in Efratha’s velden.’

Aantjes, wiens lippen soms trilden, vervolgde met enkele zinnen die tot op heden zijn blijven resoneren:

‘Geen plaats voor christelijke politiek?
De wereld hunkert naar christelijke politiek!
Een politiek, die spreekt voor wie geen stem hebben; die handelt voor wie geen handen hebben; die een weg baant voor wie geen voeten hebben; die helpt wie geen helper hebben.’

Op de rede volgde een stormachtig applaus. Velen waren geroerd, sommigen hadden tranen in de ogen. Daarna kwam de ontnuchtering. Ook Willem Aantjes had aan het eind van de dag weinig om tevreden op terug te kijken en hij moest erkennen dat hij een politieke nederlaag had geleden.

Grondslag
Wat gebeurde er? Het ging die dag over de grondslag van het CDA, niet zozeer om de inhoud of formulering daarvan, want daar was men het wel over eens. Alle drie partijen hadden inmiddels de statuten aangenomen en daarin stond dat het CDA het evangelie ‘als richtsnoer voor het politiek handelen’ aanvaardde. Het ging wel om de vraag hoe dat uitgangspunt zou gaan functioneren. Waren vertegenwoordigers van de toekomstige partij er persoonlijk op aanspreekbaar?

Daarover nu was de voorgaande maanden een merkwaardig conflict uitgebroken tussen Andriessen en Aantjes, tussen KVP en ARP. Op de partijraad van de ARP op 24 mei in Zwolle had Aantjes in een lange rede, waarin hij het gehele politieke landschap overzag, opgemerkt dat er over de vraag of het CDA een ‘open partij’ was, kennelijk verschillende opvattingen bestonden. In de ARP zei men: ‘zie je wel dat de open partij is afgewezen’, op KVP-vergaderingen daarentegen zei men: ‘zie je wel dat het CDA best nog wel een open partij kan worden’. Aantjes noemde dat ‘een bizarre situatie die opheldering behoeft’:

‘Ik geloof dat de verwarring mede in de hand wordt gewerkt doordat het begrip open partij niet door iedereen op dezelfde manier wordt gehanteerd. Het gaat erom of kandidaten voor een vertegenwoordigende functie behalve met het politiek program ook met de uitgangspunten van de partij instemmen. Het is niet het afnemen van een soort geloofsexamen of het onderwerpen aan een principieel röntgenonderzoek.’

KVP-leider Frans Andriessen verklaarde daarop in juni dat het CDA ‘inderdaad geen confessionele partij meer’ was, ja zelfs geen ‘christelijke’ partij. Aantjes sloeg terug: ‘Er zal een keus gemaakt moeten worden. De ARP-visie die door de CHU wordt gedeeld, zal ook door de KVP als uitgangspunt voor het CDA aanvaard moeten worden.’

Vier dagen voor het CDA-congres, op dinsdag 19 augustus, kreeg Aantjes het ARP-partijbestuur achter zich in zijn roep om een duidelijke keuze. Maar op donderdagavond 21 augustus, minder dan twee dagen voor het grote congres, liep hij een gevoelige nederlaag op binnen het dagelijks bestuur van het CDA. Dat besloot het congres een resolutie voor te leggen waarin uitgesproken werd dat het voldoende was als CDA-vertegenwoordigers ‘aanvaarden dat het evangelie richtsnoer is voor het politiek handelen van het CDA en dat zij op basis daarvan het program en het beleid uitdragen’. Aantjes stond met één andere antirevolutionair alleen tegenover de rest. Ook enkele ARP-ers konden zich in het compromis vinden.

Werken van Barmhartigheid

Meester van Alkmaar: De zeven werken van barmhartigheid (1504) – Rijksmuseum te Amsterdam

Verwarrend spel
Dat nu vormde de achtergrond van de later zo befaamd geworden rede van Aantjes. Het overgrote deel van Aantjes’ toespraak behandelde de tegenstelling tussen beginselpartij en open partij. Hij vond het inconsequent beide principes tegelijk te omhelzen. Op zijn minst vond hij dat de beide tegenstrijdige opvattingen elkaar dan toch begrensden. Aantjes keerde zich tegen de voorgelegde conceptresolutie omdat ze volgens hem wél een ‘eenzijdige keus’ deed:

‘Ik waardeer in de resolutie, dat het geen sussende formule is, die weer voor allerlei interpretaties vatbaar is maar die de spanningsverhoudingen tussen beginselpartij en open partij eenzijdig ten gunste van de openheid beslist.’

’s Middags wees het congres Aantjes’ visie af. Met 597 tegen 336 stemmen verwierp het een amendement van Aantjes’ medestander Fred Borgman dat CDA-vertegenwoordigers behalve het program en het beleid ook ‘het uitgangspunt’ – het evangelie als richtsnoer – dienden uit te dragen. Daarentegen nam het congres met een grote meerderheid een KVP-amendement aan: het ‘uitgangspunt’ zouden partijvertegenwoordigers ‘op basis van het programma en het beleid’ uitdragen.

Het was een verwarrend spel, vol karikaturen, waarbij psychologie en interpretatie in feite een grotere rol speelden dan letterlijke woorden. Aantjes dacht dat hij de CHU achter zich had, maar die partij koos, ineens beducht voor antirevolutionaire Prinzipienreiterei, voor de vagere KVP-benadering. Op grond van de aangenomen tekst zou je zeggen dat het congres toch maar gezegd had dat vertegenwoordigers het uitgangspunt zouden uitdragen, zij het geclausuleerd, maar door Aantjes en zijn medestanders werd het als een nederlaag beschouwd. Gezien de enorme weerklank dacht Aantjes dat het hem ’s ochtends gelukt was onder woorden te brengen waar het om ging, ‘maar ’s middags bij de stemming werd aan alles, waarvoor zo ovationeel geklapt was, de basis ontnomen’. ‘Breuk dreigt in CDA’ kopten kranten de maandag erop. De KVP had gewonnen, de ARP verloren, zo luidde de breed gedeelde conclusie.

De eigen ARP zou in de komende maanden steeds verdeelder raken, al bleef de meerderheid Aantjes steunen. Aan het eind van het jaar kwam ze tot de conclusie dat het verschil van mening geen beletsel hoefde te zijn om toch met één CDA-kandidatenlijst te komen. Het CDA kwam eerst praktisch tot stand, via één lijst. Pas in 1980 kwam het tot een fusie. De aanleiding voor het bizarre conflict lag vooral in de onvolledige statuten van 1975. Daarin kreeg de partij wel een grondslag, maar nergens stond dat leden, die als lid van de drie samenwerkende partijen merendeels automatisch lid waren, daarmee hoefden in te stemmen.

Werken van barmhartigheid
Hoewel het doel van Aantjes’ rede mislukt was, werd ze toch beroemd. Dat kwam vooral door één man: Ad Langebent, verslaggever van KRO-Brandpunt. Hij belde onmiddellijk naar Hilversum en zei: ‘je moet me vanavond de ruimte geven, want hier gebeurt iets, dat héél speciaal is.’ Men vulde er de hele uitzending mee. Ook de radiorubriek Echo besteedde er veel aandacht aan.

Ad Langebent was het ook die er de onterechte betiteling ‘Bergrede’ aan meegaf. Als katholiek had hij beter moeten weten. De Bergrede staat in Mattheüs 5-7. Aantjes echter gebruikte de woorden van Jezus over het Laatste Oordeel uit Mattheüs 25. En daar sluit de katholieke traditie van de Zeven Werken der Barmhartigheid bij aan: hongerigen spijzen, dorstigen laven, naakten kleden, vreemdelingen herbergen, zieken bezoeken, vreemdelingen herbergen, gevangenen verlossen en doden begraven.

De eerste zes kwamen rechtstreeks uit Mattheüs. Het begraven van de doden werd begin vierde eeuw al door kerkvader Lactantius (ca. 250-320) geopperd en onder paus Innocentius III (1198-1216) werd het rijtje in 1207 definitief vastgelegd. De Werken der Barmhartigheid werden vaak afgebeeld, op gevels van zorginstellingen bijvoorbeeld. De beroemdste uitbeelding is waarschijnlijk wel die van de onbekende meester die in 1504 een zevenluik voor de Grote Kerk van Alkmaar maakte (Rijksmuseum Amsterdam).

Istendael

Het waren woorden van de katholieke Belgische vakbonds- en ontwikkelingssamenwerkingsman August Vanistendael (1917-2003) die Willem Aantjes inspireerden bij het schrijven van zijn beroemde rede over de werken der barmhartigheid. Zoon Geert van Istendael publiceerde in 2009 een boek over zijn vader.

Als hervormde beperkte Aantjes zich uiteraard tot de bijbelse Zes Werken van Barmhartigheid. Maar zijn inspiratiebron was wel katholiek en het was dezelfde Ad Langebent die daar acht maanden eerder onbewust aan had bijgedragen. Die had hem namelijk uitgenodigd op 18 december 1974 in Noordwijkerhout de viering van het 40-jarig bestaan van de actualiteitenrubriek van de KRO-radio bij te wonen. Bij die gelegenheid hield de Belgische dichter en vakbondsman August Vanistendael (1917-2003), secretaris-generaal van een internationale katholieke organisatie voor ontwikkelingshulp – zoon Geert van Istendael zou in 2009 in Gesprekken met mijn dode god een liefdevol portret van hem schilderen – een gloedvolle rede over internationale gerechtigheid:

‘Want als we om ons heen kijken, stellen we vast dat de hongerigen niet gespijsd en de dorstigen niet gelaafd worden, zij sterven beiden langs de stoffige wegen van hun dor land. De gevangenen worden niet bevrijd, zij worden gefolterd. En vaak noemen hun beulen zich christenen. De naakten worden niet gekleed, maar uitgestoten. De zachtmoedigen zijn niet de bezitters van het land, maar wel de gewelddadigen.’

Dit waren de woorden die Aantjes in de nacht voor het congres toen hij zijn toespraak voltooide, in gedachten had, hij heeft dat later zelf verteld. Frans Andriessen zat in Noordwijkerhout overigens op de eerst rij, ingeklemd tussen kardinaal Bernard Alfrink en apostolisch nuntius Angelo Felici.

Drie tendensen
In Aantjes’ beroemde rede kan men drie tendensen onderkennen. In zijn hameren op het beginsel liet hij zich kennen als een traditionele antirevolutionair. Het was veelzeggend dat hij die zomer in het Oostenrijkse Adelboden een hele dag had doorgebracht met de oude Friese senator Hendrik Algra, sinds de Zwolse partijraad erelid van de ARP, die hem in zijn principiële lijn door dik en dun steunde. Ook in de toonzetting liet Aantjes zich kennen als de gereformeerdebonder die hij van huis uit was. Tot drie keer toe benadrukte hij dat het evangelie een ‘ergernis’ is. Beginselpolitiek was ‘geen boodschap die naar de mens is’.

Tegelijk sloot de wat progressief aandoende tendens aan bij de evangelisch-radicale richting zoals die al een jaar of vijftien in de ARP gangbaar was: ‘niet ikzelf maar de ander centraal staat; niet Nederland maar de wereld.’

Het beroep op Mattheüs 25 was niet nieuw. Al op het partijconvent van de ARP op 14 mei 1960 stelde fractievoorzitter Sieuwert Bruins Slot de vraag wat christelijke politiek is. ‘Christelijke politiek houdt in, dat wij onrecht zien en herkennen en dat wij jagen naar gerechtigheid’:

‘En toen dacht ik aan dat verhaal, dat woord van Christus, als Hij zegt: “Ik ben hongerig geweest en gij hebt Mij te eten gegeven, Ik was naakt en gij hebt mij gekleed.” Dan zeggen wij in de dag des oordeels des Heren: Wanneer hebben wij U gezien; dat wisten wij niet en dan zegt Christus: Zo gij het één van deze minste Mijner broederen hebt gedaan, zo hebt gij het Mij gedaan. Zo kunnen wij Christus in deze wereld dienen en zo moeten wij – dat is onze grote opdracht – vandaag christelijke politiek bedrijven in wereldformaat.’

Zelf was Aantjes op zaterdag 7 juni 1975 door zijn fractie naar een vergadering van verontruste antirevolutionairen in Amersfoort gestuurd. ‘Mattheüs 25 is de grondwet van de ware christelijke politiek’, zei hij daar. Twee dagen voor het congres stelde zijn vertrouweling Joop van Rijswijk, beleidsmedewerker van de fractie, voor dat idee nog eens te gebruiken.

Het was bedoeld als een opening, vooral naar de KVP, want de nadruk op de werken der barmhartigheid sloot goed aan bij de katholieke traditie, het derde element. Niet voor niets had Aantjes het ontleend aan de roomse Vanistendael. En hij verwees juist naar de katholiek Van Agt toen hij het over de ‘sociale functie van eigendom’ had.

Gesloten wereldbeeld
In Aantjes’ slotverhaal kwamen de drie elementen ingenieus samen. De wijze waarop hij vijf keer zei dat we al die charitatieve dingen niet doen – de zieken sloeg hij over – doet zelfs ietwat denken aan de vijf nieten van de achttiende-eeuwse piëtist Wilhelmus Schortinghuis (ik wil niet, ik kan niet, ik weet niet, ik heb niet, ik deug niet). Het was tegelijk een gereformeerde schuldbelijdenis en een evangelische oproep om wél iets te doen. Zelfs toen hij aan het slot enkele dichtregels van de Duitse theologe Dorothee Sölle aanhaalde – ‘Bij ons heeft al eens iemand brood verdeeld/ dat genoeg was/ voor allen/ Bij ons is al eens/ iemand opgestaan/ uit de doden’ – die hij al sinds 1957 persoonlijk kende, dekte hij zich wel in tegen mogelijk wenkbrauwfronsen van antirevolutionairen en christelijk-historischen, maar niet tegen katholieken: zij was immers net als veel van zijn katholieke hoorders niet voor confessionele politiek.

Het was niet Aantjes’ finale, zijn aanhaling van de werken der barmhartigheid, die in de maanden daarna op veel kritiek stuitte. Natuurlijk waren er her en der wat bedenkingen, maar toen negen pragmatische antirevolutionairen onder leiding van W.C.D. Hoogendijk met een open brief kwamen, keerden zij zich niet tegen de progressieve toepassing, wel tegen Aantjes’ ‘gesloten wereldbeeld uit een voorbije periode’.

Dat de werken der barmhartigheid altijd aangeprezen zijn, is duidelijk. De vraag was telkens wel in hoeverre ze ook een taak voor de overheid inhielden. Wie de Handelingen der Staten-Generaal erop naslaat, zal dan ook ontdekken dat vooral wat meer progressieve politici ernaar verwezen. Zo deed in 1933 Harm van Houten van de Christelijk-Democratische Unie dat, in 1955 gevolgd door de protestantse PvdA-er Johan Scheps en zo valt de lijst langer te maken.

De mooiste aanhaling is misschien wel uit een Eerste Kamerdebat uit 1956. De Groningse afgevaardigde Herman Derk Louwes zag toen in de sociale wetgeving

‘het toepassen van de barmhartigheid van het evangelie, als in de praktijk gebrachte christelijke naastenliefde, als het vorm geven aan de verantwoordelijkheid van de ene mens tegenover de ander, die ook de gemeenschap als geheel moet kennen tegenover het leed, dat te midden van die gemeenschap wordt geleden. Ik zie daarin een zeer verheugende ontwikkeling, waaraan ik van harte tracht mee te werken, en die ik zie als de wijze, waarop wij in onze tijd — en hier denk ik weer aan het evangelie — de hongerigen voeden, de naakten kleden en de daklozen herbergen.’

U raadt het al: Louwes was lid van de VVD.

Mijn dank gaat uit naar Sjoerd van Hoorn (Malden), Pieter Jan Dijkman (WI CDA Den Haag) en Lennie van Orsouw (KDC Nijmegen) die me, soms op stel en sprong, van benodigd materiaal voorzagen.

Naschrift
Dit stuk schreef ik bijna twee jaar geleden, in november 2013. Het was net voordat een tweedelige dramaserie over Willem Aantjes op de tv werd uitgezonden. Ik bood het op enkele plaatsen aan, maar geen krant of blad had er ruimte voor. Sindsdien had ik het laten liggen. Nu Willem Aantjes (1923-2015) vandaag op 92-jarige leeftijd overleed, besloot ik het hier ongewijzigd te plaatsen. Alleen de tussenkopjes heb ik nu toegevoegd. Misschien breid ik dit stuk nog wel een keer uit – en voorzie ik het dan ook van voetnoten.

Een stuk op deze weblog waarin een bekende uitspraak van Willem Aantjes een belangrijke rol speelt, is Halen, hebben en houden – Een oud antirevolutionair verwijt jegens liberalen (5 juni 2013)

(190)