Burgers kunnen de rechtsstaat niet bedreigen – Over de Cleveringa-lezing door minister Ivo Opstelten

door Jan Dirk Snel

[Dinsdag 25 november 2014] De rechtsstaat is een groot goed. Met vallen en opstaan is hij in de loop der eeuwen opgebouwd. Iets afbreken is gemakkelijker dan iets tot stand brengen en het is dan ook goed dat minister Ivo Opstelten maandag in zijn Cleveringa-lezing wees op de fundamentele waarde ervan. Een minister van justitie is de eerste om voor de rechtsstaat op te komen.

 –

Rechtsstaat
Wat is een rechtsstaat? Dat is geen staat die het recht handhaaft – dat uiteraard ook, maar dat wordt van oudsher van elke staat verwacht – maar een staat die zichzélf aan bepaalde rechtsbeginselen bindt. Een rechtsstaat houdt niet slechts burgers aan de wet, hij bindt zich allereerst zelf aan het recht. Wat zijn die beginselen? Daarvoor zullen we af moeten gaan op de rechtsgeleerde literatuur. De rechtsstaat is geen constitutioneel begrip, althans nog niet, en het begrip komt slechts in een drietal formele wetten voor, die geen nader uitsluitsel over de invulling ervan geven, maar die al bekend veronderstellen.

Cleveringa

Buste van Rudolph Pabus Cleveringa (1894-1980) door E. Siepman van den Berg (1981), Academiegebouw te Leiden. (Foto: Vysotsky (Wikimedia))

Drie beginselen vormen wel de kern van het begrip rechtsstaat. Ten eerste is daar de heerschappij van de wet, tot uiting komend in het legaliteitsbeginsel en een constitutie. De overheid mag burgers geen plichten, lasten of straffen opleggen die niet berusten op een vooraf kenbare wettelijke grondslag. Ten tweede is daar het beginsel van een zekere scheiding der machten – wetgeving, bestuur, rechtspraak – die uiteraard wel met elkaar samen moeten kunnen werken. Het gaat om een spreiding van bevoegdheden, macht en tegenmacht, checks and balances. Vooral de onafhankelijkheid der rechterlijke macht is daarbij een cruciaal punt. En in de derde plaats gaat het dan om waarborging der klassieke grondrechten. Een aantal fundamentele rechten en vrijheden dient gegarandeerd te zijn.

Dit is historisch wel de kern, maar sommige auteurs voegen er nog enkele punten aan toe, bijvoorbeeld de eis dat de uitoefening van bevoegdheden door de overheid aan rechterlijke controle onderworpen moet zijn, op zich een wat nieuwer principe. Ook democratie wordt soms in het rijtje eisen opgenomen, maar wie spreekt over een democratische rechtsstaat meent nu eenmaal eerder dat beide elementen elkaar aanvullen, al lijkt naar hedendaags begrip een rechtsstaat zonder democratisch aspect moeilijk voorstelbaar.

 –

Ongelijkwaardigheid
Van dit begrip rechtsstaat gaat minister Opstelten in zijn rede zeker óók uit, zo bijvoorbeeld als hij betoogt dat we het jihadisme krachtig, zonder aarzeling of terughoudendheid moeten bestrijden, ‘maar altijd binnen de grenzen van de rechtsstaat’ , of wanneer hij opmerkt dat ’we onze veiligheid moeten bewaken, zonder groepen mensen buiten de rechtsstaat te plaatsen’.

Maar helaas wordt zijn terminologie onzuiver als hij spreekt over ‘nieuwe bedreigingen’: de wijze waarop het internationaal jihadisme ‘een gevaar voor onze rechtsstaat’ vormt. Uiteraard vormt dat jihadisme een gevaar en met het aanpakken ervan kan men alleen maar instemmen, maar vormt het ook een directe bedreiging voor de rechtsstaat? Nou nee, dat kan niet eens. De grote veronderstelling achter de rechtsstaat, de wijze waarop de overheid zich institutioneel aan recht en wet bindt, is juist dat de staat een gestalte van een geheel andere orde is dan burgers: juist omdat hij zo machtig is, moet hij zichzelf inperken. Bij de rechtsstaat gaat het steeds om de verticale en ongelijkwaardige relatie tussen overheid en burgers. Als de staat zich niet zou inhouden, zou hij een bedreiging voor de vrijheid van burgers kunnen vormen, het omgekeerde is door de ongelijke machtsverhoudingen niet mogelijk.

Als Opstelten stelt dat de jihadistische beweging ‘in alles het tegengestelde van onze democratische rechtsstaat’ is, heeft hij gelijk als het gaat om de denkwijze, maar als het op reële machtsverhoudingen aankomt, is er op geen enkele wijze sprake van gelijkwaardige partijen. De vraag ‘hoe tolerant wij moeten zijn tegenover de intolerantie van de jihadisten’, gaat dan ook uit van de verkeerde veronderstelling. Hier staan geen twee gelijkwaardige partijen tegenover elkaar. De staat hoeft echt niet ‘tolerant’ te zijn voor jihadisten, maar dan niet omdat die onverdraagzaam zouden zijn, maar simpelweg omdat ze de wet overtreden. Het gaat dan om het handhaven van de rechtsorde, niet om de rechtsstaat als zodanig. Als Opstelten spreekt over lieden ‘die de rechtsstaat aanvallen’, geeft hij ze te veel eer en houdt hij het eigen gezag van de overheid onvoldoende hoog.

Zorgvuldigheid
Nu zou men kunnen vragen: maakt het zoveel uit dat de minister van justitie het begrip rechtsstaat op een andere wijze gebruikt dan tot dusverre gebruikelijk is? Zegt hij niet slechts ‘rechtsstaat’ waar we vanouds over ‘rechtsorde’ spreken? Is dit geen zout op slakken leggen? Ik denk van niet. Dit past in een algemene politieke trend waarin de rechtsstaat in toenemende mate in termen van een contract met de burgers gezien wordt, zodat die van hun kant hem ook zouden kunnen bedreigen. Maar wie zozeer de ware aard van de overheid miskent, loopt het gevaar de waarborgen die de rechtsstaat biedt, aldus toch te ondermijnen.

Criminele acties van een aantal jihadisten kunnen de rechtsstaat echt niet ondermijnen. Maar als elke staat is ook onze democratische rechtsstaat wel afhankelijk van passieve en actieve instemming, legitimiteit. Elke staat behoeft draagvlak en daarvoor is een goed begrip bij de bevolking wenselijk. Een paar mensen die zich expliciet tegen de uitgangspunten van de rechtsstaat keren, vormen misschien wel een bedreiging voor de rechtsorde, maar echt niet voor de rechtsstaat. Maar als veel mensen, onder wie politici, niet meer beseffen waar het begrip rechtsstaat voor staat, draagt dat op termijn wel bij aan een zekere uitholling. Wie onzorgvuldig over de rechtsstaat spreekt, ondergraaft een zorgvuldige omgang ermee. Vooral een minister van veiligheid en justitie zou dat niet moeten doen.

Naschrift (woensdag 26 november 2014, 13.50 uur)
Een sterk verkorte versie (235 woorden) van bovenstaande verscheen vandaag als ingezonden brief in NRC Handelsblad.

(171)

3 Responses to “Burgers kunnen de rechtsstaat niet bedreigen – Over de Cleveringa-lezing door minister Ivo Opstelten”

  1. De timing/locatie van uw ingezonden stuk had niet beter gekund : onderop blz. 16, terwijl bovenaan op blz. 17 een zeer scherp stuk staat van twee hoogleraren informatierecht (Dommering en Van Eijk) onder de titel “Opstelten slaat onwettig onze data op”.

    Ik had overigens de lezing van minister Opstelten vanwege incompatibiliteit met het onderwerp (en vermoedelijk ook met de naamgever van de lezing) overgeslagen.

Trackbacks

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers op de volgende wijze: