Integratiezucht – De wegzending van twee Turkse Kamerleden en de homogenisering van de Nederlandse samenleving

door Jan Dirk Snel

[Zaterdag 15 november 2014] Donderdagavond werden twee Turkse leden uit de fractie van de PvdA gezet, omdat ze kennelijk niet zonder meer hun instemming met het integratiebeleid van minister Lodewijk Asscher wilden betuigen. Ik wist eerst niet wat ik ervan moest denken en ik weet het nog niet goed.

Drie aspecten
Na enkele discussies gevolgd te hebben, kwam ik geleidelijk tot de conclusie dat er twee aspecten aan de zaak zitten en dankzij de scherpzinnige inbreng van Jasper Klapwijk zag ik in dat er minstens drie aspecten onderscheiden moeten worden. In de volgorde van specifiek naar algemeen: (1) de concrete omgang van de PvdA met groepsbelangenbehartigers of, negatiever geformuleerd, het vraagstuk van het cliëntelisme, (2) het probleem van de fractiediscipline of, opnieuw omineuzer verwoord, de kadaverdiscipline, en (3) de visie op integratie (en dan met name de vraag of het culturele of sociaaleconomische element de overhand krijgt). Ik hoop dat Jasper Klapwijk de tijd vindt hierover een eigen blogstuk te schrijven en ik ben dan ook niet van plan alle gras voor zijn voeten weg te maaien – wat ik overigens toch niet zou kunnen, omdat hij ongetwijfeld zijn eigen visie heeft – door alle drie aspecten alvast uitvoerig te gaan behandelen. [Toevoeging, zondag 16 november, 18 uur: Dat stuk is er nu: Kadaverdiscipline, cliëntelisme en uitsluiting.]

VerhagenHoezoMisluktWat betreft het eerste punt weet ik eenvoudigweg te weinig van de opvattingen en vooral het handelen van de beide heren om te kunnen beoordelen of zij zich inderdaad aan – ik neem nu maar het zwaarste verwijt – cliëntelisme schuldig heben gemaakt. Leden van de Staten-Generaal vertegenwoordigen grondwettelijk gezien het gehele Nederlandse volk, dus niet alleen de kiezers op hun partij of de kiezers in het algemeen – gemeenlijk zo’n drievijfde der totale bevolking of iets minder – zij het uiteraard wel vanuit hun specifieke visie, maar bij het opstellen van hun kandidatenlijsten houden partijen uiteraard wel degelijk rekening met de herkomst van de beoogde Kamerleden en deze heren zullen mede vanwege hun geworteldheid in een zeker milieu uitverkoren zijn. Daar is op zich ook niets mis mee. De grens tussen wat een gerechtvaardigd accent op de stem van een maatschappelijke groep is, en wat men depreciërend cliëntelisme noemt, lijkt me niet helder, al weet men vaak wel heel goed wanneer de grens eenmaal gepasseerd is. Maar of dat hier het geval was? Ik zou het niet weten. Nog niets van gezien in ieder geval.

Het probleem van de fractiediscipline – punt twee dus – lijkt me al wat ernstiger. De heren beweerden donderdagavond dat van hen geëist werd een schriftelijke verklaring te ondertekenen dat ze instemmen met de integratiekoers en het beleid van minister Lodewijk Asscher van sociale zaken. Ik heb, mogelijk door onoplettendheid, de tekst dier verklaring nog steeds niet gezien, maar als dat waar is, deugt daar niets van. Je laat een paar fractieleden geen afzonderlijke verklaring tekenen. Of allemaal of niemand. Maar het liefst dus het laatste. Kamerleden behoren het beleid van een minister te beoordelen. Het algemeen aanvaarde uitgangspunt is dat ministers het vertrouwen van de Kamer genieten en als dat niet het geval is, maakt de Kamer dat kenbaar, bijvoorbeeld via een motie of door een voorstel te aanvaarden dat de minister voor onaanvaardbaar heeft verklaard. De klassieke vertrouwensregel houdt in dat Kamerleden hun vertrouwen in een bewindspersoon of een kabinet kunnen opzeggen. Dat Kamerleden gedwongen zouden worden het vertrouwen in een minister uit te spreken en dat zelfs op papier vast te leggen, is een ongehoorde omkering van zaken. Daar deugt, los van alle materiële beoordeling van het conflict, geen snars van.

Integratie
Mij gaat het nu vooral om het derde punt, de visie op integratie. Want daar ligt het grote probleem in het huidige politieke debat. En dan moet ik zeggen dat er geen minister is aan wiens goede bedoelingen ik zozeer werkelijk geen moment twijfel, en wiens opvattingen ik tegelijk zo fout vind, als Lodewijk Asscher. Ik zou daar gedetailleerd op in kunnen gaan, maar in dit geval lijkt het me verstandiger in te gaan op een algemene tendens in het politieke debat die het laatste decennium de overhand heeft en waar Asscher de exponent bij uitstek van is.

De achterliggende ontwikkeling is die van de toenemende homogenisering van onze samenleving. De constateerbare openlijke tendens is het normatief stellen ervan. De culturele gelijkschakeling van onze samenleving wil men ook met politieke middelen nog verder aanjagen. En Asscher is niet meer dan een volgeling van die algemene gedachte. Het komt tot uiting in zijn streven zo ongeveer de hele samenleving en met name minderheden daarbinnen rousseauistisch contractueel te binden. De schandelijke verklaring van verbondenheid die nieuwe Nederlanders sinds 2009 bij hun naturalisatie moeten ondertekenen, die de verhouding tussen overheid en burger honderdtachtig graden omkeert, een ongehoorde schending van het eerste artikel onzer grondwet, is daarvan het inmiddels klassieke model.

Dat een samenleving een zekere cohesie behoeft, lijkt me op zijn minst geen vreemde gedachte. We vormen nu eenmaal een nationale gemeenschap, gelukkig binnen het ruimere en beschermende kader van de Europese Unie en de Raad van Europa (met het Europees Verdag van de Rechten van de Mens), en dan zijn er dingen die we delen. Meer dan ooit vormen wij Nederlanders één nationale communicatiegemeenschap. Juist omdat die nationale interactie zo sterk is, is een expliciet nationalisme niet eens meer nodig. Het doel van het nationalisme, dat een onvermijdelijk gevolg is van de vorming van liberale en later democratische, op bevordering van het algemeen welzijn gerichte staten, is namelijk al bereikt. Meer dan ooit vormen Nederlanders één ondeelbare natie en wat er al is, hoeft men nog niet eens expliciet te bevorderen, zoals in de hoogtijdagen van het negentiende-eeuwse liberalisme urgenter was. (Nationalisme is in oorsprong immers niet anders dan de keerzijde van het liberalisme. Vandaar dat Jonathan Israël de vader van de volkszielgedachte, J.G. Herder, in zijn werken over de Radicale Verlichting een ereplaats tussen de exponenten van die beweging kon toekennen. Radicale liberaliteit en nationalisme waren immers onlosmakelijk verbonden.)

Minderheden
Integratie vormt sinds de ontwikkeling van het minderhedenbeleid onder Hans Wiegel in 1979 een kerndoelstelling van het Nederlandse beleid inzake nieuwkomers. Of een dergelijk beleid nu zo nodig was, daar kan men achteraf van mening over verschillen en misschien heeft Frans Verhagen (Hoezo mislukt?) gelijk dat het onnodig is om beleid te voeren, omdat het na enige tijd allemaal vanzelf op zijn pootjes terecht komt, het is er nu eenmaal. En in de afgelopen dertig jaar is er aan de hoofddoelstelling, integratie, ook nooit iets veranderd. Maar het blijft wel een merkwaardig begrip en we kunnen ons afvragen of het niet handiger was geweest als we het gewoon aan de wiskunde hadden overgelaten.

De eeuwige vraag – sinds enkele decennia dan – is vooral waar nu eigenlijk het onderscheid met assimilatie ligt. Wat is integratie? Dat iemand er bij hoort? En dan is de vraag: uit wiens perspectief? Dat van de nieuwkomers of de gevestigden? Of is het al voldoende als een immigrant zich hier thuis voelt en anderen misschien helemaal niets van hem merken of zich althans niet aan hem ergeren? Hier is het verschil tussen Marokkanen en Turken wel instructief. Ik herinner me dat twintig jaar geleden of langer de Franse politicoloog en Duitsland-kenner Alfred Grosser tijdens een optreden op het Goethe Institut hier in Amsterdam al een keer betoogde dat Noord-Afrikanen in Frankrijk veel beter in de samenleving opgenomen waren dan Turken in Duitsland en dat men juist daarom in Frankrijk veel meer met die Algerijnen en Marokkanen te stellen had. Wie er meer bij hoort, laat nu eenmaal meer van zich horen. Turken in Duitsland deden dat minder omdat ze meer op zichzelf leefden.

In Nederland hebben we beide groepen en het algemene beeld lijkt aardig te kloppen. Ik weet niet zeker of mijn persoonlijke observaties zonder meer veralgemeniseerd kunnen worden, maar hier bij mij in de straat hoor ik Turkse jongeren voortdurend onderling in het Turks converseren, terwijl de Mocro’s die ik soms voor de deur en her en der in de straat aantref, eigenlijk altijd onderling het Nederlands blijken te hanteren. Kortom, het algemene beeld is dat Marokkanen meer opgaan in de ‘nieuwe’ samenleving – die voor de tweede en derde generatie uiteraard vaak die hunner geboorte is – terwijl Turken meer in eigen kring verkeren. Vandaar ook dat Marokkanen soms net zo opgewonden als hedendaagse Nederlanders reageren, terwijl Turken stil en ongemerkt hun eigen gang gaan en hun eigen dingen doen. Maar uiteraard is dit een grove schets die op persoonlijk of individueel niveau lang niet altijd opgaat. Het boeiende is echter wel dat ook zo’n tamelijk algemeen, nogal grof geschetst beeld al verschillende houdingen te zien geeft. Elke minderheid heeft zo haar eigen kenmerken en dat werd vanaf het begin in de literatuur gethematiseerd, al duurde het even voor uitgerekend de eigenheid van Turken en Marokkanen werd onderkend. In de geheel herschreven vierde druk uit 1987 van zijn boek De minderheden (oorspronkelijk uit 1982) wijdt Peter Schumacher afzonderlijke paragrafen aan Indische Nederlanders, Molukkers, Surinamers, Antillianen en Arubanen, Chinezen en zigeuners, maar Marokkanen en Turken moet je zoeken onder het gezamenlijke kopje ‘buitenlandse werknemers’, al differentieert hij in die stukjes vervolgens wel degelijk.

Turken
Maar deze week gaat het ineens over Turken, de stillen in den lande. Die zouden niet genoeg integreren. Aan het voorval met de twee Turkse Kamerleden ging dinsdag de Motivaction-publicatie in opdracht van Forum vooraf. In mijn vorige weblogstukje beweerde ik dat de uitkomsten daarvan niet konden kloppen en daar blijf ik vooralsnog bij. Het onderzoek kon niet echt representatief zijn. 93% steun voor Erdogan? Dat is echt veel meer dan het ook al hoge percentage van 78% Nederlandse Turken dat afgelopen zomer op de man stemde, terwijl de opkomst onder de stemgerechtigden hier te lande niet veel meer dan 7% was en daarmee kennelijk al zeer onrepresentatief. Waar zijn de Koerden, de alevieten, de volgelingen van Gülen, de aanhangers van het traditionele seculiere Turkije? Maar iets, zij het minder, zal toch er wel van waar zijn. Kennelijk weerspiegelen de opvattingen van nogal wat Turkse jongere die van Turkse tv-zenders. En dus vond men in augustus, toen het laatste onderzoek werd gedaan, dat Assad als heel wat erger beschouwd moest worden dan ISIS – ook weer niet zo verrassend, aangezien het officiële Syrische bewind tot dusverre ongetwijfeld heel wat meer mensen dood heeft gemaakt dan de oppositionele groepen – terwijl men paradoxalerwijze een democratie tevens heel wat wenselijker achtte dan een kalifaat.

Waar ging het hier om? Om gedrag? Nee, om opvattingen en dan ook nog vrij vaag geformuleerd. Om opvattingen over ‘ongelovigen’ alhier? Nee, om ideeën over een situatie ver weg. Om beelden over een strijd ver buiten de Nederlandse landgrenzen, zij het voor (een deel van) die jongeren mentaal dichterbij dan voor de meeste andere Nederlanders. Maar om theorie dus. Bij mijn weten stromen Turkse jongeren niet massaal naar Syrië om zich bij de strijders voor ISIS te voegen. Marokkanen doen dat uiteraard ook maar mondjesmaat, maar er zijn er meer van, terwijl het voor Turkse jongelieden toch relatief gemakkelijker zou zijn om in Syrië te geraken. Het grootse deel van de reis maken sommigen of velen van hen immers al met een zekere regelmaat, mag men aannemen.

Kortom, de opwinding over het rapport was nogal overdreven. De kennelijk niet geheel aselecte groep van jongeren die antwoordde, deed niks verkeerd, maar gaf wel de verkeerde antwoorden op een deel der vragen. En dat motten we niet. Want in dit land moet iedereen hetzelfde denken. Nou ja, binnen grenzen dan. En, geen misverstand, ik vind die antwoorden, ook al zouden ze van een lager percentage zijn, ook niet deugen, zoals ik die ene tweet van Yasmina Haifi deze zomer ook voldoende reden voor haar ontslag – in haar specifieke werksituatie – achtte. Maar is er voor onze Nederlandse samenleving veel aan de hand? Nou nee, het gaat hooguit wat hersenspinsels van vreedzame jonge medeburgers van wie je in dit opzicht verder niet veel verneemt.

Homogenisering
En daar ligt misschien wel de kern van het probleem. Onze samenleving kan ook niet meer veel hebben. We leven in een tijd van extreme homogenisering. Er wordt veel geschreeuwd over de zogenaamde vrijheid van meningsuiting, terwijl er op dat punt van de overheid geen enkel gevaar is – zo’n grondrecht gaat immers over onze verhouding tot de nogal machtige staat – maar o wee als iemand afwijkt. De samenleving springt er direct bovenop. Niet de overheid bewaakt de meningen, maar de publieke opinie. En die ostraceert onmiddellijk iedereen die buiten het geijkte en voorgeschreven patroon valt.

Een ‘parallelle samenleving’, zoals Turkse Nederlanders die kennelijk in enige of zelfs hoge mate kennen, is al gauw verdacht. Vroeger noemden we zoiets een zuil, althans tot die van herkomst waarschijnlijk socialistische term – binnen de arbeidersbeweging gebruikte men de metafoor van de pilaren of zuilen (politiek, vakbeweging, scholing) immers al – in 1935 voor het eerst binnen het ministerie van sociale zaken gehanteerd werd, waarna het nog overigens nog een jaar of twintig, of zelfs het dubbele daarvan, duurde voor iedereen hem neutraal genoeg achtte om met het gebruik ervan in te kunnnen stemmen. En daarvan, zuilen, waren er maar twee of drie: de roomsen, de gerefomeerden en de roden. Bij elkaar vormden die hooguit de helft van de Nederlandse samenleving. Natuurlijk waren ook toen katholieken in de ogen van de protestantse meerderheid, al dan niet kerkelijk, soms even verdacht als Turkse Nederlanders nu. Maar uiteindelijk bleek het met dat roomse gevaar reuze mee te vallen. En dat terwijl het toen ging om bijna tweevijfde van de bevolking.

Turkse Nederlanders vormen slechts een miniem deel van de bevolking. Het CBS, dat er rare definieermethoden op nahoudt, telt slechts een kleine 400 duizend Turkse ‘allochtonen’, tamelijk gelijk over de eerste en de tweede generatie verdeeld. En die mensen doen dus niets fout, vallen zelfs nauwelijks op, maar hebben hooguit wat opvattingen die (inhoudelijk mogelijk terecht) enigszins buiten onze boot vallen. So what? Een groot maatschappelijk probleem? Geenszins. Het enige probleem is de overtrokken integratiezucht: dat iedereen zo moet zijn en denken als ‘wij’.

 –

Integratiezucht
En daar ligt momenteel het hoofdprobleem: de overtrokken integratiezucht. Het idee dat iedereen niet alleen moet doen als wij, maar ook nog eens hetzelfde moet denken. Juist door de welvaart en de homogeniserende secularisatie, waardoor diversiteit en pluriformiteit niet langer algemeen als gegevenheden aanvaard zijn, ligt de nadruk dezer dagen helemaal op het culturele en geestelijke aspect. Terwijl integratie in de kern altijd over het maatschappelijke en economische aspect ging, waarbij de vraag niet was of iedereen cultureel voldoende aan dezelfde norm voldeed, maar of iedereen maatschappelijk en in het economisch verkeer genoeg dezelfde kansen kreeg.

Ik weet niet of integratiebeleid zo’n goed idee was en Frans Verhagen betoogde op nogal sterke gronden van niet, maar als het er is, gaat het om het scheppen en bieden van gelijkere kansen. Waarop het aan mensen en groepen is om daar ja of nee op te zeggen In een voortreffelijk overzicht lieten Ewoud Butter en Roemer van Oordt gisteren zien dat Turken misschien niet al die kansen grijpen. Maar dan nog. Msschien kiezen ze een eigen weg. Moet het per se altijd ‘hoger’?

Het zou misschien ook al heel wat zijn als we leerden om in onze Nederlandse cultuur wat ontspannener met verschillen om te gaan. Ze zijn er nu eenmaal. Multiculturalisme is daarom ook een overbodig ideaal, omdat multiculturaliteit nu eenmaal al bestaat. En er zijn positieve kanten. Iedereen praat tegenwoordig niet alleen over iedereen, iedereen praat ook met iedereen. Ook de Turkse organisaties, hoe verzuild ook – of beter wellicht: juist daarom – laten nu van zich horen en bijten van zich af en dat is winst.

Nieuwe kansen
Politiek is het gebeuren van deze week misschien wel een zegen. De PvdA kan het imago van ‘partij van de allochtonen’ nu van zich afwerpen. Het gaat in totaal om een potentiële aanhang die niet groter is van die van SGP en CU samen, een paar Kamerzetels, meer beslist niet. En de geroyeerde Kamerleden Tunahan Kuzu en Selcuk Öztürk kunnen misschien laten zien of ze op eigen kracht over een werkelijke electorale basis beschikken. Kortom, er kan een helderheid komen, die de verhoudingen alleen maar ten goede kan komen. Daarmee zijn niet alle problemen, met name die van een zo te zien nogal constitutioneel mogelijk dubieuze fractiediscipline opgelost, maar we komen wel verder. Een conflict als dit schept ook nieuwe kansen, voor beide zijden.

En o ja, dat ik in dit stukje over Turkse Kamerleden sprak, was geen vergissing. We weten immers allemaal dat ze Nederlanders zijn. Overdreven, gekunstelde correctheid is niet nodig. Er zijn ook Friese en Overijsselse parlementariërs, zoals er ook katholieke of humanistische zijn. Tijdens alle mogelijke verkiezingen kom ik bij mijn Turkse bakker folders – pardon, flyers – tegen van Turkse kandidaten van allrlei partijen. Diverse kandidaten laten zich nu eenmaal voorstaan op een specifieke toegevoegde identiteit. Daar is op zich niets mis mee. Ze zijn allemaal Nederlanders. Dat weten we en is dus verondersteld en dat hoeven we dus niet elke keer er nog eens bij te zeggen.

En ja, ik heb me ook nog afgevraagd of de term integratiezucht wel helemaal juist is. Integreren is iets dat mensen zelf schijnen te moeten doen en hier doel ik niet op dat streven van mensen zelf, maar op de zucht vanuit de samenleving (en de overheid) dat van mensen te eisen, sociale pressie dus. Maar in Historiezucht doelt Maritha Mathijsen ook op niet het verlangen van negentiende-eeuwers om zelf zo snel mogelijk geschiedenis te worden, maar op hun drang om meer met historische kennis te doen. Het gaat daar om een mentale gerichtheid. In die zin gebruikte ik het woord hier. Door een overdreven nadruk op integratie te leggen maakt onze samenleving het alleen zichzelf maar moeilijk.

Tot besluit
Het zou alleen goed zijn als we wat minder overspannen met de eis van integratie zouden omgaan. Diversiteit hoort erbij. Er is niet één weg naar integretatie, naar hier een eigen plek vinden. En over dat idee van multiculturalisme, waarin traditioneel confessioneel of conservatief denken en postmodern links elkaar vinden, heb ik het dan nog nauwelijks gehad. Een volgende keer dan maar.

Naschrift (14.45 uur)
Bij nader inzien betwijfel ik een beetje of ik bij de omschrijving van het eerste punt wel de meest geëigende bewoordingen heb gekozen. Er bestonden kennelijk al langer spanningen en ergernissen binnen de fractie, wellicht niet zozeer over ‘cliéntelisme’, als wel over de opstelling en houding van het tweetal. Het gewicht van allerlei opmerkingen daarover kan ik niet goed beoordelen. Dat hoef ik ook niet te doen in dit stukje, omdat dat zich op een ander thema concentreert.

Tweede naschrift (zondag 16 november 2014, 18 uur)
Graag wil ik hier nog wijzen op twee stukken die mijn gedachtegang hierboven aanvullen en voor mij veel verheldering brachten (en mijn indrukken mogelijk ook op een enkel punt corrigeren). Allereerst de column van Hans Goslinga in Trouw van gisteren: ‘Asscher komt dicht bij staatsdwingelandij‘. En in de tweede plaats het weblogstuk van Jasper Klapwijk (die ik hierboven al noemde) dat nu verschenen is: ‘Kadaverdiscipline, cliëntelisme en uitsluiting‘.

Het grote probleem ligt bij de PvdA en bij minister Lodewijk Asscher. Door integratiepaniek heeft men zich het hoofd op hol laten brengen. In een poging uitsluiting tegen te gaan, gaat men nu juist tot uitsluiting over. Het is een paradox die voortkomt uit een slechte analyse en nog onjuistere nieuwe ‘idealen’. Geestelijke dwingelandij leidt tot niets. De PvdA zou de waarde (of anders op zijn minst; de gegevenheid) van pluralisme weer moeten leren inzien plaats van zich als een dogmatische seculiere partij neer te zetten. De partij heeft vergeten dat de oorspronkelijke eigen idealen vooral gelijke(re) maatschappelijke kansen betreffen en niet inhouden dat iedereen in Nederland exact hetzelfde moet denken en doen. Dit gaat niet over immigratie, dit gaat over vrijheid en pluraliteit. Wie wind zaait, zal storm oogsten.

(169)

Tags:

7 Responses to “Integratiezucht – De wegzending van twee Turkse Kamerleden en de homogenisering van de Nederlandse samenleving”

  1. Zelden zo’n goed stuk over een actueel politiek probleem gelezen en bovendien een met heldere analyses en meningen waar ik het hartgrondig mee eens ben.

  2. Beste heer Snel,

    In de commotie rond het vertrek van de twee Kamerleden is uit het zicht verdwenen waar zij nu eigenlijk tegen waren. Dat was, als ik mij niet vergis, het feit dat minister Asscher vier Turks-Nederlandse dan wel islamitische verenigingen wilde gaan volgen (of iets dergelijks) om te kijken of ze de “integratie” wel bevorderden. Mij is niet duidelijk geworden of daar een wettelijke basis voor is.

    Men kan zich ook afvragen of andere verenigingen de “integratie” in de gewenste normen en waarden wel bevorderen. Een plaatselijke bingo-club ? En ik verzin maar even iets, een vereniging van verzekeraars die woekerpolissen in de markt zetten ?

    In tegenstelling tot u houd ik mij aan de term Turkse Nederlanders (indien relevant). Uw vergelijking met Groningers enz. klopt niet helemaal. Als geboren en getogen Groningse behoor ik tot de minderheid van Groningers in Nederland. De aanduiding Groninger heeft echter, voor zover ik weet, geen pejoratieve connotatie ; de aanduiding Marokkaan of Turk helaas wel, sinds een groot deel van de bevolking, aangevoerd door bepaalde politici, die woorden als scheldwoord gebruikt.
    Bovendien kan ik mijn paspoort/nationaliteit niet kwijt raken vanwege mijn Groningse afkomst. Een anonieme tip over het een of ander kan al voldoende zijn om een Marokkaanse of Turkse Nederlander van zijn burgerrechten te beroven.

    Ik heb Verhagens boek in de kast staan. Daarnaast staat : Willem Schinkel, ”De gedroomde samenleving”. Vond ik ook erg goed.

    • De vier organisaties worden genoemd in het rapport ‘Turkse islam. Actualisatie van kennis over Turkse religieuze stromingen en organisaties in Nederland. Een literatuurstudie in opdracht van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid’ (https://www.fsw.vu.nl/nl/Images/TRSO%20rapport%20SunierLandman%202014_tcm30-409607.pdf) van de hand van Thijl Sunier en Nico Landman. Het enige probleem daarbij is dat minister Lodewijk Asscher volgens de auteurs conclusies trekt die volgens hen helemaal niet in het rapport staan. Hij leest dus (al dan niet welbewust) verkeerd.
      Tom-Jan Meeus schreef daar gisteren over in NRC Handelsblad: ‘Het gaat gepaard met een permanent gebrek aan empathie en nuance in het openbare gesprek over allochtonen. Zodat discussie te vaak op bijna-feiten is gebaseerd en nodeloos ontspoort. Zo baseerde Asscher zijn ongerustheid over die „parallelle Turkse organisaties” op onderzoek dat, mind you, op geen problemen met die organisaties stuitte.’
      Iets nader onderzoeken zal altijd wel mogen en zo zullen wat dat ‘volgen’, dat u noemt, dus wel moeten lezen. Het is alleen de ernstige vraag of het ook ergens op slaat.
      Overigens heb ik in mijn stukje weinig woorden besteed aan het concrete conflict. Mijn indruk is dat ook al langer lopende irritaties een rol speelden. Dat is in dat soort gevallen vrijwel altijd zo. Als iemand die ontzettend goed ligt in een fractie, ineens dwars gaat liggen, dan komt men daar meestal wel uit. Als er al langer spanningen zijn, vormt het eerder de laatste druppel. Maar mijn stuk ging meer over de overdreven integratiezucht van de Nederlandse overheid en (delen van) de samenleving, waarvoor uiteraard ook wel weer een verklaring gegeven zal kunnen worden die dieper reikt dan wat ik nu beschreef. Maar in éen zo’n stukje kan ik niet alles uit werken. Dan zou het een complete verhandeling worden en het is zo al lang genoeg.

      Uiteraard is er een verschil tussen een Groninger en een Turk. Een Groninger is per definitie een Nederlander (ik zie even af van uitzonderingsituaties als iemand met een andere nationaliteit die al zolang in Groningen woont dat hij als zodanig beschouwd wordt), een Turk kan dat zijn. Als het over Turkse leden van de Staten-Generaal gaat, is dat duidedelijk. Het gegeven dat zo iemand Nederlander is, is daarmee gegeven. En dan hoeven we dat er ook nog niet elke keer bij te zeggen, want we weten het al. Het overbodig benadrukken kan in zo’n context ook iets gekunstelds krijgen. Voortdurend ‘het Turks-Nederlandse Kamerlid’ schrijven maakt het er niet beter op, over andere Kamerleden melden we immers ook niet dat ze Nederlands zijn. Dat bepaalde aanduidingen ook een zekere gevoelswaarde kunnen krijgen, is juist, maar dat doet van de zakelijke inhoud op zich niets af. Die gevoelswaarde kan veranderen en van situatie tot situatie ook verschillen.

  3. 104 bladzijden is mij momenteel iets te veel van het goede, maar blz. 20 kon mij wel bekoren : “de opvatting dat Nederland een gemeenschappelijk stelsel van kernwaarden heeft is empirisch onhoudbaar” .. “culturele homogeniteit steeds meer beschouwd als een noodzakelijk doel”.
    Daaraan twijfelen, aan de noodzaak van gemeenschappelijke kernwaarden en culturele homogeniteit bedoel ik, dat valt uiteraard niet goed bij VVD noch PvdA, en vermoedelijk ook niet bij de meeste andere partijen.
    Onder die kernwaarden (gewoonlijk gebruikt om een aantal minder geapprecieerde grondrechten niet te hoeven te noemen) bevindt zich ook het zelfbeschikkingsrecht (dat impliciet in de Grondwet verwerkt is). Ik vrees dat men in de parallelle kringen van de christelijke orthodoxie daar toch eigen ideeën over heeft (De mens wikt, God beschikt).
    De auteurs waren overigens geen juristen ; de vrijheid van vereniging wordt niet genoemd.

    “Iets nader onderzoeken zal altijd wel mogen en zo zullen wat dat ‘volgen’, dat u noemt, dus wel moeten lezen. Het is alleen de ernstige vraag of het ook ergens op slaat.”

    Het staat de minister uiteraard vrij zich te informeren, maar het “volgen” heb ik toch meer opgevat in de zin van “hinderlijk volgen”, zoals de politie doet bij onze zgn allochtone jeugd. Op het randje van de wet, zo niet erover heen.
    Diverse kranten melden (weet niet of het klopt) : “Asscher wil organisaties minimaal vijf jaar volgen om hen te dwingen de integratie van Turken in Nederland te bevorderen.”
    Ik ben geen jurist, maar als de minister (met de macht van het zwaard ?) de doelstellingen van een vereniging gaat bepalen (afgezien van terrorisme e.d.), dan wordt volgens mij het grondrecht vrijheid van vereniging geschonden.

  4. “Het grote probleem ligt in het beleid van Asscher”. Inderdaad, zegt u dat wel. Hij bouwt vermoedelijk voort op de Integratienota van Ploumen van een aantal jaren terug, waar ik toen al grote moeite mee had.
    Goslinga noemt ook nog strijdigheid met godsdienstvrijheid. Helemaal mee eens, dat had ik hierboven ook moeten noemen.
    Inmiddels ook Tom-Jan Meeus gelezen in NRC, met een wel zeer toepasselijke illustratie !
    Helaas, de wijze woorden van u, van Goslinga en van Meeus, ik vrees dat het niet veel helpt.

Trackbacks

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers op de volgende wijze: