Archive for december, 2015

30 december 2015

De veroordeling van Lodewijk Pincoffs – een rectificatie

door Jan Dirk Snel

[Woensdag 30 december 2015] Ik heb een fout gemaakt. En er zit niets anders op dan dat maar op te biechten en recht te zetten. Waar gaat het over? Voor het laatste nummer van Christen Democratische Verkenningen, het winternummer van 2015 dat dezer dagen verschijnt, schreef ik een column onder de titel: ‘Forum privilegiatum: een Kamerlid voor de Hoge Raad?‘ De aanleiding wordt gevormd door de onderzoekscommissie die de Tweede Kamer heeft ingesteld naar het zogenaamde ‘lek’, dat trouwens nauwelijks een lek is, uit de CIVD, de Commissie voor de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten. In het historisch getinte stukje schrijf ik onder meer over de veroordeling van minister van marine G.Ch.C. Pels Rijcken in 1868 en over – toen inmiddels voormalig – senator Lodewijk Pincoffs (1827-1911), wiens fraude met de Afrikaanse Handelsvereeniging in 1879 en 1880 door de Hoge Raad behandeld werd.

WeekbladvanhetRegt1880

Een der vele artikelen die het Weekblad van het Regt wijdde aan het proces tegen Lodewijk Pincoffs en Henry Kerdijk.

Fout
Dit is de passage:

‘Het enige parlementslid dat tot dusverre voor de Hoge Raad werd gedaagd – onder dezelfde bepaling als Pels Rijcken – was het Rotterdamse Eerste Kamerlid Lodewijk Pincoffs, die zich als directeur van de Afrikaansche Handelsvereeniging aan grootscheepse fraude schuldig had gemaakt. Hij was allang naar Amerika gevlucht. Op 23 februari 1880 verklaarde de Hoge Raad hem ‘wederspannig aan de wet’. Tot een inhoudelijke uitspraak kwam het, anders dan veel geschiedschrijvers beweren, nooit.’

Dat laatste, dat klopt dus niet. Het kwam wel degelijk tot een inhoudelijke uitspraak. Mijn fout heeft verder geen enkel inhoudelijk gevolg voor wat ik in mijn stukje verder betoog, maar de slotzin, die er onmiddellijk op volgt, had ik dan wel anders moeten formuleren. Nu luidt die:

‘Ook nu zal het, om heel andere redenen, stellig niet tot een veroordeling komen.’

Daar blijf ik op zich inhoudelijk bij. Het huidige onderzoek van de Tweede Kamer zal hoogstwaarschijnlijk niet tot een rechtszaak leiden en als dat al het geval is, zal er zeker geen veroordeling uitkomen. Maar dit is niet de plek om dat nader uiteen te zeggen. Over deze merkwaardige affaire heb ik trouwens al twee keer eerder – eerst hier en vervolgens hier – iets opgemerkt en misschien doe ik dat nog wel eens. Maar qua formulering had ik deze stelling dan niet zo op een verwijzing naar Lodewijk Pincoffs kunnen laten aansluiten. Ik had dan, na de veroordeling van Pincoffs vermeld te hebben, iets hebben moeten schrijven als: ‘Maar dit keer zal het, anders dan toen, echter stellig niet tot een veroordeling komen.’

Wederspannig
Waarom maakte ik deze fout? Staat er immers in allerlei overzichten, zoals hier op parlement.com, niet dat Pincoffs op 6 maart 1880 door de Hoge Raad bij verstek tot acht jaar gevangenisstraf veroordeeld werd? Jazeker, en daar ging ik aanvankelijk ook vanuit. Maar ik wilde iets meer weten: hoe dat nu precies zat met die veroordeling en daarom begon ik in de gemakkelijkst beschikbare bronnen, oude kranten op internet, naar een verslag te zoeken. En het probleem was dat ik daarbij nergens iets kon vinden over een veroordeling bij verstek tot acht jaar. Na de uitspraak op zaterdag 6 maart 1880 schreven de dagbladen alleen maar over de veroordeling van Pincoffs’ mededirecteur Henry Kerdijk tot twee jaar. Geen woord over een straf voor Pincoffs. Pas in 1928 vond ik daarover een berichtje. (Het is mogelijk dat ik meer berichtjes vond, misschien ook iets eerder, maar toch allemaal van decennia na het proces.) Ook in de vele artikelen over het proces in het Weekblad van het Regt die ik doornam, vond ik geen spoor van een veroordeling van Pincoffs. In het nummer van maandag 8 maart, wordt eerst gezegd dat de Hoge Raad de voorafgaande zaterdag uitspraak heeft gedaan ‘in de zaak Pincoffs-Kerdijk’, maar vervolgens gaat het alleen maar over Kerdijk. Ik kreeg dus – ten onrechte – de indruk dat aan Pincoffs geen aandacht meer werd geschonken. En dat het dus bij zijn wederspannigverklaring van 23 februari 1880 was gebleven.

Hoe het ook zij, voor mijn artikel maakte het eigenlijk niet uit of Pincoffs nu wel of niet veroordeeld werd, maar hierna durfde ik dat eerste niet meer stellig op te schrijven. Waren de berichten over zijn verstekstraf wel op de bronnen gebaseerd? Bovendien vond ik het in het boek Rotterdamse juristen uit vijf eeuwen door G.Chr. de Kok uit 2009 wel het verhaal over Pincoffs wederspannigverklaring en nog wat bijkomende dingetjes, maar ook de opmerking: ‘kennelijk kon toen in een verstekzaak geen straf worden opgelegd’. Ook die auteur ging er in een vrij recent werk dus vanuit dat het niet tot een uitspraak was gekomen.

OosterwijkPincoffsMaar ik had natuurlijk beter moeten weten. Bovendien, wist ik dan niet dat er een moderne biografie over Pincoffs was van Bram Oosterbeek, Ik verlang geen dank. Lodewijk Pincoffs (1827-1911) uit 2011? Jazeker wel en ik probeerde dat boek ook direct te pakken te krijgen. Maar ik had beter naar de openbare bibliotheek hier te plaatse kunnen gaan – de Amsterdamse universiteitsbibliotheken hebben het boek niet – want ik probeerde het te bestellen bij een firma die weliswaar de volgende dag levering beloofde, maar waarbij het er uiteindelijk op neerkwam dat ik het boek pas na meer dan een week in huis had. En toen had ik mijn stuk allang ingeleverd.

Arrest
Oosterwijk citeert in zijn boek het arrest (pagina 225). Henry Kerdijk werd veroordeeld ‘tot een correctionele gevangenisstraf van 2 jaar, te ondergaan in eenzame opsluiting, in 7 geldboeten van 50 gulden en betaling van de kosten’. Zijn mededirecteur Lodewijk Pincoffs werd bij verstek veroordeeld tot ‘een tuchthuisstraf van acht achtereenvolgende jaren, tot betaling van honderd en acht boetes, elk ten bedrage van vijftig gulden en in de kosten van het regtsgeding, desnoods executabel bij lijfsdwang.’ De overige details zal ik u besparen, maar terwijl Kerdijk bij niet betalen voor elke boete twee dagen extra celstraf zou krijgen, waren er dat bij Pincoffs drie. Ook waren zijn kosten al bij al veel hoger.

Geheim was de veroordeling overigens bepaald niet, want de Hoge Raad bepaalde dat een extract in Rotterdam en Den Haag op de gebruikelijke plaatsen zou worden aangeplakt, alsmede aan de koopmansbeurs in Rotterdam. Ook zou het worden gepubliceerd in de Nieuwe Rotterdamsche Courant. Ik had waarschijnlijk ook pech dat deze jaargangen van die krant kennelijk nog niet in Delpher zijn opgenomen. Maar misschien had ik ook verder beter moeten zoeken. Hoe het ook zij, Bram Oosterwijk ontleent de tekst van de arresten, waar hij meer over zegt, aan het archief van de Hoge Raad der Nederlanden. Ik hoop binnenkort tijd te vinden om dat zelf nog eens te raadplegen.

Kortom, ik had voorzichtiger moeten zijn. Toen ik mijn stukje begin deze maand schreef, had ik te weinig materiaal bij de hand om te kunnen beweren dat Pincoffs daadwerkelijk veroordeeld was. Maar ik had ook te weinig positieve aanwijzingen voor mijn stelling dat het nooit tot een uitspraak was gekomen, ook al kon ik die toen niet vinden. En ik had al helemaal geen reden om andere geschiedschrijvers te beknorren. Dom, dom.

Onwaarheid
Dit wilde ik maar even gezegd hebben. Aan de verdere strekking van mijn column doet de rechtzetting van één slordige zin gelukkig niets af, maar het besef een onwaarheid de wereld in geslingerd te hebben blijft vervelend. Ik had voorzichtiger moeten zijn.

Naschrift (donderdag 31 december 2015)
Ook de twee volgende stukjes gaan over de CIVD-zaak. Direct hierna verscheen: Drijfzand – Het betoog van Gerard Spong over de parlementaire onderzoekscommissie naar het ‘lek’ in de CIVD. En vandaag voegde ik daaraan toe: Geen wettelijke grondslag voor de parlementaire onderzoekscommissie-CIVD-lek, zoals het hieraan voorgaande, Een overzicht van mijn in totaal zes stukjes over de zaak geef ik onder die bijdrage van vandaag.

(194)

17 december 2015

Na het debat – Wat er mis is met de Tweede Kamer en hoe het beter kan

door Jan Dirk Snel

[Donderdag 17 december 2015] Het gaat niet goed met de Tweede Kamer. Ons politieke bestel is op zich zeer gezond, maar een van de kerninstellingen disfunctioneert helaas hevig. Gisteren in het debat dat zogenaamd over het rapport van de commissie-Oosting ging, zagen we dat nog weer eens schrijnend. Of was dat maar zo, dat wij het allemaal zagen. Terwijl de hooligans die op hetzelfde tijdstip in Geldermalsen bezig waren, nog op brede afkeuring stuitten, kregen de raddraaiers in de Tweede Kamer nogal wat publieke bijval. Wangedrag van fractievoorzitters, ook de keurige burger vindt het op zijn tijd prachtig. Als het maar een stropdas voor heeft, mag het zich in dit land rustig misdragen. De hedendaagse mentaliteit, net wat u zegt.

Waarover
Waar ging het over? Zogenaamd over het rapport van de Onderzoekscommissie Ontnemingsschikking, ook wel de commissie-Oosting genoemd, dat heel poëtisch de titel Het rapport van de Onderzoekscommissie Ontnemingsschikking draagt. Dat rapport van 431 pagina’s telt al bij al precies 131.750 woorden. Het werd een week eerder gepubliceerd. Een grondige studie zal ongeveer een week vergen. Maar dan moeten de fractievoorzittende woordvoerders in die week dus ook echt helemaal niets anders hebben gedaan. Maar goed, we weten natuurlijk hoe dat gaat in de Kamer, het ging nauwelijks concreet over dat rapport. Het zijn bepaald geen scherpe recensenten, die fractievoorzitters. Slechts een enkele keer werd naar een concrete bewering verwezen. Maar dat weet elke onderzoeker bij voorbaat: voor de Tweede Kamer schrijven is paarlen voor de zwijnen werpen.

RIMG0429Van veel reflectie gaf het debat in ieder geval geen blijk. Waar ging het rapport over? Over een deal van het Openbaar Ministerie uit 2000, ruim vijftien jaar geleden dus. En hoe de afgelopen jaren daarover op nieuwsgierige vragen informatie is verschaft.

De eerste prealabele vraag is dan natuurlijk: wat is het belang van dit thema? Is die deal van zolang geleden van enig actueel belang? Het antwoord lijkt me eenduidig. Nee, natuurlijk niet. Het is van evenveel parlementair belang als een grondig onderzoek naar de financiële handel en wandel van Cornelis Musch. Al was daar dan wel veel meer mee mis. Wat was de aanleiding? Het programma Nieuwsuur had het een en ander over uitgevonden. Leuk voor die journalisten. Of het knap werk was, of dat de informatie gewoon bij hen terechtkwam, weet ik niet. Blijkt ook niet uit rapport. Maar als journalisten een historisch programma over een detailkwestie willen maken en kijkers dat interessant vinden, ben ik wel de laatste om daar kwaad van te spreken.

Wel merkwaardig is dat de Kamer het kennelijk nodig vond om nadere vragen te stellen. Waarom, dat is onduidelijk. Of toch niet helemaal. Het geval wilde dat Fred Teeven bij die deal was betrokken en op het moment van de uitzendingen staatssecretaris was. Men wilde kennelijk weten of hij wel juist had gehandeld. Het antwoord is ook duidelijk: je kunt op allerlei manieren over die deal oordelen, of die wel verstandig was, maar hard juridisch was er kennelijk niets onoirbaars gebeurd. Teevens handelen werd keurig door zijn meerderen gedekt. En of het allemaal verstandig was, is dan een andere historische vraag, vast interessant voor juristen, voor gewone mensen echter van geen enkel belang.

Geobsedeerd
Alleen was men inmiddels geobsedeerd geraakt door de hoogte van een bepaald bedrag. Alsof dat er nog toe deed. Maar enfin. Het bleek dat het ministerie dat niet snel naar boven kon krijgen. Beetje onhandig allemaal. Het resultaat was dat toen het ministerie de gegevens uiteindelijk wel vond, minister Opstelten en staatssecretaris Teeven aftraden. Nergens voor nodig, als je het mij vraagt, maar heel handig was het optreden nu ook weer niet. En dan hoort zoiets er politiek nu eenmaal bij. Medelijden met de bewindslieden hoeft men ook niet te hebben. Ook met de gekte van de Kamer moet men een beetje handig weten om te gaan.

Zaak gesloten zou je zeggen. Maar de Kamer vond het – de motie-Slob – nodig nog een volstrekt overbodig onderzoek in te stellen. Dat leidde tot het rapport van de commissie-Oosting. Dat gaat dus over helemaal niks, dat weet ook iedereen, maar het is vast heel degelijk gedaan allemaal, laten we daar maar op vertrouwen.

Alleen wie er zo nodig over wil debatteren, dient het natuurlijk ook grondig te bestuderen. De Tweede Kamer dus. Die wilde erover praten. Niet onredelijk ook. Als je nu eenmaal een onzinnige opdracht hebt gegeven, zul je de beker ook tot de bodem toe leeg moeten drinken. Flauwekul leidt tot flauwekul, onvermijdelijk. Maar zoals we gisteren konden volgen, had de Kamer nu ook weer niet zoveel zin om echt op het rapport in te gaan. Want over het rapport ging het anders dan in algemeenheden niet erg. Het merkwaardigste was dat men ook bewindslieden had uitgenodigd. Dat was al helemaal niet nodig. De Kamer zou gewoon zelf over dat rapport kunnen spreken. Als het namelijk ergens aanleiding toe geeft, is het wel de vraag waarom de Kamer dit eigenlijk wilde weten. Mooie gelegenheid tot zelfreflectie.

Algemene zaken
Wat hadden de huidige bewindslieden op justitie, Van der Steur en Dijkhoff – de naam van de eerste komt in het rapport drie keer voor, van de laatste geen enkele keer – er te doen? Nou ja, je kunt zeggen, het rapport ging ook over het speuren naar oeroude informatie op het ministerie. Je mag natuurlijk aannemen dat men dat in het vervolg wat beter probeert te regelen. Het is ook allang bekend dat men daarmee bezig is. Maar goed, ten overvloede kun je het als Kamer nog eens laten bevestigen. Maar tijdens het debat werd Dijkhoff uitvoerig doorgezaagd over een of andere bijeenkomst, waar hij geweest was. Waarom, dat doorzagen, bedoel ik, bleef onduidelijk. Tja, er wordt politiek wel eens wat onderling afgestemd. So what? Alsof die rare vragen naar het bedrag op het ‘bonnetje’ allemaal zo van een zuiver belangeloze historische speurzin getuigden. Met het rapport had het in ieder geval niets te maken.

Maar ook de minister-president en minister van algemene zaken, Mark Rutte, was uitgenodigd. Die had er natuurlijk helemaal niets te zoeken. Het speelde niet op zijn kleine ministerie en met de zaak had hij bar weinig te maken. Als men het rapport daarop naslaat, ziet men dat ook. Maar het is een hedendaags geintje van de Tweede Kamer: overal de minister-president bijslepen. Ook hier was hij al eerder voor naar de Kamer geroepen, kan men in het rapport nalezen. De Kamer miskent daarmee doelbewust de constitutionele rol van de premier. Die heeft grondwettelijk maar twee taken: het voorzitten van de ministerraad en het leiden van zijn eigen ministerie. De minister-president hoort maar een paar keer per jaar in de Tweede Kamer uitgenodigd te worden: bij de algemene politieke beschouwingen, bij de behandeling van de begroting van zijn ministerie en als het gaat om zijn optreden in de Europese Raad. En misschien nog als blijkt dat hij ergens een grote rol bij gespeeld heeft, hetgeen hier dus niet het geval was. Wat uiteraard onverlet laat dat elke minister, als hij dat wil, zich volgens artikel 69 der Grondwet in elk mogelijk debat mag mengen.

Treurig was dan ook de motie van afkeuring die het Kamerlid Segers indiende:

‘De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
kennisnemend van de conclusies van het rapport van de commissie-Oosting;
keurt het onder de verantwoordelijkheid van de minister-president gevoerde beleid af,
en gaat over tot de orde van de dag.’

Het ‘onder de verantwoordelijkheid van de minister-president gevoerde beleid’? Ammehoela! Natuurlijk niet. Een minister-president kan zijn functie tamelijk vrij invullen en in hun boek De geheimen van het torentje. Praktische gids voor het premierschap (1993) laten Arendo Joustra en Erik van Venetië prachtig zien hoe Lubbers de regie volkomen naar zich toetrok, maar natuurlijk zijn grondwettelijk alle ministers in gelijke mate verantwoordelijk, ieder voor zijn eigen departementaal beleidsterrein. Het klopt gewoon niet, dat van die minister-presidentiële ‘verantwoordelijkheid’, maar doodleuk zijn er toch 65 Kamerleden bereid om over dat bezwaar heen te stappen en voor die motie te stemmen. Wat er dan overigens nu precies aan beleid werd afgekeurd en wat het verband zou kunnen zijn met de conclusies van het rapport, werd ook niet duidelijk. Ik weet niet wat de motie onder die ‘conclusies’ verstaat, maar als we het ruim nemen en daaronder het hele deel 4 van het rapport verstaan, dan is daarin in ieder geval geen sprake van een onder verantwoordelijkheid van de premier gevoerd beleid, dat aanleiding zou geven tot afkeuring. Segers verzint maar wat.

Rechtsstaat
Maar dat doet hij vaker. Neem nu eens de woorden waarmee het debat opende:

‘Waar dit debat over gaat, dat is het aanzien van de politiek, de geloofwaardigheid van de overheid en het vertrouwen in de rechtsstaat. Toen ik het rapport van de commissie-Oosting las, moest ik denken aan de filosoof en kerkvader Augustinus, die zich afvroeg wat er nog voor verschil is tussen de overheid en een roversbende als de staat niet is onderworpen aan de wet.
Het is de democratische rechtsstaat die het verschil maakt tussen een beschaving en een bananenrepubliek, en die democratische rechtsstaat is in het geding bij de deal die is gesloten met Cees H. en de manier waarop daarna met de waarheid en met de Kamer is omgegaan. Hoe kunnen wij van burgers vragen, zich aan de wet te houden en hun belastingaangifte naar waarheid in te vullen als de indruk wordt gewekt dat politici creatief met de waarheid kunnen omgaan, elkaar de hand boven het hoofd houden en dat mensen van justitie boven de wet staan?’

Als Gert-Jan Segers over de rechtsstaat begint, kun je er donder op zeggen dat hij die probeert te mishandelen. Zo ook hier. Hoe hij op de associatie met die roversbende van Augustinus komt, is trouwens ook een raadsel. Het Openbaar Ministerie gaf vijftien jaar geleden misschien wat te veel geld weg, maar dat ze iets roofde, kun je toch moeilijk stellen. Meneer roept maar wat. Hoe de rechtsstaat hier in het geding zou zijn, maakt hij uiteraard ook niet duidelijk, natuurlijk niet. Neem de vaste vier beginselen uit het gezaghebbende boek van Burkens c.s.: legaliteit, machtsverdeling, grondrechten, rechterlijke controle. Iets daarvan hier van toepassing? Natuurlijk niet. Maar toch loze retoriek over die rechtsstaat. Segers beseft kennelijk niet hoe gevaarlijk zulk geroep is. Wil je de rechtsstaat echt in ere houden, dan zul je er ook zorgvuldig over moeten spreken. Aan hem niet besteed.

Maar hij was niet de enige. Ook anderen – Roemer, Van Haersma Buma, Van der Staaij, Samsom, en later ook nog Wilders en Kuzu – hadden hun mond vol van die rechtsstaat en in het algemeen volstrekt fout of op zijn hoogst zonder dat ook maar enigszins duidelijk was wat het verband was. Maar behoed, of liever gehoed, moest die rechtstaat wel worden, betuigden ze in koor. Volgens Van Haersma Buma is het ministerie van Veiligheid en Justitie ‘de hoeder van de rechtsstaat’ en is een ‘goede premier’ dat vervolgens ook nog eens. Hoe schoon! En enkele tellen later liet Alexander Pechtold zich op gelijke wijze uit: ‘Twee VVD-bewindslieden op Veiligheid en Justitie zouden, samen met de minister-president, de hoeders van de rechtsstaat moeten zijn, maar een voor een en allen tezamen hebben ze de rechtsstaat en de democratie in hun hemd gezet.’ Hoe dan, vergat hij er even bij te vertellen. De heren hebben een klank opgevangen en roepen maar wat. Soms krijg je de indruk dat ze misschien gewoon de rechtsorde bedoelen. De enige die, waarschijnlijk volstrekt toevallig, het begrip een keer correct gebruikte, was Halbe Zijstra toen die betoogde dat je criminelen moet durven aanpakken en dat je daar ‘een Openbaar Ministerie met lef’ voor nodig hebt, maar, voegde hij eraan toe, ‘vanzelfsprekend wel handelend binnen de regels van de rechtsstaat.’ Juist ja, zo is de rechtsstaat bedoeld, voor de bescherming van burgers, zelfs als ze crimineel zijn. Dat is wat anders dan de fantasie van Segers en kompanen.

Beschamend
RIMG0425Het optreden van de Kamer en vooral de oppositie was, om Alexander Pechtold nog eens te citeren, ‘een beschamende vertoning’. Maar ik pas die woorden dan maar even toe op de lieden die ze verdienen. Het kuddegedrag van de huidige Tweede Kamer is ronduit treurig. Geen enkele zelfreflectie, geen enkele gedachte wijdt men aan de vraag waar men toch mee bezig is. Elke zijweg die de Kamer tegenkomt slaat ze massaal in en verdwaalt er vervolgens hopeloos.

Maar laat ik niet te triest eindigen. Het moet toch beter kunnen? Jazeker. Natuurlijk, men zou betere Kamerlieden moeten kiezen, met meer kritisch vermogen. Maar dat is wel erg gemakkelijk gezegd. Ook in deze Kamer moeten er tussen de 150 leden wel slimmere lieden aanwezig zijn. De huidige fractievoorzitters zijn immers beslist niet de schranderste exemplaren van de mensheid. Goed, Samsom lijkt me echt slim, Van der Staaij is goed bij de pinken en Klaver zou ik vooralsnog het voordeel van de twijfel willen geven, maar de beperktheid van op zich ongetwijfeld heel aardige en welwillende lieden als Roemer, Pechtold, Van Haersma Buma en Zijlstra is nogal ten hemel schreiend. Geen fantasie, geen greintje intellectuele souplesse, eendimensionaal in denken en optreden – dat wordt nooit meer wat.

Dertien
De ergste misstand is wel dat aan zo’n debat slechts dertien van de honderdvijftig leden meedoen. Daar deugt uiteraard niets van. Elk lid vertegenwoordigt op zijn eigen wijze het gehele Nederlandse volk. Elk lid dient dan ook ongehinderd aan elk debat mee te kunnen doen. Uiteraard, ik zie ook wel dat het nogal lang gaat duren als alle honderdvijftig leden spreektijd gaan nemen, maar dat is ook nergens voor nodig. Het ligt uiteraard voor de hand dat leden die op eenzelfde lijst zijn gekozen, gemeenlijk één fractie vormen en dan ook gezamenlijk één woordvoerder voor een debat aanwijzen. Maar als iemand anders in een fractie nog iets wil toevoegen of een ander standpunt naar voren wil brengen, dan zou dat ook moeten kunnen. Een fractie hoeft het immers niet altijd over alles eens te zijn en dan zouden gelijkgezinden erbinnen hun eigen woordvoerders het veld in moeten kunnen sturen. Geschiedde in vroeger dagen ook.

En dat iedereen zijn zegje moet kunnen doen, geldt vooral voor de interrupties. Daar is het al heel lang droevig mee gesteld, al verliep het onder de ervaren leiding van voorzitter Khadija Arib gisteren op zich allemaal tamelijk soepeltjes. Maar het is zo simpel. Sta bij grotere debatten – of beter nog: bij alle debatten – in de eerste termijn geen interrupties toe. Dat kan ook zo volgens het Reglement van Orde. De voorzitter kan interrupties toelaten. Het hoeft dus niet. Eerst de toespraken, van de Kamerleden en, indien aanwezig, bewindslieden, zodat iedereen ongehinderd de kans krijg tot een keurig exposé. En daarna, als alle standpunten en gezichtspunten bekend zijn, dan kan men in een twee ronde wel onderling met elkaar in debat gaan. Dan weet men ook waar de echte punten van bespreking liggen en hoeft men een spreker niet te vragen naar dingen die hij nog wilde gaan zeggen. Of dat in zo’n tweede of latere termijn per se via interrupties moet, is nog maar de vraag. Men zou ook kunnen invoeren dat Kamerleden dan gewoon om het woord vragen. En ministers uiteraard ook, want gezien hun grondwettelijke recht aan de beraadslagingen deel te nemen komt het recht te interrumperen hen zonder meer toe.

Men kan zich ook afvragen waarom dat gespreek allemaal vanaf een speciaal spreekgestoelte of, bij interrupties, vanachter dat malle hekje moet. Waarom niet vanaf de zitplaats? Of vanwaar een Kamerlid maar net rondhangt? Je kunt tegenwoordig iedereen een microfoontje opspelden zodat iedereen vanaf elke willekeurige plek kan spreken. En anders zet je her en der maar wat meer microfoons neer. Valt technisch allemaal zo te regelen (net als individueel electronisch stemmen, voeg ik er nog maar aan toe).

Boetekleed
Dat is dus het essentiële. In zo’n tweede of latere ronde zou dus echt iedereen mee moeten kunnen doen. Het is toch onbestaanbaar dat er geen slimmere lieden in zo’n zaal zitten, die met enkele gerichte vragen de zaak even op het goede spoor kunnen helpen? Het is toch niet zo moeilijk om de bellenblazerij van Segers en andere types even door te prikken? Maar nu gebeurt het niet. Als dat wel het geval was, zou het debat al heel wat meer dynamiek krijgen. Dan zouden ook fractievoorzitters werkelijk het debat aan moeten gaan over de vraag waar het nu eigenlijk over gaat. Dan is het afgelopen met de ingestudeerde toneelstukjes.

RIMG0413En dan zou bijvoorbeeld ook het debat met Fred Teeven aangegaan kunnen zijn. Want dat was wel het wonderlijkst, het ging grotendeels over het Kamerlid Teeven, maar hij sprak niet en hem werd niets gevraagd. Dat is ronduit absurd. In 1909 werd het Kamerlid Abraham Kuyper tijdens de algemene beraadslagingen gevraagd naar bepaald handelen tijdens zijn jaren als minister van Binnenlandse Zaken (1901-1904) – de lintjesaffaire, men zal zich dat nog wel herinneren. Het was bij die gelegenheid, op 18 november 1909 dat hij de befaamde woorden uitsprak dat het boetekleed de man niet ontsiert – Jan de Bruijn schreef er een heerlijk boekje over. Toen kon de Kamer wel het debat met een medelid aangaan, toen kwam wel iedereen die een duit in het zakje wilde doen aan het woord. Maar nu gebeurt dat allemaal niet. Het tekent de treurige staat van de Kamer.

En daar valt dus snel iets aan te doen. Niet meer die huidige regels. Minder regels vooral, maar wel een gezaghebbende voorzitter met gezag én bevoegdheden. Het zou uiteraard nog even wennen zijn, een kwestie van uitproberen vooral ook. Maar het zou de eerste stap zijn op weg naar herstel van gelijke rechten voor alle Kamerleden.

Ernstig
Je kunt er natuurlijk over twisten hoe ernstig de toestand is. En of het erg is dat de Tweede Kamer keer op keer in onbenulligheid verdwaalt. Misschien valt het mee. Dit soort vertoon van wangedrag is natuurlijk niet de dagelijkse gang van zaken, dan doet men gewoon het alledaagse, saaie, taaie wetgevende werk waar het om gaat. En doordat andere instellingen – de regering, de Eerste Kamer, de Raad van State en ga zo maar door – wel goed functioneren, wordt het disfunctioneren van de Tweede Kamer wel opgevangen. Ons systeem is met zijn verdeling van taken krachtig. Terwijl Kamerleden zich misdragen, werken ambtenaren plichtsgetrouw door.

Maar ik zou de ernst toch niet willen onderschatten. Het publieke effect is bepaald niet zonder gevaar. Natuurlijk, het gaat om rituelen. De oppositieleden die voor die malle motie stemden, menen natuurlijk geen moment wat daarin staat. Niemand meent oprecht dat Rutte, Van der Steur of Dijkhoff serieuze fouten hebben gemaakt. Het is maar spel. De minister-president gaat ritueel door het stof, de Kamer dient ritueel een motie van afkeuring in die het toch niet haalt, en men gaat over tot de orde van de dag. Maar vanwaar al die onoprechtheid? Rituelen zijn nuttig, als ze de wezenlijke functies van ons parlementaire bestel maar ondersteunen. Maar deze ondermijnen die juist. Dat is een slechte zaak.

Er zijn namelijk mensen die het echt niet doorzien. Die dus nu werkelijk denken dat er van alles mis was op justitie. En die nu denken dat men elkaar daar in Den Haag de hand weer boven het hoofd heeft gehouden. Ook keurige twitteraars denken dat er gelogen is. Al besef ik ook dat dat bij sommigen ook weer een rituele invulling is van de rol die ze voor de plichtsgetrouwe burger zien weggelegd. Dat leren ze zo van de televisie. Maar sommigen geloven het ook. Dat veronderstelde ‘liegen’ valt nergens uit het rapport op te maken, staat er ook nergens, maar enkele minder oplettende lieden hebben ondertussen toch maar die indruk gekregen.

Zelfreflectie
En daarom is het tijd voor een Kamer die aan serieuze zelfreflectie gaat doen. Waar leden die wel in staat zijn om kritisch waar te nemen, de kans krijgen om de opzetjes van het huidige type fractievoorzitters door te prikken en hun loze spelletjes te ontregelen. Het moet echt beter.

Het kan ook beter.

(193)