Wittgenstein literair – Over het onheldere van de Tractatus logico-philosophicus

door Jan Dirk Snel

[Vrijdag 1 januari 2016] Als er één werk onontkoombaar aan de Eerste Wereldoorlog doet denken, dan is dat wel de Tractatus logico-philosophicusLudwig Wittgenstein (1889-1951) voltooide het werk in augustus 1918 tijdens een verlof in Wenen – en vooral op de Hochreith, het jachthuis van de familie – kort voor hij het einde van de oorlog in Italiaanse krijsgevangenschap zou beleven. Tijdens de oorlogsjaren, waarin hij als Oostenrijks soldaat in het keizerlijke en koninklijke leger dienst deed aan het oostfront, soms op de gevaarlijkste posities, werkte hij er voortdurend aan. Maar het woord ‘oorlog’ komt er niet in voor. Er gebeurt sowieso vrij weinig in dat boek. Het geeft blijk van een nogal statische kijk op de wereld. In 1921 verscheen de Logisch-philosophische Abhandlung, zoals de oorspronkelijke titel luidt, voor het eerst, in een gebrekkige editie in de door Nobelprijslaureaat Wilhelm Ostwald uitgegeven Annalen der Naturphilosophie. Een jaar later verscheen een betere editie, vergezeld van een Engelse vertaling, bij Kegan Paul Trench Trubner & Co in Londen.

WittgensteinLuitenant01

Ludwig Wittgenstein als Oostenrijks luitenant in het keizerlijke en koninklijke leger. Foto op zijn militaire identiteitskaart.

De wereld
Het is trouwens het gemakkelijkste boek om samen te vatten. Dit is in het kort de inhoud:

Die Welt ist alles, was der Fall ist. Was der Fall ist, die Tatsache, ist das Bestehen von Sachverhalten. Das logische Bild der Tatsachen ist der Gedanke. Der Gedanke ist der sinnvolle Satz. Der Satz ist eine Wahrheitsfunktion der Elementarsätze. (Der Elementarsatz ist eine Wahrheitsfunktion seiner selbst.) Die allgemeine Form der Wahrheitsfunktion ist: [pξN(ξ)]. Dies ist die allgemeine Form des Satzes. Wovon man nicht sprechen kann, darüber muß man schweigen.

Het zijn de zeven hoofdstellingen van het boek. Alleen heb ik nu de nummers eens weggelaten. Het is een tekst die men zo maar langs de kant van de weg kan aantreffen (om geen copyright te schenden neem ik die foto hier niet over, maar klik even). Men ziet hoe de opeenvolgende zinnen steeds door één term met elkaar verbonden zijn: Fall – Tatsache(n) – Gedanke – Satz – Wahrheitsfunktion – en tenslotte nog: allgemeine Form. Wittgenstein smokkelt een beetje door bij de vijfde stelling een toelichting of een toevoeging tussen haakjes op te nemen en bij de zesde stelling ineens twee zinnen op elkaar te laten volgen (Daarom aarzel ik ook een beetje of die algemene vorm wel in het verbindende kernrijtje thuishoort.) Hoe het ook zij: de zevende propositie – Satz is Wittgensteins eigen term – staat in ieder geval nogal opvallend op zichzelf – in dit rijtje althans.

Duidelijk toch? Of, nou nee, eigenlijk niet. Zelfs het simpele woordje ‘ist’ is hier niet altijd helder. Betekent het elke keer wel hetzelfde? Wordt het iedere keer op dezelfde wijze gebruikt? Drukt het een identiteit uit en in welke zin dan? (Juist van dat punt, wat identiteit is, of misschien wel niet kan zijn, maakt Wittgenstein nogal een punt (pun intended), verklap ik maar.) Hoe verhouden die Sachverhalte zich nu precies tot het feit, de Tatsache? Dat je kunt lezen ‘Was der Fall ist, ist das Bestehen von Sachverhalten’, lijkt duidelijk. Maar kun je ook lezen ‘Die Tatsache ist das Bestehen von Sachverhalten’? Die Tatsache? Eén feit maar? Of moeten we hier toch aan feiten, Tatsachen, in het algemeen denken? Maar is het nu een feit dat er Sachverhalte bestaan? Of moeten we lezen dat feiten uit Sachverhalte bestaan?

Stand van zaken
Dat laatste kennelijk, maar direct duidelijk is het allemaal niet. En dan heb ik de vraag wat een Sachverhalt nu eigenlijk is, gemakshalve nog maar even laten rusten. De Nederlandse vertaler, de voormalige lector fysische geografie te Groningen W.F. Hermans, maakte er, althans in de tweede, herziene druk zijner overzetting uit 1976, een connectie van. (Wat hij in de nogmaals herziene, maar sindsdien niet meer gewijzigde derde druk uit 1977 deed, weet ik niet.) Dat lijkt, althans in eerste instantie, nog niet eens zo heel erg vreemd. Op de introductie van het begrip volgt in Satz 2.01 immers direct deze uitleg: ‘Der Sachverhalt ist eine Verbindung von Gegenständen. (Sachen, Dingen.)’ Ja, een connectie is een verbinding – en omgekeerd. En toch knaagt er iets, want meestal denk je bij dit woord, Sachverhalt, niet primair aan de betrekking tussen twee (of meer) dingen. Ja, ik besef dat Sachverhalt wellicht net een tikkie dynamischer of interactioneler klinkt dan Sachlage, maar de gewone betekenis lijkt toch eerder toedracht of stand van zaken te zijn. Natuurlijk, tussen de zaken die samen een (statische) stand of een bepaalde toedracht vormen, bestaan relaties, maar die zijn eerder een onderdeel van het gehele beeld dat opgeroepen wordt, zou je zeggen.

Dat laatste is dan ook wat de tweede Engelse vertaling, die van David Pears en Brian McGuinness uit 1961, ervan maakt. Een Sachverhalt is een state of affairs. Of de hele zin: ‘What is the case – a fact – is the existence of states of affairs.’ (Merk trouwens op hoe die Tatsache, bepaald, in het Engels a fact, onbepaald, wordt, maar dat kan natuurlijk als die Tatsache, zoals de auteur hier kennelijk bedoelt, algemeen en niet specifiek is – waarmee ik meteen een hiervoor opgeroepen vraag beantwoord.) Maar de eerste Engelse vertaling, die van C.K. Ogden (met de niet onbelangrijke of zelfs overheersende hulp van Frank P. Ramsey) uit 1922, waar Wittgenstein zelf, zij het op grote fysieke afstand, bij betrokken was, geeft Sachverhalt weer als een atomic fact. ‘What is the case, the fact, is the existence of atomic facts.’ (Opnieuw terloops: hier is dat feit dus wel bepaald gebleven.) Dat is een vertaling waar je op grond van het woordenboek niet snel op zou komen. Die is dus óf gebaseerd op een interpretatie van de verdere tekst door de vertalers, óf de auteur heeft hen iets ingefluisterd – en dat laatste was uiteraard het geval, om de uitdrukking uit de eerste Satz nu maar eens op bescheidener schaal te gebruiken. Het is in ieder geval in lijn met wat Bertrand Russell in de inleiding uitlegt:

‘What is complex in the world is a fact. Facts which are not compounded of other facts are what Mr. Wittgenstein calls Sachverhalte, whereas a fact which may consist of two or more facts is a Tatsache: thus, for example “Socrates is wise” is a Sachverhalt, as well as a Tatsache, whereas “Socrates is wise and Plato is his pupil” is a Tatsache but not a Sachverhalt.’

Een Sachverhalt zou dus een simpel feitje zijn, ‘a fact which has no parts’, zoals Russell het later nog eens formuleert. (Je zou trouwens zeggen dat een Verbinding, want dat is een Sachverhalt volgens Wittengestein, altijd uit minstens twee delen bestaat, maar de gedachte moet zijn dat dát gegeven zelf niet meer opgesplitst kan worden en dus één elementair feit vormt.) Kortom, elke Sachverhalt, elke stand van zaken, zou een Tatsache, een feit zijn, maar niet elk feit, elke Tatsache, zou een stand van zaken, een Sachverhalt zijn. Tja. Als Russell het zegt…

Maar toch schuurt er iets. Al was het maar omdat dit taalgebruik gekunsteld aandoet. Bij een stand van zaken, een state of affairs, denk je zeker niet alleen aan hele kleine, onsamengestelde feitjes. Dat is ook wat Hermans in de verantwoording van zijn mij in tweede instantie overigens niet overtuigende vertaalkeuze voor connectie terecht opmerkt: dat ‘in het dagelijks taalgebruik met “stand van zaken” juist zeer ingewikkelde feiten plegen te worden aangeduid.’ Wie vraagt wat de stand van zaken is, verwacht meestal een heel verhaal. En dat geldt ook voor de politiecommissaris in Tatort die wil weten hoe de zaken ervoor staan, kortom wat de Sachverhalt is. Kortom, bij een Sachverhalt denk je eerder aan de werkelijkheid als zodanig, bij een feit, een Tatsache, aan de verbinding van die werkelijkheid met de talige beschrijving ervan, aan de juiste omschrijving van de stand van zaken dus. (Je kunt – net aan – zinvol spreken over de ware toedracht of zelfs de ware stand van zaken, niet over de ware feiten, behalve dan op de paradoxale wijze waarop ik dat nu doe, omdat die feiten per definitie reeds waar zijn.) Wittgenstein verafschuwde die inleiding door Russell overigens, maar in dit geval lijken we er toch wel op af te kunnen gaan. Kennelijk gebruikte hij die term Sachverhalt op een nogal eigenzinnige – of vriendelijker gezegd: technische – wijze, omdat hij geen beter woord voor een elementair feit tot zijn beschikking had (wat volgens mij in de lijn van de latere Wittgenstein al een reden, of op zijn minst een aanleiding, zou kunnen zijn om te twijfelen aan het nut dezer constructie).

Onhelder
En zo zouden we nog wel even door kunnen gaan. Wat moeten we eigenlijk onder een logisches Bild verstaan? Je zou denken dat logica juist op het formele betrekking heeft en geen beeld kan vormen, zelfs niet in beeldspraak, waarin dat beeld dus niet meer dan een metafoor is. Wat is een waarheidsfunctie? En wat betekent [pξN(ξ)]? Dat is zonder nadere toelichting allemaal niet direct duidelijk. Kortom, mijn gemakzuchtige samenvatting is misschien toch niet helemaal geslaagd. Of ligt dat ook aan de auteur? Russell beweert bijvoorbeeld dat Wittgenstein in de tekst niet goed uitlegt waar [pξN(ξ)] voor staat, zodat Russell die lacune in de inleiding in alle goedheid nog maar even opvult. Toen Wittgenstein in 1929 op dit werk promoveerde, bleef de tekst ongewijzigd. In normale omstandigheden zou de promotor dan tegen de promovendus gezegd hebben: joh, verbeter dat nog even. Maar in dit geval weet ik nog niet zo zeker of Russell wel gelijk heeft. Het lijkt me dat Wittgenstein in het voorafgaande vijfde deel – als we de met een 5 genummerde proposities zo mogen noemen – de betekenis wel degelijk uitlegt, of althans het verstaan ervan voorbereidt. Alleen kun je dat in deze samenvattting natuurlijk niet direct zien.

En tot die gans simpele observatie wil ik me nu beperken. Namelijk dat Wittgensteins tekst, zelfs al op de allereerste blik, niet direct erg helder is. En dat wordt er niet veel beter op als je stug doorleest. Niet alleen wordt de betekenis van bepaalde termen niet erg duidelijk, de samenhang tussen de opeenvolgende zinnen is ook niet altijd helder. Het is simpelweg geen betoog. Je zou bijna zeggen dat het de tekst aan logica ontbeert, als je niet wist dat die juist over logica gaat. En als je niet gezien had dat de auteur bij de eerste propositie in een voetnoot als toelichting geeft:

Die Decimalzahlen als Nummern der einzelnen Sätze deuten das logische Gewicht der Sätze an, den Nachdruck, der auf ihnen in meiner Darstellung liegt.’

Wat is een logisch gewicht nu weer? Je zou eigenlijk denken dat een zekere logica, hoe ook opgevat – en dit gebruik moet wel erg ver af staan van de in de wijsgerige logica gebruikelijke – juist impliciet in de tekst hoort te zitten. En er dus niet zo kunstmatig van buitenaf met dat trucje van die decimalen aan toegevoegd hoort te worden. Natuurlijk, de retorica – dat is de logica waar het hier om moet gaan – kent vanouds voorschriften over de opbouw van een tekst. Een zekere indeling mag ook aan de lezer of hoorder gepresenteerd worden. Maar een auteur die een tekst van nog geen negentienduizend woorden zo in een ingewikkeld schema met 545 stellingen opdeelt, lijkt in ieder geval niet erg handig.

WittgensteinHochreith-2

Nog jaren na de Eerste Wereldoorlog bleef Wittgenstein zijn uniform dragen. Hier zien we hem in de zomer van 1920 op het familiebuiten de Hochreith tussen zijn zuster Helene Salzer en zjn vriend Arvid Sjögren.

Klar sagen
Dat zou misschien nog niet zo erg zijn, als de auteur juist van helderheid geen bijzondere deugd maakte. Tot de bekendste uitspraken uit de Tractatus behoort wel deze (4.116):

‘Alles was überhaupt gedacht werden kann, kann klar gedacht werden. Alles, was sich aussprechen läßt, läßt sich klar aussprechen.’

En al direct in het voorwoord zegt hij:

‘Man könnte den ganzen Sinn des Buches etwa in die Worte fassen: Was sich überhaupt sagen läßt, läßt sich klar sagen; und wovon man nicht reden kann, darüber muss man schweigen.’

We kunnen moeilijk stellen dat Wittgenstein erin geslaagd is om datgene waarover hij meende wel iets te kunnen zeggen, duidelijk uit te drukken. En in de allereerste zin van datzelfde voorwoord blijkt hij dat ook al te beseffen:

‘Dieses Buch wird vielleicht nur der verstehen, der die Gedanken, die darin ausgedrückt sind – oder doch ähnliche Gedanken – schon selbst einmal gedacht hat. – Es ist also kein Lehrbuch. – Sein Zweck wäre erreicht, wenn es Einem, der es mit Verständnis liest Vergnügen bereitete.’

Het blijft paradoxaal. Terwijl Kant in de geërgerde openingszin van zijn Prolegomena ook zegt dat zijn boek niet voor leerlingen is bedoeld, dus geen studieboek is, heeft hij op zich minst de illusie dat hij leraren nog iets aan het verstand kan peuteren. Maar Wittgenstein geeft het eigenlijk al bij voorbaat op. Enige logische of retorische overtuigingskracht kent hij zijn verhandeling in feite niet toe. Al kun je natuurlijk ook lezen dat hij het overgrote deel zijner lezers voor te dom houdt. Wie hier zelf niet opkomt, zal het nooit begrijpen. Dat is in feite mystiek.

Literair
En dat is het ook. Alleen een mysticus kan zo lang aan zo’n duistere tekst met zo weinig kans op overreding schaven. Zelf weet hij dat hij alle problemen in essentie definitief opgelost heeft, hij beseft ook maar al te goed dat de wereld dat niet zal begrijpen. Auch das ist der Fall.

Wat is nu het eigenaardige? Dat de eerste Engelse vertaler, Charles Kay Ogden, die duisterheid in feite ook met zoveel woorden aankondigt in de aantekening die hij aan zijn vertaling vooraf laat gaan:

‘In rendering Mr Wittgenstein’s Tractatus Logico-Philosophicus available for English readers, the somewhat unusual course has been adopted of printing the original side by side with the translation. Such a method of presentation seemed desirable both on account of the obvious difficulties raised by the vocabulary and in view of the peculiar literary character of the whole. As a result, a certain latitude has been possible in passages to which objection might otherwise be taken as over-literal.’

De woordenschat roept niet alleen overduidelijk moeilijkheden op, het gehele werk heeft ook een eigenaardig literair karakter, een peculiar literary character. Nota bene! De filosoof kondigt aan dat ‘de waarheid van de hier meegedeelde gedachten onaantastbaar en definitief’ is. En dat hij alle problemen in essentie voorgoed opgelost heeft. En de vertaler zegt doodleuk: dit is een literair werkje.

Maar misschien doet zich daar helemaal geen tegenstelling voor.

(197)

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers op de volgende wijze: